Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2022:2364

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-05-2022
Datum publicatie
18-05-2022
Zaaknummer
C/05/388548 / HZ ZA 21-192
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering betaling contractuele boete franchiseovereenkomst in verband met overtreding non-concurrentiebeding, geheimhoudingsclausule e.o tevens vordering nakoming franchiseovereenkomst. Gedeeltelijke toewijzing, matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/388548 / HZ ZA 21-192

Vonnis van 11 mei 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Kauffmann te Apeldoorn,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. W. Mollema te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [franchisenemer] (in mannelijk enkelvoud) genoemd worden. Gedaagden in conventie zullen afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk 1. [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] en 3. [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 december 2021

  • -

    de op 24 februari 2022 overgelegde akte (met één productie) van de zijde van [franchisenemer]

  • -

    de op 2 maart 2022 overgelegde akte overlegging producties van de zijde van [eiser]

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 9 maart 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 september 2016 hebben [franchisegever 1] als franchisegever en [gedaagde 1] , als franchisenemer, en haar beide vennoten [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een franchiseovereenkomst (hierna: de franchiseovereenkomst) gesloten. In de franchiseovereenkomst wordt de franchisegever aangeduid met ‘ [gedaagde 1] ’. Thans fungeert [eiser] als franchisegever bij de franchiseovereenkomst.

2.2.

De franchiseovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

2.2.1. “

ARTIKEL 3 - Exploitatie van de Formule

(...)

3.4

Indien en voor zover [gedaagde 1] in het kader van de exploitatie van de Formule andere intellectuele eigendomsrechten dan de Intellectuele Eigendomsrechten gaat voeren, is Franchisenemer eveneens tot het gebruik daarvan verplicht ten behoeve van de exploitatie van diens Winkel.(...)

2.2.2. “

ARTIKEL 10 - Assortiment

10.1

Franchisenemer stemt ermee [in] de Producten zoveel mogelijk bij de Leveranciers te kopen (...)

10.3

Indien Franchisenemer gebruik wil maken van andere leveranciers, dient zij aan Franchisegever schriftelijk opgave te doen van de leveranciers bij wie hij voornemens is Producten in te kopen (...)

2.2.3. “

ARTIKEL 12 - Boekhouding en administratie

(...)

12.3

Franchisenemer verplicht zich zijn boeken en bescheiden na voorafgaande kennisgeving (minimaal 48 uur) ter inzage te geven aan [gedaagde 1] of aan één of meer door [gedaagde 1] aangewezen personen. [gedaagde 1] zal van deze bevoegdheid terughoudend gebruikmaken en zal het verzoek met redenen omkleden. Franchisenemer verplicht zich voorts tot het jaarlijks overleggen van de opgemaakte vennootschappelijke jaarrekening en de winst- en verliesrekening over het verstreken boekjaar, zulks binnen 5 maanden na afloop van het boekjaar alsmede van de vastgestelde jaarrekening binnen 1 maand na vaststelling daarvan. (...)

2.2.4. “

ARTIKEL 14 - Vergoedingen en (centrale) betaling

(...)

14.3

Over al hetgeen [gedaagde 1] van Franchisenemer te vorderen mocht hebben zal deze aan [gedaagde 1] een rentevergoeding verschuldigd zijn van 1 % (zegge: één procent) per maand na verloop van 60 dagen na de betreffende factuurdatum.

(...)

14.6

Franchisenemer is volledig aansprakelijk voor alle kosten waaronder begrepen alle buitengerechtelijke kosten met een minimum van EUR 500 per geval en alle daadwerkelijk gemaakte juridische kosten alsmede voor alle verliezen die voor [gedaagde 1] ontstaan ten gevolge van enige tekortkoming in de nakoming door Franchisenemer van diens verplichtingen onder de Overeenkomst.

2.2.5. “

ARTIKEL 15 - Looptijd Overeenkomst

15.1

Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijf jaar ingaande op 1 juni 2016 en derhalve eindigend op 31 mei 2021, zulks behoudens tussentijdse beëindiging zoals bedoeld in artikel 16. Tenminste één jaar voor beëindiging van de looptijd van deze Overeenkomst zullen partijen in overleg treden over het aangaan van een nieuwe Overeenkomst voor 5 jaar. (...)

2.2.6. “

ARTIKEL 16 - Tussentijdse beëindiging

16.1

Partijen zijn gerechtigd deze Overeenkomst met onmiddellijke ingang geheel (...) schriftelijk te beëindigen zonder dat daartoe enige verdere formaliteit is vereist indien:

  1. een der Partijen in staat van faillissement wordt verklaard of daartoe een aanvraag doet of wordt gedaan;

  2. een der Partijen (voorlopige) surseance van betaling aanvraagt;

  3. één der Partijen de bepalingen van de Overeenkomst, waaronder begrepen tijdige betaling van de Formulebijdrage, de bepalingen uit de Bijlagen en het Handboek niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt, en - mits herstel mogelijk is - na ingebrekestelling bij aangetekend schrijven waarin haar de gelegenheid wordt geboden binnen twee weken haar verplichtingen alsnog na te komen, dit nalaat. (...)

2.2.7. “

ARTIKEL 18 - Beding van geheimhouding en non-concurrentie

18.1

Franchisenemer en de vennoten verplichten zich ieder voor zich jegens [gedaagde 1] tot volledige geheimhouding van al hetgeen hen ter kennis is gekomen in het kader van de onderhavige Overeenkomst, meer in het bijzonder ook met betrekking tot de Formule, het Handboek, de Intellectuele Eigendomsrechten, de Know how, de relaties van Franchisegever, de verkregen geheime, wezenlijke en bepaalde kennis en de organisatie van [gedaagde 1] , de Formulebijdrage zoals genoemd in artikel 14 (hoogte, opbouw e.d.) en indien van toepassing de centrale betalingsvoorwaarden, alles in de ruimste zin des woord. Voornoemde informatie mag voor geen ander doel dan in het kader van deze Overeenkomst worden gebruikt. (hierna ook: geheimhoudingsbeding)

(...)

18.5

Het in de vorige leden van dit artikel bepaalde blijft ook na beëindiging van de Overeenkomst van kracht.

18.6

Franchisenemer en de vennoten mogen behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Franchisegever, tijdens de looptijd van de Overeenkomst (i) generlei zakelijke relatie onderhouden met een keten en/of een (rechts)persoon en/of een vennootschap die in dezelfde bedrijfstak een soortgelijk systeem exploiteert en (ii) niet direct of indirect, zelfstandig of in dienstverband of in de vorm van een (personen)vennootschap werkzaam zijn of financiële dan wel andere zakelijke belangen hebben, zulks in de meest brede zin van het woord, bij een bedrijf, dat gelijksoortig is aan het door Franchisenemer geëxploiteerde Winkel en/of een organisatie die gelijksoortige activiteiten verricht als Franchisegever. (hierna ook: non-concurrentiebeding)

(...)

18.8

Het is Franchisenemer en de vennoten gedurende een periode van één jaar na beëindiging van deze Overeenkomst niet toegestaan om vanuit de Winkel een onderneming te drijven onder een formule die gelijk is aan de Formule waardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan over de vraag of Franchisenemer nog onderdeel uitmaakt van de Formule. In alle gevallen van voortzetting van de onderneming door Franchisenemer of diens venno(o)t(en) na einde van deze Overeenkomst dienen de voortdurende verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst, waaronder begrepen doch niet beperkt tot die van artikel 17 en 18, onverkort te worden nageleefd.

18.9

Bij overtreding van de in de leden 1,3,6,7 en/of 8 genoemde bepalingen is Franchisenemer (waarbij een overtreding door één of meerdere vennoten als een overtreding van Franchisenemer wordt aangemerkt) aan Franchisegever een direct opeisbare boete van € 5.000,-.verschuldigd, vermeerderd met € 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van Franchisegever om nakoming of indien de door haar geleden schade meer dan het totale boetebedrag mocht belopen, volledige schadevergoeding te vorderen.

2.2.8. “

ARTIKEL 20 - Overdrachtsrecht [gedaagde 1]

20.1 (gedaagde)

[gedaagde 1] is bevoegd haar rechten en verplichtingen onder deze Overeenkomst te bezwaren, te belasten, aan derden over te dragen of door derden te laten uitvoeren, met dien verstande dat daardoor de continuïteit van de Formule niet in gevaar mag komen. Franchisenemer verklaart zich reeds nu voor alsdan akkoord met een dergelijke contractsovername of cessie. (...)

2.3.

Op 4 juni 2020 heeft ten kantore van inkooporganisatie [inkooporganisatie] een bijeenkomst plaatsgevonden tussen [eiser] , [franchisenemer] en de andere franchisenemers. Bij die bijeenkomst heeft [eiser] een nieuwe franchiseovereenkomst, inhoudende aansluiting bij [franchisegever 2] , gepresenteerd.

2.4.

Eveneens op 4 juni 2020 is namens [eiser] aan [franchisenemer] en zestien andere franchisenemers het volgende - voor zover hier van belang - bericht:

Beste ondernemers,

Naar aanleiding van diverse op- en/of aanmerkingen van diverse ondernemers op de huidige franchiseovereenkomst heb ik de bijgevoegde aanpassingen gedaan. (...) Graag zie ik de franchiseovereenkomst uiterlijk morgen (05-06-2020 vóór 17:00 uur) getekend retour. Indien je besluit niet te tekenen zijn de volgende consequenties bevestigd door [inkooporganisatie] (zie bijlage):

- Vanaf 06-06-2020 ben je geen onderdeel meer van [eiser] en heb je geen toegang meer tot topmodellen, Tech Fleece en de overige condities en voorwaarden van [eiser] .

- Dat betekent dat je vanaf dat moment (indien je lid bent van [inkooporganisatie] ) onder de condities en voorwaarden valt van RSO.

Vandaag hebben de volgende [acht, rb] franchisenemers het contract ondertekend:

  • -

    [eiser] Den Bosch

  • -

    [eiser] Zaandam

  • -

    (...)

  • -

    [eiser] Deventer

Uiteraard hoop ik samen met [inkooporganisatie] dat er zoveel mogelijk winkels aan boord blijven. (...)

2.5.

In reactie op een vraag van inkooporganisatie [inkooporganisatie] heeft [franchisenemer] bij e-mail van 21 juli 2020 geantwoord dat [gedaagde 1] “gewoon [gedaagde 1] ” is en niets geleverd krijgt van [handelsonderneming] .

2.6.

[leverancier] (hierna: [leverancier] ) is leverancier van voetbalartikelen van de grote merken als Nike en Puma. [zustermaatschappij] (hierna: [zustermaatschappij] ) is een zustermaatschappij van [leverancier] en is rechthebbende van de handelsnaam ‘ [handelsonderneming] ’. [zustermaatschappij] is tevens meerderheidsaandeelhouder van verschillende zogenaamde [handelsonderneming] winkels.

2.7.

Op 26 september 2020 is namens [eiser] - voor zover relevant - het volgende aan [franchisenemer] en twee andere franchisenemers bericht:

(...) Aangezien het einde van de maand nadert, wat tevens de deadline is m.b.t. de keuze over het al dan niet aanblijven als franchisenemer bij [eiser] / [franchisegever 2] , horen we graag of er nog vragen zijn.

(…)

Bij deze nodigen we jullie graag uit om op woensdagmiddag 30 september om 10:00 op kantoor in Apeldoorn jullie definitieve keuze persoonlijk in ontvangst te nemen en om eventuele vervolgstappen te bespreken. (...)

2.8.

In reactie hierop heeft [franchisenemer] (mede namens de twee andere franchisenemers) bij e-mail van 29 september 2020 het volgende aan [eiser] laten weten:

(...) Naast het feit dat dit plaats zou vinden, hebben wij gelijk aangegeven dat een beslissing voor einde van de maand geen mogelijkheid is. Er zijn te veel zaken die we zouden moeten bespreken, het tijdsbestek en de seizoensdrukte van afgelopen periode is ook niet ideaal.

We hebben aangegeven voor het einde van dit jaar een beslissing te gaan maken op basis van de presentatie en plannen die ons gepresenteerd worden.

Helaas is het voor ons ook niet mogelijk om woensdag aan te schuiven, dit is te kort dag en we hebben andere verplichtingen. (...)

2.9.

Diezelfde dag heeft [eiser] per e-mail aan [franchisenemer] (en zijn mede-franchisenemers) als volgt gereageerd:

(...) Jullie hebben al relatief gezien meer tijd (...)gekregen voor de besluitvorming dan de andere ondernemers. Bovendien geeft jullie mail wat betreft tijdstip, opbouw en inhoud een bepaald signaal af. Rest ons niets anders dan te melden dat we vasthouden aan de deadline van morgen. De schriftelijke bevestiging over het al dan niet aanblijven als ondernemer bij onze organisatie moet voor morgen 30 september, 17:00 bij ons binnen zijn. (...)

2.10.

Uit een WhatsApp groepsgesprek getiteld ‘ [inkoopkanaal] ’ volgt dat in antwoord op de vraag of de applicatie [inkoopkanaal] door de deelnemers aan dat groepsgesprek wordt gebruikt om onderling artikelen uit te wisselen en zo ja of hen dat € 85,00 in de maand waard is, op 30 oktober 2020 door onder andere [gedaagde 2] ‘Nee’ wordt geantwoord.

2.11.

In een e-mail van 2 december 2020 heeft [franchisenemer] aan [eiser] het volgende geschreven:

Beste [naam] ,

Zoals bekend hebben we ons in de afgelopen periode beraden op de toekomst van onze winkel en daarbij verschillende mogelijkheden onderzocht. Uiteindelijk hebben we besloten ons contract met [gedaagde 1] op te zeggen per 1 januari 2021. We willen je bedanken voor de afgelopen jaren en wensen je veel succes.

Hopende je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en in afwachting van de schriftelijke bevestiging van onze opzegging verblijven wij (...)

2.12. (eiser)

[eiser] heeft niet ingestemd met deze opzegging en heeft bij e-mail van 16 december 2020 aan [franchisenemer] bericht dat zij de contractuele einddatum van 31 mei 2021 zal respecteren.

2.13.

Van half december 2020 tot 1 mei 2021 is de winkel van [franchisenemer] op last van de overheid vanwege de coronamaatregelen gesloten geweest.

2.14.

[franchisenemer] is per 1 januari 2021 gestopt met het voldoen van de formulebijdrage aan [eiser] . [franchisenemer] heeft tot 31 mei 2021 een totaalbedrag van € 8.071,17 aan door [eiser] verstuurde facturen onbetaald gelaten.

2.15.

Op 11 februari 2021 heeft [franchisenemer] per Whatsapp aan (een medewerker van) [eiser] bericht dat hij ervoor heeft gekozen om verder te gaan als [handelsonderneming] . [franchisenemer] heeft de profielfoto op de Facebookpagina van [gedaagde 1] die dag veranderd naar het logo van [handelsonderneming] en de naam van de Facebookpagina veranderd in ‘ [handelsonderneming] ’.

2.16.

Bij brief van 11 februari 2021 heeft de advocaat van [eiser] namens [eiser] [franchisenemer] verzocht om de zakelijke relatie met [handelsonderneming] met onmiddellijke ingang stop te zetten. Daarbij is op grond van artikel 18.9 (juncto artikel 18.6) van de franchiseovereenkomst aanspraak gemaakt op betaling van een boete van € 5.000,00. In deze brief is tot slot vermeld dat [eiser] de uit de franchiseovereenkomst voortvloeiende, op haar rustende verplichtingen met onmiddellijke ingang opschort.

2.17.

Op 11 februari 2021 heeft [eiser] [franchisenemer] afgesloten van haar kassasysteem.

2.18.

Na een verzoek van [franchisenemer] van 15 februari 2021 aan [eiser] om de binnenkomende e-mails op zijn [account] door te koppelen naar [account] , heeft [eiser] twee dagen later als volgt gereageerd:

(...) Ik heb instructies ontvangen om toegang tot systemen en accounts tijdelijk te blokkeren. Dit in verband met het opschorten van het contract. Helaas kan ik je dus niet verder helpen met onderstaand verzoek. Dit geldt eveneens voor de mail die je afgelopen vrijdag hebt gestuurd omtrent Google Mijn Bedrijf. (...)

2.19.

Op 16 februari 2021 heeft [gedaagde 1] op haar Facebookpagina onder meer vermeld “ [handelsonderneming] is een feit”. Op 15 maart 2021 heeft [franchisenemer] de naam van [eiser] van zijn gevel verwijderd en vervangen door de naam ‘ [handelsonderneming] ’.

2.20.

Bij brief van 6 april 2021 is namens [eiser] opnieuw aan [franchisenemer] dringend verzocht om de zakelijke relatie met [handelsonderneming] onmiddellijk stop te zetten. Met verwijzing naar de in 2.16 genoemde brief heeft [eiser] daarbij gemeld dat de contractuele boete inmiddels is opgelopen tot een bedrag van € 59.000,00 en dat [franchisenemer] wordt gesommeerd dat bedrag binnen zeven dagen te voldoen.

2.21.

Het automatisch antwoord, aangemaakt door [eiser] , bij een bericht naar het e-mailadres [mailadres] luidt in elk geval vanaf 15 april 2021, als volgt:

Geachte relatie,

Hierbij delen wij u mee dat [gedaagde 2] niet meer verbonden is aan de franchiseformule van [eiser] . Uw e-mail wordt niet doorgestuurd.

Zaken gerelateerd aan de franchise [eiser] kunt u richten aan [mailadres]

2.22.

Na daartoe verkregen verlof van de Voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] op 23 april 2021 conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [gedaagde 3] alsmede conservatoir derdenbeslag ten laste van [gedaagde 1] onder diverse banken.

2.23. (eiser)

[eiser] heeft bij brief van 4 mei 2021 [franchisenemer] .op grond van artikel 12.3 franchiseovereenkomst verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om inzage te geven in de boeken en bescheiden van [gedaagde 1] , zodat [eiser] de definitieve formulebijdrage kan vaststellen.

2.24.

De bij [eiser] aangebleven voetbalwinkels zijn, na een persaankondiging in april 2021, per mei/juni 2021 overgegaan op de nieuwe formule van [eiser] : [franchisegever 2] .

2.25.

De advocaat van [franchisenemer] heeft bij brief van 23 september 2021 [eiser] , ter attentie van haar advocaat, gesommeerd om uiterlijk 30 september 2021 de op de winkel van [franchisenemer] betrekking hebbende inloggegevens van Google Mijn Bedrijf aan [franchisenemer] of zijn advocaat te doen toezenden.

2.26.

In reactie hierop heeft de advocaat van [eiser] op 30 september 2021 aan de advocaat van [franchisenemer] bericht dat [eiser] zich ten aanzien van de hiervoor genoemde (eventuele) verplichting op opschorting beroept totdat [franchisenemer] heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 18.8 en artikel 18.9 franchiseovereenkomst.

3 Het geschil

in conventie

3.1. (eiser)

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank [bij vonnis], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [franchisenemer] (te weten [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ):

  1. zal verbieden om een onderneming te drijven vanuit de winkel aan de [adres] onder de franchiseformule van [handelsonderneming] tot één jaar na de beëindiging van de franchiseovereenkomst met [eiser] ,

  2. veroordeelt tot betaling van Boete 1, te weten een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met € 1.000,00 per dag vanaf 11 februari 2021 tot de dag dat [franchisenemer] stopt met het onderhouden van een zakelijke relatie met [handelsonderneming] dan wel de dag dat de franchiseovereenkomst eindigt,

  3. veroordeelt tot betaling van Boete 2, te weten een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met € 1.000,00 per dag vanaf 1 juni 2021 tot de dag dat [franchisenemer] zijn onderneming vanuit de winkel niet langer drijft onder de franchiseformule van [handelsonderneming] dan wel tot de dag dat de franchiseovereenkomst één jaar geëindigd is, indien zij op 1 juni 2021 een onderneming drijft vanuit de winkel aan de [adres] onder de franchiseformule van [handelsonderneming] ,

  4. veroordeelt tot betaling van Boete 3, te weten een bedrag van € 60.000,00 voor twaalf afzonderlijke overtredingen van artikel 18.1 franchiseovereenkomst,

  5. veroordeelt tot betaling van Boete 4, te weten een bedrag van € 30.000,00 voor zes afzonderlijke overtredingen van artikel 18.6 franchiseovereenkomst in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020,

  6. veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over Boete 1, 2, 3 en 4 vanaf 17 februari 2021 tot en met de dag van de algehele voldoening,

  7. veroordeelt tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 8.071,17 uit hoofde van onbetaald gelaten facturen, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf zestig dagen na elke respectievelijke factuurdatum tot aan de dag van de algehele voldoening,

  8. veroordeelt om [eiser] te geven in alle boeken en bescheiden met omzetgegevens van [franchisenemer] , waaronder begrepen de grootboekadministratie, over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 mei 2021,

  9. (primair) veroordeelt tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 30.000,00 ter vergoeding van de daadwerkelijke juridische kosten die [eiser] heeft gemaakt ten gevolge van de toerekenbare tekortkomingen van [franchisenemer] in de nakoming van de franchiseovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening indien het bedrag niet binnen deze termijn is voldaan, althans (subsidiair) veroordeelt tot:

a. de betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in deze procedure,

b. de betaling van € 1.365,00 ter vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten,

c. de betaling van de nakosten ter hoogte van € 163,00 zonder betekening van het vonnis, te verhogen met € 85,00 ingeval dit vonnis wel is betekend,

en dit te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening indien het bedrag niet binnen deze termijn is voldaan.

3.2. (eiser)

[eiser] legt aan deze vorderingen - kort samengevat - het volgende ten grondslag. [franchisenemer] heeft door samen te werken met [handelsonderneming] diverse artikelen uit de franchiseovereenkomst geschonden. Contractueel is vastgelegd dat [franchisenemer] bij overtreding van een aantal artikelen een boete verschuldigd is. [eiser] vordert dan ook (onder 2., 3., 4. en 5.) nakoming van een aantal boeteverplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Hierover is [franchisenemer] tevens wettelijke rente verschuldigd. De vorderingen onder 7. en 8. zien eveneens op nakoming van verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Verder is in de franchiseovereenkomst bepaald dat [franchisenemer] tot een jaar na afloop van de overeenkomst geen winkel zoals [handelsonderneming] mag exploiteren. Hierop ziet de verbodsvordering onder 1. Ten slotte moet [franchisenemer] op grond van de franchiseovereenkomst de daadwerkelijke proceskosten van [eiser] vergoeden (vordering onder 9.).

3.3.

[franchisenemer] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, en tot veroordeling van [eiser] in de proceskosten vermeerderd met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.4.

Op het verweer van [franchisenemer] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[franchisenemer] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

I. [eiser] zal verplichten om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, over te zijn gegaan tot afgifte van de inloggegevens voor Google Mijn Bedrijf aan [franchisenemer] betreffende het adres van [franchisenemer] aan de [adres] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [eiser] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen,

II. [eiser] zal veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.

3.6.

[franchisenemer] legt aan zijn vordering -kort samengevat- ten grondslag dat de inloggegevens eigendom zijn van [franchisenemer] en dat [eiser] deze gegevens alleen in bezit heeft omdat zij gedurende de franchiseovereenkomst onverplicht Google Mijn Bedrijf beheerde.

3.7. (eiser)

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [franchisenemer] , bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [franchisenemer] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van het geding in reconventie.

3.8. (eiser)

[eiser] heeft zich verweerd met een beroep op opschorting. De verplichting van [eiser] om de inloggegevens af te staan aan [franchisenemer] staat tegenover de verplichtingen die op grond van de artikelen 18.8 en 18.9 franchiseovereenkomst op [franchisenemer] rusten, namelijk tot en met 31 mei 2022 niet samenwerken met Voetbalshop. [eiser] wil de tekortkoming van [franchisenemer] niet faciliteren door de inloggegevens af te geven. Verder vloeit de vordering tevens voort uit dezelfde rechtsverhouding - de franchiseovereenkomst - als de verplichting om de inloggegevens af te geven. Omdat [eiser] een aanzienlijke vordering heeft op [franchisenemer] uit hoofde van de franchiseovereenkomst is zij gehouden om haar eigen verplichtingen op te schorten.

4 De beoordeling

in conventie

De kern van het geschil

4.1.

Het geschil tussen partijen draait om de vragen wanneer de samenwerking tussen partijen eindigde, of [franchisenemer] diverse artikelen uit de franchiseovereenkomst heeft geschonden door, onder meer, samen te werken met [handelsonderneming] en of [franchisenemer] daarom de samenwerking met [handelsonderneming] tot 31 mei 2022 moet stoppen en boetes moet betalen aan [eiser] . Volgens [franchisenemer] was de samenwerking met [eiser] in juni 2020 al gestopt en heeft hij de franchiseovereenkomst niet overtreden. Volgens [eiser] eindigde de samenwerking pas bij het einde van het contract in mei 2021 en heeft [franchisenemer] meerdere verplichtingen uit de franchiseovereenkomst geschonden.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van [eiser] juist en heeft [franchisenemer] de franchiseovereenkomst geschonden, zij het niet op alle punten die [eiser] stelt. Verder wordt de gevorderde boete gematigd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Einde van de franchiseovereenkomst

4.3.

[franchisenemer] voert primair als verweer tegen de door [eiser] ingestelde vorderingen aan dat [eiser] zelf [franchisenemer] ‘de wacht heeft aangezegd’. [eiser] heeft in haar e-mail van 4 juni 2020 (2.4) immers gezegd dat [franchisenemer] geen onderdeel meer uit zou maken van [eiser] als hij zich niet zou aansluiten bij [franchisegever 2] . [franchisenemer] is daarna naar eigen zeggen ‘geëxcommuniceerd’ en in september 2020 (2.7) heeft [eiser] een nieuwe deadline gegeven voor aansluiting bij [franchisegever 2] , waar [franchisenemer] wederom niet voor heeft getekend. [franchisenemer] ging er daarom vanuit dat de franchiserelatie ten einde was, aldus [franchisenemer]

4.4. (eiser)

[eiser] betwist dat de franchiserelatie ten einde is gekomen vóór de einddatum van het contract, 31 mei 2021. [franchisenemer] is ook niet geëxcommuniceerd. [franchisenemer] werd bijvoorbeeld nog uitgenodigd voor de inkoopbijeenkomst en hij werd bijgestaan bij het inkopen. Daarnaast heeft [franchisenemer] de overeenkomst op 2 december 2020 (per 1 januari 2021) opgezegd (2.11). Hierop heeft [eiser] gereageerd (2.12) dat de overeenkomst tot en met 31 mei 2021 doorloopt, aldus [eiser] .

4.5.

[franchisenemer] heeft geen juridische grondslag verbonden aan zijn stellingen dat [franchisenemer] ‘de wacht was aangezegd’ dan wel dat [franchisenemer] er vanuit mocht gaan dat de franchiseovereenkomst ‘ten einde’ was. Tussen partijen staat niet ter discussie dat tussentijdse beëindiging in beginsel alleen mogelijk is op grond van artikel 16 franchiseovereenkomst en dat niet aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Voorgaande laat onverlet dat partijen in afwijking van de tekst van de franchiseovereenkomst met wederzijds (al dan niet stilzwijgend) goedvinden de overeenkomst tussentijds kunnen beëindigingen, bijvoorbeeld als [eiser] de overeenkomst beëindigt en [franchisenemer] akkoord gaat met de beëindiging.

4.6.

Dat van een dergelijke situatie sprake is, is echter niet gebleken. Weliswaar heeft [eiser] niet kunnen uitleggen wat zij nu bedoelde met de e-mail van 4 juni 2020 (“Vanaf 06-06-2020 ben je geen onderdeel meer van [eiser]”), maar noch [eiser] noch [franchisenemer] heeft zich daarna gedragen alsof de overeenkomst was beëindigd. [franchisenemer] stelt dat hij is ‘geëxcommuniceerd’, maar ter zitting is gebleken dat er ten aanzien van de uitvoering van de huidige overeenkomst niet een duidelijk verschil is gemaakt tussen [franchisenemer] enerzijds en franchisenemers die wel aanbleven, althans een nieuwe overeenkomst sloten met [eiser] anderzijds. Er is overleg geweest met [franchisenemer] over de vraag of hij wilde aanblijven, [franchisenemer] is uitgenodigd voor de inkoopsessie eind november 2020, [franchisenemer] ontving bestellingen via direct sales en [franchisenemer] heeft nog bij [inkooporganisatie] , de inkooporganisatie van [eiser] , besteld. [franchisenemer] is weliswaar afgesloten van Nike.net en Adidas-click, maar [gedaagde 2] heeft zelf ter zitting verklaard dat deze kanalen niet actief werden gebruikt en dat deze afsluitingen geen verband hielden met het eindigen van de franchiseovereenkomst. Verder is ter zitting gebleken dat niet duidelijk is wanneer [franchisenemer] uit de Whatsappgroepen is gezet en wanneer het in 2.21 weergegeven automatisch e-mailantwoord door [eiser] is aangemaakt. In elk geval kan de rechtbank niet vaststellen dat dit niet eerst na het moment dat [eiser] zich op opschorting heeft beroepen, is geweest. Ten slotte heeft [franchisenemer] aangevoerd dat hij is afgesloten van het gezamenlijke inkoopkanaal [inkoopkanaal] . [eiser] heeft deze niet onderbouwde stelling echter gemotiveerd betwist, onder meer met verwijzing naar de in 2.10 weergegeven WhatsApp-correspondentie over [inkoopkanaal] . En zelfs als [franchisenemer] was afgesloten van [inkoopkanaal] , betekent dit op zichzelf nog niet dat [franchisenemer] , het voorgaande mede in acht genomen, enkel op basis daarvan mocht aannemen dat de franchiseovereenkomst was beëindigd.

4.7.

Daarbij komt dat [franchisenemer] zich, in ieder geval richting [eiser] , vanaf 4 juni 2020 niet heeft gedragen alsof hij ervan uit ging dat de overeenkomst was beëindigd. Hetzelfde geldt voor de periode na (het bericht van [eiser] van) 26 september 2020 (2.7). Zo heeft [franchisenemer] zich afgemeld voor de inkoopsessie later dat jaar, maar niet op grond van het feit dat de overeenkomst al zou zijn beëindigd. Ook is niet gebleken dat [franchisenemer] andere uitingen heeft gedaan waaruit kan worden opgemaakt dat hij ervan uit ging dat de franchiseovereenkomst reeds was beëindigd. Bovendien bevestigt [franchisenemer] ook naar buiten toe, bijvoorbeeld in de e-mail van 21 juli 2020 (2.5) naar [inkooporganisatie] , dat hij nog onderdeel is van [eiser] . Ten slotte hecht de rechtbank ook waarde aan het feit dat [franchisenemer] op 2 december 2021 de overeenkomst opzegt. Hoewel het voorstelbaar is dat iemand zonder juridische achtergrond een reeds beëindigde overeenkomst ter bevestiging ook nog opzegt, zoals [franchisenemer] heeft gesteld, leent de tekst van de betreffende e-mail (2.11) zich niet voor een dergelijke uitleg. In de e-mail zegt [franchisenemer] immers dat hij zich de afgelopen periode heeft beraden op de toekomst en uiteindelijk het contract met [eiser] wil opzeggen. Dit sluit niet aan bij de stelling van [franchisenemer] dat hij er al vanuit ging dat de overeenkomst beëindigd was en de opzegging alleen ter bevestiging stuurde. De opzegging door [franchisenemer] op 2 december 2020 heeft - nu [eiser] daarmee niet heeft ingestemd (2.12) - evenmin tot beëindiging van de franchiseovereenkomst geleid.

4.8.

Voorgaande in acht genomen, is de rechtbank van oordeel dat de franchiseovereenkomst niet tussentijds is beëindigd. De overeenkomst liep daarom tot en met 31 mei 2021 en [franchisenemer] was tot die tijd gehouden om de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst na te komen.

Het verbod tot het drijven van een onderneming onder de franchiseformule van Voetbalshop en Boete 2

4.9. (eiser)

[eiser] grondt haar vordering onder 1. (verbod tot het drijven van een onderneming onder de franchiseformule van [handelsonderneming] ) op artikel 18.6 (tot 1 juni 2021) en artikel 18.8 (vanaf 1 juni 2021) franchiseovereenkomst (hierna ook respectievelijk: artikel 18.6 en artikel 18.8). Omdat de franchiseovereenkomst thans reeds is beëindigd, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij het uitspreken van een verbod tot 1 juni 2021. De rechtbank zal deze vordering dan ook alleen beoordelen op grond van artikel 18.8. Omdat de vordering onder 3. tot betaling van Boete 2 tevens is gebaseerd op overtreding van artikel 18.8, wordt deze vordering gelijktijdig beoordeeld.

4.10.

De vraag of [franchisenemer] artikel 18.8 heeft overtreden, is afhankelijk van wat partijen hebben willen afspreken met dit artikel. Zoals de Hoge Raad in het Haviltex-arrest (Hoge Raad, 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) heeft overwogen, wordt de uitleg van wat partijen overeen zijn gekomen niet alleen gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gebruikte bewoordingen mochten toekennen en op wat zij daaromtrent redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen telkens van beslissende betekenis (Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (DSM/Fox)).

4.11.

Volgens [eiser] is er geen sprake van een einde van de franchiseformule door de overgang naar [franchisegever 2] per mei/juni 2021, maar is er sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 20 franchiseovereenkomst (volgens de dagvaarding) dan wel artikel 3 franchiseovereenkomst (ter zitting aangevoerd). De rechtbank leidt uit deze stelling af dat volgens [eiser] de franchiseformule niet is gestopt, maar alleen per mei/juni 2021 is gewijzigd naar [franchisegever 2] . Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat met ‘de Formule’ zoals genoemd in artikel 18.8 de gewijzigde formule na omzetting naar [franchisegever 2] wordt bedoeld. Dat is immers hoe de franchiseformule per mei/juni 2021 volgens [eiser] wordt ingevuld. Deze uitleg sluit ook aan bij de ratio van artikel 18.8, waarbij doorslaggevend is of er door de formule die [franchisenemer] drijft verwarring bij het publiek kan ontstaan of [franchisenemer] nog onderdeel uitmaakt van de (door [eiser] ontwikkelde) Formule. Met [franchisenemer] is de rechtbank van oordeel dat deze verwarring niet kan bestaan als de winkel van [franchisenemer] lijkt op een oude [gedaagde 1] winkel, zoals [eiser] heeft gesteld, terwijl de formule in die vorm in elk geval per mei/juni 2021 niet meer bestaat. Door [eiser] zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou blijken dat er door de exploitatie van de Voetbalshop winkel door [franchisenemer] de hiervoor bedoelde verwarring ontstaat met betrekking tot de formule [franchisegever 2] . Dat met ‘de Formule’ tevens de voorgaand(e) uitvoering(en) van de formule wordt (worden) bedoeld, en wat haar belang bij bescherming van voorgaande uitvoeringen van de formule is, is niet, althans onvoldoende door [eiser] gesteld. De rechtbank zal de vordering van [eiser] om [franchisenemer] te verbieden zijn onderneming op de huidige wijze te drijven, dan ook afwijzen (nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat sprake is van ‘de franchiseformule van [handelsonderneming] ’, zoals wel in het petitum van [eiser] is opgenomen).

4.12.

De vordering met betrekking tot Boete 2 is tevens gebaseerd op overtreding van artikel 18.8 én ziet op dezelfde periode, namelijk van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022. Betaling van Boete 2 wordt daarom op dezelfde gronden afgewezen.

Boete 1, overtreding van artikel 18.6 franchiseovereenkomst gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst

4.13.

Volgens [franchisenemer] heeft hij artikel 18.6 franchiseovereenkomst (hierna ook: artikel 18.6) niet overtreden. Hij heeft geen (franchise)overeenkomst met [handelsonderneming] - voor zover daarmee door [eiser] op [leverancier] of [zustermaatschappij] wordt gedoeld - en betaalt Voetbalshop niet voor het gebruik van de naam. Er is daarom geen sprake van een zakelijke relatie met een vennootschap die een soortgelijk systeem als [eiser] exploiteert. Wel heeft [franchisenemer] voetbalartikelen ingekocht bij [leverancier] , maar dat is uitsluitend een leverancier. [zustermaatschappij] is rechthebbende van de handelsnaam ‘ [handelsonderneming] ’ en zij is meerderheidsaandeelhouder van verschillende ‘ [handelsonderneming] ’, maar niet van de winkel van [franchisenemer] Artikel 18.6 is daarom niet overtreden, aldus [franchisenemer]

4.14.

Met [franchisenemer] is de rechtbank van oordeel dat op zichzelf het inkopen bij [leverancier] geen overtreding oplevert van artikel 18.6 (zie ook de beoordeling van Boete 4 vanaf 4.27). Hetzelfde geldt voor het onderhandelen met (de vennootschap die rechthebbende is op de naam) [handelsonderneming] over een eventueel toekomstig samenwerkingsverband. Tussen partijen is niet in debat dat de franchiseovereenkomst een ‘soft-franchise’ is en dat het [franchisenemer] is toegestaan om zich na afloop van de franchiseovereenkomst aan te sluiten bij een andere franchisegever/vennootschap. Er mag weliswaar geen sprake zijn van de in artikel 18.8 bedoelde ‘verwarring’, maar uit de uitleg van [eiser] van dit artikel begrijp de rechtbank dat op zichzelf het aansluiten bij een bedrijf dat voetbalartikelen verkoopt, is toegestaan, mits er geen verwarring in vorenbedoelde zin ontstaat. Voorgaande in acht genomen, acht de rechtbank onderhandelingen over een eventuele verdere samenwerking niet in strijd met artikel 18.6.

4.15.

Daar staat tegenover dat het verbod in artikel 18.6 zich niet beperkt tot een (gesloten) contract met een franchisegever. Dat kan immers uit de tekst van het artikel niet worden afgeleid. Er wordt daarin gesproken over ‘generlei zakelijke relatie’ met een vennootschap die in dezelfde bedrijfstak ‘een soortgelijk systeem’ exploiteert. Door [franchisenemer] is niet toegelicht waarom de bepaling zo uitgelegd moet worden dat alleen een met een franchisegever gesloten contract hieronder zou vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van overtreding van artikel 18.6 vanaf het moment dat [franchisenemer] de samenwerking met (de vennootschap die rechthebbende is op de naam) [handelsonderneming] naar buiten toe bekend heeft gemaakt. Vanaf dat moment kon de rechtsverhouding tussen [franchisenemer] en de betreffende vennootschap(pen) niet meer worden gezien als zuivere onderhandelingen of enkel gericht op inkoop. Gezien de ratio van artikel 18.6, bescherming van de concurrentiepositie van [eiser] , acht de rechtbank het feit dat [franchisenemer] zich vanaf 11 februari 2021 naar buiten toe heeft gepresenteerd (2.15) als onderdeel van ‘ [handelsonderneming] ’, in dit geval van doorslaggevend belang voor de conclusie dat er vanaf dat moment sprake is van een zakelijke relatie tussen [franchisenemer] en (de vennootschap die rechthebbende is op de naam) [handelsonderneming] die in strijd is met artikel 18.6. Verder is de rechtbank van oordeel dat ‘ [handelsonderneming] ’ in dezelfde bedrijfstak een ‘soortgelijk systeem’ exploiteert. Dat ‘ [handelsonderneming] ’ in dezelfde bedrijfstak opereert, staat niet ter discussie. Het feit dat alle winkels van ‘ [handelsonderneming] ’, zoals onbetwist door [eiser] gesteld, dezelfde naam dragen, met hetzelfde logo, hun handelsnamen op elkaar afstemmen, gebruik maken van één website en één assortiment, hetzelfde zijn ingericht en dezelfde huisstijl hebben, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van ‘een soortgelijk systeem’ als [eiser] exploiteert. Dat de verhoudingen intern anders zijn geregeld, acht de rechtbank bij deze beoordeling niet van doorslaggevend belang. De vraag of er tussen [franchisenemer] en (de vennootschap die rechthebbende is op de naam) [handelsonderneming] een contract is afgesloten, blijft daarom buiten beschouwing.

4.16.

[franchisenemer] stelt verder dat [eiser] geen belang heeft bij nakoming van artikel 18.6, omdat de oorspronkelijke franchiseformule van [eiser] ( [gedaagde 1] ) al niet meer bestond na 1 januari 2021.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet gezegd worden dat [eiser] geen enkel belang heeft bij nakoming, nu haar belang in ieder geval is gelegen in betaling van de franchisefee en de contractuele boete. Voor zover [franchisenemer] heeft bedoeld te stellen dat [eiser] op grond van artikel 3:13 BW misbruik maakt van haar bevoegdheid, omdat [eiser] geen belang meer heeft bij bescherming van haar (oorspronkelijke) formule, wordt het verweer verworpen. Door [eiser] is gemotiveerd betwist dat de [gedaagde 1] -formule per 1 januari 2021 niet meer bestond., In dat kader heeft [eiser] gesteld dat tot mei/juni 2021 de winkels nog werden omgezet van [gedaagde 1] naar 11Teamsports en dat daarmee de formule niet was geëindigd maar alleen was omgezet. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de Formule anders wordt uitgevoerd, maar verder niet is veranderd. Tegen deze achtergrond heeft [franchisenemer] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser] geen enkel belang meer had bij nakoming van de betreffende verplichtingen uit de franchiseovereenkomst.

Beroep op matiging

4.17.

[franchisenemer] doet een beroep op matiging van de op grond van artikel 18.6 in verbinding met artikel 18.9 franchiseovereenkomst (hierna ook artikel 18.9) verschuldigde boete.

4.18.

De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot matiging van de contractuele boete op grond van artikel 6:94 BW terughoudend gehanteerd moet worden. De in de bepaling van artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging van de bedongen boete slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, NJ 2007, 262 (Intrahof/ Bart Smit)).

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank eist de billijkheid in deze zaak dat de bedongen boete wordt gematigd. Vanaf medio 2020 was duidelijk dat de formule van [eiser] niet in de toen bestaande vorm zou blijven bestaan, maar over zou gaan naar [franchisegever 2] . Hierbij werd er vanuit [eiser] druk gezet op de franchisenemers, waaronder [franchisenemer] , om over te stappen. Uit de e-mail van 4 juni 2020 van [eiser] (2.4) blijkt dat [eiser] daarbij ook schermde met consequenties voor de uitvoering van het huidige contract. Hoewel uiteindelijk niet is gebleken dat [franchisenemer] daadwerkelijk geen korting meer kreeg bij [inkooporganisatie] als franchisenemer van [eiser] , dreigde [eiser] daar wel mee. Verder bestond de [gedaagde 1] -formule weliswaar mogelijk nog in februari 2021, maar alle nog aangesloten winkels waren - deels gehinderd en vertraagd door de coronamaatregelen - bezig met omschakelen naar [franchisegever 2] . [franchisenemer] zou dan in de betreffende periode als enige, althans als een van de zeer weinige franchisenemers, een winkel met de [gedaagde 1] -formule voeren en blijven voeren. [eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt, ondanks verweer op dat punt van [franchisenemer] , waarom zij er desondanks waarde aan hechtte dat [franchisenemer] als enige, althans als een van de zeer weinige franchisenemers, een [gedaagde 1] winkel zou blijven exploiteren. Verder acht de rechtbank van belang dat door [eiser] niet is gesteld of en zo ja welke schade zij heeft opgelopen doordat [franchisenemer] in februari 2021 in plaats van per einddatum contract, 1 juni 2021, is gaan samenwerken met [handelsonderneming] . Ten slotte acht de rechtbank het van belang dat voor het grootste deel van de periode die loopt van 11 februari 2021 tot 1 juni 2021 de detailhandel was gesloten als gevolg van de coronamaatregelen. De omschakeling van de fysieke winkel van [franchisenemer] naar Voetbalshop is daarom maar in beperkte mate zichtbaar geweest voor het publiek. [eiser] heeft terecht opgemerkt dat de coronamaatregelen ook op haar hun weerslag hebben gehad. De rechtbank neemt dan ook niet de financiële gevolgen die de maatregelen op [franchisenemer] hebben gehad mee in haar overwegingen, maar wel het feit dat de gevolgen van de schending van artikel 18.6 door die maatregelen beperkter zijn geweest dan in een situatie zonder deze maatregelen het geval zou zijn geweest. Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden matigt de rechtbank de gevorderde Boete 1 in die zin, dat het bedrag van € 5.000,00 zal worden toegewezen, maar de gevorderde verhogingen van € 1.000,00 per dag niet.

4.20.

De rechtbank ziet geen redenen om de boetebepaling geheel buiten beschouwing te laten op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6 lid 2 BW) dan wel vanwege de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW), zoals namens [franchisenemer] is betoogd. Dat [eiser] bezig was om de formule om te zetten, rechtvaardigt niet dat [franchisenemer] de gehele franchiseovereenkomst niet meer nakomt door over te stappen naar een concurrerende organisatie gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst. [eiser] heeft [franchisenemer] er op gewezen dat zij hem nog gehouden achtte om de franchiseovereenkomst na te komen. Verder is, zoals reeds overwogen, niet gebleken dat [eiser] haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst jegens [franchisenemer] niet meer nakwam. Ten slotte is niet gebleken dat als [eiser] al tekortschoot in de nakoming van de franchiseovereenkomst, [franchisenemer] [eiser] daarvoor in gebreke heeft gesteld of zelfs minstens (schriftelijk) op heeft aangesproken. In de gegeven omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de toepasselijkheid van de boetebepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het verweer faalt dan ook.

Boete 3, schending van het geheimhoudingsbeding

4.21.

De vraag of artikel 18.1 franchiseovereenkomst (het geheimhoudingsbeding, hierna ook: artikel 18.1) is geschonden door de berichten die [franchisenemer] en (franchisenemers van) [handelsonderneming] uitwisselden, wordt beoordeeld op basis van de reeds genoemde Haviltexmaatstaf en daarmee in het kader van de franchiseovereenkomst als geheel, waarin het, voor zover hier van belang, [franchisenemer] was toegestaan om na het einde van de franchiseovereenkomst over te stappen naar een andere franchisegever. De rechtbank zal de door [eiser] gestelde overtredingen tegen de achtergrond van voornoemd kader per categorie beoordelen.

Hardware (1) en voorraad (4)

4.22.

De stelling van [eiser] dat de inventarisatie van de hardware en de voorraad van [franchisenemer] heeft te gelden als geheime informatie van [eiser] en dat door die informatie te delen met Voetbalshop [franchisenemer] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden, is door [franchisenemer] gemotiveerd betwist en door [eiser] niet verder geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. Het moge zo zijn dat de winkel is ingericht op basis van de formule van [eiser] , maar door [eiser] is niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de hardware exclusief is voor deze formule. De hardware en voorraad zijn eigendom van [franchisenemer] en blijven ook eigendom van [franchisenemer] na het einde van de franchiseovereenkomst. De rechtbank ziet bij gebreke van enige nadere toelichting van [eiser] daarom niet in waarom [franchisenemer] door het delen van informatie over de hardware en de voorraad het geheimhoudingsbeding zou hebben geschonden. De op deze vermeende overtreding gebaseerde boete zal dan ook worden afgewezen.

Doorverkoopcijfers (2)

4.23.

Door [eiser] is niet toegelicht, laat staan onderbouwd, waarom de door [franchisenemer] op 24 november 2020 met [handelsonderneming] gedeelde doorverkoopcijfers onder het bereik van het geheimhoudingsbeding vallen. Dat dit het geval zou zijn, is door [franchisenemer] gemotiveerd betwist. Het betreft de eigen verkoopcijfers van [franchisenemer] Dat deze verkoopcijfers vallen onder de in artikel 18.1 genoemde ‘centrale betalingsvoorwaarden’ is door [eiser] evenmin gesteld en (op voorhand) door [franchisenemer] betwist. De hierop gebaseerde vordering wordt bij die stand van zaken als onvoldoende concreet gesteld, afgewezen.

Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat deze verkoopinformatie geheim is omdat de inkoopprijzen en korting van franchisenemers van [eiser] daaruit vallen af te leiden, verwijst de rechtbank naar onderstaande overweging.

E-mailberichten waaruit de inkoopprijzen en korting van franchisenemers van [eiser] vallen af te leiden (3),(6) t/m (12)

4.24. (eiser)

[eiser] verwijt [franchisenemer] dat hij verschillende e-mailberichten heeft verstuurd naar (franchisenemers van) Voetbalshop met als bijlage nieuwe [inkooporganisatie] -kortingen, facturen en [inkooporganisatie] -inkoopoverzichten, waaruit - naar [eiser] stelt - de inkoopprijzen voor franchisenemers van [eiser] en de korting die zij daarbij krijgen, kunnen worden afgeleid. Volgens [eiser] schendt [franchisenemer] daarmee het geheimhoudingsbeding.

4.25.

De rechtbank volgt deze lezing van de feiten niet en wijst de daarop gebaseerde vordering af. De bijlages bevatten informatie tussen [franchisenemer] en de betreffende leveranciers: Adidas, Puma en [inkooporganisatie] . [eiser] heeft zelf met verwijzing naar artikel 7 franchiseovereenkomst aangevoerd dat zij geen partij is bij de verhouding tussen [franchisenemer] en deze leveranciers. [eiser] is zelf geen leverancier van voetbalartikelen en uit de franchiseovereenkomst volgt ook geen verplichting om deze voetbalartikelen exclusief af te nemen bij een bepaalde leverancier. Hoewel zowel [eiser] als [franchisenemer] stellen dat een groot belang van de franchiserelatie is gelegen in het bedingen van collectieve inkoopkorting bij de leveranciers, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet dat deze inkoopprijzen en kortingen vervolgens geheim zijn in de zin van artikel 18.1. De rechtbank acht bij dit oordeel mede van belang dat het in dit geval om een soft-franchise gaat, waarbij [franchisenemer] een zekere zelfstandigheid heeft behouden en na afloop van het contract mag overstappen naar een andere franchisegever (of een soortgelijke organisatie). In dat kader acht de rechtbank het doorsturen - met het oog op een toekomstige overstap naar [handelsonderneming] - van eigen kortingen, facturen en inkoopoverzichten niet in strijd met het geheimhoudingsbeding, ondanks dat de inkoopprijzen/kortingen daaruit kunnen worden afgeleid.

Modelversie franchiseovereenkomst (5)

4.26.

[franchisenemer] heeft benadrukt dat hij de modelversie (door [franchisenemer] in plaats van ‘modelversie’ aangeduid als ‘concept’) van de nieuwe franchiseovereenkomst van [eiser] niet naar [handelsonderneming] heeft gestuurd, maar naar een (oud-)franchisenemer van [eiser] en dat die franchisenemer al beschikte over precies hetzelfde concept. Uit het dossier volgt dat de eigenaar van [handelsonderneming] voorheen een franchisenemer van [eiser] was. Door [eiser] is niet betwist dat deze eigenaar reeds in het bezit was van het concept/de modelversie. [eiser] heeft in dit licht dan ook onvoldoende onderbouwd waarom [franchisenemer] desondanks het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. De rechtbank wijst de daarop gebaseerde vordering tot betaling van Boete 3 dan ook af.

Boete 4, schending van het non-concurrentiebeding

4.27.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [franchisenemer] tussen 15 juli 2020 en 18 november 2020 diverse malen voetbalartikelen heeft ingekocht bij [leverancier] . Het inkopen bij een andere leverancier dan de door [eiser] aangewezen leverancier(s) acht de rechtbank - net als [franchisenemer] - echter niet in strijd met artikel 18.6 franchiseovereenkomst. In de eerste plaats omdat [eiser] geen leverancier van voetbalartikelen is en [leverancier] op haar beurt geen franchisegever. Daarom kan [leverancier] niet worden gekwalificeerd als een ‘vennootschap die in dezelfde bedrijfstak een soortgelijk systeem exploiteert’, in de zin van het non-concurrentiebeding. Ten tweede blijkt uit artikel 10 franchiseovereenkomst dat [franchisenemer] niet verplicht is om bij de door [eiser] aangewezen leveranciers te bestellen. In dit artikel is wel bepaald dat [franchisenemer] een inspanningsplicht heeft om bij de aangewezen leveranciers te bestellen en dat [franchisenemer] een opgave aan [eiser] dient te doen als hij elders gaat bestellen. Van schending van artikel 10 franchiseovereenkomst door [franchisenemer] is mogelijk sprake, maar die schending is in de franchiseovereenkomst niet gesanctioneerd met een boete. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van Boete 4 dan ook af.

Rentebetalingen

4.28.

[franchisenemer] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de stellingen van [eiser] omtrent het verzuim van [franchisenemer] en de daaropvolgende verplichting tot betaling van wettelijke rente. De betreffende nevenvordering, die verder is gegrond op de wet, zal daarom worden toegewezen als in het dictum vermeld.

Franchisefee

4.29. (eiser)

[eiser] vordert betaling van de facturen die zien op de door [franchisenemer] op grond van artikel 14.1 franchiseovereenkomst verschuldigde formulebijdrage.

Zoals reeds overwogen in 4.2 tot en met 4.8 en 4.16, diende [franchisenemer] tot het einde van de franchiseovereenkomst zijn verplichtingen, waaronder het betalen van de franchisefee valt, na te komen. Dat betekent dat [franchisenemer] gehouden is de franchisefee - zoals bij hem in rekening gebracht met de in 2.14 genoemde facturen - te voldoen. Met hetgeen [franchisenemer] bij wijze van betwisting van de stellingen van [eiser] heeft aangevoerd over de omzet als basis voor de formulebijdrage, heeft [franchisenemer] de omvang van de facturen niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat de omzet van 1 januari 2021 t/m 31 mei 2021 door de coronamaatregelen was gemarginaliseerd, is in dit geval evenmin een relevant verweer.

4.30.

De vordering tot betaling van € 8.071,17 zal dan ook worden toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde, op de franchiseovereenkomst gebaseerde en door [franchisenemer] niet afzonderlijk betwiste contractuele rente van 1% per maand en voorts zoals in het dictum vermeld.

Inzage boeken en bescheiden met omzetgegevens

4.31.

Op grond van artikel 12.3 franchiseovereenkomst vordert [eiser] inzage in de boeken en bescheiden met omzetgegevens van [franchisenemer] , waaronder de grootboekadministratie, over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 mei 2021. Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat de formulebijdrage deels bestaat uit een gefixeerd bedrag en deels is gebaseerd op omzet. Pas achteraf, aan de hand van de administratie van [franchisenemer] , stelt [eiser] de definitieve formulebijdrage vast en stuurt zij naar aanleiding daarvan voor het verschil (positief of negatief, zo begrijpt de rechtbank) aan [franchisenemer] een afzonderlijke (credit)factuur. [eiser] heeft voorts gesteld dat [franchisenemer] de definitieve jaarstukken over 2020 niet tijdig heeft aangeleverd, waardoor de definitieve formulebijdrage over 2020 niet kan worden vastgesteld. Op 11 februari 2021 heeft [eiser] [franchisenemer] afgesloten van haar kassasysteem, zodat [eiser] vanaf dat moment geen informatie meer heeft over de omzet van [franchisenemer] na die datum en zij ook over 2021 de definitieve formulebijdrage niet kan vaststellen. De onderhavige nakomingsvordering is erop gericht dat laatste alsnog te kunnen doen.

4.32.

[franchisenemer] heeft weliswaar betwist dat de formulebijdrage deels is gebaseerd op zijn omzet, maar deze (kale) betwisting heeft [franchisenemer] opgenomen in haar verweer tegen de gevorderde betaling van de achterstallige formulebijdrage (zie 4.29). Los daarvan is deze betwisting van [franchisenemer] niet gemotiveerd en heeft [eiser] op haar beurt, ook met verwijzing naar de franchiseovereenkomst en de facturen, voldoende concreet gesteld dat de definitieve formulebijdrage op de door haar voorgestane wijze (met een omzetcomponent, aldus) wordt berekend. Voor het overige heeft [franchisenemer] de onderhavige vordering tot inzage niet betwist. Bij die stand van zaken is de rechtbank gehouden de vordering toe te wijzen, teneinde [eiser] in staat te stellen, zoals zij heeft toegelicht, de definitieve formulebijdrage over 2020 en 2021 vast te stellen.

Proceskosten

4.33.

Op grond van artikel 14.6 franchiseovereenkomst is [franchisenemer] gehouden om alle buitengerechtelijke kosten en daadwerkelijk gemaakte proceskosten van [eiser] te vergoeden indien [franchisenemer] tekort is geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst. Hiervan is sprake (zie 4.15), waardoor dit artikel in beginsel van toepassing is tussen partijen. De rechtbank matigt de proceskosten echter op grond van artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en de rechtbank acht de aard van de overtreding en hetgeen zij in 4.17 daarover heeft overwogen in het kader van de matiging van de boete tevens redengevend om de proceskosten, daarbij inbegrepen de buitengerechtelijke kosten, te matigen tot de krachtens de wet verschuldigde proces- en buitengerechtelijke kosten. Het subsidiaire beroep van [eiser] op misbruik van procesrecht - hetgeen volgens [eiser] tot toewijzing van de daadwerkelijke advocaatkosten zou moeten leiden - wordt door de rechtbank verworpen.

4.34.

[franchisenemer] zal, gelet op de gedeeltelijke toewijzing van de vordering, dan ook worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde (totaal)bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,81

- griffierecht 2.076,00

- salaris advocaat 1.126,00(2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 3.287,81.

4.35. (eiser)

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief (€ 905,71).

4.36.

De rechtbank begrijpt dat [eiser] de beslagkosten van [franchisenemer] wil terugvorderen. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat [eiser] heeft verzuimd de beslagstukken in het geding te brengen.

4.37.

De vordering tot vermeerdering van de proceskosten met de wettelijke handelsrente wordt afgewezen. De wettelijke handelsrente geldt niet voor betalingen bij wijze van schadeloosstelling (MvT, TK 28 239, 2001 – 2002, nr. 3, p. 10). Artikel 14 franchiseovereenkomst ziet op schade van [eiser] na wanprestatie van [eiser] en valt daarom buiten het bestek van artikel 6:119a BW. De rechtbank zal als het mindere de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW toewijzen over zowel de proces- als de nakosten (4.38).

Nakosten

4.38.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.39.

[franchisenemer] heeft zich verzet tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van een eventueel ten laste van hem veroordelend vonnis. Volgens [franchisenemer] staat [eiser] er financieel niet goed voor en is er daarom een groot restitutierisico. [eiser] heeft ter zitting betwist dat zij er financieel niet goed voor staat.

4.40.

Volgens de hoofdregel van artikel 350 lid 1 Rv schorst hoger beroep het ten uitvoerleggen van het vonnis. In afwijking daarvan kan het vonnis op verzoek op grond van artikel 233 Rv uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, waardoor de tenuitvoerlegging niet geschorst wordt door instellen van hoger beroep. Indien er, zoals in de onderhavige zaak, verweer is gevoerd tegen de vordering tot de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis, moeten de belangen van de partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688, rov. 3.3.1. herhaald in Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, rov. 5.3.6 en 5.6.2.).

4.41.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uit te vallen. [franchisenemer] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] er financieel slecht voor staat. [eiser] heeft er evenzeer belang bij dat zij het vonnis kan uitvoeren in afwachting van het hoger beroep. [franchisenemer] heeft onvoldoende aangetoond dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . Het enkele feit dat er kennelijk beslag ligt op het woonhuis van [gedaagde 3] (2.22), is daarvoor onvoldoende. Daarbij is mede in overweging genomen dat er aanzienlijk minder wordt toegewezen dan is gevorderd en de rechtbank het restitutierisico alsmede de overige gevolgen voor [franchisenemer] daarom minder hoog acht dan deze waren geweest bij volledige toewijzing.

in reconventie

4.42.

[franchisenemer] vordert, op straffe van verbeurte van een dwangsom, afgifte van de inloggegevens van Google Mijn Bedrijf betreffende het adres van de winkel van [franchisenemer] [eiser] betwist niet dat zij in het bezit is van deze inloggegevens van [franchisenemer] , maar stelt dat zij de verplichting tot afgifte van de inloggegevens mag opschorten op grond van artikel 6:2 BW dan wel artikel 6:262 BW.

4.43.

De belangrijkste reden die [eiser] heeft aangevoerd om haar verplichting tot afgifte op te schorten - verhinderen dat [franchisenemer] een winkel van Voetbalshop drijft - is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsgeldige grond voor opschorting, nu hiervoor is geoordeeld dat dit [franchisenemer] is toegestaan. De rechtbank acht opschorting uitsluitend in afwachting van betaling van de in conventie toegewezen bedragen niet proportioneel. Het toegewezen bedrag is een stuk lager dan het gevorderde bedrag dat [franchisenemer] weigerde te betalen en is op zichzelf niet in verhouding tot het belang dat [eiser] heeft bij de inloggegevens voor zijn bedrijfsvoering. De vordering in reconventie wordt daarom toegewezen.

4.44.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.45. (eiser)

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [franchisenemer] worden begroot op 956,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 478,00) aan salaris advocaat.

4.46.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.47.

De wettelijke rente over de proces- en nakosten zal worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [franchisenemer] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 17 februari 2021 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [franchisenemer] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.071,17 (achtduizendéénenzeventig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand vanaf zestig dagen na elke respectievelijke factuurdatum tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [franchisenemer] om aan [eiser] inzage te geven in alle boeken en bescheiden met omzetgegevens van [franchisenemer] , waaronder begrepen de grootboekadministratie, over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 mei 2021,

5.4.

veroordeelt [franchisenemer] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.287,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [franchisenemer] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [franchisenemer] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8.

gebiedt [eiser] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, over te gaan tot afgifte aan [franchisenemer] van de inloggegevens voor Google Mijn Bedrijf betreffende het adres van [franchisenemer] aan de [adres] ,

5.9.

veroordeelt [eiser] om aan [franchisenemer] een dwangsom te betalen van € 500,000 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.8 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

5.10.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [franchisenemer] tot op heden begroot op € 956,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.11.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00

aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.12.

verklaart dit vonnis in reconventie ten aanzien van de veroordelingen onder 5.9 tot en met 5.11 uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2022.

ls/mk