Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2433

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-05-2022
Datum publicatie
20-05-2022
Zaaknummer
9537637
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jarenlang onvindbare eigenaar maakt aanspraak op schadevergoeding voor verlies auto. Het autobedrijf mocht de auto, die bijna tien haar op haar terrein stond gestald, op grond van het bepaalde in artikel 6:90 BW, zonder mededeling verkopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: 9537637 CV 21-3542

Grosse aan: mr. Swart

Afschrift aan: [gemachtigde]

Verzonden d.d.

vonnis d.d. 4 mei 2022 van de kantonrechter

in de zaak van

1 [eiser sub A] ,

2. [eiser sub B] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.B.M. Swart,

procederend krachtens toevoeging, met nummer [toevoegingsnummer] ,

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

[gemachtigde] .

Partijen worden hierna afzonderlijk “ [eiser sub A] ”, “ [eiser sub B] ” en “ [gedaagde partij] ” worden genoemd. Eisers zullen gezamenlijk “ [eisende partij] ” worden genoemd.

1 Het verdere procesverloop

1.1

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 november 2021, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

- de akte met producties 13 en 14 van [eisende partij] ,

- de mondelinge behandeling van 5 april 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Op 23 juni 2009 heeft [eiser sub B] zijn auto, een Volkswagen Golf VR6 Turbo uit 1994 met kenteken [kentekennummer] , ter modificatie bij [gedaagde partij] gebracht. [gedaagde partij] is vervolgens begonnen met de inbouw van een nieuwe turbo. Aanvullend heeft zij diverse reparatiewerkzaamheden verricht.

2.2

Op 21 september 2010 heeft [gedaagde partij] een e-mail aan [eiser sub B] gestuurd en daarin onder verwijzing naar een rekeningoverzicht beschreven welke werkzaamheden tot dan toe aan de auto zijn verricht. Toen [eiser sub B] aangaf niet over voldoende financiële middelen te beschikken, heeft [gedaagde partij] haar werkzaamheden gestaakt. De auto heeft zij vervolgens buiten op haar terrein gestald.

2.3

Op 26 augustus 2015 heeft [eiser sub B] de auto aan zijn zoon, [eiser sub A] , geschonken.

2.4

In 2016 is [eiser sub B] , vergezeld van [eiser sub A] , naar [gedaagde partij] gegaan om de auto te bekijken. Daarna heeft de volgende e-mailcorrespondentie plaatsgevonden:

- een e-mail van 28 september 2016 van [gedaagde partij] :

Beste ???


Mag ik je naam even weten, dat praat wat makkelijker.

Die foto’s gingen even via mijn prive telefoon, maar verdere correspondentie graag via dit zakelijke emailadres.

NB Graag rekening ermee houden dat dit een razenddruk bedrijf is, en dat ik geen tijd heb voor uitgebreide correspondentie.

- een e-mail van 14 maart 2019 van [eiser sub B] :

Geen probleem ik ken dat. Ik heet [eiser sub B]

Mijn tel nr is: [telefoonnummer] .

Ik ben moeilijk bereikbaar met e-mail en ben beter bereikbaar per tel of app

Hoop gauw wat te horen.

2.5

Bij brief van 2 juli 2020 heeft (de gemachtigde van) [eiser sub A] om teruglevering van de auto verzocht. Hierop heeft [gedaagde partij] als volgt bij brief van 11 juli 2020 gereageerd:

(…) U schijnt te denken dat het hier om een nog bruikbare auto gaat.

Daarom hier nadere informatie:

Op de RDW website kunt u zien dat het hier gaat om een VW Golf uit 1994, waarvan de APK al sinds 2006 vervallen is. De auto is dus al die tijd niet meer op de openbare weg geweest. Ergens rond 2009 zal deze auto (vermoedelijk al in gedeeltelijk gedemonteerde toestand, maar dat weten we niet zeker, want er werkt hier niemand meer die dat heeft meegemaakt) bij ons vorige pand neergezet zijn. (toen dus al 15 jaar oud).

In augustus 2010 is de eigenaar nog een langs geweest, en is er een overzicht gemaakt. (NB het document dat u meestuurde is geen factuur).

Aangezien de klant toen niet over voldoende financiële middelen beschikte om het aangegeven bedrag te betalen zijn de werkzaamheden gestopt en heeft de klant de auto bij ons laten staan. Het daarop aangegeven bedrag is nooit betaald. Daarna bleek de klant spoorloos. De telefoon werd niet opgenomen, emails niet beantwoord, brieven aan het opgegeven adres werden niet beantwoord.

Wij hadden ook nauwelijks gegevens van de klant, wisten zelfs zijn achternaam niet. Wij wisten op den duur geen raad meer met de auto, hij stond ons vreselijk in de weg. We hebben de RDW gebeld, de politie gebeld, niemand kon/mocht ons verder helpen. Privacy regels.

Toen ons bedrijf in 2011 naar de nieuwbouw in [plaatsnaam] verhuisde hebben wij in arren moede, hij moest van de verhuurder van het terrein af, een takelwagen moeten huren en hem bij ons spiksplinternieuwe gebouw neer moeten zetten, waar hij jarenlang steeds verder weg stond te roesten en uit elkaar begon te vallen.

In 2016, de auto was toen al 20 jaar oud, kregen we eindelijk weer een levensteken van de klant. Hij vertelde dat hij ‘gezeten’ had en nu moest zien zijn leven weer op de rails te krijgen. Geld om de auto verder te laten maken had hij ook niet, en ook niet om hem op te laten halen. Hij zat ook nog in een echtscheiding en moest leven van een uitkering. Dus voorlopig geen zicht op financiële middelen.

Na een tijd hebben we weer contact op proberen te nemen met de klant om af te spreken hoe nu verder, maar opnieuw werden telefoon en email niet beantwoord. Wij trokken zo onze conclusies. Daarna heeft de auto nog een kleine 3 jaar verder weg staan roesten, het was gewoon schroot geworden, de onderdelen vielen er aan alle kanten af, het was een schandvlek voor ons bedrijf. Toen de auto zo’n 23 jaar oud was hadden we er genoeg van en hebben de restanten door een oudijzer handelaar weg laten halen.

Jammer dat uw cliënt zich niet anderhalf jaar (of liefst nog veel) eerder gemeld heeft, wij zouden met alle genoegen de restanten aan hem meegegeven hebben.

Nu is dat helaas niet meer mogelijk. De auto is niet meer. (…)”

2.6

Bij brief van 29 januari 2021 heeft de gemachtigde van [eiser sub A] [gedaagde partij] aansprakelijk gesteld voor het verlies van de auto.

3 De vordering en het verweer

3.1

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

i. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] jegens [eiser sub B] / [eiser sub A] onzorgvuldig c.q. onrechtmatig heeft gehandeld, als gevolg waarvan [gedaagde partij] jegens [eiser sub B] / [eiser sub A] schadeplichtig is geworden,

ii. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 13.500,00 aan [eiser sub A] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening,

iii. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.101,10 aan [eiser sub A] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding

– 12 november 2021 – tot aan de dag van de algehele voldoening,

iv. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,

v. [gedaagde partij] veroordeelt in de nakosten.

3.2

[gedaagde partij] heeft verweer gevoerd en tot afwijzing van de vordering geconcludeerd.

3.3

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in deze zaak om een auto die in 2009 door de toenmalige eigenaar – [eiser sub B] – ter modificatie en reparatie bij [gedaagde partij] is gebracht. Vast staat dat de hiermee gemoeide kosten nooit volledig door [eiser sub B] zijn voldaan. In 2010 heeft [gedaagde partij] haar werkzaamheden om die reden gestaakt. Vast staat ook dat partijen in de jaren die volgden nauwelijks contact met elkaar hebben gehad. Tot groot ongenoegen van [gedaagde partij] is de auto daarom bijna tien jaar bij haar blijven staan. In 2019 heeft zij besloten de auto te demonteren en, met uitzondering van het motorblok en de turbo, als schroot aan een oudijzerhandelaar mee te geven. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde partij] hiermee onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld en zo ja, of zij in dat geval aan [eiser sub A] een schadevergoeding van € 13.500,00 is verschuldigd.

4.2

Vooropgesteld wordt dat [eiser sub B] niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard, omdat hij ten tijde van het vermeende onrechtmatig handelen geen eigenaar van de auto meer was. De auto is namelijk op 26 augustus 2015 aan [eiser sub A] geschonken en nog op dezelfde dag op diens naam overgeschreven. In tegenstelling tot hetgeen [gedaagde partij] heeft aangevoerd, valt die laatste handeling in deze zaak te kwalificeren als bezitsverschaffing door feitelijke overgave, zodat een mededeling als bedoeld in artikel 3:115 sub c BW niet was vereist. De auto is daarmee rechtsgeldig op [eiser sub A] overgegaan. Dat betekent dat [eiser sub B] geen belang bij de vordering heeft en niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

4.3

Het meest verstrekkende verweer dat [gedaagde partij] tegen de vordering voert, houdt in dat zij geen andere uitweg zag dan de auto af te laten voeren. Zij stelt daartoe dat zij ter uitvoering van haar retentierecht en in afwachting van betaling van de openstaande rekening de auto aanvankelijk niet heeft willen meegeven, maar dat de stalling haar uiteindelijk een doorn in het oog werd. De auto – die in 2009 al in slechte staat binnenkwam – ging als gevolg van corrosie, schimmel en waterschade snel achteruit. Veelvuldig is geprobeerd met [eiser sub B] in contact te komen om tot een afspraak te komen om de auto op te halen, maar de in dat verband verstuurde brieven kwamen telkens ongeopend retour en e-mails en telefoontjes werden niet beantwoord. Toen de onderdelen van de auto er links en rechts afvielen en er vloeistoffen begonnen te lekken, heeft zij de auto met het oog op een mogelijke milieu-inspectie weggedaan. Het is volgens de [gedaagde partij] ‘de wereld op zijn kop’ dat nu aanspraak wordt gemaakt op een omvangrijke schadevergoeding, terwijl de wederpartij jarenlang onvindbaar was en niet naar de auto heeft omgekeken.

4.4

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde partij] hiermee een beroep heeft willen doen op artikel 6:90 BW. Dit artikel geeft de schuldenaar van een verbintenis tot aflevering van een zaak de bevoegdheid om deze zaak te verkopen, wanneer de zaak ‘aan snel tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een andere reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in de gegeven omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd’. Achtergrond van dit artikel is onder meer gelegen in het belang van de schuldenaar om in bepaalde omstandigheden bevrijd te worden van zijn afleveringsverplichting.

4.5

De kantonrechter is van oordeel dat dergelijke omstandigheden zich in deze zaak voordoen en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat de auto vanaf 2010 op het buitenterrein van [gedaagde partij] heeft stilgestaan. Hoewel [eiser sub A] dit heeft betwist en duidelijk beeldmateriaal ontbreekt, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de auto hierdoor erg in staat is achteruitgegaan. Algemeen bekend immers is dat stilstand niet goed is voor een auto, zeker niet voor een auto met het bouwjaar als het onderhavige en waarover onweersproken is gesteld dat deze meer dan gebruikelijk vatbaar is voor corrosie. Dat geldt te meer nu de auto reeds bij binnenkomst al niet in beste staat verkeerde. De kantonrechter leidt dit af uit de omstandigheid dat de auto voor het laatst in 2006 APK is gekeurd en uit de tijdens de mondelinge behandeling gedane verklaring van [eiser sub A] dat de auto een ‘project’ (daarmee bedoelend: een klusauto) betrof waaraan nog het nodige moest gebeuren. Het gaat in deze zaak bovendien niet om een stilstand van enkele weken of maanden, maar om een periode van bijna tien jaar. De kantonrechter kan [gedaagde partij] derhalve in haar standpunt volgen dat de auto gedurende deze jaren is weggeroest en grotendeels tot schroot is verworden. Het is deze omstandigheid in combinatie met het enorme tijdsverloop, het feit dat [eisende partij] jarenlang niets van zich heeft laten horen – waarover hieronder meer – en de angst voor handhavend optreden in het kader van de milieuwetgeving, die maken dat verdere bewaring niet langer van [gedaagde partij] kon worden gevergd.

4.6

In beginsel mocht [gedaagde partij] derhalve tot verkoop van de auto overgaan. Deze bevoegdheid mag evenwel pas worden uitgeoefend na een deugdelijke sommatie met een daaraan verbonden redelijke termijn (zie Hof Amsterdam 19 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:515). Niet gebleken is dat een dergelijke sommatie door [gedaagde partij] is verstuurd. Er zijn evenwel omstandigheden denkbaar waaronder een voorafgaande kennisgeving niet vereist is, bijvoorbeeld wanneer de wederpartij (langdurig) onbereikbaar is (zie GS Verbintenissenrecht, art. 6:90 BW, aant. 2.7). Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Uit de overgelegde stukken komt het beeld naar voren dat [eiser sub B] jarenlang niets van zich heeft laten horen, dat hij meerdere keren zonder aankondiging van adres en telefoonnummer is gewisseld en om die reden voor [gedaagde partij] onvindbaar was. De hierboven weergegeven aangehaalde correspondentie is in dat verband tekenend. Op een e-mail uit 2016 wordt pas in 2019 gereageerd. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser sub B] langdurig onbereikbaar was. Dat hij noch zijn zoon niet door [gedaagde partij] omtrent het voornemen tot verkoop in kennis is gesteld, komt onder die omstandigheid dan ook voor zijn eigen rekening en risico.

4.7

De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat [gedaagde partij] terecht van haar bevoegdheid tot verkoop heeft gebruikgemaakt. Het gevolg van de verkoop is dat zaaksvervanging plaatsvindt, waarbij de verkoopopbrengst in de plaats van de zaak zelf komt. Dat betekent dat [gedaagde partij] niet meer tot aflevering van de auto verplicht is, zodat zij uit dien hoofde niet onrechtmatig heeft gehandeld of tot betaling van een schadevergoeding kan worden aangesproken.

4.8

Wel moet zij de verkoopopbrengst van de auto afdragen. In dit verband heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat zij de auto heeft gedemonteerd en de onderdelen, met uitzondering van het motorblok en de turbo, gratis aan een oudijzerhandelaar heeft meegegeven. De turbo heeft zij vervolgens voor een bedrag van € 1.500,00 verkocht. Voor het motorblok kon tot op heden nog geen koper worden gevonden, zodat deze nog altijd op de zaak ligt, aldus steeds [gedaagde partij] .

4.9

Voor zover [eiser sub A] heeft willen betogen dat [gedaagde partij] hiermee niet correct heeft gehandeld, overweegt de kantonrechter dat de zaak op grond van artikel 6:90 BW ‘op een geschikte wijze’ moet worden verkocht. Zoals hierboven reeds is overwogen, staat vast dat de auto ten tijde van de verkoop in slechte staat verkeerde en bovendien al 25 jaar oud was. Met [gedaagde partij] is de kantonrechter daarom eens dat de auto nauwelijks restwaarde had, zodat het strippen van de auto van haar meest waardevolle onderdelen met het doel deze te verkopen en de rest als schroot af te laten voeren onder ‘een geschikte wijze’ valt.

4.10

[eiser sub A] heeft verder aangevoerd dat het niet zo kan zijn dat de turbo voor slechts € 1.500,00 is verkocht. Hij wijst daarbij op de prijs (€ 6.680,00) die zijn vader voor de turbo in 2009 aan [gedaagde partij] heeft betaald. Met dit standpunt miskent [eiser sub A] evenwel dat die prijs niet slechts betrekking op de turbo had, maar op de volledige kit. Als onweersproken staat vast dat die kit op maat is gemaakt en dat daarom slechts de turbo nog voor de verkoop was geschikt. Nu verder tussen het moment van aan- en verkoop een periode van tien jaar zit, kan [eiser sub A] op dit punt evenmin worden gevolgd.

4.11

[eiser sub A] heeft ook nog aangevoerd dat [gedaagde partij] zich niet als een goed houder heeft gedragen door de auto jarenlang buiten te stallen. Voor zover hij hiermee bedoelt dat het daarom aan [gedaagde partij] te wijten is dat de verkoopopbrengst zo laag uitvalt, kan hij in dat standpunt niet worden gevolgd. [eisende partij] was er namelijk van op de hoogte dat de auto buiten stond en heeft zelf jarenlang niet naar de auto omgekeken. Reeds om die reden kan hij thans niet aan [gedaagde partij] tegenwerpen dat zij beter voor de auto had moeten zorgen.

4.12

Gelet op al het voorgaande, heeft als slotsom te luiden dat [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan [eiser sub A] zal worden veroordeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat het motorblok dat nu nog op de zaak bij [gedaagde partij] ligt, aan [eiser sub A] toebehoort. Omdat geen vordering tot afgifte is ingesteld, volstaat de kantonrechter op dit punt met de opmerking dat [gedaagde partij] het motorblok aan [eiser sub A] zal moeten teruggeven.

4.13

De medegevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten zullen eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat bij de berekening van de hoogte daarvan zal worden uitgegaan van het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom.

4.14

[gedaagde partij] heeft nog een beroep op verrekening gedaan, maar omdat niet voldaan is aan het vereiste dat partijen elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn, zal aan dit verweer worden voorbijgegaan. De tegenvordering die [gedaagde partij] stelt te hebben, namelijk die tot betaling van de openstaande rekening voor de aan de auto verrichte werkzaamheden, betreft immers een vordering op [eiser sub B] en niet op [eiser sub A] .

4.15

In de omstandigheid dat [eiser sub A] en [gedaagde partij] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in die zin te compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat geldt niet ten aanzien van [eiser sub B] . Hij zal volgens de hoofdregel van artikel 237 Rv in de proceskosten van [gedaagde partij] worden veroordeeld op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

verklaart [eiser sub B] niet-ontvankelijk in zijn vordering,

5.2

veroordeelt [eiser sub B] in de proceskosten van [gedaagde partij] , tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] vastgesteld op € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde,

5.3

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eiser sub A] van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening,

5.4

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eiser sub A] van een bedrag van € 272,25 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening,

5.5

compenseert de proceskosten tussen [eiser sub A] en [gedaagde partij] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6

verklaart het vonnis met betrekking tot de betalingsveroordeling onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2022.

fh