Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:782

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
8849231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Einde huurovereenkomst na opzegging. Gebrek door overheidsmaatregelen i.v.m. corona. Huurprijsvermindering uitgesloten bij algemene voorwaarden. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid / onvoorziene omstandigheden door corona?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8849231 \ CV EXPL 20-10246 en 8957473 \ VV EXPL 21-2 \ 42693

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

1 [eiser 1]

wonende te [woonplaats]

2. [eiser 2]

wonende te [woonplaats]

3. [eiser 3]

wonende te [woonplaats]

4. [eiser 4]

wonende te [woonplaats]

5. [eiser 5]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in incident en in reconventie

gemachtigde mr. S.J. van Susante

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Restaurant Rijnmozaïk B.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij in conventie

eisende partij in incident en in reconventie

gemachtigde mr. D. Coskun

Partijen worden hierna ‘[erven]’ en ‘Rijnmozaïk’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 december 2020 en de daarin genoemde processtukken

- de conclusie van antwoord in incident en conclusie van antwoord in reconventie met producties;

- een productie met jaarcijfers van 28 januari 2021 van Rijnmozaïk ten behoeve van de zitting;

- de mondelinge behandeling van 2 februari 2021, mede inhoudende de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [erven] en de ter zitting overgelegde producties namens [erven].

Verschenen zijn:

[eiser 4] en mr. Van Susante namens de [erven], en

[naam 2], bedrijfsleider, gemachtigd door de bestuurder van Rijnmozaïk [naam], en mr. Coskun, namens Rijnmozaïk.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[erven] zijn eigenaren en verhuurders van de horecabedrijfsruimte aan de [adres] te Arnhem.

2.2.

[eiser 4] voert sinds begin 2017 namens de [erven] het beheer van de bedrijfsruimte.

2.3.

[naam] is de (indirect) bestuurder van Rijnmozaïk, een restaurant, en de ex-echtgenote van [naam 2], de huidige bedrijfsleider van Rijnmozaïk. [naam 2] is namens Rijnmozaïk in overwegende mate de gesprekspartner van de [erven].

2.4.

Bij huurovereenkomst van 28 juli 2009 huurt Rijnmozaïk van de [erven] de bedrijfsruimte voor een maandelijkse huurprijs van (inmiddels) € 3.557,56 voor de duur van 5 jaar, ingaande op 1 juni 2009. De looptijd is op 1 juni 2014 met 5 jaar verlengd tot en met 31 mei 2019. Nadien is de huurovereenkomst voortgezet.

2.5.

Op de huurovereenkomst zijn de ‘algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ van toepassing. In artikel 11.3 is bepaald:

Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade tengevolge van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoel in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.

2.6.

Vanaf eind 2017/begin 2018 is er een huurachterstand ontstaan. De huurachterstand bedroeg in april 2018: € 10.274,43, in december 2018: €13.838,72, in januari 2019: € 17.298,40, in februari 2019: € 18.608,08, in maart en in april 2019: € 17.298,40, en in mei 2019: € 11.838,72.

2.7.

Per aangetekende brief van 27 mei 2019 van [eiser 4] aan Rijnmozaïk heeft de verhuurder de huurovereenkomst opgezegd per 31 mei 2020. In de brief staat onder meer:

(…)

Hierbij zeg ik – namens verhuurder – bovengenoemde huurovereenkomst op. Met inachtneming van de opzegtermijn van één jaar, conform de huurovereenkomst, eindigt de huurovereenkomst op 31 mei 2020.

Voornaamste reden van de opzegging is uw slechte betalingsgedrag. Sinds ruim een jaar heeft u een betalingsachterstand welke ondanks vele aanmaningen, herinneringen en het inschakelen van een incassobureau blijft voortbestaan. Uw bedrijfsvoering – waaronder begrepen uw betaalgedrag – is niet zoals een goed huurder betaamt. Van verhuurder kan onder de gegeven omstandigheden en bij een redelijke afweging van de belangen niet worden verlangd dat hij de huurovereenkomst voortzet.

(…)

2.8.

Eind 2019/ begin 2020 hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden over beëindiging van de huurovereenkomst en over de huurachterstand. De insteek van verhuurder bleef dat de huur beëindigd is/moet worden en de insteek van Rijnmozaïk was dat zij het restaurant wilde voortzetten en de huurachterstand wilde inlopen.

2.9.

De huurachterstand kende na opzegging het volgende verloop. De huurachterstand bedroeg in juni 2019: € 10.379,04, in oktober 2019: € 3.879,04, in februari en in maart 2020:
€ 2.379,04.

2.10.

Op 15 maart 2020 heeft de overheid diverse maatregelen genomen vanwege de aanpak van het coronavirus. Eén van de maatregelen betrof het sluiten van alle restaurants vanaf zondag 15 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

2.11.

Partijen hebben in maart/april 2020 contact met elkaar gehad, waarbij Rijnmozaïk voorstelde om minder huur te betalen als gevolg van de gedwongen sluiting en de [erven] vasthielden aan beëindiging van de huurovereenkomst.

2.12.

In de maanden juni tot en met september 2020 is Rijnmozaïk weer open gegaan en heeft zij omzet gedraaid.

2.13.

Per 15 oktober 2020 zijn alle restaurants, en ook Rijnmozaïk, weer gesloten als gevolg van overheidsmaatregelen door corona.

2.14.

Vanaf april 2020 tot nu is de huurachterstand blijven fluctueren tussen ongeveer (afgerond) € 6.000,- en bijna € 8.000,- tot € 2.500,-, waarna deze in januari 2021
€ 7.938,58 bedroeg.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[erven] vorderen (samengevat) dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. a) - primair - voor recht zal worden verklaard dat de huurovereenkomst door opzegging is beëindigd per 31 mei 2020, en - subsidiair - de huurovereenkomst binnen 14 dagen na dit vonnis zal worden ontbonden, met in beide gevallen veroordeling van Rijnmozaïk tot ontruiming, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat Rijnmozaïk hiermee in gebreke blijft en met machtiging van [erven] om de ontruiming te noodzaken op kosten van Rijnmozaïk in geval van weigering;

b) Rijnmozaïk zal worden veroordeeld tot het betalen van de huurachterstand van € 2.379,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, alsmede een maandelijks bedrag van € 3.557,56 als schadeloosstelling tot aan ontruiming;

c) Rijnmozaïk zal worden veroordeeld tot het betalen van buitengerechtelijke incassokosten van € 356,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en de kosten van de procedure.

3.2.

Als grondslag hiervoor voeren de [erven] aan dat Rijnmozaïk een slechte betalingsmoraal heeft getoond in het verleden. De [erven] hebben geen vertrouwen in de levensvatbaarheid van Rijnmozaïk. Keer op keer is Rijnmozaïk betalingsbeloften niet nagekomen. Pas na opzegging van de huurovereenkomst is het betalingsgedrag wat verbeterd, maar nog altijd ontbreekt openheid van zaken en een levensvatbaar toekomstperspectief. [erven] willen de huurovereenkomst beëindigen.

3.3.

Rijnmozaïk voert verweer. Hierop wordt hierna nader ingegaan.

4 De vordering en het verweer in reconventie en de provisionele vordering

4.1.

Rijnmozaïk vordert (samengevat) en na mondelinge vermindering van eis dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. a) [erven] zullen worden veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat Rijnmozaïk een huurprijs zal voldoen van € 1.841,67 als zijnde de huur vanaf 1 maart 2020 tot en met de duur van deze procedure in de hoofdzaak, althans een huurkorting toe te wijzen in goede justitie;

b) [erven] zullen worden veroordeeld om een bedrag aan teveel betaalde huur over de maanden maart 2020 tot en met november 2020 van € 16.574,99, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, terug te betalen;

c) de huurovereenkomst ex artikel 3:300 BW wordt aangepast op grond van onvoorziene omstandigheden, middels vonniswijziging die in de plaats treedt van de huurovereenkomst;

d) zal worden bepaald dat de verschuldigde huurprijs per 1 maart 2020 zal worden vervangen door de huurprijs van € 1.841,67 per maand, althans een zodanig percentage/bedrag als juist wordt geoordeeld, ingaande op 1 maart 2020 tot aan de dag dat alle gebreken definitief zijn verholpen/verdwenen;

e) [erven] zullen worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten.

Voor zover de vordering zag op een omzetafhankelijke huurprijs heeft Rijnmozaïk dat gedeelte ter zitting ingetrokken.

4.2.

Rijnmozaïk vordert hetzelfde als hierboven weergegeven onder a), b) en e) als provisionele vordering, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.3.

Als grondslag voor de vorderingen voert Rijnmozaïk aan dat de sluiting door corona is aan te merken als een gebrek, waardoor zij is gehinderd in haar huurgenot. Aangezien corona een onvoorziene omstandigheid is, moet de pijn daarvan gelijkelijk worden verdeeld over partijen. Dat betekent dat Rijnmozaïk gehouden is niet meer dan 50% van de overeengekomen huurprijs te betalen vanaf maart 2020. Rijnmozaïk is een restaurant dat al dertig jaar een begrip is in Arnhem. [naam 2] en [naam] willen doorgaan met de bedrijfsvoering en hebben vertrouwen in de toekomst.

4.4.

De [erven] voeren verweer tegen deze vorderingen. Hierop wordt hierna nader ingegaan.

5 De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie en in incident

5.1.

Omdat de vorderingen nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

Einde huurovereenkomst?

5.2.

Rijnmozaïk heeft niet in de beëindiging van de huurovereenkomst toegestemd en gebruikt tot op heden de verhuurde horecabedrijfsruimte. Als eerste moet worden beoordeeld of de huurovereenkomst door opzegging zal eindigen.

5.3.

Volgens artikel 7:300 lid 2 en 3 BW dient een opzegging na een huurperiode van tien jaar te voldoen aan de vereisten van de artikelen 7:293 leden 2 en 3 en van artikel 7:294 BW. De artikelen 7:295 tot en met 7:299 BW zijn van overeenkomstige toepassing.

5.4.

Aan het vereiste van artikel 7:293 lid 2 BW, opzegging bij aangetekende brief met inachtneming van de termijn van een jaar, is voldaan. Aan artikel 7:294 BW is ook voldaan; de opzegging bevat de gronden die tot de opzegging hebben geleid.

5.5.

Een opgezegde huurovereenkomst blijft ingevolge artikel 7:295 lid 1 BW van rechtswege van kracht en de verhuurder kan op grond van lid 2 vorderen, op de gronden vermeld in de opzegging, dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Aangezien de rechter het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst eindigt en dit tijdstip niet kan zijn gelegen vóór de dag van het vonnis, zal de primaire vordering van [erven] zo worden opgevat dat zij vorderen dat het tijdstip wordt vastgesteld waarop de huurovereenkomst eindigt.

5.6.

Artikel 7:296 lid 4 BW bepaalt dat de vordering van de verhuurder in ieder geval wordt toegewezen indien zich een van de in de lid 1 onder a (en b) omschreven gronden voordoet. In lid 1 onder a van artikel 7:296 lid 4 BW staat als opzeggingsgrond dat de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt. Dat moet dus getoetst worden in deze zaak. Volgens Rijnmozaïk is zij een goed huurder en heeft zij, hoewel ze ook wel eens met tegenslagen te maken had, zo goed en zo kwaad als het ging toch vrijwel altijd de huur betaald en was zij op een gegeven moment helemaal bij. Ook is volgens Rijnmozaïk de verstandhouding met verhuurder goed. Hier is overtuigend en onderbouwd tegenin gebracht dat Rijnmozaïk al jarenlang consistent achterloopt met huurbetaling. [erven] hebben in dat verband ter zitting een actueel overzicht overgelegd “Huurbetalingen Rijnmozaïk, bijgewerkt tot 11 januari 2021”. De juistheid van dit overzicht is niet bestreden door Rijnmozaïk. Uit dat overzicht volgt, zoals ook weergegeven onder 2.6., dat een patroon bestond van fikse huurachterstand, met onder meer als dieptepunt bedragen aan achterstand van € 18.608,08 en € 17.298,40, een equivalent van rond de 5 maanden huur. [erven] hebben daarnaast in voldoende mate gesteld dat gesprekken met Rijnmozaïk hierover, ondanks beloftes, dit patroon toch niet in positieve zin hebben doorbroken. Daardoor is de bedrijfsvoering van Rijnmozaïk niet geweest zoals een goed huurder betaamt, zodat het beroep op genoemde opzeggingsgrond opgaat. Rijnmozaïk voert nog aan dat zij begin 2020 de huurachterstand vrijwel volledig had ingelopen. Maar dat doet niet af aan het betalingsgedrag in de daarvoor liggende periode. De opzegging blijft overigens ook in stand op grond van een redelijke belangenafweging als bedoeld in artikel 7:296 lid 3 BW. Weliswaar heeft Rijnmozaïk aangevoerd dat zij door wil gaan met haar restaurant, maar dat weegt niet op tegen het onderbouwde en zwaarder wegende belang van de [erven] bij beëindiging na een periode van slechte huurbetaling en zonder gunstig toekomstperspectief.

5.7.

Voorgaande betekent dat een tijdstip zal worden bepaald waarop de huurovereenkomst eindigt. Op grond van artikel 7:296 lid 5 BW wordt ook het tijdstip van ontruiming vastgesteld. De laatste zin van bedoeld artikellid bepaalt verder dat een dergelijke vaststelling van het tijdstip geldt als een veroordeling tot ontruiming, zodat een veroordeling tot ontruiming, zoals gevorderd, niet wordt toegewezen. De gevorderde dwangsom op de ontruiming van het gehuurde wordt afgewezen. Met het onderhavige vonnis beschikken [erven] immers over een titel om het gehuurde zelf, via de weg van de reële executie, gedwongen te laten ontruimen. Zij hebben niet, althans onvoldoende onderbouwd waarom zij daarnaast nog belang hebben bij een financiële prikkel voor Rijnmozaïk om tot ontruiming over te gaan. De verzochte machtiging van [erven] in verband met eventuele kosten voor ontruiming wordt eveneens afgewezen op grond van de artikelen 556 en 444 Rv.

Huurprijsvermindering?

5.8.

Voor de gevorderde betaling van de huurachterstand is ook de eis in reconventie van belang. In reconventie bepleit Rijnmozaïk dat er een huurprijsvermindering van 50% van toepassing zou zijn omdat er sprake is van een gebrek door corona. Rijnmozaïk voert aan dat dat gebrek er is door de overheidsmaatregelen, waardoor zij haar restaurant niet kan exploiteren.

5.9.

[erven] bestrijden tevergeefs dat de coronacrisis in dit geval een gebrek oplevert. Op grond van artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten. Dat is in dit geval aan de hand. De huurder hoefde niet te verwachten dat de mogelijkheid om het gehuurde te exploiteren als restaurant zou worden belemmerd door een crisis zoals nu het geval is. Er is dus sprake van een gebrek.

5.10.

De [erven] hebben er op gewezen dat dat niet leidt tot huurprijsvermindering nu dat is uitgesloten in de huurovereenkomst en de daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden (artikel 11.3, zie r.o. 2.5.). Dat is op zichzelf juist. Maar Rijnmozaïk heeft een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid en/of onvoorziene omstandigheden door corona.

5.11.

Daarom moet eerst getoetst worden of het beroep op uitsluiting van huurprijsvermindering door [erven] op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechter dient bij de toets terughoudend te zijn en dient de relevante omstandigheden van het geval in de afweging te betrekken (HR 29 januari 2021 over Bakker Bart, ECLI:NL:HR:2021:153). Deze beperkende werking kan overigens ook proportioneel worden toegepast (Royal & Sun Alliance/Universal Pictures ECLI:NL:HR:2006:AU9717 over proportionele derogerende werking), zodat het beroep op de uitsluiting van het recht op huurprijsvermindering dan dus – deels of geheel – onaanvaardbaar kan zijn.

5.12.

De volgende omstandigheden zijn relevant.

Voor toepassing van de beperkende werking pleit dat het gebrek in dit geval een verstrekkend gevolg heeft voor de huurder. Door de coronacrisis en de overheidsmaatregelen is het immers vanaf 15 maart tot en met 31 mei 2020 en vanaf 15 oktober 2020 tot op heden voor Rijnmozaïk niet mogelijk geweest om haar restaurant normaal te exploiteren. Partijen konden het ontstaan van dit gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst niet voorzien en hebben dit ook niet in de huurovereenkomst verdisconteerd.

Tegen toepassing van de beperkende werking pleit het volgende.

- Het betalingsgedrag van Rijnmozaïk is vanaf 2017 niet goed geweest. Partijen hebben daarover overleg met elkaar gehad in de afgelopen jaren. [erven] hebben onderbouwd en gemotiveerd naar voren gebracht dat Rijnmozaïk niet een betrouwbare gesprekspartner is geweest. Er werden namelijk a) betalingsbeloftes gedaan die niet of alleen deels werden nagekomen. Er werd b) ondanks dat daarom werd verzocht én dat het ook werd toegezegd door Rijnmozaïk, toch geen openheid van zaken gegeven over de financiële situatie van Rijnmozaïk. Ook bleef het c) voor [erven] onduidelijk wie nu eigenlijk aan het roer staat van Rijnmozaïk, [naam 2] enerzijds of de officiële indirect bestuurder [naam] anderzijds. Illustratief in dat verband is dat Klein-Holte zowel in de stukken als ter zitting verslag heeft gedaan van een gesprek met [naam] op 12 december 2019, waarbij zij aangaf dat het niet goed ging met Rijnmozaïk. [naam] heeft toen aan Klein-Holte verteld dat zij geschrokken was van de financiële situatie van Rijnmozaïk en dat zij er recent achter was gekomen, in verband met het aanvragen van een hypotheek, dat er veel schuldeisers waren. [erven] bleken zelfs maar een ‘kleine schuldeiser’ te zijn volgens [naam]. Zij gaf ook aan bereid te zijn met de verhuurder in gesprek te treden over het op gecontroleerde en verantwoorde wijze beëindigen van de huurrelatie. Dit voornemen werd vervolgens evenwel niet doorgezet. [naam 2] trad na dat gesprek weer naar voren als woordvoerder namens Rijnmozaïk en wilde niet dat de huurovereenkomst zou eindigen. [naam] kwam voor [erven] niet meer in beeld, ondanks hun wens om verder met haar in gesprek te treden. De gemachtigde van Rijnmozaïk heeft zelfs per e-mail van 30 januari 2020 verzocht om een indeplaatsstelling van het huurderschap met de holding van [naam 2]. De weergave door Klein-Holte van dat gesprek op 12 december 2019 met [naam] is onvoldoende bestreden door Rijnmozaïk. [naam] was ter zitting niet aanwezig en [naam 2] heeft alleen gezegd, zonder dat nader te onderbouwen, dat de woorden van [naam] zijn verdraaid. Kortom, [erven] hebben overtuigend naar voren gebracht dat Rijnmozaïk zich niet heeft gedragen als een betrouwbare gesprekspartner.

- Daar komt bij dat Rijnmozaïk haar standpunt over het gestelde omzetverlies door de coronacrisis ook in deze procedure niet voldoende heeft onderbouwd met inzichtelijke, betrouwbare en consistente financiële gegevens. Rijnmozaïk heeft volstaan met het overleggen van winst- en verliesrekeningen over 2019 en 2020 en, vlak voor de zitting nog, ‘jaarcijfers’ van 2019 en 2020. Dit betreffen staatjes met onder meer posten als activa, voorraad, vorderingen, eigen vermogen en schulden, zonder onderliggende stukken. Deze jaarcijfers zijn voor zover bekend niet goedgekeurd en/of gecontroleerd door een accountant. Bij de [erven] riepen deze stukken terecht veel vragen op, zoals over onverklaarbare afschrijvingen op inventaris, verbouwing en een Audi. Ook is niet inzichtelijk in hoeverre uitstel is verkregen van betaling van loonheffing pensioenen en belasting en hoe steun van de overheid een rol speelde in de gepresenteerde cijfers.

- Tenslotte is nog van belang dat de huurovereenkomst al door verhuurder opgezegd was per brief van 27 mei 2019. [erven] waren vanaf dat moment bereid om met Rijnmozaïk te praten over beëindiging van de huurovereenkomst. Desondanks ging Rijnmozaïk door met haar bedrijfsvoering, ook na de eerste sluiting medio maart 2020. Dat was opgezegd tegen 31 mei 2020 maakt dat niet wezenlijk anders. Gezien de hiervoor geschetste gang van zaken, met name ook het gesprek tussen [eiser 4] en [naam] in december 2019, ligt het voor de hand dat [erven] open hadden gestaan voor het eventueel op een eerder moment beëindigen van de huurovereenkomst. In de brief van 20 maart 2020 van de gemachtigde van [erven] staat in dat verband ook: De door u genoemde voorgenomen bespreking kan dan ook beter worden aangewend voor het bespreken van een beëindiging van de huur op korte termijn zonder dat een procedure en verdere kosten nodig zijn. Dat zou van meer realiteitszin getuigen. Dit betekent dat Rijnmozaïk er al vanaf het begin van de coronacrisis medio maart 2020, en in ieder geval vanaf 31 mei 2020, rekening mee kon en moest houden dat de huurovereenkomst zou gaan eindigen.

5.13.

Bovengenoemde factoren afwegende betekent dat ondanks dat de coronamaatregelen Rijnmozaïk extra getroffen zullen hebben, het beroep op de beperkende werking door Rijnmozaïk niet slaagt. Rijnmozaïk had immers geen goede betalingsmoraal, betoonde zich geen betrouwbare gesprekspartner en kon al vanaf 2019 rekening houden met het eindigen van de huurovereenkomst. Dat de huurovereenkomst bepaalt dat geen beroep mag worden gedaan op huurprijsvermindering is dan ook in deze omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De omstandigheden geven evenmin aanleiding tot toepassing van proportionele derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

5.14.

Bovenstaande geldt ook voor wat betreft het beroep door Rijnmozaïk op onvoorziene omstandigheden. Dezelfde factoren spelen immers een rol bij de - eveneens tot terughoudendheid nopende - afweging of er sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij ([erven]) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten (artikel 6:258 BW). Ook op die grond kan Rijnmozaïk zich dus niet met succes beroepen. Zowel het gevorderde in reconventie als in de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

5.15.

De gevorderde huurachterstand wordt dus toegewezen. Nu de huurachterstand tot en met de maand oktober 2020 van € 2.379,04 is gevorderd, zal dit bedrag worden toegewezen. De gevorderde rente, niet de handelsrente nu [erven] daarover onvoldoende hebben gesteld, wordt toegewezen als verzocht. Dit bedrag dient verder te worden vermeerderd met het maandelijkse bedrag van € 3.557,56 vanaf november 2020 tot aan ontruiming.

Overig

5.16.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat [erven] buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht dan wel hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding en afgewezen voor zover die rente vanaf een eerdere datum is gevorderd, omdat niet is gesteld of gebleken dat de eisende partij deze schade (kosten) per een eerdere datum heeft geleden.

5.17.

Uit artikel 233 lid 1 Rv volgt dat een vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit. De [erven] hebben gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Maar in artikel 7:295 lid 1 BW staat dat de huurovereenkomst na opzegging van rechtswege van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een beëindigingsvordering. De rechter kan zijn/haar vonnis alleen dan uitvoerbaar bij voorraad verklaren indien het verweer van de huurder hem/haar kennelijk ongegrond voorkomt. Dat is een strenge maatstaf. Het verweer van Rijnmozaïk is weliswaar niet gegrond, maar niet kennelijk ongegrond in de zin van bij voorbaat kansloos. De beslissing onder 6.1. wordt daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.18.

Rijnmozaïk wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom zowel in conventie als in reconventie de proceskosten dragen. In het incident zal niet een afzonderlijke proceskostenveroordeling worden uitgesproken nu deze samenhangt met de reconventie en het niet aannemelijk is dat de [erven] daarvoor afzonderlijk proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

stelt het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen [erven] en Rijnmozaïk zal zijn geëindigd en het gehuurde moet zijn ontruimd vast op 1 maart 2021;

6.2.

veroordeelt Rijnmozaik om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [erven] te voldoen een bedrag aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2020 van € 2.379,04, vermeerderd met de wettelijke rente over de respectievelijke vervaltermijnen, en vermeerderd met het maandelijkse bedrag van € 3.557,56 vanaf november 2020 tot aan ontruiming te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaltermijnen, tot aan de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt Rijnmozaïk aan [erven] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten van € 356,86, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

6.4.

veroordeelt Rijnmozaïk in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [erven] begroot op € 106,47 aan dagvaardingskosten, € 236,00 aan griffierecht en € 622,00 (2 punten x € 311,00) aan salaris voor de gemachtigde;

6.5.

verklaart de veroordelingen onder 6.2., 6.3. en 6.4. uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in incident

6.7.

wijst het gevorderde af;

in reconventie

6.8.

wijst het gevorderde af;

6.9.

veroordeelt Rijnmozaïk in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [erven] begroot op € 311,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.10.

verklaart de veroordeling onder 6.9. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op