Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4700

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/05/387929 / HA RK 21-85
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 474g Rv. Verzoek verkoop in beslag genomen aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/387929 / HA RK 21-85

Beschikking van 1 september 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[betrokkene1] B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. J. Nederlof te Waalwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verwerende partij] ,

gevestigd te [plaats] ,

verweerster,

advocaat mr. P.M.N. Verloop te Amersfoort.

Partijen zullen hierna ' [verzoekende partij] en [verwerende partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift met een zelfstandig tegenverzoek,

  • -

    het verweerschrift op het tegenverzoek,

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 2 augustus 2021. Namens ' [verzoekende partij] is verschenen de heer [betrokkene1] , bijgestaan door mr. J. Nederlof voornoemd. Namens [verwerende partij] is verschenen de heer [betrokkene2] , bijgestaan door mr. P.M.N. Verloop voornoemd. Ook de deurwaarder, mevrouw [betrokkene3] , is verschenen. De overige belanghebbenden zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verwerende partij] houdt 20% van de aandelen in [betrokken bedrijf 1] (hierna: [betrokken bedrijf 1] ). De overige aandelen in [betrokken bedrijf 1] worden gehouden door ' [verzoekende partij] (40%) en [betrokken bedrijf 2] (40%).

2.2.

In artikel 14 van de (op 3 januari 2017 gewijzigde) statuten van [betrokken bedrijf 1] is een blokkeringsregeling opgenomen met betrekking tot de overdracht van aandelen. Deze regeling houdt kort gezegd in dat overdracht van aandelen slechts plaats kan vinden, nadat de aandelen aan de medeaandeelhouders te koop zijn aangeboden en prijsbepaling door één of meer onafhankelijke deskundigen plaatsvindt.

2.3. '

[verzoekende partij] heeft op basis van een vonnis van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2021 (zaak-en rolnummer 371420 / HZ ZA 20-251, hierna: het vonnis) een vordering op [verwerende partij] van € 150.000,00 in hoofdsom, te vermeerderen met rente en kosten. Het vonnis is op 8 april 2021 aan [verwerende partij] betekend.

2.4.

Bij e-mailbericht van 8 april 2021 heeft [verwerende partij] onder meer het volgende aan ' [verzoekende partij] geschreven:

Geachte heer ' [verzoekende partij] ,

Door de ontstane situatie ben ik genoodzaakt een deel van mijn aandelen [betrokken bedrijf 1] BV te verkopen teneinde aan de verplichtingen krachtens het Vonnis van de rechtbank te voldoen.

Ik heb een aspirant koper die 5% van de aandelen [betrokken bedrijf 1] BV wil overnemen voor een overname som van € 257.500,-.

Conform de statuten moet ik deze u ook aanbieden voor deze prijs.

(…)

2.5.

Op 13 april 2021 is door ' [verzoekende partij] executoriaal beslag gelegd op de aandelen die [verwerende partij] houdt in het kapitaal van [betrokken bedrijf 1] (hierna: de in beslag genomen aandelen). Op dezelfde datum heeft ' [verzoekende partij] dit beslag aan [verwerende partij] doen betekenen.

2.6.

[verwerende partij] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

3 Het verzoek

3.1. '

[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank om haar bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad op grond van artikel 474g Rv verlof te verlenen voor de verkoop van de in executoriaal beslag genomen aandelen onder bepaling van de wijze van verkoop en onder eventueel door de rechtbank nader te stellen voorwaarden. ' [verzoekende partij] verzoekt daarbij ook om de statutaire blokkeringsregeling uit artikel 14 van de statuten van [betrokken bedrijf 1] (zoals weergegeven onder 2.2) uit te sluiten. Voorts verzoekt ' [verzoekende partij] om [verwerende partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan haar verzoek heeft ' [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat zij er belang bij heeft dat zal worden overgegaan tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen, opdat zij zo haar vordering op [verwerende partij] kan verhalen.

3.3.

[verwerende partij] heeft verweer gevoerd en een tegenverzoek ingediend.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.

4 De beoordeling

De tegenverzoeken van [verwerende partij]

4.1.

Het verweerschrift bevat een tweetal tegenverzoeken inhoudende het verzoek om de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in hoger beroep is beslist en voorts om het gelegde beslag op de aandelen op te heffen. ' [verzoekende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verwerende partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar tegenverzoeken en verwijst in dat kader onder meer naar artikel 282 Rv.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 282 lid 4 Rv bepaalt dat de verweerder een zelfstandig tegenverzoek mag doen. Het is echter niet mogelijk om door middel van een tegenverzoek een geschil aan de rechter voor te leggen dat normaliter bij dagvaarding aan de rechter moet worden voorgelegd. Een geschil waarop de verzoekschriftprocedure van toepassing is, kan niet worden gecombineerd met een geschil waarvoor de dagvaardingsprocedure geldt.1

Van een zodanig geschil is in dit geval sprake, nu de vorderingen van [verwerende partij] gebaseerd zijn op artikel 438 Rv, en dergelijke vorderingen uitsluitend bij dagvaarding en derhalve niet in een verzoekschriftprocedure kunnen worden ingesteld. Het door [verwerende partij] aangehaalde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 20152 maakt dit niet anders, nu het Hof in voornoemd arrest geen uitzondering op het bepaalde in artikel 282 lid 4 Rv heeft geformuleerd, maar heeft geoordeeld dat artikel 474g Rv ruimte biedt om naast de formele voorschriften, ook de materiële verweren (die kunnen worden opgeworpen in een afzonderlijk te voeren executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv) te beoordelen. [verwerende partij] wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegenverzoeken.

Het verzoek van ’ [verzoekende partij]

4.3. '

[verzoekende partij] heeft de rechtbank verzocht om haar toestemming te verlenen voor de verkoop van de aandelen van [verwerende partij] in [betrokken bedrijf 1] . De rechtbank constateert aan de hand van de overgelegde beslagexploten dat het beslag op de aandelen die [verwerende partij] houdt in [betrokken bedrijf 1] op rechtsgeldige wijze is gelegd. De voorgeschreven formaliteiten en termijnen zijn in acht genomen.

4.4.

[verwerende partij] verzet zich tegen het verzoek en voert daartoe, kort samengevat, aan dat ' [verzoekende partij] misbruik maakt van haar executiebevoegdheid en dat een redelijke belangafweging zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van ' [verzoekende partij] .

4.5.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Een verzoek tot verkoop van in beslag genomen aandelen kan in beginsel worden toegewezen zolang er sprake is van een executoriale titel op grond waarvan beslag is gelegd. Het vonnis levert voor ' [verzoekende partij] een executoriale titel op, die voor tenuitvoerlegging vatbaar is. In beginsel mag ' [verzoekende partij] zich aldus ter voldoening van haar vordering op het vermogen van [verwerende partij] verhalen, dus ook door de executoriale verkoop van de in beslag genomen aandelen. De rechtbank kan de op grond van artikel 474g Rv gevraagde voorziening desondanks weigeren, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, misbruik van zijn bevoegdheid maakt, dan wel onvoldoende belang heeft bij de executie.

Misbruik van executiebevoegdheid?

4.6.

[verwerende partij] heeft ter onderbouwing van haar verweer dat ' [verzoekende partij] misbruik maakt van haar executiebevoegdheid aangevoerd dat ' [verzoekende partij] haar geen gelegenheid heeft gegeven om vrijwillig aan het vonnis te voldoen, maar direct tot executie is overgegaan door beslag te leggen op haar aandelen in [betrokken bedrijf 1] . [verwerende partij] heeft bij e-mailbericht van 8 april 2021 (zie randnummer 2.4) aan ' [verzoekende partij] kenbaar gemaakt dat zij voornemens was om 5% van zijn aandelen in [betrokken bedrijf 1] te verkopen voor een bedrag van € 257.500,00 zodat zij met die opbrengst de vordering van ' [verzoekende partij] zou kunnen voldoen. ' [verzoekende partij] was bekend met het feit dat verkoop van de aandelen in [betrokken bedrijf 1] de enige mogelijkheid was voor [verwerende partij] om aan het vonnis te voldoen. Door vervolgens niet in te gaan op het voorstel van [verwerende partij] van 8 april 2021, maar in plaats daarvan op 13 april 2021 beslag te leggen op de aandelen van [verwerende partij] in [betrokken bedrijf 1] , heeft ' [verzoekende partij] vrijwillige nakoming door [verwerende partij] onmogelijk gemaakt. Er is derhalve sprake van schuldeisersverzuim en ' [verzoekende partij] is niet bevoegd is om (gedurende het schuldeisersverzuim) executiemaatregelen te nemen, aldus [verwerende partij] . ' [verzoekende partij] betwist dat zij misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid aan de zijde van ' [verzoekende partij] . De rechtbank acht in dit kader van belang dat ' [verzoekende partij] bij e-mailbericht van 16 april 2021 [verwerende partij] heeft verzocht om bewijsstukken aan te leveren waaruit blijkt dat de aspirant-koper 5% de aandelen van [verwerende partij] in [betrokken bedrijf 1] wil kopen voor € 257.000,00. [verwerende partij] het deze bewijsstukken tot op heden niet aangeleverd. Gelet op de geschiedenis tussen partijen – [verwerende partij] had in de procedure die heeft geleid tot het vonnis de stelling betrokken dat een aandelenbelang van 6% in [betrokken bedrijf 1] € 3.937,50 waard is – had ' [verzoekende partij] er alle belang bij om de echtheid van het bod en de aspirant-koper te verifiëren en openheid van zaken te verlangen alvorens zij zou instemmen met verkoop van de aandelen aan een derde. Het had derhalve op de weg van [verwerende partij] gelegen om inzicht te verschaffen en openheid te geven over de aspirant-koper en het bod van de aspirant-koper, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.8.

Ook de (door ' [verzoekende partij] betwiste) stelling van [verwerende partij] dat executoriale verkoop van de aandelen de belangen van [betrokken bedrijf 1] en de heer [betrokkene 4] zal schaden leidt – zonder nadere onderbouwing, die op dit punt ontbreekt – niet ertoe dat ' [verzoekende partij] naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid kan overgaan. De stelling van [verwerende partij] dat ' [verzoekende partij] erop rekent dat een executoriale verkoop van de in beslag genomen aandelen niets oplevert en zij voornemens is zelf de aandelen te verwerven tegen een bedrag van € 160.000,00, is prematuur en berust enkel op speculaties nu nergens uit blijkt dat ' [verzoekende partij] voornemens is om de aandelen zelf te kopen. Bovendien had het op de weg van [verwerende partij] gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van haar standpunt dat en hoe de belangen van [betrokken bedrijf 1] in dat geval zouden worden geschaad. Nieuwe feiten of omstandigheden aan de zijde van [verwerende partij] waardoor sprake is van een noodtoestand bij voortzetting van de executie doen zich ook niet voor.

4.9.

De verweren van [verwerende partij] slagen dus niet. Dit betekent dat het verzoek tot verkoop van de in beslag genomen aandelen zal worden toegewezen.

Voorwaarden verkoop

4.10.

Op grond van artikel 474g Rv dient de rechtbank in deze beschikking te bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop en de levering van de aandelen zal plaatsvinden. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.11. '

[verzoekende partij] heeft ter zitting haar verzoek aangevuld en verzocht om eerst een termijn van drie maanden te bepalen om de in beslag genomen aandelen onderhands te verkopen. Daartegen heeft [verwerende partij] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de beslagen aandelen de eerste drie maanden na de datum van deze beschikking onderhands te koop worden aangeboden. Voor zover de aandelen binnen die termijn nog niet onderhands zijn verkocht, kunnen de aandelen daarna alsnog openbaar te koop worden aangeboden.

4.12.

Op grond van artikel 474g lid 4 Rv moeten de wettelijke en statutaire bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen in acht worden genomen bij verkoop en overdracht. De beschikking van de rechtbank mag ten aanzien van de wettelijke en statutaire bepalingen geen afwijkingen inhouden, behoudens voor zover inachtneming van deze bepalingen de executoriale verkoop onmogelijk zou maken. ' [verzoekende partij] heeft verzocht om op de voet van artikel 2:195 lid 7 BW af te wijken van de blokkeringsregeling in de statuten van [betrokken bedrijf 1] . Dit wetsartikel bepaalt dat de rechtbank in geval van een executoriaal beslag op aandelen de bepalingen in de statuten omtrent overdraagbaarheid buiten toepassing kan verklaren, zo nodig in afwijking van artikel 474g lid 4 Rv, indien de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen en de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat de blokkeringsregeling uit de statuten van [betrokken bedrijf 1] in dit geval moeilijk is te rijmen met de uitgangspunt van een spoedige verkoop. Op grond van artikel 14 van de statuten van [betrokken bedrijf 1] is ’ [verzoekende partij] voor de executoriale verkoop van de aandelen afhankelijk van de medewerking van [betrokken bedrijf 2] als medeaandeelhouder. Verder is de in de statuten neergelegde blokkeringsregeling tijdrovend en kostbaar vanwege de omstandigheid dat de prijs van de aandelen door een deskundige vastgesteld moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank vorderen de belangen van ‘ [verzoekende partij] daarom bepaaldelijk dat deze statutaire bepaling buiten toepassing blijft. Er is geen reden om aan te nemen dat de belangen van anderen daardoor onevenredig zouden worden geschaad. De belangen van [verwerende partij] en [betrokken bedrijf 2] zijn temeer voldoende gewaarborgd, nu eerst een termijn van drie maanden wordt bepaald om de in beslag genomen aandelen onderhands te verkopen. De rechtbank zal daarom, zoals verzocht door ’ [verzoekende partij] , de statutaire blokkeringsregeling van artikel 14 van de statuten van [betrokken bedrijf 1] buiten toepassing verklaren, voor zover handhaving daarvan naar het oordeel van de deurwaarder tot een lagere koopprijs zal leiden.

4.13.

De rechtbank zal verder bepalen dat de deurwaarder de wijze van verkoop mag bepalen teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen en dat de deurwaarder zich in het kader van de verkoop, meer in het bijzonder de waardebepaling van de te verkopen aandelen, kan laten bijstaan door een nader te bepalen (register)accountant.

4.14.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de deurwaarder zich in het kader van de waardebepaling van de aandelen mag verlaten op alle administraties waartoe hij toegang wenst en dat in het geval [verwerende partij] of [betrokken bedrijf 1] geen of onvoldoende medewerking aan een dergelijk boekenonderzoek verlenen, dan wel wanneer het onderzoek feitelijk onmogelijk is of de administratie zich bij (een) derde(n) bevindt, dat de deurwaarder in dat geval eigenhandig naar eigen inzicht tot prijsbepaling van de aandelen mag overgaan.

4.15.

Op grond van artikel 474g lid 1 Rv dient de rechtbank de termijn te bepalen waarbinnen tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan. De rechtbank zal deze termijn bepalen op twaalf maanden. Op verzoek van partijen kan deze termijn worden verlengd. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om, zoals door [verwerende partij] verzocht, te bepalen dat tijdens de eerste drie maanden na deze beschikking niet tot verkoop van de aandelen mag worden overgegaan om [verwerende partij] in staat te stellen een executiegeschil aanhangig te maken.

4.16.

Zowel ' [verzoekende partij] als [verwerende partij] hebben verzocht om respectievelijk [verwerende partij] en ' [verzoekende partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure. Voor een proceskostenveroordeling bestaat echter geen aanleiding. De onderhavige procedure komt niet voort uit een geschil maar is wettelijk voorgeschreven in artikel 474g Rv. De executiekosten komen reeds ingevolge de wet ten laste van de geëxecuteerde.

4.17.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

In het verzoek van ' [verzoekende partij]

5.1.

bepaalt dat de in beslag genomen aandelen die [verwerende partij] houdt in [betrokken bedrijf 1] ter executie kunnen worden verkocht en overgedragen,

5.2.

bepaalt dat voor die verkoop een periode van 12 maanden zal worden gegund,

5.3.

bepaalt dat de aandelen eerst gedurende drie maanden onderhands ter verkoop zullen worden aangeboden en, indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, dat de aandelen kunnen worden verkocht door middel van een openbare verkoop (veiling);

5.4.

bepaalt dat de verkoop zal geschieden bij inschrijving ten kantore van mevrouw [betrokkene3] , die als gerechtsdeurwaarder is verbonden aan [naam kantoor] te

’s-Hertogenbosch, zulks met inachtneming van de statuten en wettelijke bepalingen, met uitzondering van de statutaire blokkeringsregeling in artikel 14 van de statuten van [betrokken bedrijf 1] B.V. en de wettelijke blokkeringsregeling van artikel 2:195 BW voor zover handhaving van die bepalingen leidt tot een lagere koopprijs, met dien verstande dat alle ten aanzien van de vervreemding aan [verwerende partij] toekomende rechten en op hem drukkende verplichtingen worden uitgeoefend en nagekomen door voornoemde deurwaarder;

5.5.

bepaalt dat de deurwaarder voor het overige de wijze van verkoop mag bepalen teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen;

5.6.

bepaalt dat [verwerende partij] en [betrokken bedrijf 1] hun medewerking moeten verlenen aan de verkoop van de aandelen;

5.7.

veroordeelt [verwerende partij] en [betrokken bedrijf 1] om op eerste verzoek van de deurwaarder, binnen veertien dagen vanaf deze beschikking, aan de deurwaarder ter beschikking te stellen alle naar het oordeel van de deurwaarder voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante gegevens betreffende [betrokken bedrijf 1] , onder meer maar niet beperkt tot het register van aandelen;

5.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

In de tegenverzoeken van [verwerende partij]

5.10.

verklaart [verwerende partij] niet-ontvankelijk in haar tegenverzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

1 Hoge Raad 13 mei 1988, ECLI:NL:PHR:1988:AC2067

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1001