Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:5397

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
15-10-2021
Zaaknummer
C/05/383724 / HZ ZA 21-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgplicht bank, vraag of sprake is geweest van overkreditering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/383724 / HZ ZA 21-59

Vonnis van 13 oktober 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.W. Hoentjen te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.K.J. van der Wal te Rosmalen.

Partijen zullen hierna [gezamenlijke eisers] (eisers gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud) en ABN AMRO genoemd worden. Eisers zullen afzonderlijk van elkaar [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 mei 2021

  • -

    de akte overlegging producties van [gezamenlijke eisers]

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 september 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gezamenlijke eisers] heeft in maart 2007 een woning op het [adres] (hierna: de woning) gekocht.

2.2.

In verband met de aankoop van de woning is [gezamenlijke eisers] een hypothecaire geldlening van € 1.450.000,00 met een rente van 4,2% per jaar aangegaan met ABN AMRO (hierna: de hypothecaire lening).

Huis & Hypotheek Harderwijk is bij de aanvraag als intermediair/ hypotheekadviseur voor [gezamenlijke eisers] opgetreden. In het aanvraagformulier van Huis & Hypotheek Harderwijk van 6 december 2006 staat bij de werksituatie van [eiser 2] genoteerd ‘Directeur Groot Aandeelhouder’, ‘Geen beroep’ en bij duur van het vaste inkomen staat ‘999’ (de code voor blijvend). Bij [eiser 1] is ingevuld ‘loondienst fulltime vast’, ‘Geen beroep’ en ‘999’.

2.3.

In het ABN AMRO-formulier Analyse / fiat: Woninghypotheken tegen zakelijk verdiend inkomen van 20 december 2006, waarin ABN AMRO positief heeft geadviseerd op de hypotheekaanvraag van [gezamenlijke eisers] is bij de conclusie onder meer het volgende opgenomen:

“Een mooie post gezien de hoogte van de gevraagde hypotheek. Kijkend naar de beide inkomens is de post ook goed haalbaar. (…)

Benodigd is in ieder geval een inkomen van € 245.000 voor de man. Om dit te halen moeten we heel erg afgaan op het inkomen van 2006 en niet op een gemiddelde. Gevraagde financiering blijft net onder de 100% van de executiewaarde. Wat dat betreft verklein je het risico iets. Het inkomen in de afgelopen jaren heeft lager gelegen omdat meneer rustig aan heeft gedaan. Vanaf 2003 heeft hij ongeveer 2 dagen per week gewerkt. Hij heeft dus een soort sabatical gehouden. Daarvoor heeft hij in loondienst gewerkt als directeur bij grote bedrijven.

(…)”

2.4.

Bij offerte van 3 januari 2007, die [gezamenlijke eisers] op 15 januari 2007 heeft ondertekend, heeft ABN AMRO onder verwijzing naar een gesprek met Huis en Hypotheek Harderwijk [gezamenlijke eisers] een financiering aangeboden met als bijlage een illustratieve aflossingstabel waarin de maandlasten van de hypothecaire leningen zijn weergegeven. Deze offerte heeft [gezamenlijke eisers] door ondertekening op 15 januari 2007 geaccepteerd.

2.5.

Eveneens op 15 januari 2007 heeft [gezamenlijke eisers] een ABN AMRO-formulier “aanvraag woninghypotheek” ondertekend. Bij inkomensgegevens is daarop bij van [eiser 2] als werkgever “Gaia” vermeld met een bruto salaris van € 300.000,00 en bij [eiser 1] een bruto salaris van € 30.000,00. Op het formulier is aan het eind – vóór de ondertekening – bepaald:

“Ondergetekenden verklaren, dat de verstrekte gegevens naar waarheid zijn ingevuld (…)”

2.6.

Bij de hypotheekaanvraag heeft [gezamenlijke eisers] een overeenkomst van opdracht verstrekt tussen Import Blumex Export B.V (hierna: Blumex). en Gaia Holding B.V. (hierna: Gaia), de besloten vennootschap waarvan [eiser 1] enig bestuurder en aandeelhouder is. In artikel 4.1 van die overeenkomst is opgenomen dat Gaia als honorering voor de daadwerkelijk door Gaia uitgevoerde – op grond van artikel 1.2 feitelijk door [eiser 2] te verrichten – werkzaamheden uit hoofde van deze overeenkomst een managementfee zal ontvangen van € 1.500,00 per gewerkte dag exclusief reiskosten en exclusief btw met een maximum van € 300.000,00 per jaar.

2.7.

Op 13 april 2007 is de hypotheekakte gepasseerd door de notaris.

2.8.

Eind 2007 is de hypothecaire lening van € 1.450.000,00 verhoogd met € 250.000,00 in verband met de aflossing door [gezamenlijke eisers] van een aan haar verstrekt overbruggingskrediet. Dit resulteerde in een totale hypothecaire lening van [gezamenlijke eisers] bij ABN AMRO van € 1.700.000,00.

2.9.

Ten tijde van het aangaan van de hypothecaire lening had [gezamenlijke eisers] nog een hypotheekschuld aan de Rabobank van € 950.000,00 voor haar oude woning in [voormalige woonplaats] . Deze schuld bij de Rabobank is afgelost met de verkoopopbrengst van die woning. Daarnaast had [eiser 2] ten tijde van het aangaan van de hypothecaire lening nog een hypothecaire schuld van € 68.067,00 bij de Rabobank.

2.10.

In augustus 2018 is er een achterstand opgetreden in de betaling door [gezamenlijke eisers] aan ABN AMRO van de maandelijkse lasten van de hypothecaire lening.

2.11.

Op 2 mei 2019 heeft de Belastingdienst vanwege een belastingschuld van [eiser 1] executoriaal beslag gelegd op de woning.

2.12.

Het beslag is overbetekend aan ABN AMRO. Bij brief van 21 mei 2019 heeft ABN AMRO de ontvangst van het beslagexploot in verband met het executoriaal beslag op de woning van [gezamenlijke eisers] bevestigd aan de Belastingdienst en meegedeeld dat zij de executie als eerste hypotheekhouder zal overnemen.

2.13.

Bij brief van 21 mei 2019 heeft Intrum, de incassogemachtigde van ABN AMRO [gezamenlijke eisers] op de hoogte gesteld van de betalingsachterstand van € 29.992,20 die [gezamenlijke eisers] dan bij ABN AMRO heeft en van het door de Belastingdienst gelegde executoriale beslag. [gezamenlijke eisers] is medegedeeld dat als een regeling met de Belastingdienst uitblijft, ABN AMRO zich genoodzaakt ziet om tot algehele opeising van de vordering over te gaan. Ten slotte heeft ABN AMRO erop gewezen dat een beslaglegger tot openbare verkoop kan overgaan.

2.14.

Na overname van de executie door ABN AMRO heeft [gezamenlijke eisers] , ter voorkoming van openbare verkoop van de woning, op 16 september 2019 een volmacht aan ABN AMRO verleend tot onderhandse verkoop.

2.15.

Bij brief van 14 december 2020 heeft de advocaat van [gezamenlijke eisers] ABN AMRO gesommeerd schriftelijk te bevestigen dat zij aansprakelijkheid jegens [gezamenlijke eisers] erkent en de (nog te begroten) schade van [gezamenlijke eisers] als gevolg van onrechtmatige overkreditering zal vergoeden en de onderhandse verkoop van de woning zal staken.

2.16.

Begin 2021 heeft [gezamenlijke eisers] een kort geding aanhangig gemaakt tegen ABN AMRO waarin zij vordert (samengevat) ABN AMRO te verbieden gebruik te maken van de volmacht tot onderhandse verkoop van de woning en te gebieden om (onder meer) met [gezamenlijke eisers] in gesprek te gaan over oplossingen voor de ontstane situatie en informatie aan haar te verschaffen over taxatie van de woning en biedingen.

Bij vonnis van 9 maart 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de vorderingen van [gezamenlijke eisers] afgewezen. In het vonnis is onder meer overwogen dat het door [gezamenlijke eisers] gestelde onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de voorgenomen onderhandse verkoop van de woning door ABN AMRO in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel misbruik van bevoegdheid oplevert.

2.17.

Medio juni 2021 is de woning verkocht, waarna [gezamenlijke eisers] eind juli 2021 de woning heeft verlaten. Verkoop van de woning heeft in een restschuld van [gezamenlijke eisers] aan ABN AMRO geresulteerd.

3 Het geschil

3.1.

[gezamenlijke eisers] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat ABN AMRO in het kader van de verstrekking van de hypothecaire lening is tekortgeschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gezamenlijke eisers] ;

2. ABN AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [gezamenlijke eisers] geleden en nog te lijden schade zoals in de dagvaarding onder punt 29 bedoeld – schade als gevolg van overkreditering, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente –, nader op te maken bij staat;

3. ABN AMRO te veroordelen in de kosten van het beding, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten.

3.2.

[gezamenlijke eisers] legt samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat bij de verstrekking van de hypothecaire lening door ABN AMRO sprake is geweest van overkreditering en dat ABN AMRO aldus in strijd met het wettelijk overkrediteringsverbod heeft gehandeld. Daarnaast heeft ABN AMRO haar zorgplicht als bank volgens [gezamenlijke eisers] geschonden.

3.3.

ABN AMRO voert ten verwere aan dat [gezamenlijke eisers] bij de aanvraag van de hypothecaire lening heeft opgegeven dat het gezamenlijke jaarsalaris € 330.000,00 bedroeg en dat sprake was van een fulltime vast (loon)dienstverband. Op basis van die gegevens was geen sprake van overkreditering. ABN AMRO betwist daarnaast dat overkreditering of schending van de zorgplicht de oorzaak is geweest van de financiële problemen van [gezamenlijke eisers] Die zijn veroorzaakt door het (volledig) verlies van werk. Omdat er geen causaal verband is tussen de beweerdelijke normschending en de gestelde schade is ABN AMRO daarvoor niet aansprakelijk. ABN AMRO concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gezamenlijke eisers] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gezamenlijke eisers] stelt zich allereerst op het standpunt dat ABN AMRO op grond van artikel 4:34 lid 2 Wft niet tot het verstrekken van de geldlening had mogen overgaan. ABN AMRO betwist dat de verstrekking van de hypothecaire lening in strijd is met de (destijds) geldende normen, waaronder artikel 4:34 Wft.

4.2.

Zoals in het kortgedingvonnis van 9 maart 2021 ook is overwogen, is het een kredietverstrekker op grond van artikel 4:34 lid 2 Wft verboden om een kredietovereenkomst met een consument aan te gaan indien dat met het oog op het voorkomen van overkreditering onverantwoord is. De destijds geldende Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) bevat in artikel 6 een formule aan de hand waarvan de maximale leencapaciteit van de consument kan worden vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat deze regelgeving van toepassing is. Zij verschillen echter van inzicht over welke gegevens destijds als uitgangpunt dienden te worden genomen bij de beoordeling van de kredietaanvraag door [gezamenlijke eisers]

4.3.

[gezamenlijke eisers] stelt dat ABN AMRO haar nooit een financiering had mogen verlenen van € 1.450.000,00. ABN AMRO had volgens [gezamenlijke eisers] bij de beoordeling van de hypotheekaanvraag moeten uitgaan van een gezamenlijk bruto jaarinkomen van € 73.412,33, zijnde het gemiddelde inkomen over de jaren 2003 tot en met 2005, zoals blijkt uit de IB-aangiften over die jaren. Op grond van de GHF had ABN AMRO [gezamenlijke eisers] een hypotheeklening kunnen verstrekken waarbij zij een woonlastpercentage van maximaal 35,2% van dat inkomen aan rente en aflossing mocht besteden, ofwel € 25.841,14 per jaar, terwijl alleen de rente van de door ABN AMRO verstrekte lening al € 60.900 per jaar bedroeg, met de aanvullende financiering erbij zelfs € 72.900 per jaar. Daarbij moesten ook de hypotheeklasten aan de Rabobank in verband met de vorige woning nog worden opgeteld, aldus [gezamenlijke eisers]

4.4.

ABN AMRO stelt bij de beoordeling van de hypotheekaanvraag te zijn uitgegaan van een gezamenlijk bruto jaarloon van € 330.000,00. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de opgave door [gezamenlijke eisers] zelf én de hypotheekadviseur van [gezamenlijke eisers] die dat inkomen op de aanvraagformulieren hebben opgegeven.

4.5.

De rechtbank stelt allereerst vast dat bij de hypotheekverlening door ABN AMRO op basis van de bij de aanvraag door [gezamenlijke eisers] overgelegde gegevens geen sprake was van overkreditering. Een bruto jaarinkomen van € 330.000,00 en een lening van in totaal € 1.700.000,00, waarvan de rente € 72.900,00 per jaar bedraagt, resulteert in een woonlastpercentage van 22,1% en ligt dus beduidend lager dan het maximaal toegestane woonlastpercentage volgens de financieringstabel (productie 22 van [gezamenlijke eisers] ). Ook als bij die jaarlijks verschuldigde rente de verzekeringspremies in het kader van de hypothecaire lening worden opgeteld (in totaal € 755,62 per jaar, producties 23 en 24 van [gezamenlijke eisers] ) blijft het woonlastpercentage met 24,6% onder het maximaal toegestane percentage. De rechtbank deelt het standpunt van ABN AMRO dat daarbij niet hoeft te worden gerekend met lasten van de hypotheekschuld op de vorige woning van [gezamenlijke eisers] omdat die woning werd verkocht en het een pand met overwaarde betrof.

4.6.

[gezamenlijke eisers] stelt dat ABN AMRO van onjuiste gegevens is uitgegaan bij de beoordeling van de hypotheekaanvraag. ABN AMRO had op grond van haar zorgplicht zelfstandig de door [gezamenlijke eisers] en de door Huis & Hypotheek overgelegde gegevens moeten onderzoeken. Doordat ABN AMRO dat niet heeft gedaan en [gezamenlijke eisers] bovendien niet heeft gewaarschuwd en/of voldoende inlichtingen heeft gegeven, heeft ABN AMRO haar zorgplicht geschonden en onrechtmatig gehandeld, aldus [gezamenlijke eisers]

ABN AMRO betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden.

4.7.

Uitgangspunt is dat banken een bijzondere zorgplicht hebben jegens hun cliënten, op grond waarvan zij rekening dienen te houden met hun belangen. De zorgplicht van banken jegens consumenten strekt tot bescherming tegen onverantwoorde financiële risico’s en tegen gevaar van eigen lichtvaardigheid en gebrek aan inzicht. De zorgplicht vloeit voort uit de maatschappelijke positie van banken in samenhang met hun professionele deskundigheid. De omvang van de zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536). Van belang zijn bijvoorbeeld de aard van de betrokken rechtsverhouding, het bijzondere risico van het desbetreffende financiële product, de eventuele deskundigheid en relevante ervaring van de particuliere cliënt en diens inkomens- en vermogenspositie. Dit maakt dat de kredietgever bij het aangaan van de kredietovereenkomst voldoende informatie moet inwinnen over de (financiële) situatie van de consument. Op basis van de ingewonnen informatie zal moeten worden beoordeeld of het verantwoord is het krediet te verstrekken. Daarnaast moet de kredietgever voldoende informatie verstrekken, zodat de consument in staat is te beoordelen wat het krediet inhoudt en wat de bijbehorende risico’s zijn. Een kredietverstrekker heeft derhalve een zelfstandige verplichting om, voordat zij tot verstrekking van een hypothecaire geldlening overgaat, te onderzoeken of een consument de financiële lasten verbonden aan de hypothecaire geldlening kan dragen, zodat overkreditering kan worden voorkomen.

Tegenover de zorgplicht van de bank staat dat de consument een eigen verantwoordelijkheid heeft. Van de consument mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de – aan de hand van aangeboden informatie – kenmerken en risico’s van de lening (Kamerstukken II 2005/06, 29 708, p. 321).

4.8.

Zoals in 4.5 is overwogen, is ABN AMRO bij de beoordeling van de hypotheekaanvraag uitgegaan van de inkomensgegevens zoals die waren opgegeven in het aanvraagformulier. Voor de vraag of ABN AMRO, gelet op haar zorgplicht, van die gegevens heeft mogen uitgaan bij de beoordeling van de hypotheekaanvraag acht de rechtbank van belang dat die gegevens door zowel [gezamenlijke eisers] zelf, als door haar professioneel adviseur (Huis&Hypotheek) waren opgegeven. Dat [gezamenlijke eisers] – zoals zij ter zitting heeft gesteld – het aanvraagformulier niet zelf had ingevuld maar slechts “had getekend bij het kruisje” doet daar niet aan af gelet op haar eigen verantwoordelijkheid. ABN AMRO betwist bovendien dat zij geen onderzoek heeft gedaan naar het inkomen van [gezamenlijke eisers] Wat ABN AMRO precies heeft onderzocht is, mede door de sindsdien verstreken tijd, niet komen vast te staan. Uit de overgelegde stukken (productie 8 van ABN AMRO en productie 30 van [gezamenlijke eisers] ) blijkt wel dat de overeenkomst van opdracht tussen Gaia en Blumex deel uitmaakte van het dossier van ABN AMRO, evenals jaarstukken van Gaia over de jaren 2003-2006, dat ABN AMRO had geconcludeerd dat voor de gevraagde financiering een inkomen van € 245.000,00 van [eiser 2] nodig was en dat afgaande op het inkomen van 2006 (en niet op een gemiddelde) de financiering net onder de 100% van de executiewaarde bleef. Bij de positieve advisering op de aanvraag heeft ABN AMRO betrokken dat het inkomen in de jaren ervoor lager was omdat [eiser 2] in die tijd minder werkte (“een soort sabatical had gehouden”) en dat hij daarvoor steeds in loondienst had gewerkt als directeur bij grote bedrijven (productie 8 van ABN AMRO). Daaruit blijkt dat ABN AMRO de aanvraag niet alleen op basis van de opgegeven inkomensgegevens heeft beoordeeld, maar daarnaast de inkomenssituatie nader heeft onderzocht. [gezamenlijke eisers] wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat ABN AMRO geen onderzoek heeft gedaan.

4.9.

De op een kredietverstrekker rustende bijzondere zorgplicht strekt ter voorkoming van overkreditering. Het onderzoek dat de bank moet verrichten naar de inkomens- en vermogenspositie van de consument is geen zelfstandige verplichting maar een middel om eventuele overkreditering te kunnen vaststellen. Een kredietverstrekking is slechts dan onrechtmatig als de consument naar destijds geldende normen daadwerkelijk is overgekrediteerd (ECLI:NL:HR:2017:1107). Met andere woorden, van een onrechtmatige daad is pas sprake wanneer komt vast te staan dat ABN AMRO op grond van het door haar te verrichten onderzoek had moeten constateren dat [gezamenlijke eisers] de financiële lasten verbonden aan de beoogde hypothecaire lening niet kon dragen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat van overkreditering ten tijde van het aangaan van de hypothecaire lening geen sprake was.

4.10.

De financiering was bovendien betaalbaar uit inkomen voor [gezamenlijke eisers] heeft weliswaar gesteld dat zij certificaten heeft verkocht om aan de betalingsverplichtingen jegens ABN AMRO te kunnen blijven voldoen, maar ter zitting is door [gezamenlijke eisers] ook verklaard dat [eiser 2] na het einde van de overeenkomst van opdracht tussen Gaia en Blumex begin 2008 andere klussen heeft gedaan in dienst van Gaia tot 2012. Daarna heeft [eiser 2] van 2012 tot 2018 als zzp-er werkzaamheden verricht. [eiser 1] heeft na het faillissement van Blumex steeds een dienstverband gehad, eerst van één dag per week, later van 20 uur per week. Niet in geschil is dat [gezamenlijke eisers] gedurende 11 jaar de betalingsverplichtingen jegens ABN AMRO tot 2018 steeds heeft voldaan. Tot 2018 heeft [gezamenlijke eisers] geen contact met ABN AMRO opgenomen in verband met de hoge hypotheeklasten, ervan uitgaande dat zij het wel zou redden. Dat gebeurde pas in augustus 2018, toen een achterstand in de betalingen aan ABN AMRO was ontstaan.

Aldus is niet komen vast te staan dat [gezamenlijke eisers] redelijkerwijs op grond van de relevante (financiële) factoren de financiële lasten van de hypothecaire lening niet zou hebben kunnen dragen. De betalingsproblemen zijn eerst in 2018 gekomen en zijn niet zozeer gelegen in een eventuele zorgplichtschending door ABN AMRO in 2007 maar in het (volledig) verlies van werk. Die omstandigheid bevindt zich niet in de risicosfeer van ABN AMRO.

4.11.

Een andere schending van de zorgplicht die leidt tot een zelfstandige onrechtmatige daad door ABN AMRO jegens [gezamenlijke eisers] is gesteld noch gebleken.

4.12.

[gezamenlijke eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.753,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 1.753,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021.

jo/kh