Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2463

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-05-2022
Datum publicatie
24-05-2022
Zaaknummer
400866
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek arbeidsongeschikte statutair bestuurder. Toepassing uitzondering 15-april arresten? Houdt het ontbindingsverzoek verband met het opzegverbod? Uitlaten partijen. Rechtsgeldig genomen ontslagbesluit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0586
OR-Updates.nl 2022-0126
JAR 2022/152 met annotatie van Wiersma, K.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/400866 / HA RK 22-37 / 498 / 682

Beschikking van 17 mei 2022

in de zaak van

de stichting

[verzoekster] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. B.P.L. Vorstermans te 's-Gravenhage,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

advocaat mr. A.P.J.M. Verbeek te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd.

1 Inleiding

Het gaat in deze zaak om een bestuurder van een stichting waarvan de rechtspersoonsrechtelijke relatie door een ontslagbesluit - waarvan de rechtsgeldigheid in geschil is - is geëindigd. De bestuurder was ten tijde van dat ontslag arbeidsongeschikt wegens ziekte. De stichting verzoekt vanwege het opzegverbod ontbinding, omdat in de zogenoemde 15-april arresten is geoordeeld dat als een opzegverbod van toepassing is, het rechtspersoonsrechtelijk ontslag niet mede tot het einde van de arbeidsovereenkomst leidt. In deze zaak wordt beoordeeld of het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat. Die vraag wordt ontkennend beantwoord.

Vervolgens is aan de orde of dan tot ‘terugkeer’ naar de hoofdregel van de 15-april arresten moet worden gekomen, de arbeidsovereenkomst dan op grond van die hoofdregel is geëindigd en daardoor niet meer aan ontbinding wordt toegekomen. Dit alles tegen de achtergrond dat het ontslagbesluit rechtsgeldig tot stand is gekomen - zo oordeelt de rechtbank - en door de bestuurder de vraag of daaraan een redelijke grond ten grondslag ligt niet ter discussie is gesteld en evenmin in dat verband een billijke vergoeding is verzocht.

Partijen worden bij deze tussenbeslissing in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

Het uitgebreide feitenrelaas is opgenomen, omdat dat inzichtelijk maakt dat partijen elkaar de afgelopen jaren zijn kwijtgeraakt en omdat die feiten onder meer relevant zijn voor de vraag of de ontbinding verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van de bestuurder/werkneemster.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift ontvangen op de locatie Zutphen op 28 januari 2022 met de producties 1 t/m 80;

  • -

    de aanvulling op het verzoekschrift van 23 februari 2022 met de producties 81 t/m 85;

  • -

    de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 4 maart 2022 waarin de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de handelskamer van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem;

  • -

    het verweerschrift ontvangen op 5 april 2022 met de producties 1 t/m 40;

  • -

    een e-mail van [verzoekster] van 11 april 2022 met de producties 86 t/m 88;

  • -

    een e-mail van [verweerster] van 14 april 2022 met daarbij productie 1;

  • -

    een e-mail van [verzoekster] van 14 april 2022 met productie 89;

  • -

    een e-mail van [verweerster] van 15 april 2022 met daarbij productie 41;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 19 april 2022.

2.2.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

3 De feiten

3.1.

[verzoekster] vormt het bevoegd gezag in de zin van artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en houdt drie basisscholen in [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] in stand.

Aanvankelijk had [verzoekster] als organisatiestructuur een zogenoemd one tier model. Daarbij werd het bestuur gevormd door een uitvoerend bestuur, te weten de (directeur)bestuurder, en een toezichthoudend bestuur. Met ingang van 23 juli 2020 heeft er een statutenwijziging plaatsgevonden. Daarbij is het zogenoemde one tier model vervangen door een two tier model. Dat betekent dat sindsdien sprake is van twee organen binnen [verzoekster] , te weten een bestuur bestaande de directeur-bestuurder en een Raad van Toezicht (RvT), bestaande uit tenminste vijf en ten hoogste zeven personen.

Verder is in de statuten bepaald dat de RvT bevoegd is om een bestuurslid te benoemen en te royeren, dat de RvT zelf zijn leden benoemt en dat de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) in de gelegenheid wordt gesteld om een bindende voordracht te doen voor één lid van de RvT.

3.2.

[verweerster] is met ingang van 1 juni 2019 benoemd tot (enig) bestuurder van [verzoekster] . Naast statutair bestuurder is [verweerster] per diezelfde datum werkzaam bij [verzoekster] op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van directeur-bestuurder. Haar bruto maandsalaris bedraagt laatstelijk € 5.284,00 exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Bestuurder PO 2020 (hierna: de Cao) van toepassing. [verweerster] is thans 59 jaar oud.

3.3.

Begin 2020 bestond de RvT uit vier personen, te weten:

  • -

    [lid RvT] , voorzitter (benoemd in september 2015, afgetreden in oktober/november 2020);

  • -

    [lid RvT] (aangetreden in september 2015, afgetreden per 1 nov 2021);

  • -

    [lid RvT] (aangetreden in juli 2018, interim voorzitter per 1 november 2020, afgetreden per 2 december 2020);

  • -

    [lid RvT] (aangetreden in september 2018, interim voorzitter per 2 december 2020, afgetreden per 1 november 2021).

Op dit moment bestaat de RvT uit [lid RvT] (interim-voorzitter sinds januari 2021), [lid RvT] (lid sinds 1 november 2021) en [lid RvT] (lid sinds januari 2021).

De RvT werd tot 30 november 2020 ondersteund door [lid RvT] , daarna door [lid RvT] .

3.4.

In februari 2020 heeft de RvT met [verweerster] en de GMR gesproken over de werving en selectie van een nieuwe voorzitter en lid van de RvT. Dat heeft geleid tot afspraken over de selectieprocedure en de competentieprofielen die in mei 2020 zijn vastgesteld. Ter zake de selectieprocedure is onder meer afgesproken dat een sollicitatiecommissie wordt gevormd onder leiding van de vice-voorzitter van de RvT, [lid RvT] , en dat een lid van de GMR deel uit zal maken van de sollicitatiecommissie. Verder is afgesproken dat de vacatures extern worden opengesteld, het ‘DB’ (dagelijks bestuur) de werving verzorgt via het wervings- en selectiebureau B&T (2 tot 3 kandidaten) en de sollicitatiecommissie beslist over de uit te nodigen kandidaten en een voordracht doet aan de RvT die vervolgens beslist over de benoeming.

De RvT heeft eind mei 2020 aan [verweerster] medegedeeld dat hij het – anders dan was afgesproken – toch niet nodig vond om een extern bureau in te schakelen om kandidaten te werven. Geworven zou worden middels een publicatie van de vacatures op de website van [verzoekster] , een advertentie in dagblad [naam dagblad] en het zoeken in het eigen netwerk van de RvT. [verweerster] heeft tegen deze gang van zaken die niet in overeenstemming was met de gemaakte afspraken haar bezwaren geuit.

3.5.

[lid RvT] heeft [verweerster] en de GMR in juni 2020 laten weten dat er drie kandidaten hadden gesolliciteerd, dat het inschakelen van een extern bureau mede daarom niet nodig was en dat [verweerster] , nadat de sollicitatiecommissie met de kandidaten had gesproken, afzonderlijk een gesprek met de kandidaten zou voeren. [verweerster] heeft daartegen bezwaar gemaakt omdat dit - volgens haar - niet conform de gemaakte afspraken was, zij er waarde aan hechtte het gesprek met de kandidaten in aanwezigheid van anderen te voeren, dat zij twee van de drie kandidaten goed kent (waardoor er één zich niet onafhankelijk van haar kan opstellen) en dat het profiel van de andere kandidaat niet aansluit bij wat [verzoekster] (volgens de profielschets) zoekt.

Daarop hebben [lid RvT] en [lid RvT] laten weten een dergelijk advies niet op prijs te stellen en dat de RvT vooraf geen sturende informatie over sollicitanten wenst te ontvangen nu de RvT zelf zijn leden benoemt en de GMR in de gelegenheid wordt gesteld een bindende voordracht te doen voor één lid van de RvT.

[verweerster] heeft daarop laten weten dat haar melding vanuit integriteit en als signalering in het kader van de Code Goed Bestuur PO is gedaan.

3.6.

Nader overleg tussen de RvT en [verweerster] (tijdens de RvT vergadering op 29 juni 2020) heeft niet tot een wijziging van de voorgenomen planning van de selectiegesprekken geleid.

3.7.

In de zomer van 2020 zijn er strubbelingen geweest tussen de RvT en [verweerster] ter zake een uitnodiging die de RvT had gekregen van het algemeen bestuur van de [bevoegd gezag] (hierna: de [bevoegd gezag] ) om bij te praten over de ontwikkelingen. De [bevoegd gezag] vormt het bevoegd gezag over tien openbare basisscholen in de gemeente [vestigingsplaats] .

Beide stichtingen zijn tot enige vorm van (financiële) samenwerking/afstemming veroordeeld voor zover zij beide een school exploiteren in hetzelfde meerscholengebouw. Daarover was [verweerster] in gesprek met [alg. directeur bevoegd gezag] , algemeen directeur van [bevoegd gezag] . Daarnaast speelde het onderwerp van een mogelijke fusie. Daarover waren voor medio 2020, zonder succes, gesprekken tussen beide stichtingen gevoerd. Voor een fusie bestond, behoudens bij [lid RvT] , geen draagvlak bij personeel en de ouders van de leerlingen van de scholen van [verzoekster] . [verweerster] heeft de RvT verzocht vooralsnog niet op die uitnodiging in te gaan. Enerzijds omdat zij bezig was met de afstemming ter zake het meerscholengebouw, anderzijds omdat [verweerster] kort daarvoor door [alg. directeur bevoegd gezag] was gevraagd of [verzoekster] alsnog bereid was om met de [bevoegd gezag] te fuseren, welke vraag [verweerster] ontkennend had beantwoord. [verweerster] was bang dat het onderwerp fusie via de RvT opnieuw en buiten haar om weer aan de orde zou komen. Zij wees er op dat deze onderwerpen tot haar bevoegdheden behoren en - samengevat - dat zij het ongelukkig vond als de RvT daar doorheen acteert.

3.8.

Het verzoek van [verweerster] is in de vergadering van de RvT met het bestuur op 31 augustus 2020 besproken. De RvT heeft aangegeven dat zij wel het gesprek met de [bevoegd gezag] wilde aangaan, waarbij hij rekening zou houden met de door [verweerster] gesignaleerde problemen over de samenwerking en de positie van de RvT als toezichthouder. Over een mogelijke fusie zou de RvT niet spreken. [verweerster] was het daar niet mee eens en heeft de vergadering voortijdig verlaten.

3.9.

Tijdens diezelfde vergadering zijn door de RvT, [verweerster] en de GMR nieuwe afspraken gemaakt over de voortzetting van de sollicitatieprocedure voor een voorzitter en lid van de RvT. Afgesproken is dat [verweerster] toch samen met de sollicitatiecommissie de kandidaten zou spreken en alle kandidaten zouden worden uitgenodigd voor de gesprekken.

3.10.

Op 23 september 2020 heeft de RvT met het algemeen bestuur van de [bevoegd gezag] gesproken, (toch) ook over een fusie. Daarnaast heeft de [bevoegd gezag] haar zorgen geuit over de onderlinge samenwerking tussen de besturen van [verzoekster] en de [bevoegd gezag] (te weten [verweerster] en [alg. directeur bevoegd gezag] ). Tevens is een vervolggesprek op 28 oktober 2020 gepland.

3.11.

[lid RvT] heeft op 24 september 2020 namens de RvT aan [verweerster] een brief gestuurd met de titel “dreigend conflict”, waarin is vermeld dat het de bedoeling was dat hij in juli 2020 zou aftreden, maar dat dat vanwege de roerige tijden niet is gelukt en dat hij met de RvT heeft afgesproken dat zijn vacature pas wordt ingevuld als [verzoekster] weer in rustiger vaarwater zit. [lid RvT] heeft aangegeven dat zijn brief als doel heeft om te proberen om de samenwerking tussen de RvT en [verweerster] te verbeteren.

3.12.

Op 28 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [lid RvT] en [verweerster] naar aanleiding van de hiervoor aangehaalde brief van 24 september 2020 met als onderwerp ‘dreigend conflict’. Op voorstel van [lid RvT] hebben zij in een gezamenlijke brief naar de RvT voorgesteld tot mediation over te gaan.

3.13.

Tijdens een overleg op 1 oktober 2020 tussen [verweerster] en de RvT is onder meer gesproken over het benoemen van een door de RvT voorgestelde mediator [mediator] .

Aan het einde van het overleg heeft [verweerster] de RvT een brief overhandigd waarin zij terugblikt op de afgelopen drie jaar, uitgebreid ingaat op de rol van de RvT, de samenwerking met [verweerster] en tot slot aangeeft dat de RvT ook ervoor kan kiezen om een stapje terug te doen.

3.14.

[verweerster] heeft de RvT op 2 oktober 2020 laten weten dat de onafhankelijkheid en objectiviteit van de door de RvT voorgestelde mediator [mediator] niet gewaarborgd is, nu [mediator] en [lid RvT] verbonden zijn aan dezelfde netwerkorganisatie. [verweerster] heeft vervolgens twee andere mediators voorgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] aangegeven dat dit geen MfN-registermediators waren en dat om die reden de RvT daar niet mee heeft ingestemd.

3.15.

[lid RvT] heeft de overige leden van de RvT bij e-mail van 4 oktober 2020 met als titel ’mediation-exit’ voorgesteld om ten aanzien van [verweerster] richting een exit gesprek te gaan met behulp van een mediator of advocaat, omdat hij geen vertrouwen meer had in [verweerster] .

3.16.

Op 5 oktober 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [lid RvT] en [lid GMR] (GMR-lid), waarin [lid RvT] heeft medegedeeld dat de sollicitatieprocedure wegens het conflict met [verweerster] zou worden uitgesteld. Tevens heeft [lid RvT] [lid GMR] gevraagd om een advies van de GMR over het oplossen van het conflict tussen de RvT en [verweerster] .

3.17.

De GMR heeft op 8 oktober 2020 geadviseerd om een onafhankelijk extern onderzoek te laten uitvoeren door een expert van VTOI-NVTK over de inhoudelijke omvang van het meningsverschil tussen [verweerster] en de RvT, waarna een mediationtraject diende te volgen.

3.18.

[verweerster] heeft de RvT bij brief van 20 oktober 2020 aangegeven dat de situatie met de RvT stressvol is en haar belemmert in haar functioneren, de voorzitter die formeel niet is herbenoemd in ‘de verlenging van de wedstrijd’ een enorme stempel op de samenwerking tussen bestuurder, directeuren en GMR drukt en ook tussen de RvT en overige gremia. Dat [verweerster] , anders dan [lid RvT] heeft gesteld, eind september niet met mediation heeft ingestemd, dat zij (inmiddels) vier experts heeft geraadpleegd over de ontstane situatie en dat er toe leidt dat zij niet mee gaat in een voorstel tot mediation, omdat er een professionaliseringsslag gemaakt moet worden in het kader van de invoering van het two tier model. Aan de ‘ramkoers’ van de voorzitter en de opstelling van de RvT moet zo snel mogelijk een einde komen, aldus [verweerster] . Daarom stelt zij de RvT voor drie keuzes, te weten aftreden van de voorzitter (waarna er een onafhankelijke voorzitter wordt aangesteld), als de RvT dat niet wil: aftreden van de voltallige RvT of “de bestuurder trekt het niet meer”.

3.19.

De GMR heeft de RvT bij brief van 27 oktober 2020 medegedeeld dat zij zich ernstig zorgen maakt over het voortduren van het conflict tussen [verweerster] en de RvT en het uitblijven van een reactie van de kant van de RvT op het voorstel van de GMR van 8 oktober 2020 om een expert van VTOI-NVTK te benoemen.

3.20.

Op 29 oktober 2020 heeft [lid RvT] aan de GMR, [verweerster] en de schooldirecteuren laten weten dat de RvT de afgelopen weken de situatie meermaals heeft besproken met Verus, de Vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs, en dat hij vanwege de ontstane situatie heeft besloten om zijn lidmaatschap van de RvT op te zeggen.

Diezelfde dag heeft [verweerster] het [verzoekster] -account van [lid RvT] laten afsluiten, omdat zij er vanuit ging dat - met het vertrek van [lid RvT] - [lid RvT] ook zou stoppen met haar werkzaamheden voor de RvT. Nadat bleek dat dat niet zo was en protest van de zijde van de RvT, is de afsluiting teruggedraaid.

3.21.

[lid RvT] is door de RvT per 1 november 2020 naar voren geschoven als interim-voorzitter.

3.22.

Op 2 november 2020 hebben de overige leden van de RvT besloten om ook hun lidmaatschap van de RvT te beëindigen.

3.23.

Bij brief van 4 november 2020 heeft [lid RvT] in zijn hoedanigheid van interim voorzitter van de RvT de GMR en de directieleden van [verzoekster] het volgende bericht:

2 november j.l. in de avond heeft verder overleg plaatsgevonden tussen directeur bestuurder, GMR en Raad van Toezicht. Onderwerp van gesprek: de spanning in de samenwerking tussen Raad van Toezicht en directeur-bestuurder. Waar eerder de voorzitter had besloten zijn positie op te willen geven om de rust te herstellen, hebben nu de overige leden van de Raad van Toezicht besloten hun posities op te geven.

(…)

Besloten is om een extern bureau opdracht te geven om de werving van nieuwe leden voor een nieuwe Raad van Toezicht ter hand te nemen. De huidige raad van Toezicht draagt zorg voor een goede overdracht van taken. GMR en directeur-bestuurder werken in dit proces samen met de Raad van Toezicht, met behoud van ieders formele rol en verantwoordelijkheid.

Besloten is dat wij:

  • -

    zo snel, maar ook zo zorgvuldig als mogelijk, te werk willen gaan;

  • -

    uiteraard zorgdragen voor een goede overdracht naar de nieuwe Raad;

  • -

    in overleg met elkaar de lopende zaken naar behoren blijven uitvoeren;

  • -

    samen bezien in hoeverre overleggen die nog staan doorgaan of dat die beter kunnen worden doorgeschoven. Dat laat onverlet overigens dat we graag en op wens in overleg met alle betrokkenen gaan.

(…)

3.24.

[verweerster] heeft op 10 november 2020 een conceptwervingstekst aangeleverd voor B&T (het externe wervingsbureau). De RvT kon zich hierin niet (helemaal) vinden.

3.25.

Op 13 november 2020 heeft [verweerster] [lid RvT] onder meer het volgende gemaild:

Ik heb nagedacht over de lopende zaken die moeten worden afgerond en dat is van de reguliere zaken niet veel, gegeven het feit dat de RvT nu demissionair is. De nieuwe begroting voor 2021 valt eigenlijk niet meer onder de verantwoordelijkheid van deze RvT. Is het dan niet verstandig om dit traject met het OBT en het contact met de nieuwe accountant te laten oppakken door het nieuwe team? Ten aanzien van het ‘toezicht houden op onderwijs’ is in december de halfjaarlijkse bestuurlijke rapportage klaar, mocht de RvT daar kennis van willen nemen.

Verder zou mijn advies aan jou zijn dat de RvT jou mandateert om als voorzitter de zaken af te ronden die er liggen. Daar is een reden voor die ik telefonisch al noemde. Er is vertrouwen in jou uitgesproken door GMR, schooldirecteuren en mij zelf omdat je deze situatie een wending gaf. Met een mandaat kan je samen met Jasper de besluitvorming doen zonder afhankelijk te zijn van ruggenspraak.

(…)

De zaken die er liggen hebben voornamelijk te maken met de bemensing van de nieuwe RvT. Ik heb contact gehad met B&T, telefonisch de vraag toegelicht vanuit het kader van ‘one tier naar two tier’ en dit vanuit een waarderend perspectief naar de huidige RvT-leden gedaan. Ik heb ook toegelicht dat er kandidaten in portefeuille zitten en dat we die overdragen tbv pre-selectie. Afgesproken is dat ik begin volgende week een tekst aanlever en ook de contactgegevens zodat er met jou en Jasper interviews kunnen worden gehouden ten behoeve van het vormgeven van de procedure. Zo gauw dit contact is gelegd, ben jij ‘in the lead’ samen met de selecteur (we kopen het ‘ontzorgen’ in).

Hopelijk is dit voldoende input voor het regelen van de vervolgstap.

3.26.

[lid RvT] heeft [verweerster] en [lid GMR] bij e-mailbericht van 17 november 2020 bericht dat de RvT graag meewerkt aan een warme overdracht, dat de RvT met Verus de wettelijke verantwoordelijkheid in het kader van de overdracht (waaronder de begroting 2021 en de wervingsteksten) bespreekt en dat er geen behoefte is aan een mandaat, maar dat de RvT gezamenlijk optrekt met [lid RvT] als interim-voorzitter.

3.27.

De RvT heeft op 18 november 2020 gesproken met Verus ( [verweerster] kon daar niet bij zijn) over onder meer de rol van de RvT en de overdracht, waarna [adviseur] , adviseur governance bij Verus, op 19 november 2020 met [verweerster] heeft gesproken.

3.28.

[lid RvT] heeft [verweerster] per e-mail van 20 november 2020 verzocht om samen een routekaart vast te stellen teneinde de overdracht (wervingsprofielen, procedure, rolverdeling, verplichtingen ten aanzien van overleggen en financiën) zo goed mogelijk te laten verlopen.

[lid RvT] heeft [verweerster] in dat kader een dag eerder gevraagd om een toelichting op de cijfers over het derde kwartaal, de begroting voor 2021, een gesprek met de nieuwe accountant en (begin februari 2021) de cijfers over het vierde kwartaal.

3.29.

[verweerster] heeft per e-mail van 22 november 2020 gereageerd en gevraagd of “het een tandje minder en iets vriendelijker mocht” en aangegeven dat zij nog moest bijkomen van de toon in de e-mail van [lid RvT] en de “schokkende” informatie van [adviseur] . Daarnaast heeft [verweerster] gevraagd om te reageren op de voorgestelde wervingsteksten.

3.30.

De GMR heeft bij brief van 24 november 2020 aan [verweerster] en de RvT bericht dat de RvT de GMR tegen de afspraak van 2 november 2020 in buiten de communicatie heeft gehouden, dat de toon en de inhoud van de e-mailberichten van de RvT twijfel oproept over de intenties van de RvT en dat de RvT nog steeds niet heeft gereageerd op de wervingstekst en profielen. De GMR heeft de RvT en [verweerster] uitgenodigd voor een overleg op 30 november 2020 met de wens om te kijken of het haalbaar is om voor de kerstvakantie 2020 tot de benoeming van een nieuwe RvT te komen. De GMR heeft op 27 november 2020 een agenda gestuurd voor het overleg.

3.31.

De RvT heeft bij brief van 29 november 2020 aan de GMR en [verweerster] het overleg afgezegd, aangegeven dat de harde toon hem bevreemdt, dat hij zijn vervanging en warme overdracht graag snel en zorgvuldig wil vormgeven, dat [verweerster] geen toestemming heeft gegeven om Verus te laten deelnemen aan het gesprek, dat [lid RvT] zich terugtrekt als interim-voorzitter en dat de RvT in overleg zal gaan met bureau ITZH om tot invulling van de vacature (interim)voorzitter te komen.

3.32.

Bij e-mailbericht van 30 november 2020 heeft [lid RvT] de RvT laten weten dat zij met onmiddellijke ingang niet langer werkzaamheden voor [verzoekster] zal verrichten, waarbij als reden de handelwijze van [verweerster] wordt genoemd.

3.33.

De GMR heeft de RvT op 1 december 2020 bericht dat op 30 november 2020 een overleg had plaatsgevonden tussen [verweerster] , de GMR en een externe deskundige, [deskundige] , en heeft de RvT gevraagd om kennis te maken met [deskundige] zodat de impasse die is ontstaan, kon worden doorbroken.

3.34.

Bij e-mailbericht van 2 december 2020 heeft [lid RvT] [verweerster] bericht dat hij heeft besloten om per direct te stoppen als tijdelijk voorzitter en lid van de RvT en dat [lid RvT] zijn rol als interim-voorzitter overneemt.

3.35.

De RvT heeft [verweerster] op 3 december 2020 laten weten dat de heer [voormalig directeur/bestuurder] , voormalig directeur/bestuurder van Verus, beschikbaar was voor het vervullen van de rol van interim voorzitter van de RvT. [verweerster] heeft daar diezelfde dag op gereageerd en aangegeven dat zij geen vertrouwen in iemand kan uitspreken die zij nog nooit heeft gesproken en waarvan ze niet weet of hij een ervaren toezichthouder is. Daarnaast heeft [verweerster] aangegeven dat de RvT de GMR negeert, waardoor de relatie onder druk lijkt te komen ontstaan, en heeft [verweerster] zich afgevraagd waarom de RvT twee externe adviseurs ( [onderwijsadviseur] en ITZH) heeft betrokken, terwijl de scholen moeten bezuinigen. Op diezelfde dag heeft de GMR haar zorgen geuit in de richting van de RvT en haar vertrouwen in [verweerster] uitgesproken. De GMR heeft aangegeven dat hij zo spoedig mogelijk kennis wil maken met de nieuwe interim-voorzitter, dat de RvT dient te reageren op de wervingsprofielen die met feedback van de GMR zijn opgesteld door [verweerster] , dat de GMR wacht op een reactie van de RvT om kennis te maken met de extern adviseur [deskundige] en dat de GMR een procedure start om zelf een lid van de RvT te benoemen.

3.36.

[verweerster] heeft op 7 december 2020 met [voormalig directeur/bestuurder] . gesproken en de RvT op diezelfde dag bericht dat zij positief staat tegenover het voorstel om met een externe interim-voorzitter/adviseur te gaan werken, maar dat daarbij wel de GMR dient te worden betrokken. Nu [voormalig directeur/bestuurder] . had gevraagd om een onvoorwaardelijke blijk van vertrouwen van [verweerster] , en dat uitbleef heeft hij zich teruggetrokken als mogelijke interim-voorzitter van de RvT.

3.37.

Bij brieven van 22 december 2020 heeft de RvT [verweerster] en de GMR bericht dat de RvT wil vasthouden aan de statutaire en wettelijke rolverdeling inzake de benoeming van RvT leden en dat hij verlangt dat [verweerster] en de GMR dit respecteren. Voorgesteld is om de bezetting van de RvT op korte termijn uit te breiden met twee interim-leden en dat hiervoor een nieuwe verkorte selectieperiode wordt vastgesteld. Verder heeft de RvT verzocht om toezending van het medezeggenschapsstatuut van [verzoekster] , het medezeggenschapsreglement van [verzoekster] en de arbeidsovereenkomst van [verweerster] . Daarnaast heeft de RvT aangegeven dat hij zich ter bepaling van zijn positie wil laten bijstaan en adviseren door adviseurs en advocaten en heeft de RvT (wederom) mediation met [verweerster] voorgesteld om te trachten tot werkbare verhoudingen te komen en misverstanden over de verantwoordelijkheid en rollen van de verschillende organen op te lossen. Ook in de verhouding RvT en GMR moesten volgens de RvT pogingen ondernomen worden om tot werkbare verhoudingen te komen en is [verweerster] verzocht om het delen van alle correspondentie tussen [verweerster] en de RvT met de GMR te stoppen. Tot slot heeft de RvT aangegeven dat hij wenst invulling te blijven geven aan haar verantwoordelijkheid.

3.38.

[verweerster] heeft bij brief van 29 december 2020 hierop gereageerd en daarbij aangegeven dat de RvT zijn koers blijft wijzigen, dat de door de RvT voorgestane aanpak leidt tot budgetoverschrijdingen en dat [verweerster] zich genoodzaakt voelde om zelf juridische ondersteuning te zoeken om de brief en het voorstel tot mediation nader te beoordelen.

3.39.

De RvT heeft zich in december 2020 tot mr. Vostermans (de advocaat van [verzoekster] ) gewend, die in die maand een bedrag van € 6.487,20 in rekening heeft gebracht voor door hem uitgevoerde werkzaamheden.

3.40.

Bij brief van 4 januari 2021 heeft de GMR op de brief van de RvT gereageerd en aangegeven dat de RvT een negatieve indruk op de GMR heeft gemaakt, dat er geen vertrouwen meer is in de RvT en dat wordt voorgesteld om op korte termijn een mediation-traject te starten met als doel om het vinden van nieuwe leden en het vertrek van de RvT snel en goed te laten plaatsvinden.

3.41.

Bij brief van 5 januari 2020 (bedoeld is 2021, de rechtbank) heeft [verweerster] aan [lid RvT] en [lid RvT] het volgende bericht:

Gisteren heeft de GMR in haar brief van 4 januari jl. laten weten het vertrouwen in u op te zeggen als Lid van de RvT van [verzoekster] . De schooldirecteuren hebben via de GMR laten weten dit besluit te ondersteunen. Ik ondersteun dit besluit eveneens.

Daarmee hebben de drie belangrijke geledingen in de besturingskolom van [verzoekster] aangegeven er geen vertrouwen meer in te hebben dat u voor de stichting en haar scholen de juiste beslissingen neemt.

Dit betekent voor u het volgende.

U kunt vanaf heden [verzoekster] niet meer extern vertegenwoordigen.

U kunt geen besluiten meer nemen die [verzoekster] betreffen.

U kunt geen activiteiten ondernemen of afspraken maken met externen waardoor betalingsverplichtingen ontstaan voor [verzoekster] . Doet u dat laatste wel, dan zal ik namens [verzoekster] deze kosten op u (laten) verhalen.

De GMR is een vertegenwoordiging van alle personeelsleden en alle ouders die aan de stichting verbonden zijn. Deze GMR heeft gebruik gemaakt van haar wettelijke recht om namens de stichting het vertrouwen in u op te zegge. Anders gezegd: de stichting zegt nu het vertrouwen in u op. U kunt nu niet meer handelen namens de stichting en geen gebruik meer maken van budgetten van [verzoekster] .

(…)

Ik verzoek u gehoor te geven aan de oproep van de GMR en ik wens u wijsheid toe in uw besluit te handelen in het belang van de stichting en haar scholen.

3.42.

De RvT heeft bij brief van 11 januari 2021 aan de GMR medegedeeld dat hij voortgaat op de ingeslagen weg zoals verwoord in de brief van 22 december 2020 en doende is met de benoeming van twee interim-leden vanuit het netwerk ITZH. Tevens heeft de RvT aangegeven dat hij in zijn vergadering van 28 december 2020 een nieuwe selectieprocedure voor RvT-leden heeft vastgesteld en dat hij mediation aangewezen acht om de verhoudingen te herstellen. Een brief met een soortgelijke inhoud heeft de RvT diezelfde dag naar [verweerster] gestuurd.

3.43.

[verweerster] heeft de RvT op 14 januari 2021 bericht dat zij al eerder de gevraagde stukken aan de RvT heeft doen toekomen en dat zij eerst juridisch advies wil inwinnen, nu de RvT ook een juridisch adviseur heeft ingeschakeld.

3.44.

Bij brief van 20 januari 2021 heeft de RvT de GMR en [verweerster] medegedeeld dat per 15 januari 2021 [lid RvT] en [lid RvT] (interim voorzitter) als leden van de RvT zijn benoemd en dat zij de opdracht hebben gekregen om de rol van lid van de RvT op onafhankelijke wijze te vervullen, een bijdrage te leveren aan het herstel van de verhoudingen tussen de diverse organen, het implementeren van noodzakelijke verbetermaatregelen, het bijdragen aan de vervulling van de vacatures van nieuwe permanente leden van de RvT en het naleven van de Codes Goed Toezicht en Goed Bestuur en het profiel van intern toezichthouder. Voor [verweerster] was deze brief aanleiding om op 29 januari 2021 zelf een advocaat in te schakelen.

3.45.

[verweerster] heeft bij brief van 21 januari 2021 [lid RvT] en [lid RvT] aangegeven dat meerdere deskundigen haar mediation met de RvT hebben afgeraden, dat sprake is van een professionaliseringskwestie in het kader van de overgang van one tier naar two tier board en dus niet van een persoonlijke kwestie tussen de RvT en [verweerster] , dat de RvT zich niet houdt aan de Code Good Governance, dat de GMR namens het personeel en de ouders het vertrouwen in de RvT heeft opgezegd en dat de RvT geen activiteiten kan ontplooien met voor [verzoekster] financiële consequenties en dat de leden van de RvT voor niet gebudgetteerde uitgaven persoonlijk aansprakelijk worden gehouden.

3.46.

De RvT heeft [verweerster] op 26 januari 2021 geantwoord dat het niet zijn intentie is de mediation te gebruiken als middel tot ontslag van [verweerster] . Een voorstel tot een driepartijenmediation (met de GMR erbij) heeft de RvT afgewezen.

3.47.

De GMR heeft ook een advocaat ingeschakeld die bij brief van 26 januari 2021 aan de RvT heeft geschetst wat er allemaal is voorgevallen, heeft verzocht om geen uitvoering te geven aan het besluit tot de benoeming van [lid RvT] en [lid RvT] , heeft aangekondigd om naar de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) te stappen, een gang naar de Ondernemingskamer te maken en heeft aangegeven dat de GMR zich genoodzaakt ziet de Onderwijsinspectie en de ouders en leerlingen van [verzoekster] op de hoogte te stellen van de ontstane situatie.

3.48.

Op 27 januari 2021 heeft [verweerster] [lid RvT] laten weten dat [verzoekster] haar declaraties niet zou vergoeden, nu de RvT steeds opnieuw zonder instemming van [verweerster] externen inschakelt.

3.49.

[verweerster] heeft in haar brief van 29 januari 2021 aan de RvT laten weten te beschikken over interne e-mails van de RvT waaruit onder meer blijkt dat de intentie van de RvT klaarblijkelijk was om de mediation te gebruiken om aan te sturen op vertrek van [verweerster] te beëindigingen Het betrof de e-mails van [lid RvT] van 5 oktober 2020 en van 26 oktober 2020.

3.50.

Bij brief van 1 februari 2021 heeft de RvT aangekondigd dat zij [lid RvT] aanneemt om te voorzien in ondersteuning. Het standpunt om een mediator te benoemen wordt nogmaals herhaald door de RvT, er wordt gevraagd om stukken (notulen van de GMR-vergaderingen en het medezeggenschapsstatuut en het medezeggenschapsreglement), geconstateerd dat [verweerster] voorbijgaat aan het verzoek van de RvT om de tweejaarlijkse vergadering met de GMR te plannen en dat [verweerster] vertrouwelijke informatie met de GMR deelt.

3.51.

De GMR heeft [verweerster] op 1 februari 2021 gevraagd naar de hoogte van de kosten die zijn gemaakt vanwege het ontstane conflict. [verweerster] heeft de schade voor [verzoekster] geschat op een bedrag van € 40.000,00. Op 2 februari 2021 heeft [verweerster] een factuur van de advocaat van RvT (voor verrichte werkzaamheden vanaf november 2020) ontvangen ten bedrage van € 13.400,00.

3.52.

De advocaat van de RvT heeft bij brief van 9 februari 2021 gereageerd op de brief van 26 januari 2021 en aangegeven dat er geen nieuwe competentieprofielen zijn vastgesteld om [lid RvT] en [lid RvT] te benoemen, dat de RvT het niet verantwoord acht om tot selectie en benoeming van een structurele bezetting van de RvT over te gaan, dat de RvT nog steeds openstaat voor mediation en dat - indien mediation niet slaagt – een enquêteprocedure als mogelijkheid wordt gezien om de impasse te doorbreken.

3.53.

De advocaat van [verweerster] heeft op 9 februari 2021 geadviseerd om de GMR een procedure ex artikel 34/35 Wet Medezeggenschap Scholen (Wms) te laten starten. Op 11 februari 2021 heeft de advocaat van [verweerster] de advocaat van de RvT medegedeeld dat de benoeming van [lid RvT] en [lid RvT] ingevolge artikel 34 Wms is opgeschort.

3.54.

[lid RvT] heeft [verweerster] op 13 februari 2021 gemaild met het voorstel haar dienstverband te beëindigen om de verhoudingen binnen [verzoekster] weer te normaliseren.

3.55.

Op 15 februari 2021 heeft de Onderwijsinspectie contact opgenomen met [verweerster] en de RvT en geadviseerd om een Commissie van Goede Diensten te installeren.

3.56.

De advocaat van de RvT heeft per e-mail van 17 februari 2021 laten weten dat de RvT toch opstaat voor driepartijenmediation. De advocaten van de GMR en [verweerster] hebben op 19 februari 2021 laten weten daarmee akkoord te gaan.

3.57.

Op 25 februari 2021 (aangevuld op 25 mei 2021 en 28 juni 2021) heeft de GMR – in een procedure tegen de RvT – een adviesgeschil en enkele nalevingsgeschillen ingediend bij de LCG WMS die betrekking hebben op de vaststelling van competentieprofielen van leden van de RvT en de benoeming van nieuwe leden van de RvT.

3.58.

De RvT heeft op 28 februari 2021 contact opgenomen met de Onderwijsinspectie en aangegeven dat mediation in gang is gezet.

3.59.

Op 26 maart 2021 is de driepartijenmediation van start gegaan, waarna de behandeling van het verzoek in de procedure bij de LCG WMS is aangehouden.

3.60.

De GMR heeft [verweerster] op 29 april 2021 verzocht om te onderzoeken op welke manier [verzoekster] kan worden beschermd tegen de snel oplopende juridische kosten.

3.61.

De driepartijenmediation is op 17 mei 2021 geëindigd zonder resultaat.

3.62.

Bij brief van 21 mei 2021 aan de RvT heeft [verweerster] een voorstel voor een “pacificatie-overeenkomst” gedaan. De RvT is niet op dit voorstel ingegaan.

3.63.

De RvT heeft [verweerster] op 8 juni 2021 erop gewezen dat zij heeft nagelaten een RvT vergadering te beleggen om de jaarrekening en het jaarverslag van 2020 van [verzoekster] te bespreken, dat de RvT de door [verweerster] vastgestelde begroting voor 2021 nog niet heeft mogen ontvangen en dat indien dit niet gebeurt de RvT geen andere mogelijkheid heeft dan

hieraan consequenties te verbieden met betrekking tot de positie van [verweerster] .

3.64.

[verweerster] heeft bij brief van 10 juni 2021 aan de RvT aangegeven dat hij de zaken omdraait, maar dat [verweerster] een vergadering zal plannen voor de RvT om de jaarrekening over 2020 te bespreken met de accountant.

3.65.

Op 21 juni 2021 heeft [verweerster] zich voor 50% ziek gemeld.

3.66.

Op 24 juni 2021 heeft de RvT [verweerster] medegedeeld dat hij voornemens is [verweerster] te ontslaan vanwege de verstoorde verhouding die tussen partijen is ontstaan en dat de GMR in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen over dit voorgenomen besluit. Op 30 juni 2021 is de GMR om advies gevraagd.

3.67.

Bij brief van 1 juli 2021 heeft de RvT aan [verweerster] het volgende medegedeeld:

Hierbij laat de Raad van Toezicht (hierna: RvT) van de [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) u weten voornemens te zijn te besluiten u te schorsen als directeur-bestuurder conform artikel 5 lid 1 van het Bestuursreglement [verzoekster] en artikel 2:292a Burgerlijk Wetboek.

Gronden voor voorgenomen schorsing

Zoals u weet, is de verhouding tussen u en de RvT in de afgelopen periode ernstig en duurzaam verstoord geraakt. Daarnaast is het de RvT in toenemende mate gebleken dat hij in de uitvoering van zijn wettelijke en statutaire taak door u niet erkend wordt en in essentie tegengewerkt wordt. Dit heeft achtereenvolgens in het najaar van 2020 geleid tot het aftreden van RvT-voorzitter F. [lid RvT] en waarnemend RvT-voorzitter [lid RvT] . Daarnaast heeft ook de secretarieel ondersteuner van de RvT, [lid RvT] , zich als gevolg van tegenwerkingen door uw persoon genoodzaakt gevoeld haar werkzaamheden te staken.

Op 4 november 2020 had de RvT de hoop dat door het vertrek van de heer [lid RvT] ruimte zou zijn ontstaan voor de voltallige RvT om op een verantwoorde wijze en in harmonie met u en de GMR het stokje over te dragen aan nieuwe nog te werven RvT-leden. Onder meer door (de achtergrond van) het plotselinge opstappen van de heer [lid RvT] en mevrouw [lid RvT] is de RvT nadien gebleken dat de situatie rondom de positie van de RvT zodanig gepolariseerd is dat de RvT het momenteel niet verantwoord acht om tot selectie en benoeming van een structurele bezetting van de RvT over te gaan. Dat heeft geleid tot de herijking van het proces waarover de RvT de GMR op 22 december 2020 geïnformeerd heeft.

De RvT heeft u herhaaldelijk voorgesteld onder vigeur van mediation tot bespreking van de situatie en de achtergronden te komen. U heeft dat afgewezen, kennelijk omdat u door adviseurs deelname aan mediation was afgeraden. Ook heeft u daarbij de oprechtheid van de intenties van de RvT in twijfel getrokken. Hoewel de RvT aanvankelijk geen voorstander was van een driepartijenmediation, is uiteindelijk tussen u, de GMR en de RvT een driepartijen-mediation overeen gekomen onder begeleiding van [mediator] , mediator van bureau Reuling Schutte in Amsterdam. Deze mediation is gestart in februari 2021 en geëindigd in mei 2021, zonder resultaat.

De RvT heeft vastgesteld dat u vervolgens de overeengekomen geheimhouding met betrekking tot de inhoud van de mediation heeft geschonden door uw pacificatie-overeenkomst van 21 mei 2021, waarin u melding maakt van de partij die de mediation zou hebben beëindigd en de pretense beweegredenen daarvoor, op 18 juni 2021 door te sturen aan de LCG WMS, kennelijk in een poging bij de LCG sympathie te winnen voor uw standpunt. De RvT acht het laakbaar dat u er voor kiest de spelregels van mediation te schenden.

De culminatie van uw houding ten opzichte van de RvT heeft de RvT ervaren in uw weigering de kosten van de door de RvT ingewonnen advisering en bijstand te voldoen (en zelfs de leden van de RvT zelfs persoonlijk aansprakelijk stelt voor deze kosten). Door zich eendimensionaal achter uw eigen vertegenwoordigingsbevoegd-heid te verschuilen en de RvT geen financiële ruimte te gunnen om zich op een ordentelijke wijze van zijn verantwoordelijkheden te kwijten, heeft u willens en wetens aangestuurd op het nog verder uit de hand lopen van de verstoorde verhouding die er met de RvT al bestond. Een erkenning van de rol en positie van de RvT, waar de RvT in zijn brief van 22 december 2020 om gevraagd heeft, had kunnen voorkomen dat de situatie verder uit de hand zou lopen.

De RvT ziet in het feit dat u de RvT meent te kunnen blokkeren in de uitoefening van zijn wettelijke en statutaire taken door zich te beroepen op uw vertegenwoordigingsbevoegdheid (in combinatie met uw weigering medeverantwoordelijkheid te onderkennen voor de situatie) grond om te verwachten dat u bereid zult zijn dergelijke middelen ook in te zetten in de verhouding tot de RvT in zijn toekomstige definitieve samenstelling. Omdat dit de RvT beknot in de onafhankelijke positie die hij op grond van de wet behoort te hebben, rekent de RvT het tot zijn taak de RvT in zijn toekomstige definitieve samen stelling hiervoor te behoeden.

De RvT voorziet, kortom, dat er zich tussen de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting, u als directeur-bestuurder en de GMR een herhaling van zetten zal voordoen. De RvT heeft u ampele gelegenheid geboden ten opzichte van de RvT een andere, minder conflictueuze en meer op samenwerking gerichte opstelling te kiezen. U heeft dit structureel van de hand gewezen en heeft zelfs de RvT, nadat de leden besloten hadden terug te treden, niet de gelegenheid willen bieden dit te doen op basis van voor de RvT-leden acceptabele voorwaarden.

Vóór zowel als na de mediation heeft u op geen enkele wijze zelfs maar de gedeelde verantwoordelijkheid onderkend voor de ontstane situatie. Evenmin heeft u onderkend dat u zich tegenover de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting anders zult dienen op te stellen. De door u voorgestelde ‘pacificatie-overeenkomst’ d.d. 21 mei 2021 komt op geen enkele wijze tegemoet aan de bij u bekende belangen van de RvT, waardoor u de RvT opnieuw volstrekt negeert in zijn taak, rol en verantwoordelijkheid. In antwoord op de laatste handreiking van de RvT d.d. 8 juni 2021 persisteert u bij brief van 10 juni 2021 in een onverzoenlijke opstelling ten opzichte van de RvT en toont u opnieuw aan op geen enkele wijze bereid te zijn te accepteren dat u medeverantwoordelijk bent voor de situatie.

Ook is gebleken dat de verstoring in de verhoudingen tussen u en de RvT, die zich aanvankelijk concentreerde op de ‘oude’ leden van de RvT, nu ook de verhouding tussen u en de nieuwe interim-leden van de RvT besmet heeft. Aangezien het de bedoeling van de RvT is dat deze interim-leden zullen aanblijven voor de duur die nodig is om op een harmonieuze wijze in een structurele bezetting van de RvT te voorzien, valt een herstel van de werkbare verhoudingen tussen de RvT en u inmiddels illusoir te achten. Daarom rest de RvT nu niets anders dan u te schorsen.

Zoals bij brief d.d. 24 juni 2021 aan u is medegedeeld, is de RvT voorts voornemens u te ontslaan uit uw positie van directeur-bestuurder. De RvT heeft de GMR inmiddels verzocht over dit voornemen advies uit te brengen.

Het voortduren van de huidige conflictsituatie is niet in het belang van [verzoekster] en kan op de korte termijn uitsluitend doorbroken worden doordat de RvT u schorst.

Aantal leden RvT

De RvT geeft zich rekenschap van de bij de LCG WMS aanhangige geschillen (adviesgeschil en nalevingsgeschillen). De verzoeken van de GMR aan de RvT hebben mede betrekking op de rechtmatigheid

van de benoeming van de RvT-leden [lid RvT] en de heer Wiegers. Hoewel dit geschil naar opvatting van de RvT op dit moment niet afdoet aan het RvT-lidmaatschap van [lid RvT] en [lid RvT] , geldt voor de goede orde dat het voornemen te besluiten tot uw schorsing bestaat bij de RvT in de samenstelling van de huidige vier leden ( [lid RvT] , [lid RvT] , [lid RvT] en [lid RvT] ) maar dat de eventuele toewijzing van het verzoek van de GMR aan de LGC WMS om de RvT te verplichten de benoeming van [lid RvT] en [lid RvT] in te trekken en/of ongedaan te maken, niet afdoet aan het voornemen, nu dit voornemen ook bestaat bij de RvT in de alsdan geldende samenstelling van [lid RvT] en [lid RvT] .

Zienswijze

De RvT stelt u hiermee in de gelegenheid uw zienswijze omtrent de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. Uiteraard kunt u zich hierbij laten bijstaan door uw advocaat. Indien u ervoor kiest uw zienswijze schriftelijk kenbaar te maken, wenst de RvT uw zienswijze uiterlijk op dinsdag 6 juli 2021 te 13.00 uur via email te ontvangen.

Indien u er de voorkeur aan geeft uw zienswijze mondeling aan de RvT kenbaar te maken, verneemt de RvT dat graag uiterlijk morgen, vrijdag 2 juli te 15.00 uur via email. In dat geval zal de RvT een vergadering beleggen op dinsdag 6 juli 2021 te 19.00 uur op een nog te bepalen locatie in de omgeving van [vestigingsplaats] , waarin u (desgewenst bijgestaan door uw advocaat) in de gelegenheid zult worden gesteld uw zienswijze mondeling aan hem kenbaar te maken.

3.68.

Bij twee brieven van 5 juli 2021 heeft [verweerster] hierop uitgebreid gereageerd.1

3.69.

Nadat een voorstel van de RvT tot spoedmediation tussen [verweerster] , de GMR en de RvT niet is geaccepteerd, heeft de RvT [verweerster] bij brief van 15 juli 2021 medegedeeld dat de zienswijze van [verweerster] hem geen reden heeft gegeven om af te zien van schorsing van [verweerster] als bestuurder van [verzoekster] . In die brief is onder meer het volgende vermeld:

ZIENSWIJZE

In uw eerste brief van 5juli 2021 geeft u een aantal door u genoteerde uitspraken van (de voorzitter en een lid van) de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (hierna: LCG WMS) aan. U geeft aan te concluderen dat de LCG WMS op zijn minst moreel ethisch kritisch is geweest naar de RvT. Voorts geeft u als uw mening weer dat er twee dingen kunnen gebeuren: Of de RvT gaat door op ramkoers, of de RvT kiest voor samenwerking met alle gremia.

In uw tweede brief van 5 juli 2021 gaat u achtereenvolgens in op (1) de kern van het geschil, (2) de zitting bij de LCG van 5 juli 2021, (3) een externe vacaturemelding bij Avident, (4) de relatie (van de RvT) met de bestuurder, (5) de relatie van de RvT met de rest van de organisatie, (6) de resultaten van de bestuurder, een vermeende (7) verborgen agenda van de voormalige voorzitter van de RvT, op (8) pretense belangenverstrengeling van de RvT, en (9) het belang van de Stichting en haar scholen, (10) pretense persoonlijke belangen van de RvT-leden, (11) de brief met het voornemen tot schorsing, (12) de positie van de heer [lid RvT] en mevrouw [lid RvT] ‘ivm de Ondernemingskamer’, en (13) het vervolg.

Op deze zienswijze zal (zover van belang) worden ingegaan in de belangenafweging van dit besluit.

(…)

Weging van uw zienswijze

Onder (1) in uw tweede brief van 5juli 2021 geeft u uw eigen visie op het ontstaan van en de kern van het geschil dat tussen u en de RvT is ontstaan. De RvT herkent zich niet in deze weergave, maar belangrijker, uw relaas gaat voorbij aan de redenen voor de RvT om u te schorsen.

In uw eerste brief en onder (2) in uw tweede brief van 5 juli 2021 citeert u uit de zitting van de LCG WMS van 5 juli 2021. De RvT meent dat de voorzitter en een lid van de LGC WMS op alle betrokken partijen een appel hebben gedaan een oplossing voor de huidige situatie te zoeken. De RvT heeft deze handschoen opgepakt en aan u en de GMR een spoed-mediation voorgesteld. Helaas heeft de GMR de spoed-mediation afgewezen en aangegeven dat hij zich wenst te concentreren op de adviesaanvraag. Uzelf heeft, onder verwijzing naar de voorstellen van uzelf en de GMR die de RvT niet heeft geaccepteerd, de RvT verzocht een onderbouwing van het voorstel van spoed-mediation te geven. De RvT heeft u toegelicht dat uw voorstel en dat van de GMR erin voorzien, dat de huidige situatie wordt ontkend en het probleem wordt doorgeschoven naar de toekomstige RvT. Daarmee zou de huidige RvT weglopen voor zijn verantwoordelijkheid. Dat acht de RvT, gegeven de ernst van de situatie, niet verantwoord.

Onder (3) in uw tweede brief van 5 juli 2021 gaat u in op een externe vacaturemelding bij Avident. Het hier beschreven onderwerp heeft geen betrekking op (de beweegredenen voor) uw schorsing, en kan dus in dit kader buiten beschouwing blijven.

Onder (4) in uw tweede brief van 5 juli 2021 betrekt u, zo begrijpt de RvT, de stelling dat de ontstane verstoorde verhouding tussen u en de RvT te wijten is aan de RvT en dat dit te maken heeft met een maatschappelijk fenomeen. Naar de RvT begrijpt, stelt u dat uw hoedanigheid van vrouw er mede toe leidt dat (mannelijke) leden van de RvT niet goed met u kunnen omgaan. De RvT herkent zich noch in de door u gestelde agressieve bejegening, noch in het feit dat hieraan het beschreven fenomeen ten grondslag ligt. De RvT herkent uiteraard wel, dat de relatie tussen u en de RvT al geruime tijd te wensen overlaat. In dat kader zijn over en weer stevige woorden gevallen. Het is in de perceptie van de RvT primair u, die aanvankelijk de ontstane situatie niet heeft onderkend en lange tijd geen medewerking heeft willen verlenen aan mediation die ertoe had kunnen leiden dat de onderlinge verhoudingen genormaliseerd zouden worden en directeur-bestuurder en RvT elkaar wederzijds meer vanuit begrip voor de wederzijdse positie zouden bejegenen.

Onder (5) in uw tweede brief van 5 juli 2021 stelt u dat de RvT niet alleen een probleem heeft met u, maar met de hele Organisatie. De RvT betreurt vanzelfsprekend deze beeldvorming. Wel stelt de RvT vast dat de GMR de teams van de scholen eenzijdig informeert over de aard van het probleem dat zich voordoet en niet bereid is gebleken op verzoek van de RvT het standpunt van de RvT met de medewerkers te delen. Het staat de GMR vanzelfsprekend vrij aan dat verzoek geen gevolg te geven, maar de RvT kan tegen die achtergrond zijn handelen ook niet laten afhangen van zijn populariteit bij de teams, de directeuren of de GMR.

Onder (6) in uw tweede brief van 5 juli 2021 gaat u in op de door u als directeur-bestuurder behaalde resultaten. Deze resultaten staan voor wat betreft de reden voor de RvT om u te schorsen, niet ter discussie. Het is ook mede omwille van de resultaten en het draagvlak dat u binnen de organisatie heeft, dat de RvT zich heeft willen inspannen om de onderlinge verhoudingen te normaliseren. De RvT betreurt zeer dat dit niet (ook niet tijdens de mediation in het voorjaar van 2021) gelukt is. Uiteindelijk kan de RvT niet anders dan concluderen dat de verhouding tussen u en de RvT in de afgelopen periode ernstig en duurzaam verstoord is geraakt, en dat de RvT geen andere mogelijkheid open staat dan u te schorsen.

Onder (7) in uw tweede brief van 5 juli 2021 gaat u in op de vermeende verborgen agenda van de voormalige voorzitter van de RvT. De RvT in huidige samenstelling en/of zijn leden is nimmer gebleken van een verborgen agenda aan de zijde van de voormalige voorzitter RvT. Hoewel dit voor het besluit tot uw schorsing naar opvatting van de RvT niet van belang is, merkt de RvT voor de goede orde op dat de RvT geen verborgen agenda heeft om [verzoekster] te doen fuseren met [bevoegd gezag] .

Onder (8) in uw tweede brief van 5 juli 2021 stelt u, in essentie, dat de RvT gekaapt is door [onderwijsadviseur] en dat er commerciële belangen ten grondslag liggen aan de besluitvorming binnen de RvT. De RvT werpt deze aantijgingen verre van zich. Dat de RvT-leden [lid RvT] en [lid RvT] in portefeuille zitten bij het ITZH-netwerk, impliceert niet dat zij van [onderwijsadviseur] zijn. Dat erop 15januari 2021 verschillende externen (naast de RvT en de tijdens deze vergadering benoemde RvT-leden) aanwezig waren, duidt erop dat de RvT er serieus werk van wilde maken om het zich manifesterende conflict met de directeur/bestuurder af te wenden en de situatie voor [verzoekster] ten goede te keren en op te lossen, conform de door de RvT op 22 december 2020 aan u gecommuniceerde, herijkte koers. Het is bijzonder spijtig dat u (en de GMR met u) dit niet heeft willen onderkennen en van meet af aan afwijzend heeft gestaan tegenover deze herijkte koers (die onophoudelijk en geheel ten onrechte als ramkoers is bestempeld).

Onder (9) in uw tweede brief van 5 juli 2021 gaat u in op het belang van de Stichting. U stelt hierbij dat de financiële schade als gevolg van het handelen van de RvT alsmaar oploopt. Dat is wat betreft de RvT een onjuiste voorstelling van zaken. Het is waar dat de RvT zich genoodzaakt heeft gezien zich door externen te doen adviseren over zijn positie en de aanpak van de uit de hand gelopen conflictsituatie met de directeur-bestuurder. Vermeld moet worden, dat de RvT op advies van Verus advies heeft ingewonnen bij [onderwijsadviseur] en Cascade advocaten, nadat u uw goedkeuring heeft onthouden aan advisering aan de RvT door Verus. Maar los daarvan, de kosten van advies en juridische bijstand zijn enorm opgelopen doordat u en de GMR van meet af aan afwijzend hebben gestaan tegenover de door de RvT op 22 december 2020 aan u gecommuniceerde, herijkte koers, die er uitsluitend op gericht was te borgen dat de wettelijke en statutaire taken en verantwoordelijkheden van de RvT op een verantwoorde wijze zouden worden overgedragen aan een nog te vormen nieuwe RvT.

Aan een conflictsituatie als de onderhavige is helaas eigen, dat de verschillende betrokken partijen een andere perceptie hebben op de juiste weging van de verschillende belangen. Voor de RvT is van belang dat hij in staat moet worden gesteld invulling te geven aan zijn wettelijke en statutaire taken en verantwoordelijkheden. Ook dat is van belang voor de Stichting. De RvT is er inmiddels, zoals in het voornemen tot schorsing is uiteen gezet, van overtuigd geraakt dat de problematiek die zich tussen u en de RvT voordoet zich zal herhalen tussen de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting en u, indien u de positie van directeur-bestuurder blijft vervullen. De RvT heeft u ampele gelegenheid geboden ten opzichte van de RvT een andere, minder conflictueuze en meer op samenwerking gerichte opstelling te kiezen. U heeft dit structureel van de hand gewezen. Vóór zowel als na de mediation heeft u op geen enkele wijze zelfs maar de gedeelde verantwoordelijkheid onderkend voor de ontstane situatie. Evenmin heeft u onderkend dat u zich tegenover de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting anders zult dienen op te stellen.

Onder (10) in uw tweede brief van 5juli 2021 gaat u in op de persoonlijke belangen van de RvT leden. De RvT is zich bewust van de per 1 juli 2021 gewijzigde wetgeving en kan zijn handelen dienovereenkomstig verantwoorden.

Onder (11) in uw tweede brief van 5juli2021 gaat u in op de inhoud van de brief van 1 juli 2021 waarmee de RvT u (de gronden voor) de voorgenomen schorsing kenbaar maakt. De RvT zal hierop, zover van

belang, hieronder ingaan:

a. a) Het gegeven dat het bestuursreglement (nog) niet is aangepast aan artikel 2:292a Burgerlijk Wetboek, staat aan een schorsingsbesluit niet in de weg. Dat dit grond zou zijn te concluderen dat de RvT bij de schorsing niet handelt in het belang van de Stichting, valt niet in te zien.

b) De RvT is zich bewust van artikel 2:292a lid 7 Burgerlijk Wetboek en kan zijn handelen dienovereenkomstig verantwoorden.

c) Uw uiteenzetting geeft blijk van een aantal misvattingen. In de eerste plaats stelt u herhaaldelijk (ook onder d) dat de RvT opteerde voor arbeidsmediation. Dat is onjuist. Waaruit u afleidt dat de mediation voor de RvT uitsluitend een arbeidsmediation zou betreffen (nog los van de vraag wat de consequentie zou zijn van die kwalificatie), is de RvT niet duidelijk. In zijn brief van 26januari 2021 heeft de RvT getracht te overtuigen van zijn oprechte intenties bij het voorstel tot mediation, waarbij de RvT heeft aangegeven dat hij zeker ook open staat voor reflectie op zijn eigen aandeel in de situatie.

Wat betreft de beoogde benoeming van de interim-voorzitter, geldt dat deze zeer ervaren beoogde interim-voorzitter u zelf heeft aangegeven dat hij bereid is de positie van interimvoorzitter te vervullen indien u, naar aanleiding van het persoonlijke gesprek dat u met hem gevoerd heeft, bereid zou zijn het vertrouwen in hem uit te spreken. U heeft dat evenwel niet gedaan, onder het voorwendsel dat dit escalerend zou zijn richting de GMR. Dat de afspraak zou bestaan de GMR bij alles te betrekken, herkent de RvT niet. De GMR heeft geen instemmingsrecht of adviesrecht ten aanzien van de benoeming van de voorzitter van de RvT.

d) Waaruit u opmaakt dat de RvT ‘overduidelijk op ramkoers’ lag (dit wordt steeds herhaald, waaronder op pagina 12, nr 3 van uw zienswijze), wordt uit uw zienswijze niet duidelijk. Die constatering kan niet worden afgeleid uit de wens van de RvT om tot mediation met u te komen, nu mediation juist een ultiem instrument is om tot oplossing van conflicten te komen. Dat u uit een email van een individueel RvT-lid meent op te maken dat de intenties van de RvT niet oprecht zijn, is spijtig. De RvT meent dat uit de emails waarop u zich in dit kader heeft beroepen ook blijkt dat sprake is van een uiting van vertwijfeling bij de situatie die inmiddels was ontstaan door een individueel RvT-lid, en dat uit de door u eerder genoemde email van 4 oktober 2020 blijkt dat de voorzitter van de RvT mediation daadwerkelijk heeft voorgesteld met als doel het vertrouwen te herstellen.

Met inachtneming van de geheimhouding van de mediation permitteert de RvT zich hier te vermelden dat de deelnemers aan de mediation deelgenoot hebben kunnen zijn van de inspanningen die iedere afzonderlijke partij zich heeft getroost om de mediation tot een goed einde te brengen, en getuige zijn geweest van de wijze waarop de RvT zich in de mediation heeft opgesteld. De RvT heeft zich ingespannen de mediation te doen slagen,

maar moet helaas constateren dat dit niet gelukt is.

e) Dat u de vertrouwelijkheid van de mediation heeft geschonden, kan niet ter discussie staan. U heeft in uw ‘pacificatie-overeenkomst’ van 21 mei 2021 melding gemaakt van de partij die de mediation zou hebben beëindigd en de pretense beweegredenen daarvoor. Deze brief van 21 mei 2021 heeft u vervolgens op 18 juni 2021 doorgestuurd aan de LCG WMS, kennelijk in een poging bij de LCG sympathie te winnen voor uw standpunt. Wie de mediation heeft beëindigd en om welke reden, valt onder de geheimhouding van de

mediation.

f) U geeft een opsomming van redenen waarom het onjuist zou zijn dat u de RvT geen financiële ruimte heeft geboden. De RvT brengt daar het volgende tegenin: Het is aan de RvT te bepalen door welke adviseurs hij zich wil laten adviseren. Dat kan de RvT niet door de directeur-bestuurder en de GMR worden voorgeschreven. Verder lijkt u steeds te veronderstellen dat de RvT er uitsluitend toe heeft kunnen besluiten advies te vragen van

een advocaat, omdat de RvT wenste te juridiseren of u zelfs wilde ontslaan. Dat is onjuist. De RvT wenste zich te doen adviseren over zijn juridische positie, juist om verdere escalatie te voorkomen. Iets anders kan ook niet worden opgemaakt uit de brieven van de RvT van 22 december 2020, 11 januari 2021 en 20 januari 2021.

Uit het feit dat de GMR ertoe overgaat twee procedures tegen de RvT aan te spannen, kan niet worden afgeleid dat de RvT zich niet aan zijn wettelijke taak en statutaire taak heeft gehouden (pagina 11 zienswijze, onder 2, i). Aan een juiste invulling van deze taak en verantwoordelijkheid is gaandeweg de conflictueuze verhouding met de directeur-bestuurder in de weg komen te staan. Er was de RvT veel aan gelegen dit op te lossen, waarin hij helaas niet geslaagd is (pagina 11 zienswijze, onder 2, ii).

U constateert (pagina 12 zienswijze, onder 6) dat de opvatting van de RvT over uw functioneren niet met u is gedeeld maar wel open en bloot’ aan de GMR is gestuurd. Dat is onjuist. De RvT heeft strikte geheimhouding door de GMR bedongen op basis van artikel 23 lid 3 van het medezeggenschapsreglement van de GMR. Uiteraard zult u conform artikel 5 lid 10 van de statuten in de gelegenheid worden gesteld zich te verantwoorden en verdedigen in geval van een te nemen formeel ontslagbesluit.

Het 12e punt (tweede nr. 9) in uw tweede brief van 5 juli 2021 uit u uw zorg over de positie van de heer [lid RvT] en mevrouw [lid RvT] in verband met de procedure bij de Ondernemingskamer. Dat siert u, maar is in de perceptie van de RvT onnodig.

Het 13e punt (tweede nr. 10) in uw tweede brief van 5juli 2021 gaat u in op het vervolg. U merkt op te hopen dat er niet nog een rechtszaak doorlopen hoeft te worden. Uiteraard hoopt de RvT hetzelfde, aangezien juridische procedures leiden tot een verdere toename van kosten ten laste van [verzoekster] , die voorkomen moet worden. De verantwoordelijkheid voor de immer oplopende juridische kosten ligt echter wat betreft de RvT niet (althans zeker niet in overwegende mate) bij de RvT.

Uw zienswijze geeft ons, samengevat, geen aanleiding af te zien van de schorsing.

3.70.

De schorsing van [verweerster] is gepubliceerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3.71.

[verweerster] heeft zich op 15 juli 2021 voor 100% ziek gemeld.

3.72.

Bij brief van 16 juli 2021 heeft de RvT de GMR geïnformeerd over de schorsing van [verweerster] en de benoeming van [interim bestuurder] als interim bestuurder.

3.73.

De GMR heeft bij brief van 28 juli 2021 de RvT bericht dat hij een voorlopig negatief advies geeft ten aanzien van het ontslag van [verweerster] .

3.74.

Bij brief van 25 augustus 2021 heeft de advocaat van [verweerster] geprotesteerd tegen de publicatie van de schorsing van [verweerster] in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3.75.

De advocaat van de RvT heeft bij brief van 1 september 2021 aangegeven dat het schorsingsbesluit niet zal worden opgeheven en de inschrijving in het Handelsregister niet ongedaan zal worden gemaakt.

3.76.

Bij beschikking van 9 september 2021 van de Ondernemingskamer is de GMR niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken van 28 juni 2021– in een procedure tegen [verzoekster] (en de RvT, [lid RvT] , [lid RvT] , [lid RvT] , [lid RvT] en [verweerster] als belanghebbenden) – om (kort gezegd) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [verzoekster] , [lid RvT] en [lid RvT] te schorsen als lid van de RvT, [lid RvT] en [lid RvT] te gebieden per direct terug te treden als lid van de RvT, een tijdelijke voorzitter van de RvT te benoemen en de RvT te verbieden de directeur te schorsen/ontslaan. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het enquêterecht zich niet uitstrekt tot [verzoekster] .

3.77.

Bij uitspraak van 23 september 2021 is de GMR niet-ontvankelijk verklaard door de LCG WMS, met uitzondering van het verzoek tot naleving van de verplichting om tenminste twee maal per jaar overleg met de GMR te voeren.

3.78.

De GMR heeft bij brief van 4 oktober 2021 aan de RvT aangegeven dat hij bereid is om de juridische procedures tegen de RvT te stoppen als de huidige RvT-leden aftreden.

3.79.

Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de GMR (overwegend) negatief geadviseerd over het voorgenomen ontslag van [verweerster] .

3.80.

Per 1 november 2021 zijn [lid RvT] en [lid RvT] afgetreden als lid van de RvT. Op voordracht van de GMR is [lid RvT] tot lid van de RvT benoemd.

3.81.

De GMR heeft op 9 november 2021 laat weten geen gebruik te maken van de mogelijkheid een adviesgeschil aanhangig te maken bij de LCG WMS.

3.82.

Op 24 december 2021 heeft [verweerster] een uitnodiging ontvangen voor een vergadering van de RvT op 6 januari 2022, waarbij het voorgenomen besluit tot ontslag van [verweerster] op de agenda staat. In de samenvatting van de toelichting hierbij is het volgende vermeld:

Samengevat: Verstoorde verhouding en belemmering taak

De verhouding tussen mevrouw [verweerster] en de RvT is in de afgelopen periode ernstig en duurzaam verstoord geraakt. Daarnaast is het de RvT in toenemende mate gebleken dat hij in de uitvoering van zijn wettelijke en statutaire taak door mevrouw [verweerster] niet erkend wordt en in essentie tegengewerkt wordt.

De RvT heeft mevrouw [verweerster] herhaaldelijk voorgesteld onder vigeur van mediation tot bespreking van de situatie en de achtergronden te komen. Mevrouw [verweerster] heeft dat afgewezen, kennelijk omdat haar door adviseurs deelname aan mediation was afgeraden. Ook heeft mevrouw [verweerster] daarbij de oprechtheid van de intenties van de RvT in twijfel getrokken. Hoewel de RvT aanvankelijk geen voorstander was van een driepartijenmediation, is uiteindelijk tussen mevrouw [verweerster] , de GMR en de RvT een driepartijen-mediation overeen gekomen onder begeleiding van [mediator] , mediator van [naam mediationbureau] . Deze mediation is gestart in februari 2021 en geëindigd in mei 2021, zonder resultaat.

De culminatie van de houding van mevrouw [verweerster] ten opzichte van de RvT heeft de RvT ervaren in haar weigering de kosten van de door de RvT ingewonnen advisering en bijstand te voldoen. In het verlengde hiervan heeft zij zelfs de leden van de RvT persoonlijk aansprakelijk gesteld voor deze kosten en hen persoonlijk facturen gestuurd voor de kosten van door de RvT ingewonnen advisering en bijstand. Door zich eendimensionaal achter de eigen vertegenwoordigingsbevoegdheid te verschuilen en de RvT geen financiële ruimte te gunnen om zich op een ordentelijke wijze van zijn verantwoordelijkheden te kwijten, heeft mevrouw [verweerster] willens en wetens aangestuurd op het nog verder uit de hand lopen van de verstoorde verhouding die er met de RvT al bestond. Een erkenning van de rol en positie van de RvT, waar de RvT in zijn brief van 22 december 2020 om gevraagd heeft, had kunnen voorkomen dat de situatie verder uit de hand zou lopen.

De RvT ziet in het feit dat mevrouw [verweerster] de RvT meent te kunnen blokkeren in de uitoefening van zijn wettelijke en statutaire taken door zich te beroepen op uw vertegenwoordigingsbevoegdheid (in combinatie met haar weigering medeverantwoordelijkheid te onderkennen voor de situatie) grond om te verwachten dat zij bereid zal zijn dergelijke middelen ook in te zetten in de verhouding tot de RvT in zijn toekomstige definitieve samenstelling. Omdat dit de RvT beknot in de onafhankelijke positie die hij op grond van de wet behoort te hebben, rekent de RvT het tot zijn taak de RvT in zijn toekomstige definitieve samenstelling hiervoor te behoeden.

De RvT voorziet, kortom, dat er zich tussen de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting en mevrouw [verweerster] als directeur-bestuurder een herhaling van zetten zal voordoen. De RvT heeft mevrouw [verweerster] ampele gelegenheid geboden ten opzichte van de RvT een andere, minder conflictueuze en meer op samenwerking gerichte opstelling te kiezen. Mevrouw [verweerster] heeft dit structureel van de hand gewezen en heeft zelfs de RvT, nadat de leden besloten hadden terug te treden, niet de gelegenheid willen bieden dit te doen op basis van voor de RvT-leden acceptabele voorwaarden.

Vóór zowel als na de mediation heeft mevrouw [verweerster] op geen enkele wijze zelfs maar de gedeelde verantwoordelijkheid onderkend voor de ontstane situatie. Evenmin heeft zij onderkend dat zij zich tegenover de RvT in zijn nog te bepalen nieuwe structurele bezetting anders zal dienen op te stellen.

Ook is gebleken dat de verstoring in de verhoudingen tussen mevrouw [verweerster] en de RvT, die zich aanvankelijk concentreerde op de ‘oude’ leden van de RvT, nu ook de verhouding tussen haar en de nieuwe interim-leden van de RvT ( [lid RvT] en [lid RvT] ) besmet heeft. Aangezien het de bedoeling van de RvT is dat deze interim-leden zullen aanblijven voor de duur die nodig is om op een harmonieuze wijze in een structurele bezetting van de RvT te voorzien, valt een herstel van de werkbare verhoudingen tussen de RvT en mevrouw [verweerster] inmiddels illusoir te achten.

Tenslotte is de RvT van oordeel dat mevrouw [verweerster] de belangen van de stichting volledig uit het oog is verloren doordat onder haar verantwoordelijkheid en (ten minste voor een wezenlijk deel) met haar medeweten onverantwoord grote uitgaven zijn verricht voor juridische procedures. Deze procedures hebben kenbaar geen ander doel gehad dan de RvT te dwarsbomen in de uitoefening van zijn taken en verantwoordelijkheden.

Al met al is wat de RvT betreft evident sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding tussen de RvT en mevrouw [verweerster] , zodanig dat van de RvT niet gevergd kan worden deze verhouding te laten voortduren. Bovendien meent de RvT dat mevrouw [verweerster] haar blokkerende en conflictueuze houding kan worden verweten, en in het bijzonder het gegeven dat onder haar verantwoordelijkheid en (ten minste voor een wezenlijk deel) met haar medeweten onverantwoord grote uitgaven zijn verricht voor Juridische procedures die geen ander doel hebben gehad dan de RvT te dwarsbomen in de uitoefening van zijn taken en verantwoordelijkheden.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de RvT voornemens is mevrouw [verweerster] te ontslaan (royeren) uit

haar hoedanigheid van bestuurder.

3.83.

Op 5 januari 2022 heeft een periodieke evaluatie van [verweerster] bij de bedrijfsarts plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er medisch geen bezwaar was om in gesprek te blijven/gaan en dat wordt geadviseerd om met elkaar in gesprek te blijven om de werkgerelateerde problematiek op te lossen.

3.84.

Op 6 januari 2022 heeft een vergadering van de RvT plaatsgevonden, alwaar unaniem is besloten om [verweerster] te ontslaan als bestuurder van [verzoekster] . [verweerster] noch haar advocaat was bij die vergadering aanwezig. Bij brief van 7 januari 2022 heeft de RvT het verslag van die vergadering aan [verweerster] doen toekomen. Op 11 januari 2022 is [verweerster] door de RvT als bestuurder uitgeschreven uit het Handelsregister.

3.85.

Op 8 februari 2022 heeft [verzoekster] een startgesprek met de Inspectie van het Onderwijs gevoerd, waarna de Inspectie heeft aangegeven aanleiding te zien voor een uitvoerig onderzoek binnen [verzoekster] om de kwaliteit van de organisatie nader te onderzoeken.

3.86.

De GMR heeft een bedrag van ruim € 88.000,00 aan kosten voor de ingeschakelde advocaat ten laste van [verzoekster] gebracht. Door de advocaat van [verweerster] is een bedrag van bijna € 45.000,00 gefactureerd, waarvan een deel ook is voldaan door [verzoekster] . De RvT heeft een voor een bedrag van ruim € 52.000,00 aan kosten gemaakt voor externe adviseurs en dit in rekening gebracht bij [verzoekster] .

4. Het geschil

het verzoek

4.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de tussen [verzoekster] en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke gronden;

  2. bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] ;

  3. te bepalen dat [verweerster] geen recht heeft op een transitievergoeding, nu ontbinding het gevolg is van haar ernstig verwijtbaar handelen en nalaten;

  4. [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

[verzoekster] legt primair aan haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] ten grondslag dat [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld. Subsidiair dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van [verzoekster] niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Meer subsidiair is volgens [verzoekster] sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. [verzoekster] acht het handelen en nalaten van [verweerster] ernstig verwijtbaar, zodat zij geen recht heeft op een transitievergoeding en bij het bepalen van de einddatum geen rekening dient te worden gehouden met de opzegtermijn.

4.3.

[verweerster] voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

het tegenverzoek

4.5.

[verweerster] verzoekt de rechtbank:

primair

I. te verklaren voor recht dat het statutaire ontslag van 6 januari 2022 nietig is op grond van artikel 2:14 BW vanwege het feit dat dit besluit door een onbevoegde RvT en derhalve niet rechtsgeldig is genomen en ook overigens in strijd met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is;

subsidiair (als de arbeidsovereenkomst is ontbonden)

II. te bepalen dat [verzoekster] op basis van artikel 7:763 BW een transitievergoeding van € 9.511,20 bruto aan [verweerster] verschuldigd is;

III. [verzoekster] te veroordelen een billijke vergoeding aan [verweerster] te betalen van

€ 75.000,00 bruto, althans een door de rechtbank vast te stellen billijke vergoeding;

IV. [verzoekster] te veroordelen een bedrag van € 25.000,00 netto te betalen aan immateriële schadevergoeding;

V. bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de opzegtermijn die voor opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verweerster] geldt, omdat de ontbinding het gevolg is van verwijtbaar handelen/nalaten van [verzoekster] ;

zowel primair als subsidiair

VI. [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de vergoedingen onder II., III. en IV. vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van algehele voldoening;

VII. [verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de aan deze procedure voorafgaand gemaakte kosten van rechtsbijstand van

€ 4.138,20.

4.6.

[verweerster] legt aan haar tegenverzoek ten grondslag dat de RvT niet bevoegd was om het ontslagbesluit te nemen en dat sprake is van schending van hoor en wederhoor. Daarnaast voert [verweerster] aan dat geen sprake is van een voldragen e- of h-grond en dat indien ontbinding op de g-grond plaatsvindt dat volledig en ernstig te verwijten is aan de RvT, zodat aan [verweerster] naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toekomt, alsook immateriële schadevergoeding.

4.7.

[verzoekster] voert verweer.

4.8.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen, bevoegdheid rechtbank

5.1.

Op 1 juli 2021 is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) in werking getreden. Als gevolg daarvan is artikel 2:131 BW van overeenkomstige toepassing op rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de stichting en de bestuurder. Dat brengt mee dat de rechtbank Gelderland bevoegd is van het ontbindingsverzoek kennis te nemen.

Ontslag bestuurder, de rechtspersoonsrechtelijke gevolgen

5.2.

Uit de ‘15-april arresten’ (HR 15 april 2005, NJ 2005/484 inzake Unidek en HR 15 april 2005, NJ 2005/483 inzake Bartelink/Ciris) vloeit voort dat het rechtspersoonsrechtelijk ontslag tevens een beëindiging van de arbeidsovereenkomst meebrengt, tenzij een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of partijen anders zijn overeengekomen. Uit het - met de WBTR ingevoerde - artikel 2:298a BW volgt dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder niet door de rechter kan worden uitgesproken. In de memorie van toelichting bij de WBTR (Kamerstukken II, 2015/16, 34 491, nr. 3 p. 18) wordt met betrekking tot artikel 2:298a BW het volgende vermeld:

“Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is. De regel geldt thans reeds voor de NV (artikel 2:134 lid 3 BW), de BV (artikel 2:244 lid 3 BW), de vereniging (artikel 2:37 lid 6 BW) en de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikelen 2:37 lid 6 en 2:53a lid 1 BW). Omdat het vertrouwen in de bestuurder ook bij de stichting van wezenlijk belang is, komt de genoemde regel ook voor stichtingen te gelden.”

Dit heeft tot gevolg dat artikel 7:671 lid 1 sub e BW, waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van een bestuurder van een rechtspersoon zonder zijn schriftelijke instemming kan worden beëindigd als herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 BW niet mogelijk is, (ook) op de bestuurder van de stichting van toepassing is geworden. Hiermee heeft de bestuurder van de stichting dezelfde rechtspositie gekregen als de bestuurder van andere rechtspersonen (waaronder de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap) en acht de rechtbank het oordeel van de Hoge Raad in de 15 april-arresten ook van toepassing op (het ontslag van) de bestuurder van een stichting. Een ander oordeel zou aan het doel van de wetgever om tot gelijkschakeling te komen met bestuurders van andere rechtspersonen voorbij gaan.

5.3.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat [verweerster] zich per 21 juni 2021 voor 50% en per 15 juli 2021 voor 100% arbeidsongeschikt heeft gemeld, welke arbeidsongeschiktheid onverminderd voortduurt. Ook op 6 januari 2022, toen het ontslagbesluit werd genomen, was [verweerster] derhalve nog volledig arbeidsongeschikt. Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 sub a BW) van toepassing was en is. Derhalve heeft, gelet op de hiervoor in de 15-april arresten genoemde uitzondering, het rechtspersoonsrechtelijke ontslag van [verweerster] niet tevens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. Daarvoor is een aparte opzeggingshandeling verreist. Dat is ook de reden waarom [verzoekster] de rechtbank verzoekt de arbeidsovereenkomst van [verweerster] te ontbinden.

[verweerster] heeft daartegen verweer gevoerd omdat, primair, het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat en, subsidiair, haar ziekte verband houdt met het arbeidsconflict met de RvT en subsidiair omdat van enige voldragen grond voor ontbinding geen sprake is.

Opzegverbod

5.4.

Ondanks dat sprake is van een opzegverbod (artikel 7:670 lid 1 sub a BW) kan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen als het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft (artikel 7:671b lid 6 aanhef en onder a BW). Daarvan is, anders dan door [verweerster] is betoogd, sprake. Weliswaar zal het arbeidsconflict tussen [verweerster] en de RvT haar arbeidsongeschiktheid (mede) hebben veroorzaakt, maar er is niet gebleken dat het ontbindingsverzoek verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid. Het ontbindingsverzoek is, samengevat, gebaseerd op de stelling dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerster] , van gebrek aan vertrouwen in haar binnen de RvT, een verschil van inzicht tussen de RvT en [verweerster] en voorts dat sprake is een verstoorde arbeidsrelatie. Ter zake van geen van deze gronden is gebleken dat die verband houden met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] .

Ontbinding

5.5.

Nu het opzegverbod tijdens ziekte, hoezeer formeel van toepassing, met gebruikmaking van artikel 7:671b lid 6 aanhef en onder a BW niet aan ontbinding in de weg staat, is feitelijk van een situatie waarvoor in de 15-april arresten een uitzondering is geformuleerd (voor gevallen waarin een opzegverbod van toepassing is) geen sprake meer. Een redelijke uitleg brengt met zich dat het doel van die uitzondering is om ook bestuurders die tevens werknemer zijn de arbeidsrechtelijke bescherming van opzegverboden te bieden. Als op grond van arbeidsrechtelijke regels het opzegverbod aan opzegging (ontbinding) toch niet in de weg staat, doet de uitzondering genoemd in de 15-april arresten geformuleerde zich feitelijk niet meer voor. Het gevolg zal zijn, zo is de rechtbank vooralsnog van oordeel, dat het einde van de rechtspersoonsrechtelijke relatie, uiteraard onder de voorwaarde dat het besluit dat daaraan ten grondslag ligt rechtsgeldig is, tevens het einde van de arbeidsovereenkomst met zich brengt. Bij een andere uitkomst, waarbij de ‘opzegging’, in dit geval de ontbinding(sgronden) vol getoetst zou(den) worden, zou zich de situatie kunnen voordoen dat de rechtspersoonsrechtelijke relatie wel en de arbeidsrechtelijke relatie niet eindigt, maar dan niet vanwege het opzegverbod, maar om andere redenen. Dan zou de bescherming van de uitzonderingen die de Hoge Raad in de 15-april arresten heeft geformuleerd verder strekken dan die door het betreffende opzegverbod geboden wordt. Voor een dergelijk verdergaand gevolg van de geformuleerde uitzondering is in genoemde arresten geen basis te vinden.

Dit betekent dat als het rechtspersoonsrechtelijk ontslagbesluit rechtsgeldig is, daarmee de arbeidsrechtelijke relatie ingevolge de 15-april arresten toch geëindigd is. In dat geval kan aan een inhoudelijke beoordeling van het ontbindingsverzoek niet worden toegekomen.

Ontslagbesluit rechtsgeldig?

5.6.

[verweerster] heeft (bij tegenverzoek) onder meer verzocht het ontslagbesluit nietig te verklaren. [verweerster] is gelet op de nauwe samenhang met het verzoek tot ontbinding van [verzoekster] (artikel 7:686a lid 2 en 3 BW) in haar tegenverzoek(en) ontvankelijk.

5.7.

Volgens [verweerster] is het besluit om haar als statutair bestuurder te ontslaan (het ontslagbesluit) nietig (op grond van artikel 2:14 BW), omdat het besluit door een onbevoegde RvT is genomen. De RvT was onbevoegd omdat hij begin november 2020 zijn aftreden bekend heeft gemaakt en omdat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De rechtbank volgt [verweerster] hierin niet en overweegt daartoe als volgt.

5.8.

Bij brief van 4 november 2020 heeft de RvT [verweerster] medegedeeld dat de leden hebben besloten om hun posities op te geven. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat de RvT zorg zou dragen voor een goede overdracht van taken en dat hij in overleg met de GMR en [verweerster] lopende zaken naar behoren zou blijven uitvoeren. Hieruit volgt geen onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige staking/stopzetting van zijn werkzaamheden per direct. Integendeel, de RvT heeft vervolgens meerdere malen aangegeven dat hij meewerkt aan een warme overdracht. Zo heeft de RvT onder meer gesproken met Verus over zijn rol en de overdracht, heeft de RvT voorgesteld om een routekaart vast te stellen om de overdracht zo goed mogelijk te laten verlopen, en heeft de RvT [verweerster] gevraagd om een toelichting op de cijfers over het derde kwartaal 2020, de begroting van 2021, de cijfers over het vierde kwartaal en om een gesprek met de accountant. Daarnaast is een nieuwe interim-voorzitter in de persoon van de heer [voormalig directeur/bestuurder] . voorgesteld, is gesproken over het selectieproces en heeft de RvT stukken opgevraagd bij [verweerster] . Ook is gesproken over mediation, die later heeft plaatsgevonden, maar niet tot enig resultaat heeft geleid. Kortom uit de gedragingen en de handelwijze van de RvT volgt dat hij feitelijk heeft gehandeld naar hetgeen hij heeft aangekondigd in zijn brief van 4 november 2020.

Overigens heeft [verweerster] daar ook niet (uitdrukkelijk) bezwaar tegen gemaakt noch een verzoek ingediend tot het verkrijgen van vervangende toestemming om de statuten aan te passen (artikel 2:294 BW) dan wel als belanghebbende verzocht om ontslag of schorsing van de (leden van de) RvT (artikel 2:298 lid 4 BW).

De RvT, die zijn eigen leden benoemt en ontslaat, heeft, nadat [lid RvT] en [lid RvT] (en later ook [lid RvT] en [lid RvT] ) waren afgetreden, nieuwe (interim)leden benoemd teneinde de continuïteit van de RvT te waarborgen en de lopende kwesties te kunnen behandelen. Weliswaar bestond de RvT ten tijde van het rechtspersoonsrechtelijk ontslag en ook thans niet uit (minimaal) vijf leden, maar dat doet aan de bevoegdheid van RvT tot het nemen van een ontslagbesluit niet af (artikel 11 lid 15 van de statuten).

De stelling van [verweerster] dat de RvT niet bevoegd was om besluiten (in het bijzonder het ontslagbesluit) te nemen, kan dan ook niet gevolgd worden. Dat [verweerster] in haar brief van 5 januari 2021 het vertrouwen heeft opgezegd in de RvT maakt het voorgaande niet anders.

5.9.

Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor (voorafgaand aan het nemen van het ontslagbesluit) is geen sprake. [verweerster] was weliswaar arbeidsongeschikt ten tijde van het plaatsvinden van de vergadering waarin haar ontslagbesluit aan de orde was, maar de bedrijfsarts heeft op 5 januari 2022 aangegeven dat er medisch geen bezwaar was om in gesprek te gaan met [verzoekster] . Daarnaast is ook geadviseerd door de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te blijven om de werkgerelateerde problematiek op te lossen. De RvT heeft daaruit begrepen en mogen begrijpen dat [verweerster] in staat geacht moest worden de vergadering bij te wonen. Ook de advocaat van [verweerster] , die haar toen al enige tijd bijstond, heeft de vergadering niet bijgewoond terwijl dat wel tot de mogelijkheden behoorde. Overigens heeft [verweerster] in haar brieven van 5 juli 2021 (naar aanleiding van het voornemen om haar te schorsen) reeds uitgebreid gereageerd op het schorsingsvoornemen en zijn de gronden die aan het ontslagbesluit ten grondslag liggen niet gewijzigd ten opzichte van de gronden van het schorsingsbesluit.

5.10.

Het ontslagbesluit is derhalve rechtsgeldig tot stand gekomen. Het (tegen)verzoek van [verweerster] tot nietigverklaring wordt afgewezen.

Hoe verder?

5.11.

Ter zitting is uitdrukkelijk besproken is dat de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit alleen door [verweerster] ter discussie is gesteld ter zake de twee hiervoor genoemde formele punten. Nadrukkelijk en desgevraagd is door de gemachtigde van [verweerster] verklaard dat de verzochte billijke vergoeding niet zag op compensatie voor het ontbreken van een redelijke grond voor het ontslagbesluit, maar zag op de situatie waarin de rechtbank mogelijk tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou overgaan. Dat betekent dat nu het ontslagbesluit rechtsgeldig is genomen en het opzegverbod aan ontbinding niet in de weg staat, de rechtbank vooralsnog van oordeel is dat de uitzondering van de 15-arpil arresten zich feitelijk niet voordoet, de arbeidsovereenkomst tussen partijen mede is geëindigd door het ontslagbesluit (een opzegging door [verzoekster] ) en aan een inhoudelijke beoordeling van het ontbindingsverzoek niet kan worden toegekomen.

Deze mogelijke wending heeft geen onderdeel uitgemaakt van het partijdebat en is ook ter zitting niet besproken. Ter zitting is de aandacht vooral uitgegaan naar de vraag of het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat en zo niet, of er een redelijke grond is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW. De hiervoor uitgezette lijn kan daardoor mogelijk voor partijen een verrassing zijn. Om een verrassingsuitspraak te voorkomen worden partijen in de gelegenheid gesteld zich (uitsluitend!) uit te laten over hetgeen in r.o. 5.5. en de onderhavige overweging is overwogen.

5.12.

Iedere verdere beslissing, waaronder die ter zake de verzochte vergoedingen, wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

stelt beide partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten overeenkomstig en uitsluitend over hetgeen is overwogen in r.o. 5.5 en 5.11., welke akte van ieder der partijen uiterlijk binnen veertien dagen na dagtekening van de onderhavige beschikking dient te zijn ontvangen door de griffie van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, team kanton en handel onder vermelding van het zaaknummer;

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken door mr. C.J.M. Hendriks op 17 mei 2022.

1 Omdat de inhoud daarvan in de hierna opgenomen reactie van de RvT is verwerkt, zijn de brieven van [verweerster] hier niet integraal overgenomen.