Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4473

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
05/015829-84
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS verlenging met 1 jaar. Vreemdeling zonder verblijfsvergunning in de TBS, knel tussen het TBS-systeem met longstay-beperkingen en het stringente vreemdelingenbeleid met dreigende uitzetting. Lichamelijke gezondheidsklachten in combinatie met beginnende dementie vragen om verzorging die in tbs-kader nauwelijks te realiseren is. Impasse door botsende rechtssystemen. Verblijfsvergunning verlenen om humanitaire redenen zou de meest efficiënte oplossing zijn. Samenhang met tussenbeslissing: ECLI:NL:RBGEL:2021:2350.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/015829-84

Datum uitspraak: 13 augustus 2021

Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[betrokkene] , (hierna: betrokkene),

geboren op [geboortedag] 1947 te [geboorteplaats] , Suriname,

thans verblijvende in de P.I. Haaglanden, in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg, onder toezicht van FPC de Pompestichting, LFPZ-locatie Zeeland, (hierna: de kliniek).

Raadsvrouw: mr. J.J. Boelaars, advocaat te Rotterdam.

De procedure

De rechtbank verwijst naar haar tussenbeslissing van 7 mei 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:2350). Het onderzoek is hervat ter zitting van 30 juli 2021 alwaar zijn gehoord:

 mr. A. Verhaar, officier van justitie;

 mr. J. Wassink-van den Eijnden, officier van justitie VZ, belast met de portefeuille Verplichte Zorg, district Gelderland-Midden;

 mr. J.J. Boelaars, raadsvrouw;

 drs. E.A.M. Konings, GZ-psycholoog en behandelcoördinator Pompestichting LFPZ Zeeland.

Betrokkene is, gezien zijn gezondheidstoestand, na overleg met zijn raadsvrouw op 11 juli 2021 en met toestemming van de rechtbank, niet verschenen.

Aanvullende stukken zijn in het geding gebracht:

 een brief ‘overdrachtsgegevens t.b.v. overplaatsing nar een verpleegafdeling’ van drs. E.A.M. Konings van 12 april 2020;

 een update overzicht uitplaatsingsmogelijkheden betreffende betrokkene van drs. Konings van 8 juni 2021, met een aanvulling van P. Oosterom, Divisie Individuele Zaken van het ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, van 10 juni 2021;

 een memo ‘Onderzoek naar een rechterlijke machtiging ex 2.3 Wfz’ van mr. J. Wassink-van den Eijnden van 28 juli 2021.

Uit dit memo blijkt het volgende.

Naar aanleiding van de tussenbeslissing is het Openbaar Ministerie, afdeling Verplichte Zorg, een onderzoek gestart naar mogelijkheden voor een rechterlijke machtiging op grond van artikel 28a Wet zorg en dwang (hierna: Wzd) juncto artikel 2.3 lid 2 Wet forensische zorg (Wfz). Nu de psychogeriatrische aandoening bij betrokkene de voorliggende problematiek lijkt te zijn is het Openbaar Ministerie van mening dat de Wzd van toepassing is en niet de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Verder blijkt dat het CIZ in zijn advies van 9 juli 2021 aan het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat betrokkene aan de criteria voor een rechterlijke machtiging in de zin van artikel 28a Wzd voldoet. Het CIZ heeft op 24 maart 2021 een indicatiebesluit afgegeven op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) met het zorgprofiel ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg’ voor onbepaalde tijd. De gestelde grondslag is: psychogeriatrische aandoening.

Indien de zorg wordt verleend vanuit de Wet langdurige zorg, dan is het regionale zorgkantoor belast met de tenuitvoerlegging van een eventueel toegewezen rechterlijke machtiging. Het regionale zorgkantoor is door het Openbaar Ministerie in een vroegtijdig stadium betrokken gelet op de complexiteit van de onderhavige casus.

Het CIZ plaatst echter een kanttekening bij de uitvoerbaarheid van een eventueel toegewezen rechterlijke machtiging, gelet op de status van ongewenst vreemdeling van betrokkene. Ook het zorgkantoor heeft diverse vragen bij de uitvoerbaarheid. Het betreft twee hoofdpunten. Wanneer een rechterlijke machtiging wordt afgegeven en de tbs-maatregel niet wordt verlengd, zal de justitiële titel komen te vervallen en daarmee ook de zorgverlening alsmede de financiering vanuit Justitie. Opname op grond van een rechterlijke machtiging wordt gefinancierd vanuit een zorgverzekering, maar vanwege zijn status van ongewenst vreemdeling heeft betrokkene geen recht op sociale voorzieningen1 en kan hij geen zorgverzekering afsluiten. Een zorginstelling zal dan geen financiële vergoeding vanuit een zorgverzekering krijgen voor de te verlenen zorg. Onderzocht moet worden of betrokkene mogelijk in aanmerking kan komen voor een vergoeding voor de te verlenen zorg op grond van de Regeling Onverzekerbare Vreemdelingen bij het CAK. Mocht dat het geval zijn, dan zal 80% van de gemaakte kosten worden gefinancierd. Onduidelijk is verder hoe betrokkene zal kunnen voorzien in zijn dagelijkse kosten en persoonlijke verzorging, nu hij door zijn status geen aanspraak kan doen gelden op een inkomen of uitkering. Door een algemeen beddentekort landelijk in de zorg, gecombineerd met de complexiteit van de onderhavige casus, zal plaatsing van betrokkene echter niet eenvoudig zijn.

Daarnaast is het ook onduidelijk wat het eventueel wegvallen van de justitiële titel, gelet op de status van betrokkene, betekent voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in Nederland. De van de strafrechtelijke maatregel uitgaande bescherming tegen uitzetting komt dan immers te vervallen.

Na verlening van een rechterlijke Wzd-machtiging dient betrokkene binnen vier weken te worden geplaatst in een accommodatie, op straffe van verval van de machtiging. Gelet op bovengenoemde knelpunten en het feit dat het een en ander nog dient te worden uitgezocht, is een plaatsing binnen de gestelde termijn op dit moment niet haalbaar. Het Openbaar Ministerie heeft daarom nog geen verzoekschrift ingediend.

Naast de weg van artikel 28a Wzd beschrijft de officier van justitie in haar memo ook de mogelijkheid van artikel 49 Wzd. Deze bepaling regelt de plaatsing van een persoon met forensische titel (waaronder expliciet ook een ter beschikking gestelde met bevel tot verpleging) in een Wzd-accommodatie wanneer er bijvoorbeeld sprake is van psychogeriatrische problematiek. De knelpunten rondom de financiering bestaan bij toepassing van artikel 49 Wzd niet, omdat betrokkene zijn forensische titel behoudt. De praktische knelpunten rondom het vinden van een passende plek zijn hiermee echter niet opgelost. De mogelijkheid van artikel 49 Wzd is onder de aandacht gebracht van DIZ, nu de afdeling Verplichte Zorg van het Openbaar Ministerie bij een plaatsing op grond van dit artikel in beginsel geen rol heeft.

Tot slot wordt in de memo opgemerkt dat op 10 september 2021 een zorgconferentie zal plaatsvinden waarvoor alle betrokkenen worden uitgenodigd, waaronder DJI, Pompestichting, DT&V, JCvSZ Scheveningen, Openbaar Ministerie, het zorgkantoor, de mentor van betrokkene en de advocaat van betrokkene, zoals zij aangaf ter zitting.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering toegelicht en daarin volhard. Er is sprake van een stoornis en het recidiverisico wordt ingeschat als matig, en in geval van repatriëring van betrokkene zal het recidiverisico verder oplopen. Hiermee is voldaan aan de formele eisen voor het verlengen van de maatregel.

Zolang betrokkene de status van ongewenst vreemdeling heeft, zijn de mogelijkheden tot overplaatsing naar een passende vervolginstelling zeer beperkt. Alles afwegende lijkt op dit moment plaatsing op grond van artikel 49 Wzd de meest geschikte optie. Betrokkene komt hiervoor ook in aanmerking gelet op de onlangs vastgestelde dementie. Het zorgkantoor heeft aangegeven dat een verpleeginstelling gericht op geriatrische zorg, het meest passend is gelet op de zorgbehoeften van betrokkene. Het zorgkantoor zoekt momenteel naar een geschikte plek, zodat mogelijke instellingen kunnen worden besproken tijdens de komende zorgconferentie. Gelet op al het voorgaande dient de maatregel met één jaar te worden verlengd, zodat dan de stand van zaken opnieuw kan worden bekeken.

Het standpunt van betrokkene

De raadsvrouw van betrokkene heeft het woord gevoerd en primair gepleit voor beëindiging van de maatregel, omdat dit de wens van betrokkene is. Gezien de fysieke en geestelijke achteruitgang van betrokkene in de afgelopen periode, is het verlengen van de maatregel bijna niet meer te rechtvaardigen. De stoornis is er nog wel, maar verdwijnt naar de achtergrond. Het recidiverisico is er feitelijk nauwelijks nog. Anderzijds beschermt de maatregel betrokkene tegen uitzetting naar Suriname. Als de maatregel wordt beëindigd zal betrokkene in vreemdelingendetentie terecht komen. Hij heeft echter een rustige laatste fase van zijn leven nodig, in een verpleeghuis. Daarnaast zal een beëindiging van de maatregel ook betekenen dat daarmee de financiering vanuit Justitie komt te vervallen. Gelet hierop verzoekt de raadsvrouw subsidiair om de maatregel met één jaar te verlengen, zodat de mogelijkheden van artikel 49 Wzd kunnen worden onderzocht.

De aanvullende informatie van de kliniek

Ter zitting heeft de behandelcoördinator drs. Konings, onder verwijzing naar het toegezonden overzicht van 8 juni 2021, medegedeeld dat sinds de laatste zitting, opnieuw drie instellingen betrokkene hebben afgewezen. Dit komt neer op totaal 16 afwijzingen. Op dit moment wordt nog één optie onderzocht; een geriatrisch verpleeghuis in Leerdam. Daarnaast is de kliniek voornemens om de onderhavige casus aan te melden bij de Regionale Casuïstiektafel voor hoog complexe ggz, om aldaar de casus te bespreken. Tijdens de zorgconferentie op 10 september 2021 komen alle betrokken ketenpartners samen en worden mogelijke acties uitgezet. Met een tijdsverloop daarna van drie tot zes maanden voor het verder onderzoeken van een en ander moet rekening worden gehouden.

De verdere beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft met vreugde geconstateerd dat alle betrokken partijen, kliniek, Openbaar Ministerie en ministerie van Justitie en Veiligheid zich de afgelopen periode hebben ingezet bij de zoektocht naar een passende vervolginstelling voor betrokkene. Eens temeer is gebleken hoe ingewikkeld het probleem is, omdat de verschillende regelingen niet op elkaar aansluiten en met name door het gegeven dat de Nederlandse regelgeving zo is ingericht dat iemand die niet – meer – legaal in Nederland verblijft, van iedere hulp, ondersteuning en aanspraak verstoken blijft. Daar zullen in het algemeen goede redenen aan ten grondslag liggen, maar de rechtbank mist in deze regelgeving een ‘escape’, een voorziening om in uitzonderlijke omstandigheden op humanitaire gronden iemand op een meer eenvoudige manier hulp te bieden, zoals in dit geval een oude, hulpbehoevende, man.

De complexiteit van de onderhavige casus zorgt er dus voor dat tot op heden nog geen geschikte plek is gevonden voor betrokkene en betrokkene nog steeds verblijft op een plek die geheel niet geschikt is voor hem. De rechtbank heeft er nu vertrouwen in dat alle partijen zich ook de komende tijd blijven inspannen voor het vinden van een passende vervolginstelling, zoals reeds ter zitting is toegezegd en zal daarom thans een uitspraak doen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de kernproblematiek bij betrokkene nog aanwezig is en het recidiverisico als matig wordt ingeschat bij een beëindiging van de maatregel. Gelet op de leeftijd van betrokkene, zijn fysieke en psychische conditie en de vastgestelde beginnende dementie met als gevolg forse cognitieve achteruitgang, is de rechtbank van oordeel dat een plek in een regulier verpleeghuis de meest humane plek is voor betrokkene om zijn laatste dagen te slijten. De status van ongewenst vreemdeling staat hieraan echter in de weg. De rechtbank wijst er in dat verband op dat de kern van het onderhavige dilemma is gelegen in de vreemdelingenrechtelijke status van betrokkene en dat de meest efficiënte oplossing is betrokkene om humanitaire redenen een verblijfsvergunning te verlenen en wil de onderhavige casus dan ook onder de aandacht van de verantwoordelijke staatssecretaris brengen, zodat de huidige schrijnende situatie van betrokkene kan worden beëindigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank verder van oordeel dat de veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen dan wel de algemene veiligheid van goederen de verlenging van de maatregel vereist. De maatregel zal worden verlengd met een periode van één jaar.

De beslissing

De rechtbank:

verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] met één jaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. W. Bruins, als voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, als rechters in tegenwoordigheid van mr. J.J. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2021.

mr. A.J.H. Steenweg is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Art. 2.1.1 lid 2 Wet langdurige zorg