Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4583

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
368588
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gehuwd te Polen, geen gemeenschappelijke nationaliteit, geen gezamenlijke eerste huwelijksdomicilie, Haags Huwelijksvermogensverdrag: Nederlands recht van toepassing op het huwelijksregime: meest nauwe band met Nederland. Woning te Polen gemeenschappelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/368588 / HZ ZA 20-161

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

1 [betrokkene1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [betrokkene2] ,

wonende te [plaats] ,

3. [betrokkene3] in haar hoedanigheid van bijzonder curator van [betrokkene4] ,

wonende te [plaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen [betrokkenen 1 t/m 3] en afzonderlijk van elkaar respectievelijk te noemen: [betrokkene1] , [betrokkene2] en [betrokkene3] , in hun hoedanigheid van (curator van) erfgenamen in de nalatenschap van

[erflater] , hierna te noemen [erflater]

eiser,

advocaat mr. J.H. Hofstede te Doetinchem,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde, hierna te noemen [gedaagde partij] ,

advocaat mr. E.J. Moll te Doetinchem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 24 februari 2021

  • -

    de brief van 16 juni 2021 van mr. Moll met als bijlage een brief van 17 maart 2021 gericht aan [betrokkene3] met drie bijlagen.

1.2.

Op 1 juli 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Door de griffier zijn van het verhandelde ter zitting aantekeningen gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 21 november 1997 heeft [gedaagde partij] een perceel grond (hierna: het perceel) in [plaats] in eigendom verkregen.

2.2.

[erflater] en [gedaagde partij] zijn op 14 augustus 1998 met elkaar gehuwd te Polen. [erflater] had de Nederlandse nationaliteit. [gedaagde partij] heeft de Poolse nationaliteit.

2.3.

Op het perceel is in 1999 een woning gebouwd aan de [adres] in Polen (hierna: de woning).

2.4.

Uit het huwelijk van [erflater] en [gedaagde partij] is op 8 september 2011 dochter [betrokkene4] geboren te Doetinchem.

2.5.

Op het uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente Oude IJsselstreek staat geregistreerd dat [gedaagde partij] op 20 augustus 2014 uit Polen in Nederland is gevestigd.

2.6.

Op 25 oktober 2017 is de echtscheiding, waarop het Nederlandse recht van toepassing is verklaard, tussen [erflater] en [gedaagde partij] uitgesproken door de rechtbank Amsterdam en de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 3 november 2017.

2.7.

Van de echtscheidingsbeschikking maakt deel uit het tussen [erflater] en [gedaagde partij] overeengekomen echtscheidingsconvenant waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(…)

1. Partijen op 14 augustus 1998 te [plaats] (Pl) in wettelijke gemeenschap

van goederen zijn gehuwd.

(…)

4.1

Partijen hebben gezamenlijk een huurcontract getekend, aangaande de

(echtelijke) woning, (…). Beide partijen staan ook ingeschreven op dit adres en

verblijven feitelijk op dit adres. (…)

5.1

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. (…)

Omvang gemeenschap

5.2

Partijen verklaren dat zij geen van beide gerechtigd zijn tot een onverdeelde

boedel noch anderszins privévermogen hebben op grond van een

uitsluitingsclausule en/of verknochtheid, zodat alle vermogensbestanddelen

behoren tot de te verdelen gemeenschap. (…)

5.4

Partijen hebben de volgende bank-/effectenrekeningen:

Naam bank: Rekeningnummer Op naam van: Toebedeeld aan: (…)

(…) NL(…)869 de vrouw de vrouw

(…) NL(…)109 e/o de man

(…) NL(…)215 e/o de man

6.1 (…)

Verder zal de vrouw nog een bedrag, groot € 500,00 ter verrekening van de borg van de huidige huurwoning etc. aan de man betalen. Verder zullen er op geen enkele manier nog vorderingen over en weer zijn.

(…)”

2.8.

Op 13 juni 2018 is een verzoekschrift voor eenhoofdig gezag ex artikel 1:125a BW ingediend door de advocaat van [gedaagde partij] waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“(…)

De vrouw is volledig overstuur met dochter [betrokkene4] uit de woning in Polen (nog gezamenlijk eigendom van de man en de vrouw) gevlucht. (…)”

2.9.

In 2018 is de woning door [gedaagde partij] verkocht.

2.10.

Op 17 mei 2019 is een rapport opgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(…)

Tussen ouders zijn veel zaken nog niet opgelost (gezamenlijk huis wat verkocht is Polen, maar waar vader nog geen geld voor heeft ontvangen) wat een goed contact tussen de ouders in de weg staat. (…)”

2.11.

Op 16 januari 2019 heeft [erflater] een e-mail verzonden aan [gedaagde partij] met onderwerp “Verkoop woning Polen” en inhoud:

“(…)

Hallo graag wil ik weten omtrent de verkoop van het huis in Polen wat de opbrengst is en waar zijn mijn prive spullen naar toe gegaan (…)”

2.12.

Op 17 januari 2019 heeft [erflater] een e-mail verzonden aan [gedaagde partij] met onderwerp “Huis in Pole” waarin het volgende is vermeld:

“(…)

Graag wil ik informatie over de verkoop van het huis in PL wat van ons samen is ik wordt iedere keer aan het lijntje gehouden over de sleutels nu hoor ik dat het verkocht is en wil ik weten waar ik mijn prive spullen kan halen en een afschrift van de verkoop en de opbrengst. (…)”

2.13.

[gedaagde partij] heeft op 31 maart 2019 een e-mail verzonden aan [erflater] , waarin onder meer het volgende is vermeld:

“(…)

Huis is verkocht jij had toch gehoord via Moviera heb ik alles verteld en met alle spullen had jij toch tijd gehad om te ophalen (…)”

3 Het geschil

3.1.

[betrokkenen 1 t/m 3] vorderen, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeling van [gedaagde partij] :

A. om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [betrokkenen 1 t/m 3] afschriften ter beschikking te stellen van alle stukken die betrekking hebben op de verkoop en de levering van de woning, alsmede justificatoire stukken in de Nederlandse taal ter beschikking te stellen waaruit blijkt voor welke prijs de woning is verkocht en op welke wijze (bankrekening) de koopprijs van de woning werd voldaan, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per dag of voor ieder gedeelte van de dag dat [gedaagde partij] na de betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven daaraan geheel of gedeeltelijk te voldoen, zulks tot een maximum bedrag van

€ 100.000,00;

nadat [gedaagde partij] heeft voldaan aan hetgeen onder A is gevorderd, om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [betrokkenen 1 t/m 3] te voldoen de helft van de verkoopprijs van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat de woning werd verkocht tot aan de dag der algehele voldoening;

om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [betrokkenen 1 t/m 3] in goede en deugdelijke staat ter beschikking te stellen, alle roerende zaken zoals die vermeld staan op de door [erflater] opgestelde lijst (productie VIII van de dagvaarding), en indien [gedaagde partij] niet aan voornoemde vordering voldoet binnen 14 dagen na dit vonnis, [gedaagde partij] te veroordelen om aan [betrokkenen 1 t/m 3] te voldoen wegens schadevergoeding een bedrag van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag nadat dit vonnis aan [gedaagde partij] werd betekend tot aan de dag der alghele voldoening;

in de kosten van deze procedure.

3.2.

[betrokkenen 1 t/m 3] hebben het volgende ten grondslag gelegd aan de vorderingen. De woning was gezamenlijk eigendom van [erflater] en [gedaagde partij] omdat deze in de huwelijkse gemeenschap viel. Bovendien is de woning grotendeels gebouwd met geld van [erflater] dat hij had geërfd van zijn moeder. [gedaagde partij] heeft de woning zonder medeweten van [erflater] verkocht en de opbrengst volledig zelf gehouden terwijl de helft van de opbrengst [erflater] en na zijn overlijden de nalatenschap toekwam. De gevorderde bescheiden (vordering A) zijn van belang om te weten welk bedrag exact in de nalatenschap van [erflater] valt en dat bedrag wordt van [gedaagde partij] gevorderd (vordering B).

3.3.

[gedaagde partij] heeft haar standpunt tijdens deze procedure gewijzigd en tot haar verweer aangevoerd dat de woning geen gemeenschappelijk eigendom was van [erflater] en [gedaagde partij] , maar alleen in eigendom toebehoorde aan [gedaagde partij] . Zij stelt hiertoe dat zij het perceel, waar de woning later op is gebouwd met geld dat zij had geleend van haar familie, voor haar huwelijk met [erflater] had gekocht. Op het huwelijk tussen [erflater] en [gedaagde partij] was het Poolse huwelijksvermogensrecht van toepassing, zo stelt [gedaagde partij] . Het Poolse huwelijksvermogensrecht kent geen gemeenschap van goederen in het huwelijk, dus de woning is alleen van [gedaagde partij] gebleven. Daarom is de woning niet opgenomen in de verdeling van de huwelijksgemeenschap in het echtscheidingsconvenant, aldus [gedaagde partij] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Nu [gedaagde partij] de Poolse nationaliteit heeft, dient eerst de vraag beantwoord te worden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Artikel 2 Rv vormt de hoofdregel in zaken die bij dagvaarding worden ingeleid. Ingevolge dit artikel heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats heeft. Nu [gedaagde partij] haar woonplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.3.

[erflater] en [gedaagde partij] zijn gehuwd op 14 augustus 1998 te [plaats]

(Polen). De vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensrecht moet beantwoord worden aan de hand van het voor Nederland op 1 september 1992 van kracht geworden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1988, nr. 130; hierna: het Haags Verdrag). Het Haags Verdrag, dat blijkens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft, is namelijk van toepassing op huwelijken die zijn gesloten op of na 1 september 1992 (art. 21).

4.4.

Gelet op het Haags Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst door:

a. het door hen aangewezen recht (rechtskeuze), bij gebreke hiervan door;

b. hun gemeenschappelijke nationale wet ten tijde van de huwelijkssluiting, bij gebreke hiervan door;

c. het recht van hun eerste huwelijksdomicilie, bij gebreke hiervan door;

d. het alle omstandigheden in aanmerking genomen met de echtgenoten nauwst verbonden recht.

4.5.

Nu [erflater] en [gedaagde partij] geen rechtskeuze hebben gemaakt en geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden, dient bekeken te worden of zij (in een bepaald land) een eerste huwelijksdomicilie hebben gehad in de zin artikel 4 lid 1 van het Haags verdrag. Voor het bestaan van een eerste huwelijksdomicilie is beslissend of zij in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hebben.

4.6.

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat zij na de huwelijksvoltrekking in Polen is blijven wonen en dat [erflater] daar ook regelmatig verbleef, maar als internationaal vrachtwagenchauffeur vaak onderweg was en hierdoor geen vaste verblijfplaats bij [gedaagde partij] in Polen had. Bovendien had [erflater] een woning in Nederland waar [gedaagde partij] ook regelmatig met [erflater] verbleef. De periodes van gelijktijdige aanwezigheid van beide echtelieden misten dus het duurzame karakter dat nodig is voor een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 van het Haags Verdrag.

4.7.

Nu geen eerste huwelijksdomicilie vastgesteld kan worden dient de vraag beantwoord te worden met welk land het huwelijksvermogensregime van [erflater] en [gedaagde partij] het nauwste verbonden is geweest in de zin van artikel 4 lid 3 van het Haags Verdrag. Men kan daarbij letten op culturele verbondenheid, vroegere woonplaatsen van partijen en dergelijke. Voor de vaststelling daarvan kan zelfs gebruik gemaakt worden van een latere verkrijging van een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of een gemeenschappelijke nationaliteit nadat de termijnen van art. 4 lid 1 en 2 onder 3 Verdrag zijn verlopen. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.8.

[gedaagde partij] heeft weliswaar gesteld pas vanaf 20 augustus 2014 in Nederland gevestigd te zijn en hiertoe verwezen naar haar inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, maar er zijn een aantal omstandigheden waaruit geconcludeerd kan worden dat [erflater] en [gedaagde partij] het grootste gedeelte van hun huwelijkse periode van 19 jaar hun gewone gezamenlijke verblijfsplaats in Nederland hadden:

  • -

    [betrokkene4] is op 8 september 2011 te Doetinchem geboren;

  • -

    [erflater] en [gedaagde partij] hadden een gezamenlijke huurwoning waarvan het contract op beider namen stond, zoals blijkt uit het echtscheidingsconvenant;

  • -

    [erflater] en [gedaagde partij] hadden bankrekeningen bij Nederlandse banken, terwijl [gedaagde partij] ter zitting heeft verklaard niet te beschikken over een bankrekening te Polen;

  • -

    ter zitting heeft [gedaagde partij] verklaard dat zij sinds 2001 een verblijfsvergunning voor Nederland heeft.

4.9.

Wat de reden is geweest voor [gedaagde partij] om zich pas per 2014 in de gemeentelijke basisadministratie in te laten schrijven doet er niet toe nu vaststaat dat zij reeds jaren daarvoor haar gewone verblijfplaats in Nederland had samen met [erflater] .

4.10.

De hierboven genoemde omstandigheden leiden ertoe dat het huwelijksgoederenregime van [erflater] en [gedaagde partij] het nauwste verbonden was met Nederland in de zin van artikel 4 lid 3 van het Haags Verdrag en dat op het huwelijksgoederenregime van [erflater] en [gedaagde partij] Nederlands recht zal worden toegepast. [erflater] en [gedaagde partij] zijn hier kennelijk zelf ook vanuit gegaan gelet op de echtscheidingsbeschikking, waarop het Nederlandse recht van toepassing is verklaard. Hier heeft [gedaagde partij] zich niet tegen verzet. Hieruit volgt dat ook het tussen [erflater] en [gedaagde partij] overeengekomen echtscheidingsconvenant wordt beheerst door Nederlands recht. [gedaagde partij] heeft weliswaar voor het eerst ter zitting aangevoerd niet begrepen te hebben dat in het convenant is opgenomen dat partijen in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, maar heeft daar geen nadere gevolgen van ingeroepen zodat deze opmerking gepasseerd wordt. Dit klemt te meer nu [gedaagde partij] verklaart dat zij het convenant alleen op het onderdeel omtrent de gemeenschap van goederen niet heeft begrepen en dat het convenant voor het overige volledig begrepen en correct is.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [erflater] en [gedaagde partij] in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd nu geen huwelijkse voorwaarden waren overeengekomen en dat de woning in de huwelijkse gemeenschap viel en derhalve gemeenschappelijk eigendom was. Dit is ook in lijn met het standpunt zoals dat door [erflater] vooraafgaand aan deze procedure is ingenomen. Daarbij kan worden verwezen naar het vermelde in de rapporten van de betrokken hulpverlening (waar [gedaagde partij] zelf ook naar verwijst in haar e-mailbericht van 31 maart 2017). Daaruit blijkt dat er regelmatig is gesproken over de woning in Polen omdat dit één van de twistpunten betrof tussen [erflater] en [gedaagde partij] en dat [gedaagde partij] telkenmale heeft verklaard dat de woning gemeenschappelijk eigendom was. Ook de eigen advocaat van [gedaagde partij] heeft dit opgenomen in het verzoek om eenhoofdig gezag die namens [gedaagde partij] is ingediend. Tenslotte is in dat verband nog van belang haar e-mailbericht aan [erflater] van 31 maart 2017 waarin [gedaagde partij] zich in het geheel niet verweert tegen de verzoeken van [erflater] , hetgeen wel in de rede had gelegen als zij op dat moment van mening was dat de woning alleen haar toebehoorde. Ondanks uitvoerig daarnaar gevraagd te zijn ter zitting, kon [gedaagde partij] geen verklaring geven voor bovengenoemde tegenstrijdigheden zodat het aangevoerde door [gedaagde partij] omtrent haar alleenrecht op de woning wordt gepasseerd.

4.12.

De algehele gemeenschap van goederen brengt met zich dat de ontbonden huwelijksgemeenschap van [erflater] en [gedaagde partij] ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten dient te worden verdeeld. Wat de reden ook is geweest om de woning niet op te nemen in het echtscheidingsconvenant kan terzijde blijven omdat op het convenant niet alleen het algemene Nederlandse vermogensrecht, maar ook de bijzondere bepalingen van titel 7 van boek 3 BW van toepassing zijn en door partijen kunnen worden ingeroepen. Dit geldt ook voor artikel 3:179 lid 2 BW, dat bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Nu partijen blijkens de tekst van het convenant (zie bijvoorbeeld artikel 5.2 en het finalekwijtingsbeding van artikel 6.1, laatste zin (overweging 2.8)) hebben beoogd een complete verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap naar Nederlands recht te bewerkstelligen, brengt een redelijke uitleg van het convenant mee dat de nadere verdeling van eventueel overgeslagen goederen (waaraan het kwijtingsbeding niet in de weg staat) in de geest van en op dezelfde basis als het convenant, dient te geschieden. De (verkoopwaarde van de) woning dient dus nog te worden verdeeld, bij helfte.

Afschrift stukken

4.13.

Artikel 843a Rv voorziet erin dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden, aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn voorganger partij is. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft. Artikel 843a Rv bindt de toewijsbaarheid van de vordering aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten: (a) de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben, het moet gaan om (b) bepaalde bescheiden (c) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

4.14.

Nu uit voorgaande volgt dat de woning in de huwelijkse gemeenschap viel en dat [gedaagde partij] de woning heeft verkocht zonder [erflater] op de hoogte te stellen en tot nu heeft geweigerd de verzochte informatie te verschaffen, hebben [betrokkenen 1 t/m 3] als erfgenamen van [erflater] een rechtmatig belang bij de afschriften van de stukken die betrekking hebben op de verkoop en levering van de woning. Voormelde stukken zijn voorts voldoende concreet, hetgeen ook niet door [gedaagde partij] is betwist. Ter zitting beschikte zij immers over de verkoopakte in de Poolse taal. Deze stukken zijn dus bepalend voor de door [betrokkenen 1 t/m 3] gestelde vordering ten aanzien van de helft van de opbrengst en hebben betrekking op een rechtsbetrekking waarbij [betrokkenen 1 t/m 3] partij zijn.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden van artikel 843a lid 1 RV is voldaan ten aanzien van de vordering om afschriften te ontvangen van de stukken die betrekking hebben op de verkoop van de woning. Het ter beschikking stellen van die stukken in de Nederlandse taal valt daar niet onder. Niet duidelijk is op grond waarvan [gedaagde partij] daartoe verplicht zou zijn. Dat [betrokkenen 1 t/m 3] de Poolse taal niet machtig zijn is niet voldoende reden om de vertaalkosten bij [gedaagde partij] neer te leggen. Na ontvangst kunnen [betrokkenen 1 t/m 3] de betreffende stukken immers zelf laten vertalen. De vordering onder A. zal daarom worden toegewezen met dien verstande dat de vordering om de stukken in de Nederlandse taal ter beschikking te stellen wordt afgewezen.

4.16.

Gezien de weigering van [gedaagde partij] tot deze procedure om afschriften van de verzochte stukken ter beschikking te stellen, hebben [betrokkenen 1 t/m 3] voldoende belang om aan de vordering een dwangsom te verbinden. Bovendien heeft [gedaagde partij] geen bezwaar gemaakt tegen het opleggen van een dwangsom of de hoogte daarvan en heeft zij niets te vrezen indien zij voldoet aan de veroordelingen in dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als in het dictum bepaald.

Betaling helft verkoopprijs

4.17.

Zoals hiervoor geoordeeld valt de helft van de verkoopwaarde van de woning in de nalatenschap van [erflater] en komt dus toe aan [betrokkenen 1 t/m 3] Ter zitting is vastgesteld dat er geen hypotheek rustte op de woning ten tijde van de verkoop. Ten aanzien van het door haar aangevoerde omtrent de schulden die zij zou hebben aan haar ouders en andere familieleden waarmee de opbrengst van de woning nog verrekend zou moeten worden, zijn de stellingen van [gedaagde partij] na betwisting daarvan onvoldoende gemotiveerd en in het geheel niet onderbouwd. Aan een bewijsopdracht wordt dan ook niet toegekomen. Dit betekent dat [gedaagde partij] de helft van de totale verkoopwaarde moet voldoen aan de nalatenschap van [erflater] en dat de vordering onder B. eveneens wordt toegewezen.

4.18.

De gevorderde rente is bij gebreke aan betwisting toewijsbaar. De wettelijke rente is gevorderd vanaf de dag dat de woning is verkocht, maar zal ambtshalve worden toegewezen vanaf de datum dat de koopprijs door de koper van de woning is betaald. Vanaf die datum is [gedaagde partij] namelijk de helft van de verkoopprijs verschuldigd.

Afgifte roerende zaken / schadevergoeding

4.19.

Ter zitting is van de zijde van [betrokkenen 1 t/m 3] verklaard dat zij geen belang (meer) hebben bij de vordering tot afgifte van de roerende zaken na het overlijden van [erflater] omdat het zijn spullen waren. Ten aanzien van de schadevergoeding is ter zitting vast komen te staan dat niet meer te achterhalen is wat de waarde was van de roerende zaken in de woning. [gedaagde partij] heeft bij conclusie van antwoord verklaard dat de roerende zaken (deels) zijn (mee)verkocht met de woning en dat bij de bepaling van de verkoopprijs rekening is gehouden met die roerende zaken. [betrokkenen 1 t/m 3] hebben verklaard dat zij afgaan op die verklaring van [gedaagde partij] en dat het voldoende is indien zij de inzage verkrijgen in de stukken die betrekking hebben op de verkoop van de woning, want daarin zijn de roerende zaken (en de verkoopprijs daarvan) dus volgens [gedaagde partij] opgenomen. De vordering ter zake van de afgifte van de roerende zaken en de schadevergoeding behoeft dan ook geen beslissing.

Proceskosten

4.20.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [betrokkenen 1 t/m 3] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,96

- griffierecht € 83,00

- salaris advocaat € 1.689,00 (3,0 punt × tarief € 563,00)

Totaal € 1.874,96

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 48 uur dagen na betekening van dit vonnis aan [betrokkenen 1 t/m 3] afschriften ter beschikking te stellen van alle stukken die betrekking hebben op de verkoop en levering van de woning, waaruit blijkt voor welke prijs de woning is verkocht en op welke wijze (bankrekening) de koopprijs van de woning werd voldaan,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [betrokkenen 1 t/m 3] een dwangsom te betalen van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] , nadat zij aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling heeft voldaan, om tegen afgifte van behoorlijk bewijs van kwijting aan [betrokkenen 1 t/m 3] te voldoen de helft van de verkoopprijs van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf de datum dat de koopprijs door de koper werd voldaan tot aan de dag der algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [erflater] tot op heden begroot op € 1.874,96,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ö. Sari en in het openbaar uitgesproken op

25 augustus 2021.