Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2912

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2022
Datum publicatie
29-06-2022
Zaaknummer
9509567
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Auteurscontract boek. Uitgever stelt de schrijver tevergeefs aansprakelijk voor het tussentijds staken van de verkoop van het boek, nadat de dochter van schrijver bezwaar had gemaakt tegen verdere uitgifte van dat boek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 9509567 \ CV EXPL 21-8648 \ 42693 \ 44343

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde I.R.M. Goedings

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. L.J. Witvliet

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis in incident van 8 december 2021 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022.

2 Feiten

2.1.

[eiser] exploiteert een kleine uitgeverij van boeken in eigen beheer. [gedaagde] heeft een boek geschreven over zijn ervaringen bij de krijgsmacht.

2.2.

Partijen zijn begin 2019 overeengekomen dat [eiser] het boek “ [titel boek] ” van [gedaagde] uit ging geven. Partijen hebben daarvoor een auteurscontract gesloten.

2.3.

Nadat in april 2019 het boek in de verkoop was gekomen, heeft de dochter van [gedaagde] zowel [gedaagde] als [eiser] laten weten dat zij een verbod wilde op de uitgave van het boek. Dit omdat daarin diverse privézaken over haar waren opgenomen. Zij heeft beide partijen gesommeerd de uitgave te stoppen.

2.4.

[gedaagde] heeft haar daarop schriftelijk te kennen gegeven dat hij niet aan de sommatie zou voldoen.

2.5.

Eind oktober 2019 hebben [eiser] en [gedaagde] gesproken over een gezamenlijke te voeren strategie tegenover de sommaties van de dochter.

2.6.

[eiser] heeft begin november 2019 aan [gedaagde] laten weten dat hij een eigen koers gaat varen.

2.7.

Daarna heeft [eiser] de verkoop van het boek opgeschort in afwachting van een uitspraak in het kort geding.

2.8.

Het kort geding, dat uiteindelijk alleen tegen [gedaagde] was aangespannen, is toen ingetrokken door de dochter.

2.9.

Een week na de intrekking heeft [eiser] , per brief van 17 december 2019, [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van ruim € 18.000,-, in verband met kosten om het boek uit te geven, omzetverlies en advocatenkosten. In de brief staat: Onder druk van een kort geding heeft cliënt moeten besluiten om het verkopen en uitgeven van het voornoemde boek te staken, hetgeen ook met uw advocaat is besproken.

2.10.

In januari 2020 heeft [gedaagde] de aansprakelijkheid van de hand gewezen en heeft [gedaagde] op zijn beurt [eiser] verzocht om een afrekening van de opbrengsten van de verkochte boeken.

3 De vorderingen en het verweer

3.1.

[eiser] vordert in conventie een bedrag aan schadevergoeding van [gedaagde] van € 17.543,86 (incl. btw), vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat [gedaagde] onverplicht de boeken uit de handel heeft genomen.

3.2.

[gedaagde] verweert zich tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing hiervan, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten. [gedaagde] betwist tekort te zijn geschoten in de tussen partijen gesloten overeenkomst. [eiser] is volgens [gedaagde] zelf in verzuim nu hij de opbrengst van de reeds verkochte boeken (nog) niet heeft uitgekeerd, te weten 16% over de verkoopprijs van 514 exemplaren. [gedaagde] vordert in reconventie daarom veroordeling van [eiser] tot betaling van € 1.504,99, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3.

Volgens [eiser] is de opbrengst die aan [gedaagde] toekomt al verrekend met zijn schadevordering.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Voor een veroordeling tot betaling van schadevergoeding moet sprake zijn van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde] (artikel 6:74 lid 1 BW).

4.2.

De door [eiser] gestelde tekortkoming bestaat, zo bleek tijdens de zitting, volgens hem uit twee onderdelen: ten eerste heeft [gedaagde] stilgezeten toen er actie van hem werd gevergd en ten tweede heeft [gedaagde] de boeken uit de handel gehaald.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis en overweegt daartoe als volgt.

4.3.1.

Dat [gedaagde] een verplichting zou hebben om actief te op te treden, en niet stil te zitten, volgt niet uit het auteurscontract. Er is daarom al geen sprake van een tekortkoming.

Daarnaast is de stelling over het stilzitten feitelijk onjuist, zoals [gedaagde] onderbouwd en gemotiveerd heeft betoogd. [gedaagde] heeft juist wel actie ondernomen. [gedaagde] heeft na ontvangst van de sommatiebrief van zijn dochter samen met zijn gemachtigde - en aanvankelijk ook met [eiser] - een strategie bepaald. Ook heeft [gedaagde] zijn dochter geantwoord dat hij niet zou voldoen aan de sommatie. Vervolgens heeft [gedaagde] , na de intrekking van het kort geding, aan [eiser] (per brief van 24 januari 2020) bericht dat er nog verkoopmogelijkheden waren. [eiser] heeft tegen de opsomming van deze acties niets ingebracht.

4.3.2.

De stelling dat [gedaagde] het boek uit de handel zou hebben gehaald is ook terecht weerlegd. [eiser] heeft, na ontvangst van de sommatiebrief van de dochter van [gedaagde] , namelijk zèlf besloten de verkoop van het boek op te schorten tot er een uitspraak in het kort geding was. Dit volgt uit de brief van 17 december 2019. Als uitgever was hij hier - op grond van het auteurscontract - ook toe in staat. [gedaagde] heeft zich vervolgens bij deze beslissing neergelegd. Maar dat maakt niet dat het de beslissing van [gedaagde] was. Dat [gedaagde] daarna zou hebben besloten het boek definitief uit de handel te halen is ook niet gebleken. Juist niet; op 24 januari 2020 (iets langer dan een maand na de intrekking van het kort geding) heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat er nog voldoende verkoopmogelijkheden waren wat hem betreft. Het is vervolgens [eiser] geweest die hier niet op in is gegaan, zo is onweersproken door [gedaagde] betoogd.

4.4.

Dit leidt tot de conclusie dat de vordering tot schadevergoeding van [eiser] wordt afgewezen.

4.5.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, zoals hierna begroot.

in reconventie

4.6.

[gedaagde] vordert € 1.504,99 aan opbrengsten van de verkochte boeken. Artikel 9 van het auteurscontract bepaalt dat [gedaagde] 16% van de verkoopprijs ontvangt. Vast staat dat er 1.000 exemplaren zijn uitgegeven waarvan er 514 zijn verkocht.

4.7.

[eiser] erkent dat er boeken zijn verkocht en dat [gedaagde] recht heeft op zijn honorarium. Deze opbrengst is volgens hem al verrekend met zijn schadevordering.

4.8.

Aangezien de vordering tot schadevergoeding is afgewezen, is er geen grond voor [eiser] om te verrekenen. Verder is de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering op zichzelf verder niet betwist, zodat deze vordering zal worden toegewezen.

4.9.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proces- en nakosten, zoals hierna beslist.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] begroot op € 746,00 aan salaris voor de gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.504,99;

5.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] begroot op € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt [eiser] in de nakosten, begroot op € 93,50, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op