Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:6851

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2021
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5406
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Er is sprake van een nieuw feit, zodat terecht een navorderingsaanslag is opgelegd. Eiser maakt opgevoerde kostenposten voor een deel aannemelijk. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-1-2022
FutD 2022-0192
V-N Vandaag 2022/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 20/5406

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

W.A. Blankenstein, te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak op bezwaar van 14 september 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 (aanslagnummer: [aanslagnummer] ) en de beschikking belastingrente gegrond verklaard. Daarbij is de navorderingsaanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een verzamelinkomen van € 365.748. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 12.900.

Eiser heeft tijdig beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2021. De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van eiser met zaaknummer AWB 20/5405. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.

Overwegingen


De feiten

1. Eiser is werkzaam als financieel adviseur en handelt in wijn. Hij voert deze werkzaamheden uit in een eenmanszaak. Tot 2004 participeerde hij met de eenmanszaak in een maatschap die een accountantspraktijk voerde.

2. Eiser houdt sinds 1992 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] , die 100% van de aandelen houdt [bedrijfsnaam 2] , die sinds 1997 100% van de aandelen houdt in [bedrijfsnaam 3] . Verder heeft eiser van 2014 tot 2017 20% van de aandelen gehouden in [bedrijfsnaam 4] .

3. De eenmanszaak van eiser is in 2011 onder de handelsnaam naam [bedrijfsnaam 5] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). In 2013 heeft eiser de handelsnaam [handelsnaam 1] toegevoegd aan de inschrijving en in 2015 de handelsnaam [handelsnaam 2] .

4. Het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 2] is in 2012 vernietigd door een brand.

5. Verweerder heeft eiser achtereenvolgend uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte voor het jaar 2015. Eiser heeft daar niet op gereageerd. Met dagtekening 15 juni 2017 heeft verweerder ambtshalve aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2015 aan eiser opgelegd naar een verzamelinkomen van € 149.653. Tevens heeft verweerder een verzuimboete opgelegd. Eiser heeft daartegen bij brief van 5 juli 2017 bezwaar gemaakt. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat eiser de gronden van bezwaar kon indienen in de vorm van een aangifte IB/PVV 2015. Eiser heeft op 25 september 2017 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van € 40.747.

6. Vervolgens heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de aangifte.

7. Bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanslagen IB/PVV 2015 en Zvw 2015 ongegrond verklaard en de verzuimboete vernietigd. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder aangekondigd dat hij vanwege de onderzoeksbevindingen navorderingsaanslagen zou opleggen over 2014 en 2015.

8. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 13 december 2018. Bij uitspraak van 19 april 2019 heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet ontvankelijk verklaard omdat eiser de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn had ingediend (zaaknummer AWB 19/658). Eiser heeft geen verzet gedaan tegen deze uitspraak.

9. Met dagtekening 19 januari 2019 heeft verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 435.908. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 14 september 2020 is het bezwaar gegrond verklaard. Bij uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag heeft verweerder het inkomen uit werk en woning verlaagd naar € 365.748. Verweerder is daarbij uitgegaan van de gegevens die eiser in bezwaar had aangeleverd, waarna verweerder de winst, die eiser had aangegeven, op een aantal onderdelen als volgt heeft gecorrigeerd.

Aangegeven in IB-aangifte, inclusief verlies wijnkoperij

€ 48.425

Correctie Delta Lloyd

€ 50.000

Correctie kosten risicoverzekering Delta Lloyd

€ 2.265

Correctie afwikkelkosten Belastingdienst

€ 5.058

Correctie autokosten

€ 13.434

Correctie vordering [bedrijfsnaam 1] jaarlast

€ 40.000

Correctie vordering [bedrijfsnaam 1] foutenleer

€ 140.440

Correctie claim STAK

€ 50.600

Correctie schuld BB [bedrijfsnaam 2] BV foutenleer

€ 41.227

Gecorrigeerde winst

€ 391.449

Af: zelfstandigenaftrek

€ 7.280

=winst na zelfstandigenaftrek

€ 384.169

Af: MKB winstvrijstelling (14%)

€ 53.784

Belastbare winst uit onderneming

€ 330.385

Inkomen uit werk en woning

Belastbare winst uit onderneming

€ 330.385

Bij: correctie [bedrijfsnaam 4] gebruikelijk loon

€ 30.000

Inkomen uit vroegere dienstbetrekking

€ 19.075

Aftrekpost eigen woning

€ -/- 13.712

Inkomen uit werk en woning

€ 365.748

Geschil

10. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of verweerder bevoegd was om tot navordering over te gaan over het jaar 2015. Zo ja, dan is aan de orde of verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot het juiste bedrag heeft opgelegd en of verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Tijdens de zitting heeft verweerder zijn standpunten laten varen dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat daarom de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard.

Bevoegd tot navorderen?

11. Eiser stelt dat geen sprake is van een nieuw feit zodat verweerder niet bevoegd was om na te vorderen over 2015. Verweerder had de aangiftes over eerdere jaren en/of gegevens uit het handelsregister bij de KvK kunnen raadplegen en zo kunnen weten dat eiser twee ondernemingen dreef. Als verweerder dat had gedaan, dan had hij eerder correcties kunnen aanbrengen.

12. Verweerder stelt dat sprake is van een nieuw feit. Tijdens de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2015 heeft eiser desgevraagd informatie verstrekt. Die informatie was niet eerder bij verweerder bekend. Pas toen is gebleken dat eiser naast zijn advieswerkzaamheden handelde in wijn. Bovendien is toen pas informatie ontvangen over de verschillende posten uit de jaarrekening van de eenmanszaak.

13. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat verweerder bevoegd is om na te vorderen, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behalve wanneer de belastingplichtige te kwader trouw is.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd is om over 2015 na te vorderen omdat sprake is van een nieuw feit. Verweerder heeft een ambtshalve aanslag opgelegd nadat eiser had verzuimd om aangifte te doen over 2015. Pas tijdens de bezwaarprocedure tegen de ambtshalve aanslag 2015 is verweerder op de hoogte geraakt van diverse kosten- en balansposten zoals de kosten Delta Loyd, afwikkelkosten Belastingdienst, een vordering op [bedrijfsnaam 1] , een schuld aan [bedrijfsnaam 2] , autokosten en de kosten van een risicoverzekering. Verweerder was ten tijde van de ambtshalve aanslag niet op de hoogte van deze nieuwe informatie, althans had daarvan niet op de hoogte kunnen zijn, aangezien deze posten niet eerder expliciet waren vermeld in enige aangifte of ander document dat in het bezit was van verweerder. Het antwoord op de vraag of verweerder eerder op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat eiser niet één maar twee ondernemingen dreef, kan in het midden blijven, aangezien de diverse posten zijn aan te merken als nieuwe feiten. Verweerder kon niet van deze posten op de hoogte zijn, juist omdat eiser ervoor had gekozen om zowel de winst- en verliesrekeningen als de balansen van de twee ondernemingen bij elkaar te voegen en verdicht weer te geven in aangiftes over eerdere jaren zonder daarbij expliciet te vermelden dat het resultaat en de balans betrekking hadden op twee ondernemingen. Bovendien ontving verweerder pas tijdens de bezwaarprocedure winst- en verliesrekeningen over 2014 en 2015 van eiser, en kon pas toen worden vastgesteld dat deze diverse fouten bevatten.

Zijn de correcties terecht?

15. De rechtbank zal de correcties hierna beoordelen aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

Kosten Delta Lloyd

16. Verweerder heeft ten eerste de voorziening die eiser in 2014 heeft opgenomen met de omschrijving “kosten Delta Lloyd” met toepassing van de foutenleer in 2015 gecorrigeerd met € 50.000. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er grond was voor de vorming van een voorziening.

17. Eiser stelt dat deze kosten verband houden met de uitkoop van zijn medevennoot uit de maatschap in 2004. Zijn eenmanszaak heeft de accountantspraktijk indertijd overgenomen waarbij Delta Lloyd de overname van pensioenverplichtingen en de uitkoop heeft gefinancierd. De financiering is tot stand gekomen door een verruiming van een hypothecaire lening aan [bedrijfsnaam 2] onder mede-aansprakelijkheid van eiser via zijn eenmanszaak. Vanwege de brand van het bedrijfspand in 2012 kon [bedrijfsnaam 2] de lening niet meer aflossen en heeft Delta Lloyd eiser aansprakelijk gesteld. Eiser heeft vanwege de aansprakelijkstelling een voorziening gevormd die eind 2015 € 95.000 bedroeg.

18. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast op eiser rust om aannemelijk te maken dat er grond was voor de vorming van een voorziening. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan alleen een voorziening worden gevormd als - onder meer - op de desbetreffende balansdatum een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de desbetreffende uitgave zich zal voordoen.1

19. De rechtbank stelt op basis van de dossierstukken vast dat Delta Lloyd weliswaar reeds in 2014 heeft gerefereerd aan de hoofdelijke aansprakelijkheid, maar eiser in dat jaar niet expliciet aansprakelijk heeft gesteld. Tot de gedingstukken behoort een e-mailwisseling tussen eiser en Delta Lloyd over een hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser in relatie tot het pand [adres] van [bedrijfsnaam 22] . In de e-mail van 30 juni 2016 aan Delta Loyd stelt eiser dat het afgebrande bedrijfspand op 24 oktober 2016 is verkocht en geleverd en dat de overeengekomen som aan Delta Loyd kan worden voldaan. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op de balansdatum 31 december 2014 een redelijke mate van zekerheid bestond dat Delta Lloyd jegens hem de aansprakelijkheid voor de schuld van [bedrijfsnaam 2] zou inroepen. Gelet hierop, mocht eiser in 2014 geen voorziening vormen.

20. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien de rechtbank oordeelt dat ten onrechte een voorziening is gevormd, sprake is van een fout in de zin van de foutenleer en dat deze in 2015 met toepassing van de foutenleer dient te worden gecorrigeerd. Verweerder heeft de winst op dit onderdeel dan ook terecht - met toepassing van de foutenleer - gecorrigeerd.

Kosten risicoverzekering

21. Verweerder heeft verder de opgevoerde premiekosten voor een risicoverzekering van € 2.265 gecorrigeerd, omdat eiser volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten aan de onderneming van eiser moeten worden toegerekend.

22. Eiser stelt dat de kosten voor de risicoverzekering te maken hebben met een risicoverzekering die eiser bij de herfinanciering door Delta Lloyd moest afsluiten. De verzekeringskosten zijn zakelijk en dus aftrekbaar. Eiser stelt dat hij zijn standpunt niet kan onderbouwen, aangezien veel bewijsmateriaal verloren is gegaan bij de brand. Eiser verkeert in bewijsnood, hetgeen hem niet mag worden tegengeworpen.

23. De rechtbank overweegt dat de bewijslast op eiser rust om aannemelijk te maken dat de kosten voor de risicoverzekering aan zijn onderneming moeten worden toegerekend. Dat het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 2] in 2012 door brand is vernietigd, maakt niet dat de bewijslast verschuift aangezien de gevolgen daarvan in beginsel voor rekening en risico van eiser komen. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij de onderbouwing niet van derden kan verkrijgen, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in daadwerkelijk in bewijsnood verkeert.

24. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Eiser heeft geen stukken overgelegd die onderbouwen dat de risicoverzekering was afgesloten voor zijn eenmanszaak. Dat [bedrijfsnaam 2] in 2010 premie heeft betaald voor een risicoverzekering, betekent niet dat het een zakelijke schuld was van eiser. Daar komt bij dat het in de geschetste situatie ongebruikelijk is om een zakelijke risicoverzekering af te sluiten. Om te vermijden dat de uitkeringen tot de winstsfeer worden gerekend, wordt een dergelijke verzekering in de regel in privé afgesloten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders lag.

25. Verweerder heeft de winst op dit onderdeel dan ook terecht gecorrigeerd.

Afwikkelkosten Belastingdienst

26. Verweerder heeft verder de opgevoerde afwikkelkosten van de Belastingdienst voor een bedrag van € 5.058 gecorrigeerd. Verweerder heeft verwezen naar een overzicht van de Ontvanger waarop diverse kosten zoals boeten, invorderingskosten, belastingrenten en invorderingsrenten voor 2015 zijn vermeld. Verweerder heeft van het totaalbedrag van € 5.221 een bedrag van € 73 en € 7 aan invorderingskosten van zakelijke belastingen in aftrek toegestaan. De overige kosten zien op de kosten voor privébelastingen (IB/PVV en Zvw) en boeten en zijn van aftrek uitgesloten.

27. Eiser stelt dat uit eerdere belastingaangiftes volgt dat eiser in 2010 met de Belastingdienst een betalingsregeling heeft getroffen. Uit hoofde daarvan heeft eiser voor een bedrag van € 5.138 aan kosten betaald dat in aftrek moet worden toegelaten.

28. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aftrekbare afwikkelkosten hoger zijn dan € 80 die verweerder in aftrek heeft toegestaan. Eiser heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat hij niets heeft aan te merken op het overzicht, maar dat hij niet kon zien of de aansluiting met andere jaren klopte. Daarmee heeft eiser niet voldaan zijn bewijslast.

29. Verweerder heeft de winst dan ook terecht op dit onderdeel gecorrigeerd.

Autokosten

30. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de winst die eiser voor 2015 had aangegeven gecorrigeerd op het onderdeel van de autokosten. Eiser heeft met een privévoertuig zakelijke ritten gemaakt voor zijn adviespraktijk en voor zijn wijnbedrijf. Verweerder heeft de kosten gecorrigeerd, omdat eiser geen administratie heeft bijgehouden van zijn ritten en omdat eiser met een te hoge kostprijs van € 0,33 per kilometer heeft gerekend. Verweerder heeft € 3.800 in aftrek toegestaan. Daarbij heeft verweerder het zakelijk vervoer geschat op 20.000 kilometer (10.000 km voor de adviespraktijk en 10.000 km voor het wijnbedrijf) en de kosten berekend op basis van een kilometerprijs van € 0,19 per kilometer.

31. Volgens eiser is hij met zijn Chevrolet diverse keren voor een opdrachtgever naar Zuid-Limburg gereden. Verweerder heeft het aantal zakelijk gereden kilometers vastgesteld op 10.000, maar hij heeft die afstand in het geheel niet onderbouwd. Verder moet een tarief van € 0,33 per zakelijke kilometer worden gehanteerd, omdat dat – in plaats van € 0,19 – redelijk is voor deze auto, omdat hij voor de luxe auto bovengemiddelde kosten heeft.

32. De rechtbank is van oordeel dat eiser, in het licht van de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de auto voor meer dan 20.000 kilometer zakelijk heeft gebruikt in 2015. Het lag op de weg van eiser om een gespecificeerde administratie over te leggen met een overzicht van de zakelijke ritten, maar dat heeft eiser nagelaten. Het overzicht dat eiser heeft overgelegd kan niet als onderbouwing dienen, omdat daarop alleen totaalstanden van de kilometerteller van de auto zijn vermeld. Eiser heeft evenmin onderbouwd dat hij in 2015 niet meer dan 2.000 kilometer privé heeft gereden met de auto, zoals hij heeft gesteld.

33. Verweerder heeft de autokosten verder terecht gecorrigeerd naar een kilometerprijs van € 0,19 op basis van de wet, die op dit punt geen ruimte biedt voor afwijking.

34. Verweerder heeft de winst dan ook terecht op dit onderdeel gecorrigeerd.

Vordering op [bedrijfsnaam 1]

35. Volgens verweerder heeft eiser ten onrechte een lening van de eenmanszaak aan [bedrijfsnaam 1] op de balans opgenomen. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zakelijke lening. Verweerder heeft de lening (inclusief de bijschrijvingen van rentelasten) gecorrigeerd met toepassing van de foutenleer. Bovendien heeft verweerder de afwaardering van de lening in 2015 met € 40.000 niet toegestaan en gecorrigeerd.

36. Volgens eiser heeft de maatschap vóór 1994 gelden verstrekt aan [bedrijfsnaam 1] , die de verstrekte gelden vervolgens heeft gebruikt voor overnames van portefeuilles die via [bedrijfsnaam 2] werden gefinancierd. De overgenomen portefeuilles leidden tot controleopdrachten uit de overgenomen praktijken die werden geïntegreerd in de praktijk van de maatschap waaraan eiser voorheen deelnam. Eiser stelt dat hij voldoende stukken heeft overgelegd om de vordering op [bedrijfsnaam 1] aannemelijk te maken. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij al in diverse jaren de uit de verstrekte lening ontvangen rentebaten heeft aangegeven in zijn aangiften IB/PVV zodat hij inkomstenbelasting heeft betaald over de rentebaten. Verweerder heeft daarmee ten onrechte geen rekening gehouden.

37. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat en waarom de eenmanszaak gelden heeft geleend aan [bedrijfsnaam 1] . Eisers uiteenzetting strookt ook niet met zijn stelling dat er sprake is van een lening, omdat daaruit eerder het beeld naar voren komt dat sprake is van een prestatie voor ontvangen goodwill. Ook overigens heeft eiser geen verklaring gegeven voor deze balanspost.

38. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in enig jaar inkomstenbelasting heeft betaald over rentebaten van [bedrijfsnaam 1] . Verweerder heeft de aangiften 2008, 2009 en 2010 overgelegd en daarin zijn geen rentebaten in opgenomen. Voor zover eiser stelt dat de rentebaten in de aangiften zijn gesaldeerd met rentelasten, heeft hij ook dat niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft hierover tegenstrijdige gegevens overgelegd.

39. Verweerder heeft de post dan ook terecht gecorrigeerd met toepassing van de foutenleer tot een bedrag van € 140.440. Verder heeft verweerder terecht de afwaardering van € 40.000 teruggenomen.

Claim STAK

40. Volgens verweerder heeft eiser ten onrechte een voorziening gevormd van € 50.600 voor een claim van een van zijn cliënten, de Stichting Administratiekantoor van [bedrijfsnaam 6] (hierna: STAK). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met een redelijke mate van zekerheid aansprakelijk zou worden gesteld door de STAK.

41. Eiser stelt dat uit de brief van de advocaat van de certificaathouders van de STAK kan worden afgeleid dat een omvangrijke schadeclaim zal volgen. Dat levert voldoende grond op voor het vormen van een voorziening van € 50.600 voor de aansprakelijkstelling.

42. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de balansdatum, 31 december 2015, een redelijke mate van zekerheid bestond dat van eiser schadevergoeding zou worden geëist. Uit de brief van 7 augustus 2015 van de advocaat van de STAK blijkt niet dat eiser aansprakelijk was gesteld of dat dat met een redelijke mate van zekerheid zou gebeuren. In de brief wordt slechts onvrede geuit over hoe eiser zijn werkzaamheden had uitgevoerd.

43. Verweerder heeft de vorming van de voorziening dan ook terecht geweigerd.

Schuld aan [bedrijfsnaam 2]

44. Volgens verweerder heeft eiser verder een schuld aan [bedrijfsnaam 2] op de balans opgenomen, terwijl eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het een zakelijke schuld is. Verweerder heeft de winst dan ook – met toepassing van de foutenleer – gecorrigeerd met het totaal aan rentelasten van € 41.227 dat eiser gedurende de looptijd van de lening in aanmerking heeft genomen.

45. Eiser stelt dat Delta Lloyd bij de uitkoop van zijn vroegere medevennoot in 2004 alleen bereid was tot financiering als ook de achterstallige pensioenpremies van de werknemers zouden worden betaald. [bedrijfsnaam 2] heeft dat gedaan, zodat de eenmanszaak een schuld heeft aan [bedrijfsnaam 2] .

46. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de hypotheekakte en een e-mailbericht van Delta Lloyd van 3 maart 2020 aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijfsnaam 2] van Delta Lloyd een hypothecaire lening heeft verkregen en dat met deze lening (deels) achterstallige pensioenpremies zijn voldaan. De lening had dan ook aanvankelijk (2004) een zakelijk karakter. Weliswaar hebben in latere jaren diverse mutaties met een onduidelijk karakter plaatsgevonden op de schuld, maar verweerder heeft niet onderbouwd dat en wanneer de schuld de ondernemingssfeer heeft verlaten.

47. Het voorgaande betekent dat verweerder de winst op dit onderdeel ten onrechte heeft gecorrigeerd. Het beroep is in zoverre gegrond.

Gebruikelijk loon

48. Verweerder heeft voor de vaststelling van het inkomen uit werk en woning de belastbare winst verhoogd met gebruikelijk loon van € 30.000 op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964. Volgens verweerder heeft eiser ten onrechte in het geheel geen gebruikelijk loon in aanmerking genomen voor de werkzaamheden die eiser voor de vier vennootschappen heeft verricht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een correctie met € 30.000 redelijk is gelet op het feit dat eiser een aanmerkelijk belang had in vier vennootschappen.

49. Eiser stelt dat hij maximaal 10 uren aan werkzaamheden heeft uitgevoerd voor drie van de vier vennootschappen. Dat komt neer op een vergoeding van € 4.250, hetgeen onder de wettelijke grens is van € 5.000. Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat in de vennootschappen geen ondernemingen zijn ingebracht, zodat de werkzaamheden uitsluitend bestaan uit het opstellen van de jaarstukken en het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting. Van [bedrijfsnaam 4] hield eiser slechts 20% van de aandelen, zodat verweerder voor deze vennootschap slechts een deel van het gebruikelijk loon in aanmerking kan nemen. Volgens eiser is het redelijk om voor deze vennootschap € 2.000 aan gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.

50. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat eiser weinig werkzaamheden voor de vennootschappen heeft verricht. Dat volgt impliciet ook uit het feit dat verweerder een gebruikelijk loon van in totaal (slechts) € 30.000 in aanmerking heeft genomen. Dat is ver beneden het wettelijke gebruikelijke loon per vennootschap. Daarnaast heeft verweerder de door eiser aangegeven 10 uren onvoldoende onderbouwd weersproken. Dan acht de rechtbank een loon van € 30.000, zoals verweerder stelt, in dit geval niet aannemelijk. Dat zou immers neerkomen op een uurloon van € 3.000 en een loon van die hoogte kan niet uit de gedingstukken worden afgeleid. De rechtbank kan uit de gedingstukken wel een uurloon van € 425 afleiden. Eiser heeft dit bedrag immers onderbouwd met het uurtarief dat hij voor zijn advieswerkzaamheden in rekening brengt en de rechtbank komt dat bedrag niet onaannemelijk voor. Volgens de rechtbank kan het gebruikelijk loon op € 6.250 gesteld worden (€ 2.000 Green Motions BV en € 4.250 voor de overige drie vennootschappen). De beroepsgrond slaagt.

Het vertrouwensbeginsel

51. Eiser stelt dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door jarenlang de aangiftes van eiser te volgen zonder vragen te stellen om vervolgens na te vorderen over de jaren 2014 en 2015. Verder vermeldt de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2015 als grondslag voor de navordering alleen het resultaat uit de wijnkoperij. Vervolgens vermeldt de aankondiging van de navorderingsaanslagen daarnaast ook nog schulden en vorderingen als grondslag voor de navordering. Verder heeft verweerder ten aanzien van de Chevrolet niet eerder in de procedure aan eiser te kennen gegeven dat de kilometeradministratie van eiser niet voldoende was. Daarnaast is de lening van de eenmanszaak aan [bedrijfsnaam 1] in de procedure over het jaar 2013 uitdrukkelijk ter sprake geweest. Toen heeft verweerder de vordering op [bedrijfsnaam 1] niet gecorrigeerd.

52. Verweerder stelt dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Geen van de posten die de grondslag vormen voor de navordering zijn in eerdere jaren uitdrukkelijk besproken. Het enkele feit dat verweerder de aangifte jarenlang heeft gevolgd, kan op zichtzelf genomen geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken. Daarnaast is de lening van de eenmanszaak aan [bedrijfsnaam 1] in de procedure niet eerder uitdrukkelijk ter sprake geweest.

53. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat zich door toedoen van verweerder omstandigheden voordoen die in onderlinge samenhang beschouwd bij eiser de indruk hebben kunnen wekken dat een door verweerder gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling.2 Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Met name heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat één of meer punten die tot de navordering over het jaar 2015 hebben geleid in een eerder jaar uitdrukkelijk ter sprake zijn gekomen en tot een specifiek doen of nalaten van verweerder hebben geleid. De enkele stelling van eiser dat daarvan sprake is, is onvoldoende, omdat verweerder die stelling heeft betwist. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en proceskostenvergoeding

54. Gelet op de overwegingen in de onderdelen 47 tot en met 50 van deze uitspraak, is het beroep gegrond. De uitspraak op bezwaar zal dan ook vernietigd worden. De navorderingsaanslag IB/PVV 2015 zal worden verminderd tot een bedrag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 276.543. De beschikking belastingrente over het jaar 2015 moet dienovereenkomstig worden verminderd.

55. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet is gebleken dat dergelijke kosten zijn gemaakt. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de aanslag IB/PVV 2015 en de daarop betrekking hebbende beschikking belastingrente betreft;

  • -

    stelt de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 vast op een bedrag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 276.543;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door, mr. B.J. Zippelius voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C.H. Graves, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Hoge Raad 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555.

2 Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.