Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4870

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
05/041346-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 31-jarige man uit Rheden voor het doden van zijn vriendin (doodslag). Hij krijgt een gevangenisstraf van 12 jaar opgelegd.

Er is door deskundigen uitgebreid onderzoek verricht naar het letsel, de doodsoorzaak en de wijze waarop het letsel is ontstaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de man zijn vriendin op 13 februari 2020 om het leven heeft gebracht door haar keel dicht te drukken en door geweld toe te passen op haar romp en ribben. Dit vond plaats in de woning van het slachtoffer in Eerbeek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0725
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/041346-20

Datum uitspraak : 14 september 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Achterhoek, HvB in Zutphen.

Raadsman: namens mr. A.M.J. Comans, mr. W.B. Lisi en mr. Y. Moszkowicz, advocaten in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 en/of 14 februari 2020, te Eerbeek, in de

gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,

door de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of enige tijd dichtgedrukt te houden, en/ of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te drukken, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet geschoeide voet (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of tegen de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het

lichaam te schoppen en/ of te trappen;

(art 289 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 en/of 14 februari 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of enige tijd dichtgedrukt te houden, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of de ribben en/of tegen de armen en/ of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te drukken, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet geschoeide voet (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of tegen de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het

lichaam te schoppen en/of te trappen;

(art 287 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 en/of 14 februari 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

aan een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het strottenhoofd en/of een of meerdere gebroken ribben en/of een (dubbele) klaplong, heeft toegebracht, door de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of enige tijd dichtgedrukt te houden, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te drukken, en/of door genoemde [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet geschoeide voet (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of tegen de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen en/ of te trappen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks het tijdvak van 12 februari 2020 tot en met 14 februari 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld,

door de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of enige tijd dichtgedrukt te houden, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of de ribben en/of tegen de armen en/ of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te drukken, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet geschoeide voet (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of tegen de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het

lichaam te schoppen en/of te trappen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 februari 2020 belde verdachte vanuit Eerbeek, gemeente Brummen, om 2.08 uur het alarmnummer 112. Verdachte verklaarde dat zijn vriendin niet meer bewoog en dat ze niet meer ademde.2 Reanimatie mocht niet meer baten en om 2.50 uur dezelfde dag werd het slachtoffer overleden verklaard.3 Het slachtoffer betrof [slachtoffer] .4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte vrijgesproken wordt van de tenlastegelegde moord, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De officier van justitie heeft gemotiveerd gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Een veroordeling kan zich niet verder uitstrekken dan mishandeling, zonder de dood als gevolg.

De raadsman heeft hiertoe naar voren gebracht dat voor voorbedachte raad, zoals is vereist voor het primair ten laste gelegde, geen enkele aanwijzing is. Daarnaast is het precieze uitgeoefende geweld en het moment waarop dat heeft plaatsgevonden lastig vast te stellen. Ook kan niet de conclusie worden getrokken dat al het letsel van het slachtoffer is veroorzaakt door opzettelijke geweldpleging. Ook accidenteel geweld, zoals een val van het slachtoffer, kan letsel hebben veroorzaakt. Meer specifiek heeft de raadsman in dit verband aangevoerd dat er geen puntbloedingen in de ogen en oogleden van het slachtoffer zijn aangetroffen en dat het strottenhoofd intact was. Bij opzettelijk geweld zou het letsel en de uiterlijke kenmerken daarvan verstrekkender zijn dan door de forensisch deskundigen is aangetroffen. Er is geweld door verdachte toegepast, er kan echter niet worden vastgesteld dat dat geweld tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het geweld dat verdachte heeft toegepast wel instrumenteel was aan het overlijden van het slachtoffer, dan is er geen sprake geweest van opzet bij verdachte op haar dood, ook niet in voorwaardelijke zin.

Beoordeling door de rechtbank

Letsel en doodsoorzaak

Door deskundigen is onderzoek gedaan naar het letsel en de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer. Bij het slachtoffer is onder andere het volgende letsel aangetroffen: twee klaplongen, vele ribbreuken, een breuk van het borstbeen (kan door reanimatie worden verklaard), een breuk van het linker kuitbeen, een breuk van een dwarsuitsteeksel van de derde lendenwervel (vermoedelijk na overlijden ontstaan) en een breuk van het bovenste hoorntje van het schildkraakbeen. Daarnaast zijn er vele bloeduitstortingen op het lichaam aangetroffen, te weten in de hals, aan het hoofd, de borst, de flanken, de armen, de handen, de benen, de voeten en laag aan de rug. De grootste bloeduitstorting besloeg nagenoeg het gehele rechterbeen.

De letsels aan de hals zijn bij leven ontstaan door stomp botsend en/of samendrukkend geweld (wurgen). De ribbreuken die bloeduitstorting toonden (zeven in totaal) zijn bij leven ontstaan door stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld op de romp en kunnen hebben geleid tot beperkte ademhalingsbewegingen en daarmee tot zuurstofgebrek. Tevens kunnen de ribbreuken hebben geleid tot het aanprikken van het longvlies met samenvallen van longweefsel en daarmee totaal verlies van de longfunctie als gevolg. Indien het slachtoffer niet meer in leven was bij aanvang van de reanimatie, kunnen de ribbreuken met bloeduitstortingen niet verklaard worden door de reanimatie. De conclusie van de patholoog is dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard door stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals, (samen)drukkend geweld op de romp, of een combinatie hiervan. Een bijdrage van onderkoeling kan niet worden uitgesloten.5

Er is ook onderzoek gedaan naar het tijdstip van overlijden. De forensisch arts acht het het meest waarschijnlijk dat het slachtoffer op 13 februari 2020 is overleden tussen 17.40 uur en 23.30 uur.6

Gelet op voormeld onderzoek van de forensisch arts betreffende het tijdstip van overlijden, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer al ruim voor aanvang van de reanimatie was overleden, die immers pas na 02.08 uur op 14 februari 2020 een aanvang nam. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van getuige [getuige 1] , die als burgerhulpverleenster als eerste ter plaatse was. Zij heeft verklaard dat het gezicht van het slachtoffer wit was, dat haar lippen blauw waren, dat ze koud aanvoelde en dat ze geen polsslag bij het slachtoffer voelde.7 Ambulanceverpleegkundige [getuige 2] heeft ook verklaard dat er geen tekenen van leven meer waren bij het slachtoffer. Hij zag aan haar gelaat dat ze overleden was.8 De rechtbank concludeert hieruit dat de ribbreuken van het slachtoffer met bloeduitstortingen niet tijdens de reanimatie, maar reeds daarvoor zijn ontstaan.

De patholoog heeft in een aanvullend bericht over het ontstaan van een klaplong weergegeven dat een spanningsklaplong, zoals in onderhavige zaak het geval is, alleen kan ontstaan als er toevoer van lucht in de longen is. Dit kan door de natuurlijke ademhaling van het slachtoffer en in theorie ook door mechanische ademhaling, bijvoorbeeld tijdens reanimatiehandelingen. Het slachtoffer moet dan nog wel in leven zijn of nét zijn overleden.9

De rechtbank overweegt dat, nu de reanimatie niet enkele minuten na het overlijden van het slachtoffer een aanvang heeft genomen, ook de dubbelzijdige klaplong van het slachtoffer bij leven, en niet tijdens de reanimatie, is ontstaan.

Hoe is het letsel ontstaan?

De vraag waarvoor de rechtbank zich voorts gesteld ziet is op welke wijze het letsel is ontstaan en of dit door toegebracht geweld of door accidenteel (niet-toegebracht) geweld, zoals vallen en stoten, kan zijn ontstaan.

Door deskundigen van het NFI is onderzoek hieromtrent verricht. Het aantreffen van de breuk van het bovenste hoornbeentje van het schildkraakbeen is waarschijnlijker indien de breuk is ontstaan door verwurging dan wanneer de breuk is ontstaan door botsend geweld. Daarnaast is het letsel in de hals veel waarschijnlijker indien het is ontstaan door verwurging (manueel of met een riem) dan indien het is ontstaan door stomp botsend geweld.10 Ten slotte is het geheel van sectiebevindingen zeer veel waarschijnlijker indien het overlijden wordt verklaard door alleen toegebracht geweld, dan dat het overlijden wordt verklaard door alleen accidenteel (niet-toegebracht) geweld.11

Verdachte heeft wisselend verklaard over de momenten waarop hij het slachtoffer heeft mishandeld, maar hij heeft ook verklaard dat hij het slachtoffer op 13 februari 2020 niet heeft mishandeld en dat zij in de avond van 13 februari 2020 meerdere keren in de woonkamer is gevallen. Gelet op deze verklaring van verdachte is aan het NFI de vraag voorgelegd hoe waarschijnlijk het is dat het dodelijke letsel door accidenten is veroorzaakt in de woonkamer, zoals is verklaard door verdachte. Om deze vraag goed te kunnen beantwoorde zijn twee, elkaar uitsluitende hypotheses opgesteld. Hypothese 1: het overlijden wordt verklaard door alleen accidenteel geweld, zoals verklaard door verdachte, veroorzaakt in de woonkamer en; hypothese 2: het overlijden wordt niet verklaard door alleen accidenteel geweld zoals verklaard door verdachte, veroorzaakt in de woonkamer. De foto’s van de woonkamer van het slachtoffer zijn meegenomen in de beoordeling. Geconcludeerd wordt dat het geheel van sectiebevindingen extreem veel waarschijnlijker is onder hypothese 2, dan onder hypothese 1. Daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat de breuk van het hoorntje van het schildkraakbeen en de ribbreuken zijn veroorzaakt door één of meerdere vallen.12 Ten slotte wordt door de patholoog opgemerkt dat de locatie van meerdere bloeduitstortingen (buigzijde armen en binnenzijde bovenbenen) zeer atypisch zijn voor een val.13

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en oordeelt op grond daarvan dat het slachtoffer op 13 februari 2020 tussen 17.40 en 23.30 uur is overleden. Ze is door toegebracht (dus niet door accidenteel) stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals, (samen)drukkend geweld op de romp, of een combinatie hiervan, om het leven gebracht.

De rechtbank verwerpt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld dat het op het slachtoffer toegepaste geweld tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

Op welk moment en door wie is het slachtoffer om het leven gebracht?

De vraag waarvoor de rechtbank zich voorts gesteld ziet, is of verdachte degene is geweest die het slachtoffer op de in de tenlastelegging vermelde datum om het leven heeft gebracht.

De patholoog van het NFI heeft verklaard dat wanneer iemand ribbreuken en een dubbelzijdige klaplong oploopt, het de verwachting is dat die persoon pijn aangeeft, om hulp roept, in hevige ademnood komt en uiteindelijk door verstikking overlijdt.14 Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank zeer onwaarschijnlijk dat het slachtoffer langere tijd met genoemd letsel heeft rondgelopen. Bovendien heeft de moeder van het slachtoffer verklaard dat [slachtoffer] en verdachte op 13 februari 2020 rond 16.00 uur bij haar thuis zijn geweest. De capuchon van de jas die [slachtoffer] aan had was toen kapot. 15 Toen getuige op 16 februari 2020 in de woning van haar dochter was, zag ze dat de jas die [slachtoffer] op 13 februari 2020 aan had helemaal kapotgesneden was: de rug lag los en bij de schouder was de jas helemaal los. Dat was nog niet zo toen ze haar dochter ’s middags zag.16

De rechtbank leidt hieruit af dat er na het bezoek aan de moeder van [slachtoffer] een geweldsuitbarsting van verdachte moet hebben plaatsgevonden waarbij hij de jas heeft vernield en ook het letsel als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden heeft toegebracht, nu niemand anders dan verdachte op 13 februari 2020 in de woning van het slachtoffer aanwezig is geweest.

De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] na het bezoek aan haar moeder direct in bed heeft gelegd, en dat ze later in de avond meerdere malen is gevallen, is mede gelet op het bovenstaande niet geloofwaardig en kan terzijde worden geschoven.

Opzet

De rechtbank overweegt dat de exacte aard van de geweldshandelingen niet duidelijk is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank kan er echter, mede gezien de aard, ernst en hoeveelheid van de verwondingen, geen twijfel over bestaan dat de geweldshandelingen zodanig moeten zijn geweest dat verdachte – als zijn opzet daar niet bewust op was gericht – in ieder geval de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. Bij deze vaststelling weegt de rechtbank mee dat er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer. [slachtoffer] had MS, waarvan verdachte op de hoogte was, en had volgens haar moeder nog niet de kracht om een eitje te pellen.17 Ook had het slachtoffer letsel dat al voor 13 februari 2020 was ontstaan, zoals het letsel rechts aan de borst, op de rechterarm en het linker bovenbeen.18 Getuigen hebben verklaard dat het slachtoffer op 10 februari en 12 februari 2020 blauwe plekken in haar gezicht had.19

Uit het dossier blijkt niet dat het geweld uitgeoefend op de armen en benen, en ook op het hoofd van het slachtoffer, heeft geleid tot haar dood. Verdachte zal daarom van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Moord of doodslag

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord. Wel is wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten doodslag.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 en/of 14 februari 2020, te Eerbeek, in de gemeente Brummen,

een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of enige tijd dichtgedrukt te houden, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of de ribben en/of tegen de armen en/ of de benen en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te drukken, en/of door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet geschoeide voet (krachtig) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de hals/nek/keel en/of tegen de romp en/of tegen de ribben en/of tegen de armen en/of de benen en/of (elders) tegen het

lichaam te schoppen en/of te trappen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De rechtbank wijst hierbij op hetgeen is overwogen in de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

Uit het psychologisch rapport van 1 december 2020, opgesteld door M.F. Petit, komt naar voren dat verdachte slechts zeer beperkt heeft deelgenomen aan de onderzoeken. Hierdoor kan niet worden bevestigd dat er sprake is van een verstandelijke beperking. Wel is zichtbaar geworden dat verdachte makkelijk gekrenkt kan worden. Tevens wordt geen psychiatrisch beeld gezien zoals een (manische) depressie of een psychose. Uiteindelijk is er onvoldoende zicht gekomen op de persoonlijkheid van verdachte.

Verdachte is opgenomen in het PBC van 24 februari 2021 tot 7 april 2021. Uit het rapport van het PBC van 19 mei 2021, opgesteld door M. Fluit en T. ’t Hoen komt naar voren dat verdachte ook daar weigerde om mee te werken aan het onderzoek. Door deze weigering was het niet mogelijk om een zodanig gedragskundig onderzoek te verrichten dat daaruit eigenstandige diagnostische conclusies getrokken zouden kunnen worden. Door de beperkingen van het onderzoek valt niet te bepalen of verdachte lijdende is aan een psychische stoornis, een verstandelijke handicap, een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en/of een ziekelijke stoornis. Uitspraken over een eventuele doorwerking kunnen daarom ook niet worden gedaan. Wel kon worden vastgesteld dat er sprake is van een hoge kans op toekomstig breed geweld op de lange termijn indien verdachte zonder behandeling zou terugkeren in de situatie van voor zijn aanhouding.

Nu niet is vastgesteld dat verdachte lijdende is aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening en er geen eerdere rapportages over verdachte zijn opgemaakt waaruit zulks zou blijken, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van doodslag komen, een straf tegen de ondergrens van wat doorgaans wordt opgelegd bij doodslag passend is. De raadsman denkt hierbij aan een gevangenisstraf van rond de acht jaar.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op 13 februari 2020 zijn toenmalige vriendin, [slachtoffer] , in haar eigen woning om het leven gebracht. Verdachte heeft hierdoor een einde gemaakt aan het leven van een jonge vrouw die hij nog maar drie weken kende. Haar lichaam was bont en blauw. Verdachte heeft het slachtoffer het meest wezenlijke bezit, haar leven, ontnomen.

Verdachte heeft de nabestaanden en andere dierbaren van het slachtoffer, in het bijzonder haar ouders, broer en schoonzus en hun kinderen, onherstelbaar en groot leed toegebracht waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. De moeder en broer van [slachtoffer] hebben ter zitting een verklaring afgelegd. Ze hebben gesproken over de gevolgen die het strafbare feit voor hen heeft gehad en nog steeds heeft en het immense leed dat hen is aangedaan. Zij zullen daarnaast moeten leren leven met vragen rond de dood van [slachtoffer] , die onbeantwoord blijven, omdat verdachte, ook na een indringende oproep van de moeder van het slachtoffer, geen openheid van zaken heeft gegeven.

Verdachte heeft met het plegen van deze doodslag één van de zwaarste misdrijven begaan die de Nederlandse strafwet kent.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het eerder aangehaalde psychologisch rapport van 1 december 2020, het eerder aangehaalde rapport van het PBC van 19 mei 2021 en de rapporten van de reclassering van 25 februari 2020, 30 april 2020, 1 december 2020 en 12 augustus 2021.

Uit de rapporten van de reclassering blijkt dat verdachte niet of nauwelijks in gesprek wilde gaan met de reclassering. Het ontbreekt de reclassering derhalve aan informatie om een advies te geven over eventueel toe te passen interventies en/of toezicht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voor afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een langdurige vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft in haar afweging ten nadele van verdachte meegewogen dat hij tijdens het gehele strafproces geen openheid van zaken heeft gegeven.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal hierop in mindering worden gebracht. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De rechtbank zal daarnaast ook aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de algemene veiligheid van personen.

Uit het rapport van het PBC komt naar voren dat er sprake is van een hoge kans op toekomstig breed geweld op de lange termijn indien verdachte zonder behandeling zou terugkeren in de situatie van voor zijn aanhouding.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na beëindiging van detentie langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbare hoogte te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie bij beëindiging van de detentie en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , de moeder, [benadeelde 2] , de vader en [benadeelde 3] , de broer van [slachtoffer] , hebben, bijgestaan door mr. S. Striekwold, een vordering tot schadevergoeding ingediend in verband met het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert € 4.304,94 voor materiële schade, € 10.000 voor immateriële schade in de vorm van shockschade en € 17.500 voor affectieschade. De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert € 10.000 voor immateriële schade in de vorm van shockschade en € 17.500 voor affectieschade. De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert € 91,06 voor materiële schade en € 10.000 voor immateriële schade in de vorm van shockschade. De benadeelde partijen hebben gevraagd om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet in aanmerking komen voor shockschade. Voor wat betreft de schadeposten van medicatie en het consult bij praktijk “Voel-Bewust” wijst de verdediging op de zorgverzekering waarop eventueel een beroep kan worden gedaan. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Overweging van de rechtbank

Immateriële schade

Shockschade en daarmee samenhangende schade

De drie benadeelde partijen hebben gesteld dat zij, kort nadat [slachtoffer] door verdachte is gedood, zijn geconfronteerd met de verschrikkelijke gevolgen van het geweld dat verdachte op [slachtoffer] heeft uitgeoefend. Ze zijn geconfronteerd met haar verwondingen en blauwe plekken en hebben ook de ravage in haar woning waargenomen, waarbij duidelijk werd dat er een vreselijk gewelddadig en beangstigend tafereel had plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat shockschade de schade is die ontstaat als een benadeelde partij een hevige emotionele schok ondervindt door het waarnemen van het ten laste gelegde feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan en door die schok geestelijk letsel oploopt. Geestelijk letsel zal in het algemeen slechts kunnen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Duidelijk is dat de dood van [slachtoffer] groot leed heeft veroorzaakt bij haar ouders en broer. Hoe verschrikkelijk ook, de omstandigheid dat een kind of zus slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf is op zichzelf echter niet voldoende om te kunnen aannemen dat shockschade is ontstaan. Ook de vaststelling dat sprake is van groot leed is niet voldoende om te kunnen aannemen dat shockschade is ontstaan.

Vast staat dat in dit geval geen schok is ontstaan doordat de benadeelde partijen getuige zijn geweest van het misdrijf. Zij waren daarbij immers niet aanwezig. Dan is de vraag of er sprake was van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het gepleegde misdrijf.

In de gevallen waarin in de jurisprudentie tot op heden een ‘directe confrontatie’ is aangenomen, kenmerken deze confrontaties zich in het algemeen door onverhoedse waarneming van het lichaam en verwondingen van de overledene direct na het feit. Een dergelijke onverhoedse waarneming heeft in deze zaak niet plaatsgevonden. Zonder af te doen aan het leed van de benadeelde partijen, staat vast dat zij niet op de plaats delict zijn geconfronteerd met het slachtoffer. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf direct na het feit.

Nu aan het vereiste van de directe confrontatie niet is voldaan, is de vraag of een in de psychiatrie erkend ziektebeeld aanwezig is bij de benadeelde partijen niet meer aan de orde.

Gelet op het bovenstaande zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering met betrekking tot de gevorderde shockschade. Ook de hieruit door de benadeelde partij [benadeelde 1] samenhangende gevorderde schade vanwege de aanschaf van medicatie en consulten bij praktijk “Voel-Bewust” zijn niet voor toewijzing vatbaar.

Affectieschade

De ouders van het slachtoffer - [benadeelde 1] en [benadeelde 2] - hebben naast shockschade, ook vergoeding van affectieschade gevorderd. Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel, en nabestaanden van overleden slachtoffers. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene. De bedragen die voor deze schade kunnen worden toegekend staan vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. Het slachtoffer was ten tijde van haar overlijden meerderjarig en woonde niet meer bij haar ouders, zodat de affectieschade voor de ouders € 17.500 bedraagt. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering voor beide benadeelde partijen geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020.

Materiële schade

Begrafeniskosten

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek geeft een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is. Degene die de kosten heeft gedragen voor de lijkbezorging kan deze kosten van de aansprakelijke vorderen. De door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde schade vanwege niet vergoedde kosten voor de begrafenis van € 3.012,69 en de kosten van een fotograaf van € 200 die het afscheid heeft vastgelegd zal de rechtbank gelet hierop toewijzen.

De door [benadeelde 1] gevorderde schade vanwege aanschaf van rouwkleding en de kosten voor afwikkeling van de nalatenschap vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de kosten van lijkbezorging. De benadeelde partij wordt daarom voor deze onderdelen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Telefoonkosten en kosten leegruimen woning

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De rechtbank acht de gevorderde telefoonkosten (€ 25) en kosten vanwege het leegruimen van de woning (€ 309,01) dan ook voor toewijzing vatbaar, nu deze schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit en als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking komen.

Reiskosten

De door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] gevorderde reiskosten zijn niet voor toewijzing vatbaar. Reiskosten in verband met het bijwonen van zittingen en vanwege het bezoeken aan de officier van justitie en de advocaat zijn immers niet te beschouwen als materiële schade. Reiskosten vanwege het bezoeken van zittingen zijn wel proceskosten volgens het civiele proceskosten systeem en zijn voor toewijzing vatbaar, tenzij een benadeelde partij met een gemachtigde procedeert, die ook ter zitting namens deze het woord voert (artikel 238 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In onderhavige zaak werden de benadeelde partijen bijgestaan door een gemachtigde, die ook ter zitting namens hen het woord heeft gevoerd. De door de benadeelde partijen gevorderde reiskosten zijn derhalve niet toewijsbaar.

Samenvattend

Aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , zal derhalve een bedrag van € 17.500 bestaande uit affectieschade en een bedrag van € 3.546,70 voor materiële schade worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020. Aan de benadeelde partij [benadeelde 2] zal een bedrag van € 17.500 bestaande uit affectieschade worden toegewezen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020.

De benadeelde partij [benadeelde 3] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren;

 legt veroordeelde tevens op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr);

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 3.546,70 aan materiële schade en € 17.500 aan immateriële schade, zijnde een vergoeding van affectieschade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële/immateriële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 3.546,70 aan materiële schade en € 17.500 aan immateriële schade, zijnde een vergoeding van affectieschade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 140 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 17.500 aan immateriële schade, zijnde een vergoeding van affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 17.500 aan immateriële schade, zijnde een vergoeding van affectieschade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 122 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële/immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. M.F. Gielissen en

mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 september 2021.

mr. Pastoors en mr. Gielissen zijn buiten

staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2020069933 (onderzoek Eems), gesloten op 14 november 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal uitwerking audiogesprek ambulancedienst, proces-verbaalnummer 202106151409.BEV, p. 1 en 2.

3 Schouwverslag, p. 40.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32.

5 Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. 60 t/m 63.

6 Schouwverslag, p. 43.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 188 t/m 190.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 229 en 230.

9 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullend bericht van het NFI, p. 110.

10 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullend bericht van het NFI, p. 74 en 75.

11 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullend bericht van het NFI, p. 108 en 109.

12 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullend bericht van het NFI, p. 104 en 109.

13 Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. 62.

14 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een aanvullend bericht van het NFI, p. 110.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 141, 142, 143 en 146.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 166.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 166.

18 Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. 60 en 61.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 198 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 195.