Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:5292

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-09-2021
Datum publicatie
14-10-2021
Zaaknummer
9327964
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vordering in kort geding tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling; samenloop met bestuursrechtelijke procedure over loonsanctie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 9327964 \ VV EXPL 21-90 \ 498 \ 636

uitspraak van 8 september 2021

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [plaats]

eisende partij

gemachtigde mr. R.E. Zalm (FNV)

tegen

de besloten vennootschap Deij Transport B.V.

statutair gevestigd te Schoonrewoerd en kantoorhoudend te Geldermalsen

gedaagde partij

gemachtigde dhr. S. den Drijver

Partijen worden hierna [eisende partij] en Deij Transport genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juli 2021 met producties;

- de mondelinge behandeling van 16 augustus 2021.

1.2.

Op verzoek van partijen is het wijzen van vonnis vervolgens aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij brief/e-mail van 25 augustus 2021 hebben partijen gevraagd toch vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is op 2 oktober 2006 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Deij Transport in dienst getreden in de functie van internationaal vrachtwagenchauffeur. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het beroepsgoederenvervoer over de weg (verder: de cao) van toepassing verklaard.

2.2.

Deij Transport is een transportbedrijf. De chauffeurs vervoeren in pendeldiensten bloemen en planten van en naar Italië. Per rit vindt er een chauffeurswissel plaats bij een hotel bij de grens van Basel, Zwitserland, waar de chauffeurs logeren. De chauffeurs pendelen ook met collega’s heen en weer naar Basel in een bus van Deij Transport.

2.3.

[eisende partij] is op 1 oktober 2018 wegens ziekte (astma) uitgevallen. Deij Transport heeft gedurende 104 weken zijn loon tijdens ziekte doorbetaald.

2.4.

Bij besluit van 28 augustus 2020 heeft het UWV aan Deij Transport een loonsanctie opgelegd wegens het niet voldoende nakomen van de op Deij Transport rustende re-integratieverplichtingen. Op grond daarvan diende Deij Transport het loon aan [eisende partij] door te betalen tot 27 september 2021 in plaats van tot 27 september 2020.

2.5.

Op 2 september 2020 (kort voor het einde van de wachttijd van 104 weken) heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende geschreven:

“(…) Op basis van mijn bevindingen acht ik de heer [eisende partij] belastbaar voor het uitvoeren van eigen werkzaamheden rekening houdend met de eerder geduide beperkingen.

Daarnaast is er sprake van een verstoorde arbeidsrelatie.

Werkgever en werknemer worden geadviseerd op korte termijn samen in gesprek te gaan en dit op te lossen.

Een vervolgcontact zal gepland worden in medio november 2020.(…)”

2.6.

Op 2 november 2020 heeft de bedrijfsarts het volgende gerapporteerd:

“(…)

Medisch is er de afgelopen tijd niets veranderd bij dhr. [eisende partij] .

UWV heeft de volgende conclusies getrokken:

- het arbeidsconflict moet opgelost worden

- de werknemer kan de eigen werkzaamheden met aanpassingen conform het arbeidsdeskundig advies hervatten.

(…)”

2.7.

Deij Transport heeft op 7 oktober 2020 bezwaar aangetekend tegen de loonsanctie.

2.8.

Bij beslissing op bezwaar van 2 december 2020 heeft het UWV het bezwaar tegen de loonsanctie ongegrond verklaard. Deze beslissing is gebaseerd op de bevindingen in het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar van 24 november 2020. In de rapportage daarvan heeft de arbeidsdeskundige (onder meer) het volgende geschreven:

“(…)

1. Verduidelijking onderzoeksvraag | bezwaargronden

In deze bezwaarprocedure voert de werkgever de volgende gronden aan:

Hervatting eigen werkzaamheden

Werkgever heeft werknemer weldegelijk meerdere malen in staat gesteld eigen werkzaamheden, ook in aangepaste vorm, te verrichten. Echter nadat de Covid-19 Europa en de wereld plat heeft gelegd (…) kan het niet zo zijn dat een werknemer, de heer [eisende partij] , met zijn klachten gedurende de periode van maart tot heden met zijn risicoprofiel (hoog) ter re-integratie te werk wordt gesteld en richting risico gebieden wordt gestuurd. Daar waar eenieder thuis dient te werken en met klachten van oa verkoudheid binnen dient te blijven kan het niet dat in het geval van de heer [eisende partij] wordt gehandeld alsof er niet aan de hand zou zijn in deze wereld.

Het kan en mag werkgever niet worden aangerekend dat de heer [eisende partij] in deze periode niet aan “hervatting” is toegekomen.

Arbeidsconflict

Er is tussen werkgever en werknemer geen sprake van een arbeidsconflict en is er ook nooit geweest. (…)

2. (…)

3. Voorgeschiedenis

(…)

Aan de werkgever is een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting opgelegd van maximaal 52 weken omdat:

Werknemer bleek, in ieder geval per datum arbeidsdeskundig onderzoek (april 2020) in staat om zijn eigen werk te doen, mits rekening gehouden wordt met stof, gas, rook, dampen. In de arbeidsdeskundige rapportage van 7 april 2020 geeft de arbeidsdeskundige terecht aan de conform de algemene wet en regelgeving bedrijfsvoertuigen worden beschouwd als werkruimte. Werkgever dient te verbieden dat er in of vlak naast het busje (waarmee werknemers naar de vrachtwagenlocatie worden gebracht) wordt gerookt. Daarnaast dient de werkgever het gebruik van luchtverfrissers in het bedrijfsbusje te verbieden en een niet allergeen schoonmaakmiddel te gebruiken.

Werkgever had werknemer een eigen vrachtwagen tot zijn beschikking moeten stellen waar niet in wordt gerookt en geen gebruik wordt gemaakt van andere middelen zoals luchtverfrissers. Voor de ziekmelding beschikte werknemer ook over zijn eigen vrachtwagen, waardoor er vanuit gegaan kan worden dat als hij weer fulltime werkt, hij ook zijn eigen vrachtwagen tot zijn beschikking heeft. Ik kan mij vinden in deze bevindingen van de arbeidsdeskundige. Het eigen werk lijkt passend te maken en werkgever had werknemer het werk aan moeten bieden en werknemer hersteld moeten melden.

Uit het re-integratieverslag blijkt dat er sinds de start van de opbouw in de re-integratie sprake was van onenigheid. Na het arbeidsdeskundig heronderzoek is, op advies van de arbeidsdeskundige, mediation ingezet. Dit heeft echter niet geleid tot het nader komen tot elkaar of tot een succesvolle werkhervatting. Werkgever had eerder gehoor moeten geven aan het arbeidsconflict en deze op moeten lossen. Daardoor zijn er re-integratiekansen gemist.

4. Hoorzitting

Deij Transport BV. zag af van het recht om gehoord te worden.

5. Heroverweging

(…)

Werkgever gaat in het bezwaar niet in op de tekortkomingen die de arbeidsdeskundige SMZ in haar rapportage van 27 augustus aangeeft: het verzorgen van rookvrije werkruimten. Bedrijfsvoertuigen vallen volgens wetgeving onder de noemer werkruimtes. Tevens geen gebruik van luchtverfrissers en gebruik van niet allergene schoonmaakmiddelen.

Ik kan mij vinden in de redenatie van de arbeidsdeskundige SMZ en volg haar dan ook dat zij een loonsanctie heeft opgelegd.

De werkgever voert in zijn bezwaargronden de Covid-19 pandemie aan. Ondanks dat de bedrijfsarts in zijn Actueel Oordeel van 3 juni 2020 aangeeft dat de heer [eisende partij] tot de risicogroep behoort, zal de heer [eisende partij] , zoals alle werknemers van deze werkgever, opgenomen moeten worden in het Corona beleid van de werkgever. Het is geen reden om een werknemer om die reden ziek gemeld te houden.

Wat betreft het arbeidsconflict. De Stecr richtlijn geeft aan dat wanneer bij één van de twee partijen aangeeft dat er sprake is van een conflict er dan gesproken kan worden van een arbeidsconflict. Het de heer [eisende partij] niet aanbieden van een arbeidsomgeving zoals de bedrijfsarts voorstelt terwijl de heer [eisende partij] op die basis zijn werk wel wil hervatten, is er sprake van een conflict.”

2.9.

Bij brief van 8 december 2020 heeft de gemachtigde van [eisende partij] Deij Transport dringend verzocht en voor zover nodig gesommeerd binnen veertien dagen actie te ondernemen om het arbeidsconflict op te lossen, de genoemde aanpassingen op de werkplek voor [eisende partij] door te voeren en aan [eisende partij] , gelet op de loonsanctie, het salaris bij ziekte overeenkomstig artikel 16 lid 4 van de cao uit te betalen, met terugwerkende kracht vanaf het moment waarop de loonsanctie is ingegaan, onder overlegging van gecorrigeerde loonspecificaties.

2.10.

Bij e-mail van 5 januari 2021 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan Deij Transport een reminder gestuurd.

2.11.

Deij Transport heeft op 10 januari 2021 bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Deze procedure loopt nog.

2.12.

In een e-mail van 30 januari 2020 heeft een medewerker planning van Deij Transport het volgende aan de directeur van Deij Transport geschreven:

“Betreft het inzetten van [eisende partij] .

Zijn eis om een eigen auto te hebben en volledig mee te draaien binnen onze organisatie is mijns inziens onmogelijk. We hebben vorig jaar juli [eisende partij] enkele weken ingezet en dat was met zijn ziekte een onhaalbare zaak.

Binnen onze organisatie rijden er meerdere mensen op alle auto’s, dit ook i.v.m. de rijtijdenwetten etc. We kunnen ons niet veroorloven dat een auto met snijbloemen op Bazel aankomt en [eisende partij] daar last krijgt van geuren. Vanaf Geldermalsen kun je altijd nog ingrijpen.(…)”

2.13.

[eisende partij] is tot op heden niet in staat gesteld zijn werkzaamheden te hervatten.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de proceskosten, Deij Transport te veroordelen:

I hem binnen 24 uur na het in deze procedure te wijzen vonnis, toe te laten tot het verrichten van werkzaamheden, op straffe van de verbeurte van een dwangsom;

II tot betaling aan hem van het salaris van € 2.680,20 per vier weken, te vermeerderen met het overwerkloon ad € 469,04 bruto per vier weken alsmede de overwerktoeslag ad

€ 140,71 bruto per vier weken alsmede de vakantiebijslag vanaf 1 oktober 2020 tot en met

7 juli 2021, hetgeen betekent dat een bedrag ter hoogte van € 9.869,90 bruto exclusief vakantietoeslag dient te worden voldaan;

III tot betaling aan [eisende partij] van het salaris van € 2.680,20 bruto per vier weken, te vermeerderen met het overwerkloon ad € 469,04 bruto per vier weken alsmede de overwerktoeslag ad € 140,71 bruto per vier weken alsmede de vakantiebijslag vanaf 8 juli 2021 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, een en ander onder aftrek van hetgeen reeds is voldaan;

IV tot betaling van € 881,59 (exclusief btw) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

V tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;

VI in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisende partij] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Deij Transport is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, enerzijds door te weigeren zodanige aanpassingen te treffen aan zijn werkplek dat hij zijn werk weer kan hervatten en anderzijds door zijn loon tijdens de periode van de loonsanctie niet voor 100% door te betalen. Uit de beslissing van het UWV van 2 december 2020 blijkt dat hij geschikt wordt geacht voor zijn eigen werkzaamheden, als Deij Transport maar zorgdraagt voor een rook- en geurvrije werkplek. Ondanks diverse verzoeken om zijn eigen werkzaamheden te mogen hervatten, weigert Deij Transport hem tot de bedongen werkzaamheden toe te laten en betaalt Deij Transport hem vanaf 28 september 2020 slechts 70% van zijn salaris door, in plaats van het salaris op grond van artikel 16 lid van de cao. [eisende partij] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vorderingen, onder meer omdat het einde van de wachttijd nadert en het voor hem van groot belang is dat er duidelijkheid komt omtrent het kunnen terugkeren in zijn eigen functie.

3.3.

Deij Transport voert gemotiveerd verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

Deij Transport voert aan dat zij beroep heeft ingesteld tegen de door het UWV opgelegde loonsanctie omdat zij naar haar mening wel aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Zij heeft [eisende partij] meerdere malen het werk laten hervatten in rookvrije cabines, maar [eisende partij] viel telkens binnen vier weken weer uit, onder meer omdat hij last had van andere geurtjes doordat ook collega’s gebruik maakten van de vrachtwagen. De voor [eisende partij] benodigde aanpassingen aan de werkplek in die zin dat hij deze alleen kan gebruiken en niet hoeft te delen, kunnen, gelet op haar bedrijfsvoering met 20 trekkende eenheden en 40 chauffeurs, in redelijkheid niet van haar worden verlangd, aldus Deij Transport. Zij kan [eisende partij] geen eigen vrachtwagen aanbieden, zoals hij vroeger had, omdat meer chauffeurs in pendeldiensten op dezelfde vrachtwagen rijden. Daarom is ook gekozen voor re-integratie in het tweede spoor. Vervolgens deed zich een situatie van overmacht voor door de uitbraak van Covid-19, waardoor [eisende partij] met zijn ziekte extra risico’s liep. De arbeidsdeskundige van het UWV is hier ten onrechte aan voorbij gegaan, aldus Deij Transport. Naar haar mening kon zij niet anders dan [eisende partij] ziekgemeld houden en is een wedertewerkstelling niet aan de orde.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Betekenis bestuursrechtelijke procedure

4.1.

Voor zover Deij Transport heeft aangevoerd dat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen omdat zij beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen de door het UWV opgelegde loonsanctie, wordt dat verweer gepasseerd. Er is geen ruimte voor de civiele rechter (in kort geding) om op de uitkomst van een bestuursrechtelijke beroepsprocedure vooruit te lopen. Bovendien is het de vraag in hoeverre een oordeel van de bestuursrechter dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd betekenis heeft voor de onderhavige civielrechtelijke vorderingen van [eisende partij] jegens Deij Transport. De kantonrechter in dit kort geding dient te oordelen op basis van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

Wedertewerkstelling

4.2.

[eisende partij] heeft voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij de gevorderde wedertewerkstelling omdat het einde van de (verlengde) wachttijd nadert en het voor hem van groot belang is te kunnen terugkeren in zijn eigen functie.

4.3.

Vast staat dat de bedrijfsarts (in september en november 2020) en de arbeidsdeskundige van het UVW (in december 2020) hebben geoordeeld dat [eisende partij] geschikt is om zijn eigen werkzaamheden uit te oefenen, zij het met aanpassingen aan de werkplek conform het arbeidsdeskundig advies, te weten dat deze rook- en geurvrij moet zijn (ook het bedrijfsbusje). Op grond van artikel 7:658a BW strekt de re-integratieverplichting van de werkgever ten opzichte van de werknemer die wegens ziekte niet in staat is de overeengekomen arbeid te verrichten, zich onder meer uit tot (het aanpassen van) de eigen arbeid, waaronder de werkplek. De arbeidsdeskundige heeft geschreven dat Deij Transport aan [eisende partij] een (eigen) vrachtwagen tot zijn beschikking zou moeten stellen waarin niet wordt gerookt en geen gebruik wordt gemaakt van andere (geurende) middelen zoals luchtverfrissers. Hij heeft verder opgemerkt dat [eisende partij] vóór de ziekmelding ook beschikte over zijn eigen vrachtwagen, zodat er vanuit gegaan kan worden dat [eisende partij] , als hij weer fulltime werkt, ook weer zijn eigen vrachtwagen tot zijn beschikking heeft. Het UWV heeft daarmee geoordeeld dat de eigen arbeid door [eisende partij] verricht kan worden als zijn werkplek aangepast wordt. Deij Transport kan dit oordeel niet zomaar naast zich neerleggen en het door haar ingestelde beroep in de bestuursrechtelijke procedure afwachten. Immers het beroep bij de bestuursrechter heeft geen schorsende werking. Bovendien gaat het in die procedure om de vraag of het UWV de loonsanctie terecht heeft opgelegd. Het gaat niet om de vraag of [eisende partij] in staat is, met enige aanpassingen aan de werkplek, zijn eigen werk te verrichten en of van Deij Transport verlangd kan worden voor die aanpassingen zorg te dragen. Kortom, al zou de bestuursrechter oordelen dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd, komt daarmee nog niet zonder meer de re-integratieverplichting van Deij Transport jegens [eisende partij] te vervallen.

Gelet op de onderbouwde stellingen van [eisende partij] dat hij geschikt is voor zijn eigen werk, mits hij een aangepaste (rook- en geurvrije) werkplek heeft, ligt het op de weg van Deij Transport haar verweer daartegen voldoende te onderbouwen. Deij Transport heeft haar verweer dat het aanbieden van een aangepaste, oftewel rook- en geurvrije werkplek, gelet op haar bedrijfsvoering onmogelijk is, althans in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden, evenwel helemaal niet, laat staan voldoende onderbouwd. De enkele stelling van Deij Transport dat er sinds de ziekte van [eisende partij] een bedrijfsorganisatorische wijziging heeft plaatsgevonden waardoor [eisende partij] niet meer met een eigen vrachtauto kan rijden is daartoe onvoldoende. Bovendien, ook al zou hij vrachtwagens met andere chauffeurs moeten delen valt, zonder nader onderbouwde toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom van Deij Transport in redelijkheid niet gevergd zou kunnen worden om te zorgen voor rook- en geurvrije werkplek/cabines. Namens Deij Transport is tijdens de mondelinge behandeling zelfs verklaard dat het bedrijfsreglement roken in cabines verbiedt, daargelaten dat Deij Transport reeds op grond van de Tabakswet en Arbowet gehouden is voor en rookvrije werkplek zorg te dragen. De gevorderde wedertewerkstelling zal dan ook worden toegewezen, zij het niet binnen de gevorderde 24 uur maar binnen zeven werkdagen na de betekening van dit vonnis. Aan deze veroordeling zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden verbonden, tot een maximum van in het totaal € 25.000,--.

Achterstallig en toekomstig salaris

4.4.

Voorts vordert [eisende partij] betaling van (achterstallig) salaris op grond van artikel 16 lid 4 van de cao. Deij Transport voert aan dat zij zich vanaf het derde ziektejaar niet gehouden achtte om meer dan 70% van het loon door te betalen totdat is beslist in de bij de bestuursrechter aanhangige beroepsprocedure. Zij stelt zelfs dat zij in het tweede ziektejaar ten onrechte 100% van het loon aan [eisende partij] heeft doorbetaald in plaats van 70%, kennelijk – zo begrijpt de kantonrechter – omdat niet aan de voorwaarden voor aanvulling van het loon tot 100% gedurende het tweede ziektejaar, zoals opgenomen in artikel 16 van de cao, is voldaan.

4.5.

In de regel worden loonvorderingen in kort geding naar hun aard als spoedeisend aangemerkt, zeker wanneer van de ene op de andere dag geen loon meer wordt betaald. In dit geval is ten aanzien van het achterstallig salaris sprake van een loonverlaging met 30% vanaf 1 oktober 2020 (gedurende de loonsanctie tijdens het derde ziektejaar), dus ongeveer tien maanden voor de dagvaarding doorgevoerd. Onder deze omstandigheden heeft [eisende partij] het gestelde spoedeisend belang bij dit deel van zijn vordering wel wat mager onderbouwd. Anderzijds ligt een spoedeisend belang ook bij een loonvordering van 30% van het loon, dat prangender wordt naar mate de tijd langer verstrijkt, de spoedeisendheid wel besloten.

Zoals hiervoor is overwogen dient het ervoor gehouden te worden dat [eisende partij] al zeker vanaf

27 september 2020, toen de wettelijke periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte was verstreken, volledig arbeidsgeschikt was. De omstandigheid dat Deij Transport voor een voor [eisende partij] gezonde, rook-/geurvrije werkplek moest zorgen staat aan de volledige arbeidsgeschiktheid van [eisende partij] niet in de weg. [eisende partij] werd immers in staat geacht zijn eigen arbeid voor de volle omvang te verrichten. De gemachtigde van [eisende partij] heeft, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, de loonvordering dan ook terecht gebaseerd op artikel 7:628 BW. Het niet werken van [eisende partij] is, naar vooralsnog moet worden aangenomen, niet gelegen in arbeidsongeschiktheid wegens ziekte maar in de omstandigheid dat Deij Transport hem niet in de gelegenheid stelt zijn werkzaamheden te verrichten, hetgeen op grond van artikel 7:628 BW voor rekening en risico van Deij Transport komt. Dat betekent dat [eisende partij] vanaf 27 september 2020 aanspraak heeft op 100% doorbetaling van zijn loon. Hetgeen Deij Transport ter zake loondoorbetaling bij ziekte in het derde ziektejaar heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden, nu van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] geen sprake is.

4.6.

Dit leidt tot de slotsom dat Deij Transport gehouden is het achterstallig salaris zoals gevorderd vanaf 1 oktober 2020 tot en met 7 juli 2021 te voldoen, zijnde het verschil tussen de het al uitbetaalde salaris (70%) enerzijds en het salaris van € 2.680,20 bruto per vier weken, plus het overwerkloon van € 469,04 bruto per vier weken en de overwerktoeslag van

€ 140,71 per vier weken alsmede de vakantietoeslag anderzijds. Ook zal Deij Transport worden veroordeeld om vanaf 8 juli 2021 100% van het aan [eisende partij] toekomend salaris zoals gevorderd te voldoen tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd dan wel het recht op loon op andere grond is komen te vervallen.

Wettelijke verhoging

4.7.

De over het achterstallig loon gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zal ook worden toegewezen. In de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.

Wettelijke rente

4.8.

Ook de wettelijke rente over het achterstallig loon is toewijsbaar, steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.9.

[eisende partij] heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 782,05. [eisende partij] heeft voldoende en onbetwist gesteld dat deze buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dat betekent dat Deij Transport ingevolge artikel 6:96 BW een vergoeding voor die buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal dan ook worden toegewezen.

Proceskosten

4.10.

Deij Transport zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Deij Transport om [eisende partij] , binnen zeven werkdagen na de betekening van dit vonnis, toe te laten tot het verrichten van werkzaamheden;

5.2.

veroordeelt Deij Transport om aan [eisende partij] voor elke dag dat zij – na zeven dagen na betekening van dit vonnis – in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1. te voldoen, een dwangsom te betalen van € 500,--, tot een maximum van € 25.000,--;

5.3.

veroordeelt Deij Transport om aan [eisende partij] te betalen het achterstallig brutoloon vanaf 1 oktober 2020 tot en met 7 juli 2021, zijnde het verschil tussen de het al uitbetaalde salaris enerzijds en het salaris van € 2.680,20 bruto per vier weken, plus het overwerkloon van

€ 469,04 bruto per vier weken en de overwerktoeslag van € 140,71 per vier weken alsmede de vakantietoeslag anderzijds;

5.4.

veroordeelt Deij Transport om aan [eisende partij] te betalen het salaris van € 2.680,20 bruto per vier weken, te vermeerderen met het overwerkloon ad € 469,04 bruto per vier weken alsmede de overwerktoeslag ad € 140,71 bruto per vier weken alsmede de vakantietoeslag vanaf 8 juli 2021 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd dan wel het recht op loon op andere grond is komen te vervallen, een en ander onder aftrek van hetgeen reeds is voldaan;

5.5.

veroordeelt Deij Transport om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallig loon, gematigd tot 20%, en de wettelijke rente over het achterstallig loon, steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;

5.6.

veroordeelt Deij Transport om aan [eisende partij] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 782,05;

5.7.

veroordeelt Deij Transport in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 119,21 wegens het uitbrengen van de dagvaarding, € 507,00 aan griffierecht en € 720,00 wegens het salaris van de gemachtigde;

5.8.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E.W. de Groot en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Weerkamp-Beens op 8 september 2021.