Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4874

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3603 en AWB 21_561
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand voor student.

Student uitgesloten van bijstand op grond van artikel 12, tweede lid d van de Pw.

Student weigert te voldoen aan de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Pw.

Feit van algemene bekendheid is dat veel (voltijds)studenten hun studie (mede) financieren door een bijbaantje in de avond of in de weekenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 21/3603 en 21/561

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2021

op het verzoek om voorlopige voorziening

[verzoeker A] , te [plaats A] , verzoeker;

(gemachtigde: mr. H. Akbaba),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem te Lochem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 21/561. Op 23 september 2021 heeft verzoekers gemachtigde de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 21/3603.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekers gemachtigde heeft bij brief van 13 augustus 2021 de vraagstelling van de griffier beantwoord, waarop verweerder bij brief van 30 augustus 2021 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2021. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde T.M.B. Nijenhuis, verbonden aan ’t Baken gemeente Lochem.


Bij beslissing van 1 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend en is bepaald dat het onderzoek via beeldverbinding wordt voortgezet. Op 8 september 2021 is het onderzoek via een beeldverbinding voortgezet. Verzoeker is ter zitting verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde T.M.B. Nijenhuis.


Overwegingen

Inleiding

1.1

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993. Naar aanleiding van verzoekers melding van 28 april 2020 om bijstand is in het contact tussen hem en verweerders consulent op
8 mei 2020 door verzoeker aangegeven dat hij niet kan werken naast zijn studie. Aan verzoeker is meegegeven dat als hij 15 à 16 uur per week werkt, hij geen beroep hoeft te doen op bijstand. De bijstandsnorm voor verzoeker bedraagt € 618,86. Na het gesprek zijn aan hem schriftelijke afspraken over de zoekperiode toegezonden met het verzoek deze getekend te retourneren. Verzoeker woont bij zijn grootouders waardoor de kostendelersnorm geldt. In een latere email en in een daaropvolgend gesprek op 12 mei 2020 is door verzoeker aangegeven dat 16 uur per week werken te veel tijd kost. Naast zijn studie zou hij dat fysiek en mentaal niet aankunnen. Verzoeker is van mening dat werk niet boven studie gaat. Hij gaat daarom ook niet akkoord met de verplichting tot arbeidsinschakeling en zal de gemaakte afspraken niet ondertekenen.

1.2

Laatstelijk is verzoeker in 2015 begonnen met de opleiding ‘mechanical engineering’ aan de Hogeschool van Amsterdam. Uit het bewijs van inschrijving van Saxion Hogeschool te Enschede blijkt dat verzoeker voor de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 is ingeschreven als voltijd student voor de minor opleiding Makelaardij.

Bij bewijs van inschrijving van 31 juli 2020 van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat verzoeker voor de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 staat ingeschreven voor de voltijd opleiding ‘engineering werktuigbouwkunde’.

Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bericht dat verzoekers aanvraag om lening en collegegeldkrediet over de periode april tot en met december 2020 is afgewezen omdat de volledige duur studiefinanciering voor ‘hoger onderwijs’ opleiding al is verbruikt.

2.1

Door verzoeker is op 26 juli 2020 bijstand aangevraagd. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag aangegeven voltijd studerend te zijn en dat hij 0-uren beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. In een telefoongesprek met verweerders consulent inkomen op
4 augustus 2020 is door verzoeker bevestigd dat hij voltijd studerend is wat volgens hem de bedoeling is van de wetgever voor jongeren tot 27 jaar. Volgens verzoeker zijn de arbeidsverplichtingen dan ook niet op hem van toepassing.

2.2

Op 4 augustus 2020 is telefonisch contact met verzoeker opgenomen. In dat gesprek is door verzoeker aangegeven dat de wetgever heeft bedoeld dat jongeren tot 27 jaar weer voltijd gaan studeren. De consulent heeft toegelicht dat studeren in combinatie met bijstand niet mogelijk is in verzoekers situatie. Verzoeker heeft een startkwalificatie waardoor werk voorop staat. Naast werken kan verzoeker altijd nog studeren. Het aantal uren wat verzoeker zou moeten werken naast zijn voltijd studie moet mogelijk zijn om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.

3.1

Door verweerder is bij het primaire besluit verzoekers aanvraag om bijstand onder toepassing van artikel 13, tweede lid onder d van de Pw afgewezen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit verzoekers houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Pw niet wil nakomen. Naast het feit dat hij meermaals heeft aangegeven niet te hoeven werken is hij ook de afspraken voor de zoekperiode niet nagekomen.

4.1

Door verzoeker is in bezwaar gesteld dat hij zijn verplichtingen wel is nagekomen. Hij volgt namelijk een voltijdsopleiding. Verzoeker verwijst daarvoor onder meer naar een website van de Rijksoverheid waar staat vermeld dat iemand vanaf zijn aanvraag eerst vier weken naar een opleiding of werk moet zoeken. Verzoeker is verder van mening dat hij naast zijn voltijdsstudie geen tijd over heeft om te werken.

4.2

Door verweerder is bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 10 november 2020, verzoekers bezwaar ongegrond verklaard. In dit advies is onder meer aangegeven dat verzoeker de leeftijd van 26 jaar heeft en daardoor tot de categorie jongeren van 18 tot 27 jaar behoort die in de Participatiewet een bijzondere positie inneemt. Voor hen geldt op basis van artikel 41, vierde lid Pw een zoekplicht naar werk of opleiding gedurende een periode van vier weken vanaf de melding voordat een aanvraag definitief kan worden ingediend. Het actief zoeken naar arbeid of opleiding gedurende deze periode is voor deze categorie jongeren een extra verplichting in het kader van de in artikel 9, lid 1 onderdeel a neergelegde verplichting tot arbeidsinschakeling. Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand dient verweerder op grond van artikel 43, vierde lid van de Pw rekening te houden met de

houding en gedragingen gedurende deze periode.

Door verzoeker is te kennen heeft gegeven niet akkoord te gaan met de afspraken die op het formulier ‘4 weken zoektermijn’ staan. De afspraken zien op het zoeken naar passende vacatures, aantal sollicitatieactiviteiten en het inschrijven bij uitzendbureaus. Verzoeker heeft het formulier niet ondertekend. Daarnaast is op het aanvraagformulier te kennen gegeven dat verzoeker voltijd studerend te zijn en voor nul uur beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Daaruit blijkt dat uit verzoekers houding en gedrag ondubbelzinnig dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting genoemd in artikel 9, eerste lid Pw. Daardoor bestaat er volgens verweerder geen recht op algemene bijstand.

4.3

Verweerder is het niet eens met verzoekers standpunt dat het voor hem onmogelijk is om naast zijn voltijdstudie van 40 uur nog werk te verrichten nu verzoeker naast zijn studie 16 uur zou kunnen werken om daarmee buiten de bijstand te blijven en in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Anders dan door verzoeker is gesteld geldt voor de groep jongeren een aantal aanvullende plichten en een aantal specifieke uitsluitingsgronden Als een van die uitsluitingsgronden van toepassing is, dan heeft de jongere geen recht op algemene bijstand. De aanvullende uitsluitingsgronden zijn vastgelegd in artikel 13. lid 2, onder c en d van de Pw. In onderdeel d is bepaald dat degene die jonger is dan 27 jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen, geen recht op algemene bijstand heeft. Verzoekers standpunt dat een voltijdstudie als voltijdwerk moet worden beschouwd en dat daarnaast de arbeidsverplichtingen niet voor hem gelden maar alleen voor personen die al een bijstandsuitkering genieten komen volgens verweerder niet overeen met de uitgangspunten van de Participatiewet. Het uitgangspunt is juist dat jongeren niet in de bijstand thuishoren en dat zij moeten werken of leren of een combinatie van beiden. Voor verzoeker gelden deze verplichtingen ook. Verzoeker heeft met zijn HAVO-diploma een startkwalificatie en dan staat werk voorop. Hij zou daarmee, naast zijn studie, zelf kunnen voorzien in zijn kosten van levensonderhoud. Nu verzoeker heeft laten blijken dat niet te willen of zoals hij het zelf aangeeft niet te kunnen, is de uitsluitingsgrond van artikel 13, lid 2 onder d Pw van toepassing. Daarmee is verzoeker uitgesloten van het recht op algemene bijstand.

4.4

Dat verzoeker meent dat hij wel recht heeft op bijstand omdat een andere uitsluitingsgrond. genoemd in artikel 13, lid 2 onder c Pw, niet van toepassing is, doet volgens verweerder niet ter zake. Onderdeel d sluit al uit dat hij in aanmerking komt voor bijstand. Ten aanzien van verzoekers stelling dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding zouden moeten zijn voor verweerder tijdelijke ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Pw overweegt verweerder dat verzoeker met zijn HAVO- diploma wel een startkwalificatie heeft en derhalve voldoende

kans maakt op werk. Ook de omstandigheid dat verzoeker met zijn studie ruim 40 uur per week bezig is om de verplichte colleges te volgen en daarnaast enkele uren per week voor opdrachten en thuisstudie heeft levert voor verweerder geen dringende reden op hem te ontheffen van de arbeidsverplichting.

4.5

Dat verzoeker naast zijn studie gedeeltelijk zorgt voor zijn grootouders, wordt als derde omstandigheid aangevoerd. Dat ouderen in deze tijd van de coronapandemie als kwetsbaar moeten worden beschouwd is juist, maar dat zijn gedeeltelijke zorg voor zijn grootouders bezwaarde zou moeten ontheffen van de arbeidsverplichting kan verweerder niet volgen. Het voldoen aan de arbeidsverplichting leidt aldus verweerder, niet direct tot een groter risico op besmetting van de grootouders. Wel de wijze waarop iemand met de coronaregels omgaat. Verweerder overweegt voorts dat verzoeker de gestelde zorgtaken voor zijn grootouders niet aannemelijk heeft gemaakt. Op geen enkele wijze zijn de zorgtaken toegelicht. Het verlenen van mantelzorg vormt geen dringende reden voor het verlenen van ontheffing.

Het standpunt van verzoeker

5.1

Verzoeker stelt dat er door de ten onrechte afwijzing van zijn aanvraag om

bijstand een financiële noodsituatie is ontstaan, waardoor hij niet langer in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien. Er is sprake is van broodnood. Dus is sprake van een spoedeisend belang. Hierdoor kan de behandeling van het beroep niet worden afgewacht.
Verzoeker stelt desgevraagd dat hij na de beoordelingsperiode nog (reguliere) bijstand ter voorziening in zijn levensonderhoud heeft aangevraagd nu hij inmiddels de leeftijd van
27 jaar heeft bereikt. Deze aanvraag is door de gemeente eind januari 2021 afgewezen (lees: buiten behandeling gelaten). Dit heeft als gevolg dat hij geen voorziening heeft kunnen verkrijgen voor het zelfstandig voorzien in zijn levensonderhoud. Hij is hierdoor genoodzaakt om te blijven lenen waardoor zijn schulden oplopen, om te kunnen voorzien in het benodigde levensonderhoud. Verzoeker is dan ook genoodzaakt om een voorlopige voorziening aan te vragen, nu hij niet zelfstandig kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud.

5.2

Verzoeker stelt in beroep dat hij voldoet aan alle voorwaarden genoemd in artikel 11 lid van de Pw waardoor hij in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Verzoeker is een Nederlander van 18 jaar of ouder. Verzoeker heeft niet genoeg inkomen

of eigen vermogen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder kan verzoeker geen beroep doen op een andere voorziening of uitkering, waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien. Hij heeft namelijk geen recht meer op studiefinanciering. Verzoeker zit niet in de gevangenis of een huis van bewaring. Op basis van artikel 17 eerste lid van de Pw geldt er een inlichtingenplicht. Verzoeker heeft medewerking verleent aan de inlichtingenplicht en verweerder voldoende ingelicht over zijn situatie. Ook heeft verzoeker medewerking verleent aan de medewerkingsplicht conform artikel 17 tweede lid van de Pw en hij voldoet aan de eisen die de Pw stelt om voor bijstand in aanmerking te komen.

5.3

Verzoeker stelt verder dat op grond van artikel 9 van de Pw dat verweerder na een aanvraag kan vragen om een tegenprestatie te leveren. Er hoeft volgens verzoeker geen tegenprestatie verricht te worden als je bijvoorbeeld mantelzorger bent. Verzoeker woont bij zijn grootouders. Hij draagt (gedeeltelijk) zorg voor zijn grootouders. Vanaf het moment dat er een bijstandsuitkering is aangevraagd geldt er een arbeidsplicht. Wanneer de betreffende persoon jonger is dan 27 jaar geldt er allereerst een verplichting om een opleiding te volgen. Verzoeker volgt de voltijdstudie Engineering/werktuigbouwkunde aan de Hogeschool van Amsterdam.

5.4

Verzoeker voldoet aan alle voorwaarden zoals hierboven toegelicht. Naast de algemene voorwaarden zijn er nog extra voorwaarden voor jongeren tot 27 jaar. Aangezien

verzoeker in de periode hier van belang jonger is dan 27 jaar is hij verplicht eerst vier weken naar een opleiding of werk te zoeken. Pas na deze vier weken kan de uitkering definitief worden aangevraagd. In de periode voor de vier weken geldt een of bepaling en niet een en-bepaling.

5.5

Verzoeker volgt de voltijdstudie Engineering/werktuigbouwkunde aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij vindt daarom dat voldaan is aan dit vereiste. Het is volgens verzoeker niet te volgen hoe verweerder tot de conclusie is gekomen dat hij niet zou willen meewerken. Door zijn opleiding en de afronding van de opleiding vergroot verzoeker bovendien zijn kansen op de arbeidsmarkt, waardoor het voor hem ook mogelijk is om na zijn opleiding door te kunnen stromen naar betaalde arbeid.

5.6

Verzoeker betwist dat hij uit zijn houding en verklaringen zou blijken dat hij niet zou willen meewerken aan de verplichtingen die zijn gesteld in de Pw. Omdat verzoeker voldoet aan het opleidingsvereiste moet verweerder accepteren dan aan de verplichtingen is voldaan.

Verweerder dient rekening te houden met alle omstandigheden. Verzoeker volgt een voltijdsopleiding om door te kunnen stromen naar de arbeidsmarkt aansluitend op zijn opleiding.

5.7

Verzoeker verwijst naar de in de memorie van toelichting waarin is opgenomen dat: “De regering verwacht van jongeren extra inspanning om op eigen kracht de bijstand te verlaten. Jongeren horen niet in de bijstand thuis. Dit wetsvoorstel benadrukt verder het uitgangspunt dat jongeren moeten werken of leren of een combinatie van beide”. Verzoeker volgt een studie, waarop hij op dit moment (financiële) ondersteuning voor nodig heeft.

5.8

Gezien het feit dat hij niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, valt hij niet onder de uitsluiting van het recht op bijstand zoals is opgenomen onder artikel 13 van de Pw. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd, waarom hij verplicht zou zijn voor arbeidsinschakeling tijdens het volgen van een studie, die bijna is afgerond. Deze scholing is noodzakelijk om de arbeidsmogelijkheden te vergroten. In een dergelijke situatie had verweerder verzoeker moeten vrijstellen voor een bepaalde periode.

5.9

Ter zitting is door verzoeker nog eens herhaald dat hij recht heeft op bijstand. Ten eerste op basis van de website van de Rijksoverheid, de bepaling in artikel 13, tweede lid, onder c sub 2° van de Pw waarin precies verzoekers situatie is omschreven en op basis van de memorie van toelichting. Namens verzoeker is gesteld dat verweerder ten onrechte een te zwaar belang toekent aan de zoektermijn van vier weken, nog afgezien van de bijzondere regels die in de Coronaperiode aanvankelijk golden. Verzoekers handhaaft zijn stelling dat hij wel aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van bijstand heeft voldaan.

Het standpunt van verweerder

6.1

Verweerder stelt dat er geen sprake is van spoedeisend belang nu verzoeker door zijn houding en gedrag ondubbelzinnig heeft laten blijken dat hij de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 Participatiewet niet wil nakomen. Verweerder blijft van mening dat de aanvraag terecht is afgewezen op grond van artikel 13 lid 2 sub d van de Participatiewet.

Wanneer er op grond van artikel 13 lid 2 sub d Participatiewet geen recht bestaat op

bijstand, is er ook geen ruimte voor een belangenafweging in verband met de financiële situatie van belanghebbende. Verzoeker kan zich altijd opnieuw melden voor het doen van een bijstandsaanvraag.

6.2

De aanvraag van verzoeker is niet afgewezen omdat hij niet tot de kring van

rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, eerste lid van de Pw zou behoren. Ook is de aanvraag niet afgewezen omdat er sprake is van een algemene uitsluitingsgrond, of omdat verzoeker zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Pw niet is nagekomen.

6.3

Verweerder verwijst nog eens naar de verplichtingen zoals die gelden voor jongeren tussen de 18 en 27 jaar, zoals vermeld in rechtsoverweging 4.2 en 4.3 en verwijst daarbij naar de toelichting bij artikel 43 vierde lid van de Wet werk en bijstand, inmiddels Participatiewet)1.

6.4

Met betrekking tot verzoekers stelling dat hij geen tegenprestatie hoeft te leveren omdat hij gedeeltelijk zorg draagt voor zijn grootouders, merkt verweerder op dat de

tegenprestatie als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub c iets anders is dan de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in sub a. Mantelzorg vormt geen dringende redenen, op grond waarvan een belanghebbende kan worden ontheven van de arbeidsverplichtingen2.

Hoewel er tijdens het eerste gesprek is uitgevraagd op het gebied van de woonsituatie en de vrijetijdsbesteding van verzoeker, heeft hij niets gemeld over het uitvoeren van zorgtaken en dat deze een belemmering zouden kunnen vormen voor zijn arbeidsinschakeling.

6.5

Verweerder benadrukt dat uit de wetsgeschiedenis3 blijkt dat het uitgangspunt is dat jongeren niet in de bijstand thuishoren en dat zij moeten werken of leren of een combinatie van beiden. Jongeren uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat ze hun verplichtingen (zoals bedoeld in artikel 9 van de Pw en artikel 55 van de Pw) niet willen nakomen, hebben geen recht op algemene bijstand (artikel 13 tweede lid onder d van de Pw). Het feit dat verzoeker studeert, betekent niet dat de arbeidsplicht niet op hem van toepassing is. Het uitgangspunt is dat de jongere moet werken of leren of een combinatie van beiden. Verweerder deelt verzoekers mening dat het hier om een ‘of-bepaling’ zou gaan dan ook niet. Verzoeker kan geen aanspraak meer maken op studiefinanciering en hij beschikt over een startkwalificatie. Werk staat dan voorop.

6.6

Verzoeker zou naast zijn studie kunnen werken om zelf in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Verzoeker heeft laten weten niet akkoord te gaan met de verplichting tot arbeidsinschakeling en de gemaakte afspraken voor de wettelijke zoektermijn ook niet te zullen ondertekenen. Dit terwijl hem meerdere keren is aangegeven dat de arbeidsverplichting ook op hem van toepassing is, en wat hier de consequenties van zouden zijn.

6.7

In het feit dat verzoeker studievertraging heeft afgelopen en hierdoor geen recht meer bestaat op studiefinanciering in verband met het bereiken van de maximale termijn, ziet verweerder geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 9 tweede lid van de Pw om hem ontheffing te verlenen van zijn arbeidsplicht.

6.8

In het primaire besluit van 6 augustus 2020 is uitgebreid toegelicht waarom de

bijstandsaanvraag van verzoeker is afgewezen. Het besluit is volgens verweerder ook gebaseerd op de juiste wettelijke grondslag en is dan ook voldoende gemotiveerd.

6.9

Verzoeker is niet plotseling zonder werk of inkomsten komen te zitten als gevolg van de coronacrisis. Het gaat hierbij om de beëindiging van het recht op studiefinanciering in verband met het bereiken van de maximale periode (7 jaar). Dit is een situatie die voorzienbaar was. Verweerder ziet geen aanleiding om individueel maatwerk te verlenen tijdens de wettelijke zoektermijn.


Het oordeel van de voorzieningenrechter

7.1

Hoewel verweerder zich daartegen heeft verzet ziet de voorzieningenrechter in een procedure als voorliggend voldoende aanleiding om verzoekers spoedeisend belang aan te nemen, onverlet dat verzoeker over middelen in de vorm van (gestelde) leningen kan beschikken.

7.2

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

7.3

De hier te beoordelen periode loopt van 28 april 2020 (de datum van aanvraag van bijstand) tot en met 6 augustus 2020 (de datum van het primaire besluit). Niet in geschil is dat verzoeker in de te beoordelen periode nog niet de leeftijd van 27 jaar had. Evenmin staat ter discussie dat verzoeker in deze periode een voltijds studie volgde.

7.4

Uit het feitencomplex zoals hiervoor onder rechtsoverweging 1.1, 2.1 en 2.2 is aangegeven en ook uit de later door verzoeker ingenomen stellingen in bezwaar, beroep en ter zitting blijkt dat verzoeker in voor verweerder niet mis te verstane uitingen te kennen heeft gegeven dat hij niet hoeft te voldoen aan de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Pw.

Uit verzoekers houding en gedraging blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ondubbelzinnig dat hij - zijn verklaringen ten spijt - zijn verplichtingen (zoals bedoeld in artikel 9 van de Pw) niet heeft willen nakomen. De voorzieningenrechter heeft met verweerder geen enkel aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat verzoeker voldoet aan alle wettelijke verplichtingen zoals verzoeker onder meer stelt. Dat verzoeker een voltijdsstudie volgt doet daar niet aan af. Evenmin verzoekers stelling dat hij met het behalen van zijn voltijdstudie een beter perspectief en kans van slagen heeft op de arbeidsmarkt. Verzoeker beschikt over een startkwalificatie bedoeld in artikel 6 eerste lid onder d van de Pw. Aangenomen mag daarom worden dat verzoeker voldoende mogelijkheden heeft om een betaalde baan te verwerven. Dat verzoeker studeert ontheft hem, anders dan hijzelf betoogt, niet van de verplichting actief naar betaald werk te zoeken. Nu uit de houding van verzoeker zonneklaar blijkt dat hij dat niet van zins is, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter, terecht toepassing gegeven aan artikel 13, tweede lid onder d in samenhang met artikel 41 van de Pw.

7.5

De voorzieningenrechter overweegt nog dat het een feit van algemene bekendheid is dat veel (voltijds)studenten hun studie (mede) financieren door een bijbaantje in de avond of in de weekenden. Door verzoeker is niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om voor deze optie te kiezen. Verzoeker verkeert daarnaast ook niet in de situatie dat hij geen kans maakt op parttime werk met de opleiding die hij reeds heeft afgerond.

7.6

Met verweerder concludeert de voorzieningenrechter dat er geen aanleiding is om verzoeker tijdelijk te ontheffen van zijn arbeidsverplichting omdat verzoeker (mantel)zorgtaken op zich heeft genomen. Verweerder kan worden gevolgd in zijn opmerking dat verzoeker tijdens de aanvraagprocedure geen melding heeft gemaakt van zorgtaken en dat deze stelling eerst in bezwaar naar voren is gebracht. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 20164. Verzoeker heeft in bezwaar noch in beroep aannemelijk kunnen maken dat hij dusdanige (mantel)zorgtaken op zich heeft genomen in die omvang waardoor het voor hem onmogelijk is om zijn studie in combinatie met de verplichtingen die de Participatiewet met zich brengt te voldoen.

7.7

De uitleg die verzoeker geeft aan de bepaling in artikel 13, tweede lid, onder c ten 2° van de Pw slaagt niet nu verzoeker op grond van artikel 13, tweede lid onder d van de Pw is uitgesloten van bijstand. Uit de door verzoeker aangehaalde website volgt niet dat iemand recht heeft op bijstand als hij een opleiding volgt. Immers als iemand een opleiding gaat volgen zal hij over het algemeen recht hebben op studiefinanciering en om die reden geen recht op een uitkering op grond van de Pw. Aan verzoeker moet worden toegegeven dat iemand die een opleiding volgt en, zoals hij, geen recht (meer) heeft op studiefinanciering in aanmerking kan komen voor een uitkering op grond van de Pw. Hij moet dan wel voldoen aan de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Pw. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 6.3 is overwogen slaagt verzoekers algemene verwijzing naar de Memorie van Toelichting evenmin.

7.8

De voorzieningenrechter ziet in verzoekers overige stellingen geen aanleiding voor verweerder om verzoeker in de te beoordelen periode op andere dringende gronden in aanmerking te brengen voor bijstand ter voldoening van de kosten in levensonderhoud. Opmerkelijk is dat verzoeker zijn lopende betalingsverplichtingen kan voldoen door overschrijving van zijn eigen beleggingsrekening. Dat er sprake zou zijn van oplopende schulden om te voorzien in de kosten van levensonderhoud is door verzoeker niet aannemelijk gemaakt. Bovendien kan nimmer bijstand worden verstrekt voor voldoening van gemaakte schulden.

Dit brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verzoeker door verweerder terecht is uitgesloten van het recht op bijstand.

7.9

Verzoeker beroep dient ongegrond te worden verklaard. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7.10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 september 2021

griffier

Voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak in de bodemprocedure kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 TK 2010-2011, 32815, nr. 3, pagina 60

2 CRVB 30-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3370

3 TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, pagina 6

4 ECLI:NL:CRVB:2016:3370