Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4753

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
05.119052.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 50 maanden, met aftrek, op ter zake van Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet, gegeven verbod. Tevens wordt de inbeslaggenomen auto onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.119052.21

Datum uitspraak : 27 augustus 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),

wonende aan de [adres] ,

nu gedetineerd in de P.I. Achterhoek, HvB in Zutphen.

Raadsman: mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 mei 2021 te Hoog Soeren, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 21(eenentwintig) kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging opzettelijk vervoeren van 21 kilo cocaïne, zoals ten laste is gelegd. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat alle opsporings-en onderzoekshandelingen rechtmatig zijn geweest zodat er geen grond is voor bewijsuitsluiting.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman zijn de door de politie aangetroffen verdovende middelen om meerdere redenen onrechtmatig verkregen. Primair heeft de raadsman zich daarom op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, subsidiair is vrijspraak bepleit omdat bewijsuitsluiting moet volgen. Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte geen wetenschap had van de verdovende middelen en dus geen opzet had op het vervoeren hiervan.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling van de door de verdediging gevoerde rechtmatigheidsverweren

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die verder ook niet ter discussie staan:

-op 22 september 2020 wordt [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) als bestuurder gecontroleerd in een [merk 1] met Duits kenteken met daarin een professionele met lood beklede verborgen ruimte (die op dat moment leeg is);

-op 17 december 2020 wordt [medeverdachte 1] als bestuurder gecontroleerd in een [merk 2] met Duits kenteken met daarin mogelijk een verborgen ruimte. Bij bevraging van het kenteken door het Flexibel Interventie Team (FIT) van de Landelijke Eenheid, komt een chassisnummer naar voren. Bij bevraging van het chassisnummer blijkt dat de [merk 2] een dag later, op 18 december 2020, een ander kenteken heeft gekregen, te weten [kenteken] [proces-verbaal van bevindingen p. 28] en op naam staat van [naam] ;2

-het FIT bestaat uit politieambtenaren en houdt zich onder meer bezig met de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. De [merk 2] staat bij hen ambtshalve bekend als een voertuig waarin verborgen ruimtes kunnen worden ingebouwd voor het vervoer van (grote hoeveelheden) wapens, crimineel geld of verdovende middelen;3

-op 24 maart 2021 wordt de [merk 2] met kenteken [kenteken] door het FIT geplaatst in het Automatic Number Plate Recognition (ANPR) systeem vanwege het vermoeden van een verborgen ruimte;

-op (onder meer) 3 mei 2021 levert het kenteken een ANPR-hit op, als deze op de A1 vanuit de richting van Enschede in de richting van Apeldoorn rijdt en wordt verbalisant hierover door het FIT geïnformeerd. Bij bevraging van het kenteken blijkt dan dat de [merk 2] op 28 april 2021 ook naar Nederland en vervolgens in de richting van Rotterdam is gereden, waarna deze op 29 april 2021 terug naar Duitsland is gereden. Het vermoeden bestaat dat de [merk 2] wederom onderweg is in de richting van Rotterdam en wordt gevolgd;

-verbalisanten zien dat de [merk 2] stopt bij een tankstation in de omgeving Rotterdam, waar ook een Duitse [merk 3] (kenteken HH-OG5725) stopt. Hierna rijden beide auto’s door en parkeren na elkaar in dezelfde straat in Rotterdam;4

-met toestemming van de officier van justitie wordt hierna op 3 mei 2021 om 11:40 uur een niet-registrerend politiebaken onder de [merk 2] in Rotterdam geplaatst om deze te kunnen volgen;5

-op 4 mei 2021 om 04:20 uur wordt de eerste beweging van het baken waargenomen. Het kenteken van de [merk 2] levert dan een ANPR-hit op in Rotterdam. Rond 04:30 uur genereren de [merk 2] en de [merk 3] op dezelfde locaties in Rotterdam en omgeving een ANPR-hit. Hierop worden de auto’s gevolgd. Verbalisanten zien beide auto’s op korte afstand van elkaar, ongeveer 1 minuut verschil, in de richting van de Duitse grens rijden. De [merk 3] rijdt voorop;6

-aan de bestuurder van de [merk 2] , naar later blijkt verdachte, wordt om 05:25 uur in Hoog-Soeren een volg- en stopteken gegeven. Er vindt controle plaats. Verdachte wordt om zijn rijbewijs en kentekenbewijs gevraagd. Ook het chassisnummer, de staat van de banden en de werking van de gordels van de auto worden gecontroleerd. Verbalisant ziet dat verdachte tijdens de controle nerveus is; hij maakt ongecontroleerde bewegingen en zijn handen trillen. Verdachte verklaart dat hij onderweg is naar Duitsland;7

-vervolgens hoort verbalisant van een collega via de portofoon dat de bestuurder van de [merk 3] , naar later blijkt eerdergenoemde [medeverdachte 1] , eveneens staande is gehouden (om 05:30 uur) op een nabij gelegen locatie. Verbalisant hoort via de portofoon dat de bestuurder van de [merk 3] aangeeft dat hij alleen rijdt, de bestuurder van de [merk 2] niet kent en vanuit Amsterdam komt;

-de [merk 2] wordt doorzocht op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering. Onder de achterbank worden rails met lijmresten gezien, waardoor het vermoeden ontstaat dat onder de achterbank een verborgen ruimte is aangebracht. Verdachte wordt hierop om 06:17 uur aangehouden, de [merk 2] wordt in beslag genomen;

-verbalisant herkent verdachte en [medeverdachte 1] als de personen die hij op 3 mei 2021 in de

ochtend heeft gevolgd in Rotterdam vanaf de Prinsenlaan over Prins Alexanderlaan

richting winkelcentrum Alexandrium;8

-de [merk 2] wordt overgebracht voor nader onderzoek. Daaruit volgt dat achter het spatbord in de wielkast van beide voorwielen een plaat is bevestigd, die niet standaard aanwezig is. Bij het wegbuigen van de plaat worden twee openingen in het chassis zichtbaar. Hierin worden

20 witte blokken aangetroffen met een nettogewicht van in totaal (afgerond 3,50 kilogram + 17,61 kilogram =) naar beneden afgerond 21 kilogram. Van de blokken zijn monsters genomen die door de politie alle indicatief positief zijn getest op cocaïne.; uit vervolgonderzoek door het NFI blijkt eveneens dat het om cocaïne gaat.9

1. Invoering kenteken van [merk 2] in ANPR-systeem en/of op ANPR FIT-lijst

De raadsman heeft aangevoerd dat het kenteken van de [merk 2] zonder wettelijke grondslag en dus onrechtmatig is ingevoerd in het ANPR-systeem. Door aan dit systeem (mutaties van) persoonsgegevens te koppelen, over een langere periode nog wel, en deze te gebruiken voor de opsporing, is sprake van handelen in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens en het recht op eerbiediging van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens de raadsman levert dit een onherstelbaar vormverzuim op ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en moet uitsluiting volgen van de bewijsmiddelen die ten gevolge van dit onrechtmatig handelen zijn verkregen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het invoeren van het kenteken in het ANPR Systeem dan wel het plaatsen van het kenteken op een zogenaamde ANPR FIT-lijst, relevant is voor de uitvoering van de algemene taakomschrijving van de politie en valt binnen de reikwijdte van artikel 3 van de Politiewet. Dat geldt volgens de officier van justitie ook voor het raadplegen en opvolgen van de door het ANPR-systeem gegenereerde hits. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de betreffende kamerstukken.

De rechtbank overweegt dat de verdediging niet heeft gesteld en uit het dossier ook niet is op te maken dat aan de ANPR-registratie van het kenteken, enige persoonsgegevens van verdachte gekoppeld zijn (geweest). Het kenteken stond ook niet op zijn naam.10 Los van het antwoord op de vraag of de invoering van het kenteken was toegestaan, overweegt de rechtbank dat gelet op de Schutznorm, hoe dan ook geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen jegens verdachte en dus ook niet van een vormverzuim jegens hem. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

2.Inzet niet-registrerend politiebaken en observatie

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de inzet van het baken niet is opgenomen bij de bijzondere opsporingsbevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering en subsidiair dat een specifieke machtiging hiervoor ontbreekt in het dossier. Gelet hierop is volgens de raadsman strijd met het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel, met artikel 10, tweede lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de bevoegdheid om een niet-registrerend politiebaken te plaatsen, onder de reikwijdte van artikel 3 van de Politiewet valt, voor zover hiermee geen min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Van dit laatste is volgens de officier van justitie in deze zaak geen sprake zodat het plaatsen van het baken was toegestaan.

Op grond van de hierboven opgenomen feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het niet- registrerend baken met toestemming van de officier van justitie is geplaatst en dat het baken slechts voor korte tijd, te weten minder dan 24 uur, in gebruik is geweest. Bovendien werd verdachte 1 uur na de eerste melding dat het baken bewoog, al staande gehouden zodat de waargenomen reisbewegingen zeer beperkt zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat door het plaatsen van het baken een min of meer compleet beeld van verdachtes privéleven is verkregen. Van stelselmatige observatie is geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met het plaatsen van het baken slechts in zeer geringe mate inbreuk is gemaakt op de privacy van verdachte zodat de algemene taakomschrijving van de politie, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet, daarvoor voldoende grondslag biedt. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer: ECLI:NL:HR:2018:2050). Van een vormverzuim is dan ook geen sprake.

3.Staandehouding/controle van verdachte en de auto

Nadat een politieambtenaar melding kreeg dat het baken in beweging was gekomen, is de [merk 2] gevolgd en heeft verbalisant aan verdachte een volg- en stopteken gegeven op basis van artikel 160, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zo volgt uit het dossier [proces-verbaal van bevindingen p. 36]. Vervolgens heeft een verkeerscontrole plaatsgevonden. Daarbij heeft verbalisant verdachte verzocht om inzage in zijn rijbewijs en kentekenbewijs. Ook is de auto op diverse punten gecontroleerd, zoals de staat van de banden, de werking van de gordels en het chassisnummer. Uit het voorgaande volgt dat de verbalisant voornoemde controlebevoegdheid heeft uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. Uit rechtspraak van de Hoge Raad [zie onder meer: ECLI:NL:2016:2454] volgt dat zolang de uitoefening van deze controlebevoegdheid mede verband houdt met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften, deze in beginsel rechtmatig is. Verder overweegt de rechtbank dat nergens uit blijkt dat bovenstaande controlebevoegdheid uitsluitend is aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten zodat geen sprake is van détournement de pouvoir. In navolging van het standpunt van de officier van justitie, is de rechtbank daarom van oordeel dat bovenstaande controlebevoegdheid rechtmatig is uitgeoefend. Het verweer wordt verworpen.

4.Doorzoeking van de [merk 2]

De raadsman heeft aangevoerd dat er op het moment dat de auto werd doorzocht, geen grond was voor een verdenking van een strafbaar feit zodat de doorzoeking onrechtmatig is geweest en de aangetroffen verdovende middelen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking was toegestaan omdat op dat moment sprake was van een heterdaadsituatie en tevens van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in casu witwassen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van pagina 37 volgt dat de volgende feiten en omstandigheden voor de politie aanleiding waren om de [merk 2] te doorzoeken:

-bij controle in 2020 is [medeverdachte 1] aangetroffen in een auto met een verborgen ruimte. Een paar maanden later is [medeverdachte 1] gecontroleerd in de onderhavige [merk 2] , die toen voorzien was van een ander kenteken;

-bij de politie is ambtshalve bekend dat de [merk 2] geschikt is voor de inbouw van verborgen ruimtes om crimineel geld, wapens en verdovende middelen in te vervoeren;

-zowel verdachte (in de [merk 2] ) als [medeverdachte 1] (in de [merk 3] ) reden – op korte afstand van elkaar - in de richting van Duitsland;

- verbalisant had deze auto’s eerder waargenomen bij een volgactie op 3 mei 2021 in de ochtend komende vanaf Duitsland gaande richting Rotterdam, waarbij de bestuurder van de [merk 2] contact maakte met een andere man, mogelijk de bestuurder van de [merk 3] ;

-beide auto’s hebben een Hamburgs kenteken;

-verbalisant zag dat verdachte opvallend nerveus gedrag vertoonde toen hij zijn papieren en de [merk 2] controleerde;

- [medeverdachte 1] verklaarde dat hij alleen reed, verdachte niet kende en uit Amsterdam kwam, wat strijdig was met de bevindingen van de politie.

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende verdenking opleverden van verhullen of verbergen van voorwerpen als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Gezien het voorgaande was er aanleiding om de [merk 2] te doorzoeken en was de doorzoeking rechtmatig. Het feit dat een deel van die informatie niet afkomstig was van verdachte, maar van [medeverdachte 1] , doet niets af aan de gerezen verdenking.

Resumerend, is de rechtbank van oordeel dat de verrichte onderzoekshandelingen waren toegestaan zodat er geen grond is voor bewijsuitsluiting.

Bewijsoverwegingen

Vaststaat dat de politie ruim 21 kilogram cocaïne heeft aangetroffen in een verborgen ruimte in de [merk 2] en dat verdachte de bestuurder van de auto was. Ook was verdachte de enige inzittende. Mede gezien de lange route die verdachte aflegde, van Rotterdam naar Hamburg althans Duitsland, bevonden de drugs zich daarom in de machtssfeer van verdachte. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen in de auto.

De rechtbank overweegt daarbij allereerst dat het scenario dat een grote hoeveelheid cocaïne met een forse straatwaarde aan iemand wordt meegegeven zonder dat deze op de hoogte is van deze drugs, een groot veiligheidsrisico met zich brengt. De rechtbank acht dit scenario, namelijk dat deze persoon niet op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs, in het algemeen dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Uit onderzoek van de politie volgt dat verdachte op 3 mei 2021 met de [merk 2] naar Rotterdam is gereden en daar samen is gezien met [medeverdachte 1] , die in een [merk 3] reed.11 Zoals bekend, is [medeverdachte 1] eerder aangetroffen met een auto met een verborgen ruimte en ook met de [merk 2] waarin verdachte reed. Ook volgt uit het dossier dat de [merk 2] en de [merk 3] op

3 mei 2021 in dezelfde straat in Rotterdam stonden geparkeerd en in de nacht van 4 mei 2021 op korte afstand van elkaar vanuit Rotterdam richting de Duitse grens zijn gereden, waarbij [medeverdachte 1] voorop reed. Voorts is op 4 mei 2021 in de [merk 3] een [merk 2] sleutel gevonden, waarmee de [merk 2] kon worden gestart.12 Verder vertoonde verdachte bij de verkeerscontrole van de [merk 2] opvallend zenuwachtig gedrag, zoals hierboven al is beschreven. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] – in strijd met de bevindingen van de politie – verklaard dat hij verdachte niet kende en een andere reisroute opgegeven.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de [merk 2] op naam van zijn zus ( [naam] ) staat en dat hij destijds betrokken is geweest bij de overschrijving van de auto op haar naam. Dat is gebeurd daags nadat de auto in Nederland gecontroleerd is. Verdachte is op 3 mei 2021 vanuit Duitsland naar Rotterdam gereden en is in de nacht van 4 mei 2021 met de auto vanuit Rotterdam vertrokken met de bedoeling naar Duitsland te rijden.13

Verdachte ontkent weet te hebben gehad van de verdovende middelen in de auto en heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] niet kent. Volgens verdachte is de [merk 2] niet van zijn zus, maar wil hij niet zeggen van wie dan auto dan wel is.14 Hij heeft in Duitsland geen werk, geen inkomen en is ooit eens eerder in Nederland geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting geen nadere verklaring willen afleggen over de reden waarom juist hij, daags na een politiecontrole, betrokken is geweest bij overschrijving van de [merk 2] op naam van een ander. Bij de politie heeft hij zich ten aanzien van de feiten bijna volledig op zijn zwijgrecht beroepen.

Eerst ter zitting hij een alternatief scenario naar voren gebracht. Niet valt in te zien waarom verdachte dit scenario, inhoudende dat hij vanuit Hamburg naar Rotterdam was gereden voor een buitenechtelijke afspraak, niet bij de politie naar voren had kunnen brengen. Verder heeft verdachte desgevraagd geen enkele objectieve informatie verstrekt om dit scenario te kunnen verifiëren zonder hiervoor een reden te geven. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet wordt bedreigd en dat hiervoor ook geen aanleiding is. Onder deze omstandigheden en bezien tegen de achtergrond van bovenstaande bewijsmiddelen, acht de rechtbank het door verdachte beschreven scenario niet aannemelijk geworden zodat zij hieraan voorbij gaat.

Mede op grond van het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens vanuit Duitsland naar Rotterdam is gereden om cocaïne op te halen en naar Duitsland te vervoeren. Daarbij betrekt de rechtbank de relatief korte tijd dat verdachte in Nederland is geweest voordat hij in het holst van de nacht weer terug reed richting Duitsland. Ook vindt de rechtbank hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat [medeverdachte 1] tijdens het vervoer naar en vanuit Rotterdam steeds in de nabijheid van verdachte reed, dat zij in Rotterdam samen zijn geweest en dat [medeverdachte 1] over een (extra) sleutel van de [merk 2] beschikte. De rechtbank concludeert hieruit dat [medeverdachte 1] als voorverkenner danwel begeleider optrad en dat verdachte de verdovende middelen in een nauwe en bewuste samenwerking met hem vervoerde. Verdachte had dan ook wetenschap van de aanwezigheid van deze verdovende middelen en deze bevonden zich bovendien in zijn machtssfeer.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van 21 kilogram cocaïne, zoals ten laste is gelegd.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 4 mei 2021 te Hoog Soeren, gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 21 (eenentwintig) kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet, gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair verzocht om matiging en een gevangenisstraf van maximaal 24 maanden bepleit. Hij heeft aangevoerd dat verdachte, in geval van een bewezenverklaring, als chauffeur slechts een kleine rol heeft gehad en als pakezel diende. De LOVS-oriëntatiepunten voor het vervoeren van een dergelijke hoeveelheid verdovende middelen zijn volgens hem niet bedoeld voor deze situatie zodat deze niet als uitgangspunt kunnen dienen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het vervoeren van 21 kilo cocaïne met een aanzienlijke straatwaarde. De cocaïne bevond zich in een verborgen ruimte van de auto die hij bestuurde. De verdachte was 12 uur -18 uur eerder ervoor met de auto vanuit Duitsland naar Rotterdam gereden om de verdovende middelen op te halen en was onderweg naar Duitsland. De handel, een daarmee ook het vervoeren van cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Als de cocaïne niet zou zijn onderschept, zou deze in Duitsland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Met de internationale handel in harddrugs wordt veel criminele winst behaald. Het op de markt brengen van cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van randcriminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarvoor alleen een langdurige gevangenisstraf passend is. Deze straf dient ter normbevestiging, vergelding en preventie, zowel naar verdachte toe als richting de samenleving.

De strafeis van de officier van justitie sluit aan bij de LOVS-oriëntatiepunten voor het vervoer van ruim 20 kilogram harddrugs. Deze beginnen standaard met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 maanden zonder dat daarbij rekening is gehouden met de strafverzwarende omstandigheid van medeplegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan naar beneden af te wijken. Dat verdachte als chauffeur van de drugsauto heeft opgetreden en daardoor mogelijk meer risico liep dan de medepleger die in een andere auto reed, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de cocaïne is aangetroffen in een aangebrachte verborgen ruimte en dat bij het vervoer dus geraffineerd, professioneel te werk is gegaan. Verder is verdachte in Duitsland reeds meerdere malen onherroepelijk veroordeeld voor uit- of invoer van wapens, meest recentelijk in 2019. De hiervoor aan hem opgelegde gevangenisstraffen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden in korte tijd opnieuw een ernstig feit te plegen. Ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor matiging.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden opleggen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en bovenstaande strafoplegging wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis af.

8 De beoordeling van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen [merk 2] met verborgen ruimte wordt onttrokken aan het verkeer. De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van een speciaal aangebrachte verborgen ruimte in de beslag genomen [merk 2] . Zo’n ruimte is niet normaal in een auto en dus met criminele bedoelingen aangebracht. Bij teruggave van de auto wordt het plegen van (soort)gelijke criminele activiteiten in stand gehouden en gestimuleerd. Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met de wet. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de auto moet worden onttrokken aan het verkeer.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op:

-artikelen 2, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht;

-artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 wijst af het verzoek tot opheffing danwel schorsing van de voorlopige hechtenis;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslag genomen

[merk 2] met (Duits) kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Oosterbaan, voorzitter, mr. M.C. van der Mei en

mr. T.N. Ritzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2021.

Mr. Van der Mei is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid, afdeling Noord-Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021199455, gesloten op 27 mei 2021en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen p. 39.

3 Proces-verbaal van bevindingen p. 37.

4 Proces-verbaal van bevindingen p. 32.

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 35.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 40.

7 Proces-verbaal van bevindingen p. 36-37, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van aanhouding p. 55.

8 Proces-verbaal van bevindingen p. 38.

9 Proces-verbaal van bevindingen p. 63-64, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal relaas p. 9, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 74-77,het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 80-84, diverse rapporten NFI d.dis 18 juni 2021 p. 140-165

10 Proces-verbaal van bevindingen p. 39.

11 Proces-verbaal van bevindingen p. 36 en 38.

12 Proces-verbaal van bevindingen p. 64.

13 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 13 augustus 2021.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 102.