Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2601

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-05-2022
Datum publicatie
24-05-2022
Zaaknummer
AWB_20_6652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldige nalatigheid. Geen aanleiding om vooruit te lopen op mogelijke toekomstige wet- en regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/6652

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 26 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 12 maart 2021 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde en daarop een korting toegepast van 4%.

In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Daarna hebben partijen over en weer hun standpunten verder schriftelijk toegelicht.

Op 16 december 2021 heeft de rechtbank de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

In vier afzonderlijke besluiten van 26 april 2013 heeft verweerder eiser schuldig nalatig verklaard de over de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009 verschuldigde premie voor de AOW te betalen. De schuldige nalatigheid is vastgesteld op 4% (2005 en 2006) respectievelijk 100% (2008 en 2009).

Het tegen die besluiten gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard (beslissing op bezwaar van 17 januari 2014, waartegen geen beroep is ingesteld).

1.2.

Op 31 oktober 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen. Vervolgens heeft de in het procesverloop vermelde besluitvorming plaatsgevonden.

2.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

Eiser is schuldig nalatig verklaard aan het betalen van de op de aanslag inkomstenbelasting verschuldigde AOW-premie over de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009. In totaal is eiser over deze jaren 208% schuldig nalatig verklaard wat resulteert in een korting van 4% op het ouderdomspensioen van eiser. De besluiten van 26 april 2013 zijn inmiddels onherroepelijk geworden, aldus verweerder. De korting over de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009 wordt dan ook gehandhaafd.

3. Eiser voert aan dat hij de premies over 2005 en 2006 gewoon heeft betaald, hij heeft over die jaren immers belasting betaald. Het is hem niet bekend dat de premies niet betaald zouden zijn, maar daarover is ook nooit met hem gecommuniceerd. Eiser beschikt niet meer over stukken waaruit de betalingen blijken. Die dateren van vóór het faillissement en zijn destijds aan de curator ter beschikking gesteld.

De premies over 2008 en 2009 heeft hij inderdaad niet betaald. Dat is niet het gevolg van nalatigheid van zijn zijde, maar het gevolg van het faillissement van zijn onderneming in 2010 en - in het verlengde daarvan - ook zijn ‘persoonlijke’ faillissement. Daarover is gecommuniceerd met verweerder.

Tot slot is eiser van mening dat sprake is van grove nalatigheid aan de zijde van verweerder. In de overzichten van verweerder is altijd gecommuniceerd dat eiser recht zou hebben op 100% ouderdomspensioen. Dat blijkt nu niet het geval te zijn. Eiser heeft zich daar niet tegen kunnen verweren. Verweerder geeft blijk van een kille en starre houding, die versterkt wordt door het argument dat aan de publicatie geen rechten ontleend kunnen worden. Het ontgaat eiser waarom verweerder deze overzichten publiceert als daaraan (toch) geen rechten ontleend kunnen worden. Door de houding van verweerder wordt het inkomen van eiser voor de rest van zijn leven onder het bestaansminimum verlaagd.

4.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt op de brutotoeslag een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), de over dat jaar verschuldigde premie van die wet, te betalen.

Het derde lid bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren en gedeelten van jaarpremies tot gehele jaarpremies.

4.2.

Die regeling is neergelegd in de Regeling herleiding van gedeelten van kalenderjaren en jaarpremies. Artikel 2, vierde lid, van de regeling bepaalt, voor zover van belang, dat een na de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde herleiding overblijvend gedeelte van een jaarpremie verder buiten beschouwing blijft, als het minder dan de helft van een jaarpremie bedraagt, en voor een gehele jaarpremie wordt gerekend als het tenminste de helft van een jaarpremie bedraagt.

Bedoeld overblijvend gedeelte wordt eveneens voor een gehele jaarpremie gerekend, indien het minder dan de helft van een jaarpremie bedraagt, doch de betrokkene over het gehele tijdvak, waarover hij verzekerd is geweest, schuldig nalatig zijnde, geen premie heeft betaald.

4.3.

In artikel 61, eerste lid, van de Wfsv, zoals dat luidde ten tijde van de besluiten van 26 april 2013, is bepaald dat als een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, de Sociale verzekeringsbank (SVB) beslist dat van een schuldig nalaten sprake is, tenzij de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.

Het tweede lid bepaalt dat een beslissing als bedoeld in het eerste lid in elk geval wordt genomen als a) de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen.

Het zevende lid bepaalt dat de SVB de schuldige nalatigheid van de premieplichtige registreert.

4.4.

In de ten tijde van de besluiten van 26 april 2013 geldende Beleidsregels van de SVB (SB1050) was onder meer bepaald dat als de betrokkene aangaf dat er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen hem niet kan worden verweten, zorgvuldig werd beoordeeld of er van een niet toerekenbaar niet betalen sprake is. Financiële en sociale aspecten speelden daarbij een rol. Ernstige verslaving, detentie, schuldsanering en faillissement aan de zijde van de verzekerde, of een inkomen op volstrekt minimumniveau konden bijvoorbeeld omstandigheden vormen om niet tot schuldig nalatigverklaring over te gaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Op grond van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving wordt voor elk jaar dat een premieplichtige heeft nagelaten ten minste 50% van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen en de SVB de premieplichtige daarom als schuldig nalatig heeft aangemerkt een korting van 2% op het ouderdomspensioen toegepast.

5.2.

De rechtbank komt echter niet toe aan het beoordelen van de door eiser opgeworpen vraag of hij al dan niet terecht schuldig nalatig is verklaard over de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009. Eiser heeft namelijk geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2014. Die beslissing op bezwaar en dus ook de vier afzonderlijke besluiten van 26 april 2013 zijn dan ook onherroepelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank de stelling van eiser dat hij over de jaren 2005 en 2006 de AOW-premies wel betaald heeft en al hetgeen eiser heeft aangevoerd over de redenen waarom hij in 2008 en 2009 niet heeft betaald niet kan beoordelen. Eiser had dat destijds in een beroepsprocedure moeten aanvoeren. Bovendien stelt de rechtbank vast dat verweerder in de besluiten van 26 april 2013 over de jaren 2005 en 2006 heeft vastgesteld dat eiser het merendeel van de premies over die jaren daadwerkelijk heeft voldaan. Eiser is over die jaren steeds voor 4% schuldig nalatig verklaard.

Dat is minder dan 50%. Over die jaren is eiser weliswaar schuldig nalatig verklaard maar heeft verweerder geen korting toegepast op zijn ouderdomspensioen. Wat eiser over die jaren aanvoert, kan, voor zover de rechtbank dat – ondanks het ontbreken van stukken – als juist zou moeten aannemen, ook niet leiden tot een voor eiser gunstigere beslissing.

5.3.

Omdat verweerder eiser over de jaren 2008 en 2009 telkens voor 100% schuldig nalatig heeft verklaard, en deze beslissing zoals hiervoor overwogen is, onherroepelijk is geworden, heeft verweerder een korting van 2% per jaar, in totaal een korting van 4%, op het ouderdomspensioen van eiser toegepast.

6.1.

De rechtbank begrijpt dat eiser met zijn stelling dat sprake is van grove nalatigheid aan de zijde van verweerder een beroep doet op het vertrouwensbeginsel.

6.2.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

6.3.

Nog daargelaten dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit zonder enig voorbehoud blijkt dat aan hem een volledig ouderdomspensioen (100%) zou worden uitgekeerd, merkt de rechtbank op dat in de jaarlijkse pensioenoverzichten in beginsel een voorbehoud wordt gemaakt als het gaat om het te ontvangen bedrag, de zogenaamde ‘bijsluiter’. Verder vermeldt het door eiser in dit verband overgelegde pensioenoverzicht dat er geen rechten kunnen worden ontleend aan dat bericht.

6.4.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

7.1.

Op 6 juli 2021 heeft verweerder aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een knelpuntenbrief overhandigd. In deze knelpuntenbrief gaat verweerder ook in op de problematiek rondom de schuldige nalatigheid.1

7.2.

De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat er onlangs een wetsvoorstel tot ‘Wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met het afschaffen van de mogelijkheid om schuldig nalatig te verklaren bij het niet of niet geheel betalen van de premie voor de volksverzekeringen’ tot stand is gekomen.2 Dat voorstel ligt ter consultatie voor.

7.3.

Omdat het wetsvoorstel pas aan het begin van het wetgevingstraject verkeert en niet duidelijk is of, en zo ja hoe en per wanneer, de wet- en regelgeving (zo sterk) ten gunste van de burger zal wijzigen dat vooruitlopend daarop de situatie van de rechtszoekende daarmee in overeenstemming moet worden gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om nu al ‘in de geest’ van de voorgestelde wetgeving te beslissen.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder terecht, wegens het schuldig nalatig zijn over de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009, met toepassing van artikel 13, eerste lid, sub b, van de AOW, een korting van in totaal 4% heeft toegepast op het ouderdomspensioen van eiser. Voor zover eiser met zijn beroepsgronden heeft betoogd dat er een ondeugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden door verweerder, slaagt dat betoog niet, omdat sprake is van dwingend recht. Verweerder is verplicht om een korting wegens (eerdere) schuldig nalatigverklaring toe te passen op het ouderdomspensioen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en

mr. H.J. Klein Egelink en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, leden, in aanwezigheid van mr. K.V. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Knelpuntenbrief Sociale Verzekeringsbank bijlage - stand van de uitvoering (overheid.nl)

2 Overheid.nl | Consultatie wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met het afschaffen van de mogelijkheid om schuldig nalatig te verklaren bij het niet of niet (internetconsultatie.nl)