Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:938

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2021
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
19-4584
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een melkrundveehouderij (artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e, Wabo).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:7) dat ook ten aanzien van het beroep van belanghebbende particulieren artikel 6:13 van de Awb niet kan worden toegepast, ook al heeft het arrest betrekking op non-gouvernementele organisaties. Verder volgt uit het arrest naar het oordeel van de rechtbank ook dat de vaste jurisprudentie dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen besluitonderdelen waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, niet langer kan worden toegepast.

Dit betekent in zaak 19/4584 dat het beroep van eisers met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur” ontvankelijk is, ondanks dat eisers tegen dit besluitonderdeel geen zienswijze hebben ingediend (overweging 6.1 – 6.6).

In zaak 19/4679 is het beroep van particuliere eisers die geen zienswijze hebben ingediend ontvankelijk (overweging 6.2 – 6.6).

De rechtbank zal in zaken die onder het Verdrag van Aarhus vallen artikel 6:13 van de Awb ook voor belanghebbende particulieren buiten toepassing laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0039
JOM 2021/145
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4584

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], eisers

(gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. J. van Groningen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 19/4679.

[eiser] is verschenen. Hij heeft op de zitting aangegeven dat ing. M.H. Middelkamp zijn nieuwe gemachtigde is. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Nikkels en G.W. Janssen. Namens de derde-partij is verschenen [derde-partij], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. De derde-partij exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een melkrundveehouderij. Op het perceel staan diverse stallen (A, B, C, F, G, H en J). Op grond van de milieuvergunning van 1 maart 2006 mogen op het perceel 107 melkkoeien, 60 stuks vrouwelijk jongvee, 60 stuks overig rundvee, 207 vleeskalveren en 20 legkippen worden gehouden.

2. Op 11 december 2014 heeft de derde-partij een aanvraag bij verweerder ingediend voor het uitbreiden van het bedrijf met een nieuwe ligboxenstal. Deze ligboxenstal heeft een bouwhoogte van 11,9 meter en een oppervlakte van 3.602 m². In de nieuwe stal (stal K) worden 250 melkkoeien gehouden. De bestaande stal (stal A) wordt verbouwd tot jongveestal voor het opfokken van 207 stuks jongvee en in stal B zullen 15 melkkoeien worden gehouden. In stallen C, F, G, H en J zal geen vee meer worden gehouden.

In het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1992-1” is voor het bedrijf een agrarisch bouwperceel (bouwvlak) opgenomen. De nieuwe ligboxenstal ligt buiten dit bouwvlak, zodat op dit punt sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

3. Op 9 juni 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland aan de derde-partij een vergunning verleend op grond van artikel 19d, 19e en 19kd, eerste lid, onder b, van de Natuurbeschermingswet 1998 voor de uitbreiding van de veehouderij. In deze vergunning is de emissietoename gesaldeerd met saldeerbedrijven aan de [locatie] te [woonplaats], [locatie] te [woonplaats] en [locatie] te [woonplaats].

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:

- “ bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo));

- “ gebruik in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo);

- “ milieu” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in samenhang met artikel 2.6 van de Wabo).

Verweerder heeft de aanvraag voor de activiteit “natuur” op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) buiten behandeling gelaten omdat de aanvraag voor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is ingediend vóór de aanvraag voor de omgevingsvergunning.

5. Eisers wonen aan de [locatie]. Hun woonperceel ligt op ongeveer 20 meter van de agrarische gronden die bij het bedrijf horen, en hun woning ligt op ongeveer 130 meter van de nieuw te bouwen stal. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast door de uitbreiding van het agrarische bedrijf.

Omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur”

6.1.

Eisers betogen dat sprake is van een aanhakende omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur”, zodat het college van gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen had moeten verlenen.

6.2.

Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit dit artikel vloeit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen besluitonderdelen waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 9 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7155) heeft overwogen ligt het in de rede om voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb elk van de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen, als besluitonderdeel op te vatten. De activiteit “natuur” is volgens deze jurisprudentie een apart besluitonderdeel binnen de omgevingsvergunning. Eisers hebben tegen dit besluitonderdeel geen zienswijze naar voren gebracht. Dat betekent dat hun beroep, volgens bovenstaande jurisprudentie, niet-ontvankelijk zou zijn.

6.3.

De rechtbank ziet zich, gelet op het arrest Varkens in Nood, voor de vraag gesteld of deze jurisprudentie nog steeds kan worden gevolgd.1

Het gaat in deze zaak ook over een milieuaangelegenheid waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is. Voor deze zaak geldt dus ook artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus, met als opschrift „Toegang tot de rechter”. Ingevolge dat artikel waarborgt elke partij, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek

a. a) die een voldoende belang hebben, dan wel

b) stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

6.4.

Het oordeel in het arrest Varkens in Nood is, gelet op de daaraan voorafgaande prejudiciële vragen, toegespitst op non-gouvernementele organisaties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit arrest echter een ruimere werking en ziet dit ook op de situatie die hier aan de orde is.

Het Hof van Justitie wijst ter onderbouwing van haar oordeel immers naar de doelstelling van een “ruime toegang tot de rechter” en wijst erop dat de inspraak in de milieubesluitvormingsprocedure een ander doel heeft dan het beroep in rechte.2Het Hof overweegt verder dat “de in artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus vastgestelde doelstelling, te weten een „ruime toegang tot de rechter” verzekeren, en het nuttig effect van deze bepaling niet worden gewaarborgd door een wettelijke regeling die de ontvankelijkheid van een door een niet-gouvernementele organisatie ingesteld beroep afhankelijk zou stellen van de rol die zij al dan niet heeft gespeeld tijdens de inspraakfase van het besluitvormingsproces, terwijl deze fase niet hetzelfde doel heeft als een beroep in rechte en een dergelijke organisatie haar beoordeling van een project bovendien kan aanpassen naargelang van de uitkomst van dat proces”.3

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze overwegingen van het arrest van het Hof dat ook ten aanzien van het beroep van belanghebbende particulieren artikel 6:13 van de Awb niet kan worden toegepast, ook al heeft het arrest betrekking op non-gouvernementele organisaties. Ook voor particulieren geldt immers dat de inspraakprocedure een ander doel heeft dan het beroep in rechte en dus niet aan elkaar gekoppeld mag worden. Verder geldt artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus ook op gelijke wijze voor zowel non-gouvernementele organisaties als particulieren. Ook voor belanghebbende particulieren geldt dus dat het nuttig effect van deze bepaling niet kan worden bereikt wanneer hun beroep niet-ontvankelijk is wanneer zij de inspraakfase niet benut hebben.

6.5.

Verder volgt uit het arrest naar het oordeel van de rechtbank ook dat de vaste jurisprudentie4 dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen besluitonderdelen waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, niet langer kan worden toegepast. Ook daarvoor gelden de bovengenoemde argumenten over het onderscheid tussen inspraak en rechtsbescherming en het nuttig effect van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus. Nu de ontvankelijkheid van het beroep van belanghebbenden niet afhankelijk mag worden gesteld van het gebruik maken van de inspraakprocedure, is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor afzonderlijke besluitonderdelen. Dat geldt eens te meer nu een beperktere uitleg van het arrest Varkens in Nood tot gevolg zou hebben dat belanghebbenden die geheel niet deelnemen aan de inspraakprocedure tegen alle onderdelen van het besluit in beroep kunnen komen, terwijl belanghebbenden die wel deelnemen aan de inspraak, maar niet op alle onderdelen, tegen bepaalde onderdelen niet in beroep zouden kunnen. Daardoor zouden belanghebbenden die geheel niet meedoen aan de inspraakprocedure in een gunstiger positie komen dan belanghebbenden die dat deels wel doen. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn.

6.6

Dat betekent dat de rechtbank artikel 6:13 van de Awb in deze zaak buiten toepassing zal laten en het beroep van eisers ten aanzien van het besluitonderdeel “natuur” ontvankelijk is, ondanks het feit dat zij over dit besluitonderdeel geen zienswijze hebben ingediend.

6.7.

De rechtbank stelt vast dat de aanvrager ervoor heeft gekozen om de aanvraag voor een vergunning voor de activiteit “natuur” afzonderlijk in te dienen, alvorens een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”, “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” en “milieu” te doen. In dat geval is geen sprake van een aanhaakplicht bij de omgevingsvergunning. De vergunning voor de activiteit “natuur” en de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”, “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” en “milieu” volgen dan hun eigen procedures.

Het betoog van eisers dat niet voor het gehele project een vergunning voor de activiteit “natuur” is verleend en verweerder de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur” ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt namelijk dat een aanvraag voor deze activiteit bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland is ingediend. Daarop is op 9 juni 2015 beslist en is een vergunning voor de activiteit “natuur” verleend. Nu derde-partij er dus voor heeft gekozen om de vergunning voor de activiteit “natuur” afzonderlijk aan te vragen, heeft verweerder de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit “natuur” terecht buiten behandeling gelaten. Daarvoor is namelijk doorslaggevend of een vergunning is aangevraagd en niet of deze (op goede gronden) is verleend.

Het betoog van eisers dat de vergunning van 9 juni 2015 niet op goede gronden is verleend, want met gebruikmaking met het Programma Aanpak Stikstof (PAS), is dus voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het in deze procedure bestreden besluit niet van belang. Ook is niet van belang of met deze vergunning nu wel op de hele aanvraag is beslist. De stelling van eisers dat met de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 9 juni 2015 verleende vergunning niet volledig op de aanvraag is beslist omdat destijds het college van gedeputeerde staten van Overijssel daarop moest beslissen, voor de in hun provincie gelegen natuurgebieden, kan dus ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Dat gaat namelijk over de juistheid en volledigheid van de verleende vergunning en niet over de vraag of voor de te realiseren activiteit een aanvraag is ingediend.

De rechtbank doet dan ook geen uitspraak over de vraag die partijen verdeeld houdt of op de hele aanvraag is beslist. Daar gaat deze procedure niet over.

De beroepsgrond slaagt niet.

Omgevingsverordening Gelderland

7.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de rundveehouderij een grondgebonden veehouderijbedrijf betreft. Verweerder heeft daarvoor op pagina 14 van de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar het als bijlage 2 opgenomen grondgebruiksplan waarin staat dat de ruwvoerbehoefte in de nieuwe situatie voor 93 % wordt gedekt met eigen voer. Daarbij is uitgegaan van 85 hectare gras en 25 hectare mais waarover het bedrijf kan beschikken, waarvan 100 hectare in eigendom en 10 hectare in pacht is.

7.2.

Eisers betogen dat in deze berekening de gronden die behoren bij twee dochterondernemingen ten onrechte zijn meegerekend in de oppervlakte aan grond waar het bedrijf over kan beschikken. Omdat in planologische zin geen sprake is van een koppeling tussen de agrarische bedrijven dient slechts uitgegaan te worden van de grond die ter plaatse van het bedrijf is gelegen. Deze grond is onvoldoende om het bedrijf aan te merken als een grondgebonden veehouderijbedrijf, aldus eisers.

Als er wel sprake is van een grondgebonden veehouderijbedrijf, dan stellen eisers zich op het standpunt dat een uitbreiding van een grondgebonden veehouderij niet is toegestaan omdat in de omgevingsverordening geen uitdrukkelijke regel is opgenomen over uitbreiding van een grondgebonden veehouderij. Dit betekent volgens eisers dat een uitbreiding niet is toegestaan.

7.3.

Artikel 2.28 van de omgevingsverordening Gelderland luidt als volgt:

“1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderijbedrijf alleen mogelijk als:

a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de nieuwvestiging een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en dat hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel bedrijfseconomisch niet mogelijk is, of

b. een bestaand veehouderijbedrijf moet worden verplaatst op initiatief van de overheid ten behoeve van het realiseren van ruimtelijke doelen van algemeen maatschappelijk belangen.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.”

Artikel 2.29 luidt als volgt:

“Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf niet mogelijk.”

Artikel 2.31 luidt als volgt:

“1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels.

2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn.”

In de omgevingsverordening zijn de volgende definities opgenomen:

Grondgebonden veehouderijbedrijf

“agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken.”

Niet-grondgebonden veehouderijbedrijf

“agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft.”

Niet-grondgebonden veehouderijtak

“onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op niet-grondgebonden veehouderij.”

Nieuwvestiging

“vestiging van of het planologisch mogelijk maken van een veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel.”

7.4.

De rechtbank overweegt dat de definitie van een grondgebonden veehouderijbedrijf is een agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond, waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken. Het gaat dus uitsluitend om de vraag of de gronden feitelijk in de omgeving van de bedrijfsgebouwen liggen, en om de vraag of het bedrijf daarover feitelijk kan beschikken. Er hoeft dus, anders dan eisers betogen, geen (juridisch-)planologische koppeling tussen de betrokken bedrijven en percelen te zijn. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de toelichting bij de omgevingsverordening. Daarin staat het volgende: “Een veehouderijbedrijf dient bij een verzoek tot uitbreiding aan te geven dat het over voldoende grond beschikt om de dieren in de nieuwe situatie grotendeels te kunnen voeren met de opbrengst afkomstig van de grond die tot het bedrijf behoort. Het gaat daarbij om grond in eigendom of in pacht bij het bedrijf, gelegen in de omgeving van de bedrijfsgebouwen.”

Op pagina 6 van de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven dat de grond waarover het bedrijf beschikt ook gronden bij de percelen [locatie] en [locatie] omvat. Deze percelen liggen op respectievelijk 1 en 3 km van de veehouderij. De derde-partij heeft daarnaast de op 13 mei 2019 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ingediende gecombineerde opgave uit 2019 overgelegd waarin een overzicht is gegeven van de percelen.

De rechtbank acht de afstand tot (het overgrote deel van) deze percelen niet zodanig groot dat sprake is van grond die niet in de omgeving van de veehouderij ligt. Bovendien is niet betwist dat deze 110 hectare aan landbouwgronden in eigendom of pacht zijn bij de derde-partij.

Omdat meer dan 50 % van het voer van de veehouderij afkomstig zal zijn van deze gronden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een grondgebonden veehouderij. Van strijdigheid met de omgevingsverordening is daarom geen sprake.

De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

7.5.

Voor zover eisers zich beroepen op artikel 2.28 en 2.29 merkt de rechtbank op dat deze artikelen zien op nieuwvestiging van een veehouderijbedrijf. Daarvan is geen sprake, want op het perceel is op grond van het bestemmingsplan al een veehouderij toegestaan. Deze veehouderij is ook reeds tientallen jaren aanwezig. Omdat sprake is van een uitbreiding van een bestaand veehouderijbedrijf, zijn deze artikelen niet van toepassing.

7.6.

De rechtbank stelt met eisers vast dat de omgevingsverordening geen bepalingen bevat over een uitbreiding van een grondgebonden veehouderij. De uitbreiding van de grondgebonden veehouderij is dus niet in strijd met de omgevingsverordening. Het ontbreken van voorschriften daarover in de Omgevingsverordening betekent, anders dan eisers veronderstellen, niet dat het gebruik niet is toegestaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

Structuurvisie Plussenbeleid

8.1.

Eisers betogen dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing niet blijkt dat aan de op 19 maart 2019 door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Plussenbeleid is getoetst.

8.2.

De structuurvisie Plussenbeleid heeft betrekking op uitbreidingen van niet-grondgebonden veehouderijen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is geen sprake van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf. Het plussenbeleid is dus niet van toepassing, zodat daaraan ook niet hoefde te worden getoetst.

De beroepsgrond slaagt niet.

Geluidhinder

9.1.

Eisers betogen dat het bedrijf van derde-partij onevenredige geluidhinder veroorzaakt. Ten onrechte is geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de inrichting dichter bij de dichtstbijzijnde woning ligt dan 130 meter. Door de vergroting van het bedrijf zal ook intensiever gebruik worden gemaakt van het dichter bij de woningen gelegen deel van het bedrijfsperceel, aldus eisers. In het geluidonderzoek is de geluidbron van de nabij woningen gelegen sleufsilo’s ten onrechte in het midden van de sleufsilo’s geplaatst, aangezien de sleufsilo’s veel dichter bij de woning komen. Dit rekenpunt had daarom aan het eind van de sleufsilo moeten liggen, aldus eisers.

9.2.

Aan het bestreden besluit is een geluidonderzoek van Sain milieuadvies van 20 februari 2015 ten grondslag gelegd. In het geluidonderzoek worden voor de representatieve bedrijfssituatie de volgende geluidbronnen meegenomen:

  • -

    Maximaal 10 tractorvrachten per dag;

  • -

    Melkkoeling;

  • -

    Melken van 07.00 tot 10.00 en van 18.00 tot 20.00 (vacuümpomp + 30 minuten reinigen melkinstallatie);

  • -

    Afvoer van melk (20 minuten per dag, soms in avond/nacht);

  • -

    Afvoer van vee (10 minuten per dag, soms in avond/nacht);

  • -

    Afvoer van mest, mixen, mobiele kraan, maximaal 10 vrachten per dag;

  • -

    Mobiele kraan, tractoren, bestel- en personenauto’s.

Uit de geluidberekening volgt dat in deze representatieve bedrijfssituatie voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de richtwaarde van een landelijke omgeving. Het maximale geluidsniveau voldoet aan de grenswaarde.

Het inkuilen van mais en gras vindt maximaal 12 keer per jaar plaats. Deze activiteit wordt beschouwd als een incidentele bedrijfssituatie.

9.3.

De rechtbank stelt voorop dat de afstanden uit de VNG-brochure, waar eisers ook op wijzen, richtafstanden zijn, waarvan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld op basis van een toegespitst geluidonderzoek. Dat niet is voldaan aan de richtafstanden voor geluid uit de VNG-brochure betekent daarom nog niet dat geen sprake is van goede ruimtelijke ordening. Daarvoor kan ook een toegespitst geluidonderzoek dienen, zoals in dit geval het geluidonderzoek van Sain milieuadvies van 20 februari 2015. En op basis van dat onderzoek komt de rechtbank tot het oordeel dat van onevenredige geluidsbelasting geen sprake is.

In dat geluidonderzoek is de geluidbelasting van het gehele bedrijf meegenomen, waaronder ook geluidbronnen in de sleufsilo. Uit het rekenmodel dat als bijlage 3 bij het geluidonderzoek is gevoegd, blijkt dat in de sleufsilo’s vier puntbronnen (04, 05, 20 en 21) zijn gesitueerd. Punt 04 en 05 zien op het laden van voer met de lepelkraan, en 20 en 21 zien op een stationaire tractor. Deze puntbronnen liggen in het midden van de sleufsilo’s.

De derde-partij heeft op de zitting aangeven dat de puntbron in het midden van de sleufsilo’s is geplaatst omdat deze gevuld worden met voer (gras en mais). Naarmate dit wordt opgebruikt gaan de vervoersbewegingen verder naar het achterste deel van de sleufsilo’s. Het gebruik van het achterste deel van de sleufsilo’s is volgens de derde-partij slechts een kort moment in de totale periode van het gebruik van de sleufsilo’s.

De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze rekenpunten onjuist zijn gesitueerd, gelet op de wijze van gebruik van de sleufsilo’s van voor naar achter, en dus ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidonderzoek is uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie en dus van een te lage geluidbelasting.

De beroepsgrond slaagt niet.

Lichthinder

10.1.

Eisers betogen dat ook met de in de ruimtelijke onderbouwing voorgestelde wijze van aanbrengen van lichtarmaturen sprake zal kunnen zijn van aanzienlijke lichthinder. Omdat het aantal donkeruren slechts 8 bedraagt zal er in de winterperiode gedurende een groot aantal uren in de ochtend en avond hinder zijn. In de omgevingsvergunning is ook geen voorschrift opgenomen met betrekking tot belichting, aldus eisers.

10.2.

In de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” staan in paragraaf 6.3 de volgende voorschriften met betrekking tot “licht”:

“6.3.1 Het meten van de verlichtingssterkte moet plaatsvinden overeenkomstig NEN 1891.

6.3.2.

De in stal K aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat op 25 meter afstand van de stal geen directe lichtstraling afkomstig van aanwezige lichtbronnen binnen de stal, behalve die van lichtbronnen van vervoermiddelen of landbouwwerktuigen, waarneembaar is.

6.3.3.

Behoudens calamiteiten mag in de periode 06:00 – 22:00 uur de verticale maximale gemiddelde verlichtingssterkte als gevolg van kunstlicht van stal K op 25 meter afstand buiten de gevel van deze stal, op 1,5 meter hoogte, 5 lux bedragen.

6.3.4

Behoudens calamiteiten mag de horizontale verlichtingssterkte als gevolg van kunstlicht in stal K op vloerhoogte tussen 22:00 en 06:00 uur maximaal 5 lux bedragen.”

10.3.

De stelling van eisers dat de omgevingsvergunning geen voorschriften bevat met betrekking tot verlichting is dan ook onjuist. Eisers hebben niet nader onderbouwd waarom deze voorschriften onvoldoende waarborgen zouden bieden tegen onaanvaardbare lichthinder, mede gelet op de afstand van 130 meter van de stal tot hun woning.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters, voorzitter, mr. J.J.W.P van Gastel en mr. M.J.M. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Arrest van 21 januari 2021, zaaknummer C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7.

2 Zaaknummer C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7, punt 56.

3 Zaaknummer C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7, punt 58.

4 Zie bijvoorbeeld overweging 9.4 uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2535).