Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2814

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-06-2022
Datum publicatie
19-06-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3019
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting 2021. In geschil is of ter zake van de verkrijging van de woning het tarief van 2% is verschuldigd of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (de startersvrijstelling) van toepassing is. Eiser vindt de leeftijdsgrens van 35 jaar onterecht en in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie (in het bijzonder artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR). De rechtbank is van oordeel dat het hanteren van een leeftijdsgrens tot 35 jaar voor de startersvrijstelling niet leidt tot een ongeoorloofde discriminatie in de zin van het EVRM of het IVBPR. De wetgever heeft met de gestelde leeftijdsgrens de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/1543
Viditax (FutD), 22-6-2022
NLF 2022/1216
FutD 2022-1813
V-N 2022/35.27.3
NTFR 2022/3227 met annotatie van drs. R. van Haperen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 21/3019

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 11 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voldoening op aangifte overdrachtsbelasting 2021 ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 21 juni 2021, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2022.

Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij akte van levering van 16 februari 2021 heeft eiser de woning gelegen aan de [adresgegevens] in eigendom verkregen. De koopprijs van de woning bedraagt € 295.000, waarover 2% overdrachtsbelasting (€ 5.900) op aangifte is voldaan.

2. In de akte van levering is vermeld:

“OVERDRACHTSBELASTING

Wegens de levering van het Verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd. De

overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper.

De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het Verkochte.

Verlaagd tarief overdrachtsbelasting Woning(en)

Koper heeft verklaard dat het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer op koper van toepassing is. Derhalve is het verlaagde tarief van twee procent (2%) overdrachtsbelasting van toepassing.”

3. Op het tijdstip van de verkrijging van de woning, was de leeftijd van eiser 50 jaar.

Geschil

4. In geschil is of ter zake van de verkrijging van de woning het tarief van 2% is verschuldigd of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wbr) (de startersvrijstelling) van toepassing is. Niet in geschil is dat eiser een schriftelijke verklaring heeft afgelegd als bedoeld in artikel 15a van de Wbr.

5. Eiser stelt dat hij alsnog in aanmerking moet komen voor de startersvrijstelling. Hij vindt de leeftijdsgrens van 35 jaar onterecht en in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Ter zitting heeft eiser nog naar een kwartaalbericht van het Kadaster van 5 mei 2021 verwezen, waaruit zou blijken dat de vrijstelling in 39% van de gevallen wordt gebruikt door personen die reeds woningeigenaar zijn. Ook zou uit andere gegevens blijken, dat minder dan de helft van de woningtransacties toegerekend kan worden aan personen tot 35 jaar. Aldus eiser, is de vrijstelling ondoelmatig en heeft deze bovendien een stuwend effect op de koopprijzen. Ook is eiser van mening dat uit het Kadaster eenvoudig de eigendomsinformatie kan worden verkregen voor de periode na 1 januari 1989. Hij vindt het daarom onbegrijpelijk dat, omwille van uitvoerbaarheidsreden, voor de leeftijdsgrens van 35 jaar is gekozen.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen sprake is van discriminatie als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of als er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Uit de parlementaire geschiedenis komt echter naar voren dat het onderscheid naar leeftijd bij de startersvrijstelling is getoetst aan de in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) opgenomen discriminatieverboden. Met de onderhavige vrijstelling heeft de wetgever een oplossing willen bieden voor in de praktijk gesignaleerde problemen voor starters op de woningmarkt en een vrijstelling beoogd om een bepaalde groep starters een betere kans te bieden op de woningmarkt. Hierbij is door de wetgever bewust gekozen voor een groep die bestaat uit natuurlijke personen tussen de 18 en 35 jaar die een woning verkrijgen. Omdat eiser niet jonger is dan 35 jaar is, kan de vrijstelling niet worden toegepast. Daarnaast betwist verweerder bij gebrek aan wetenschap dat eiser een starter is.

Beoordeling van het geschil

7. De startersvrijstelling is opgenomen in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p van de Wbr. Dit artikel luidt – voor zover relevant – als volgt:

“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting

vrijgesteld de verkrijging van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen of van rechten van lidmaatschap als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze laatste rechten betrekking hebben op een woning, en de gelijktijdige verkrijging van de tot die woning behorende aanhorigheden, indien:

1°. de verkrijger een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan vijfendertig jaar is;

2°. de verkrijger deze vrijstelling niet eerder heeft toegepast en dit overeenkomstig artikel 15a, onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring; en

3°. de verkrijger de verkregen woning of rechten waaraan deze is onderworpen na de

verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring;”

8. De rechter is niet bevoegd wetgeving in formele zin, zoals de Wbr, te toetsen aan de Grondwet en aan algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel.1 Ook kan de rechter niet beoordelen of de wet rechtvaardig is.2 Wel dient de rechter, op grond van artikel 94 van de Grondwet, wettelijke voorschriften buiten toepassing te verklaren als de toepassing ervan niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

9. In het licht van de stellingen van eiser zijn met name de discriminatieverboden zoals neergelegd in internationale verdragen, in het bijzonder artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, van belang. Deze bepalingen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen de gevallen die als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of als er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel.

10. Op fiscaal gebied heeft de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en als dit zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is.3

11. Uit de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet differentiatie overdrachtsbelasting) (MvT), kan worden opgemaakt dat de wetgever met de introductie van de startersvrijstelling heeft beoogd de positie van koopstarters op de woningmarkt te verbeteren.4 Ook kunnen uit deze MvT de overwegingen voor het hanteren van een leeftijdsgrens van 35 jaar worden opgemaakt.5 In de MvT is hierover onder meer opgenomen, dat uit onderzoek is gebleken dat het merendeel van de starters behoort tot de categorie tussen de 25 en 35 jaar. Met de gekozen leeftijdsgrenzen van meerderjarig en jonger dan 35 jaar, is aangesloten bij deze leeftijdsgrens voor de meest actieve koopstarters. Bij het hanteren van de definitie gebaseerd op leeftijd, valt 73% van de doelgroep (personen die nooit eerder een woning hebben verkregen) onder de doelgroep. Gezien de grote urgentie om de groep starters op de koopwoningmarkt te helpen, maar ook de uitdagingen ten aanzien van de uitvoerbaarheid, heeft de wetgever dit percentage voldoende geacht en de gekozen definitie als proportioneel en subsidiair beoordeeld. Volgens de wetgever kan het doel op deze wijze het beste worden bereikt.

12. Niet kan worden gezegd dat de in onderdeel 11 opgenomen veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zijn. Dit brengt mee dat de leeftijdsgrens berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van iedere redelijke grond is ontbloot, althans dat er niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. De wetgever heeft daarom met de gestelde leeftijdsgrens de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hanteren van een leeftijdsgrens tot 35 jaar voor de startersvrijstelling niet leidt tot discriminatie in de zin van het EVRM of het IVBPR. Omdat reeds om die reden de vrijstelling voor eiser niet van toepassing is, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van de vraag of eiser de vrijstelling eerder heeft toegepast.

14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.R. Zonneveld, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).

Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.

Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1 Zie artikel 120 van de Grondwet, Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2818, en Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.

2 Vgl. artikel 11 van de Wet algemene bepalingen.

3 Zie Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206, r.o. 3.3.1 en de door de Hoge Raad aangehaalde jurisprudentie van het EHRM.

4 Kamerstukken II 2020/21, 35 576, nr. 3, p. 8.

5 Kamerstukken II 2020/21, 35 576, nr. 3, p. 8-9.