Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4450

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
19-1863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Goedkeuring van een faunabeheerplan.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland moet bij de goedkeuring van het faunabeheerplan beoordelen of aan de vrijstellingsvoorwaarden uit de Wnb is voldaan. Een van de voorwaarden om op grond van artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming van de in artikel 3:1, eerste lid, en in artikel 3:10, eerste lid, bedoelde soorten vrijstelling te verlenen van het verbod om deze opzettelijk te doden, is dat deze soorten schade veroorzaken. Verder moet onder meer zijn voldaan aan de voorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing is, de afwijking gerechtvaardigd is op grond van één van de in de betrokken bepalingen genoemde belangen en geen sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding.

Aan de hand van deze voorwaarden dient verweerder te toetsen of aan de landelijke en provinciale vrijstelling uitvoering kan worden gegeven in het werkgebied van de Faunabeheereenheid, dat, met uitzondering van Kroondomein Het Loo, de gehele provincie Gelderland omvat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/391
JM 2021/130 met annotatie van Boerema, L.
Jurisprudentie Grondzaken 2021/137 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
TvAR 2021/8070, UDH:TvAR/16929 met annotatie van A.J.H. Rutten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1863

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eieres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland te Arnhem, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 heeft verweerder het “Faunabeheerplan jacht en uitvoering vrijstelling 2017-2023” (hierna: het faunabeheerplan), dat is opgesteld door de derde-partij, [derde-partij] (hierna: [derde-partij] ), goedgekeurd voor een looptijd van 6 jaar, gerekend vanaf 25 januari 2017.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat door de rechtbank onder nummer 17/1743 in behandeling is genomen.

De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 15 maart 2018 in zaken nrs. 17/1743 en 17/1786 onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen1.

Bij uitspraak van 20 maart 2019 in zaak 201803622/1/A32 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de tegen deze uitspraak ingediende hogere beroepen van eiseres en verweerder gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen. De rechtbank heeft het beroep onder nummer 19/1863 weer in behandeling genomen.

Bij besluit van 19 december 2019 heeft verweerder, onder toepassing van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de door [derde-partij] geactualiseerde versie van het faunabeheerplan goedgekeurd.

Bij brief van 27 januari 2020 heeft eiseres aanvullende gronden tegen dit besluit ingediend.

Verweerder heeft op 26 mei 2021 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de beroepen van Vereniging Vogelwerkgroep Zutphen (19/1864 en 20/475) plaatsgevonden op 29 juni 2021. Eiseres is vertegenwoordigd door [eieres] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. van de Water, T. Achterkamp en G. de Vries. [derde-partij] is vertegenwoordigd door [derde-partij] en [derde-partij] .

Overwegingen

1. In de bijlage bij deze uitspraak staan de wetsartikelen die op deze zaak van toepassing zijn.

Het beroep tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2017.

2.1.

Bij besluit van 19 december 2019 heeft verweerder, ingevolge artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), het geactualiseerde faunabeheerplan goedgekeurd. De rechtbank is van oordeel dat het op zitting nader toegelichte standpunt van eiseres en verweerder dat daarmee een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb is genomen, kan worden onderschreven. Het gaat namelijk om de goedkeuring van een geactualiseerd faunabeheerplan over dezelfde periode voor de resterende looptijd en er is voldoende samenhang met het besluit van 28 februari 2017, omdat het in wezen om hetzelfde faunabeheerplan gaat. De aanpassingen zien met name op het wijzigen van de lijst met provinciale vrijstellingen. Provinciale Staten van Gelderland hebben besloten de roek en de spreeuw van de vrijstellingslijst te schrappen, waardoor alleen nog de brandgans en de woelrat op de vrijstellingslijst staan.

2.2.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2017 van rechtswege mede betrekking op het besluit van verweerder van 19 december 2019.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 28 februari 2017. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling vanwege haar verzoek om vergoeding van de proceskosten. De vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken vormt echter, naar vaste rechtspraak, op zichzelf onvoldoende procesbelang om tot inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan.

Dit betekent dat het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2017 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is. Op de vraag of aan eiseres een proceskostenvergoeding moet worden toegekend wordt hierna nog ingegaan.

Het beroep tegen het besluit van verweerder van 19 december 2019 (verder: het bestreden besluit).

3.1.

De Wnb is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en op het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Daarvoor geeft de Wnb verschillende instrumenten. Zo schept artikel 3.12, eerste lid, de bevoegdheid voor faunabeheereenheden om voor hun werkgebied een faunabeheerplan vast te stellen waarin het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht nader kunnen worden uitgewerkt. Een faunabeheerplan is ook nodig om het gebruik van een door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (verder: de minister) verleende landelijke vrijstelling en door provinciale staten verleende provinciale vrijstelling voor het doden van soorten nader uit te werken.

Als een faunabeheerplan is vastgesteld, moet het, ingevolge het zevende lid van dit artikel, eerst nog door het college van gedeputeerde staten worden goedgekeurd voordat het kan worden uitgevoerd.

De vrijstelling om soorten te mogen doden is een uitzondering op het in de Wnb geformuleerde uitgangspunt dat het verboden is soorten te doden. Ingevolge artikel 3.15, eerste en tweede lid, van de Wnb gelden er landelijke vrijstellingen ten behoeve van schadebestrijding voor de in artikel 3.1 van het Besluit natuurbescherming (hierna: Bnb) aangewezen vogels en diersoorten. In de Regeling natuurbescherming (hierna: Rnb) worden ten aanzien van de in het Bnb aangewezen soorten de vrijstellingen nader ingevuld en worden voorschriften en beperkingen gesteld. Ingevolge artikel 3.15, derde en vierde lid, van de Wnb kunnen provinciale staten onder voorwaarden ook vogels en diersoorten aanwijzen in een provinciale verordening. Voor deze vogels en diersoorten mogen zij ook vrijstellingen opnemen ten behoeve van de schadebestrijding.

Het gebruik van een vrijstelling moet ingevolge artikel 3.12, eerste lid, van de Wnb gebeuren volgens een faunabeheerplan. Deze eis is ook opgenomen in artikel 3.2 van de Rnb, dat geldt voor het gebruikmaken van landelijke vrijstellingen. Dit betekent dat de landelijke en provinciale vrijstellingen van het verbod om te doden pas na goedkeuring van het faunabeheerplan ook daadwerkelijk effect hebben.

3.2.

De minister heeft in het kader van schadebestrijding van het verbod om te doden als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, van de Wnb vrijstelling verleend voor de Canadese gans, de houtduif, de kauw en de zwarte kraai, en van het verbod om te doden als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de Wnb vrijstelling verleend voor de vos en het konijn. Provinciale staten van Gelderland hebben in de Omgevingsverordening Gelderland (verder: de Omgevingsverordening) in het kader van schadebestrijding van het verbod om te doden als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de Wnb vrijstelling verleend voor de woelrat.

3.3.

Eiseres heeft als meest verstrekkende grond tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder het faunabeheerplan ten onrechte heeft goedgekeurd, omdat daarin onvoldoende is onderbouwd of en onder welke voorwaarden afschot van nationaal vrijgestelde dieren mag worden uitgevoerd. De noodzaak wordt ten onrechte voor geen van de soorten onderbouwd. Waar en hoeveel schade de vrijgestelde soorten veroorzaken en of en waar schadebestrijding nodig zou zijn, volgt ten onrechte niet uit het faunabeheerplan. De noodzaak en het ontbreken van alternatieven zijn niet aangetoond. De goedkeuring van het faunabeheerplan vormt echter het sluitstuk van de toestemming die nodig is om beschermde soorten te mogen doden. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit had daarom duidelijk moeten zijn dat aan de voorwaarden voor doden wordt voldaan in de provincie en waarom ter bescherming van welk belang wordt gedood.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat het faunabeheerplan ten onrechte niet onderbouwt of en zo ja waar welke schade optreedt door de soorten waarvoor een vrijstelling geldt op grond van de Omgevingsverordening en ook is niet getoetst of er alternatieve oplossingen zijn.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de nationaal vrijgestelde soorten noch landelijk noch in de provincie Gelderland schade veroorzaken en/of dat er alternatieven zijn om schade te voorkomen en dat ditzelfde ook geldt voor de woelrat, die provinciaal is vrijgesteld van het verbod om opzettelijk te worden gedood.

3.4.

Verweerder heeft zich ten aanzien deze beroepsgrond op het standpunt gesteld dat in het kader van de goedkeuring van het faunabeheerplan de juistheid/rechtmatigheid van de landelijke en provinciale vrijstellingen, dat wil zeggen of deze voldoen aan de voorwaarden gesteld in de Wnb respectievelijk de Omgevingsverordening, niet aan de orde kan komen. Deze door de minister respectievelijk provinciale staten van Gelderland vastgestelde vrijstellingen zijn een gegeven. Volstaan kan worden met een toets of wordt voldaan aan artikel 3.78 van de Omgevingsverordening. Omdat het faunabeheerplan voldoet aan het bepaalde in dit artikel, is het terecht goedgekeurd, aldus verweerder.

De beoordeling door de rechtbank.

4.1.

In de Wnb zijn voor verschillende soorten dieren verboden opgenomen om deze opzettelijk te doden en is voorzien in de bevoegdheid voor de minister respectievelijk provinciale staten om vrijstelling van dit verbod te verlenen, onder meer in het kader van schadebestrijding. Van deze bevoegdheden is gebruik gemaakt, zoals hierboven onder 3.2 beschreven. Deze vrijstellingen leiden ertoe dat de onder 3.2 genoemde soorten in het kader van schadebestrijding opzettelijk mogen worden gedood.

Met de goedkeuring van het vastgestelde faunabeheerplan kunnen de vrijstellingen worden uitgevoerd.

4.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 7 april 20213 uitspraak gedaan over de vraag wat het college van gedeputeerde staten moet en mag beoordelen bij de beantwoording van de vraag of een faunabeheerplan kan worden goedgekeurd. In die zaak ging het om de uitvoering van een provinciale vrijstelling voor het opzettelijk doden van smienten. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat gewaarborgd dient te worden dat de vraag of de vrijstelling van het verbod om te doden en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven aan de voorwaarden van de Wnb voldoen, aan de rechter kan worden voorgelegd. Als de eisen (voorwaarden) die aan de uitvoering van de vrijstelling in een faunabeheerplan zijn gesteld in de verordening overeenkomen met de eisen die aan de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb worden gesteld, moet alleen worden getoetst of het faunabeheerplan en de goedkeuring daarvan aan de eisen uit de verordening voldoen. Als de eisen (voorwaarden) die aan de uitvoering van de vrijstelling in een faunabeheerplan zijn gesteld in de provinciale verordening niet overeenkomen met de eisen die in de Wnb aan de verlening van die vrijstelling worden gesteld, zal bij de beoordeling van de goedkeuring van een faunabeheerplan aan de hand van de Wnb moeten worden getoetst of aan de door provinciale staten verleende vrijstelling uitvoering kan worden gegeven. Daarbij is de door provinciale staten gegeven onderbouwing van de eisen voor het mogen verlenen van vrijstelling van belang en ook de eventuele nadere uitwerking daarvan in het faunabeheerplan en het goedkeuringsbesluit.

4.3.

De rechtbank is, anders dan verweerder en [derde-partij] , van oordeel dat deze uitspraak niet alleen geldt in het geval van provinciaal vrijgestelde soorten, maar ook van toepassing is bij landelijk vrijgestelde soorten. De uitspraak van de Afdeling is weliswaar gedaan in een zaak waarin een provinciale vrijstelling was verleend maar de uitspraak bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat deze lijn niet geldt bij landelijke vrijstellingen. Ook in deze gevallen is de vrijstelling om soorten te mogen doden een uitzondering op het uitgangspunt dat het verboden is soorten te doden en mag een vrijstelling alleen onder bepaalde voorwaarden worden verleend. Ook in deze gevallen moet de vraag of de vrijstelling en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven aan die voorwaarden voldoen, aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

4.4

Dit betekent dat verweerder bij de goedkeuring van het faunabeheerplan moet beoordelen of aan de vrijstellingsvoorwaarden uit de Wnb is voldaan. Een van de voorwaarden om op grond van artikel 3.15 van de Wnb van de in artikel 3:1, eerste lid, en in artikel 3:10, eerste lid, bedoelde soorten vrijstelling te verlenen van het verbod om deze opzettelijk te doden, is dat deze soorten schade veroorzaken. Verder moet onder meer zijn voldaan aan de voorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing is, de afwijking gerechtvaardigd is op grond van één van de in de betrokken bepalingen genoemde belangen en geen sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding.


Aan de hand van deze voorwaarden dient verweerder te toetsen of aan de landelijke en provinciale vrijstelling uitvoering kan worden gegeven in het werkgebied van [derde-partij] , dat, met uitzondering van [naam], de gehele provincie Gelderland omvat.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet is beoordeeld dat de in 3.2 van deze uitspraak genoemde soorten in het gehele land, dan wel specifiek in de provincie
Gelderland schade veroorzaken, wat de omvang van deze schade is en dat deze schade niet op andere wijze dan het doden van de soorten kan worden voorkomen. Ook de Omgevingsverordening, het faunabeheerplan of het verweerschrift bevatten zo’n onderbouwing niet.

4.6.

Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.

Op de zitting is door verweerder dan wel Faunabeheereenheid wat betreft schade door de woelrat gewezen op een rapport van Alterra, maar de rechtbank acht die enkele verwijzing op de zitting onvoldoende om aan te nemen dat het bestreden besluit daarmee voldoende is gemotiveerd.

4.7.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen conform de lijn van de Afdeling in de uitspraak van 7 april 2021. Verweerder zal daarbij in ieder geval dat wat is overwogen onder 4.3 en 4.4 van deze uitspraak in acht dienen te nemen.

4.8.

Gelet op feit dat verweerder ook voor de landelijk vrijgestelde soorten zal moeten motiveren dat aan de vrijstellingsvoorwaarden wordt voldaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier de bestuurlijke lus toe te passen.

Proceskosten en griffierecht.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.870 (1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 februari 2018, 0,5 punt voor de aanvulling van de gronden van het beroep van rechtswege en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 29 juni 2021, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2017 niet-ontvankelijk

-verklaart het beroep tegen het besluit van verweerder van 19 december 2019 gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 333 aan haar vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.870.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: .

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage.

Wettelijk kader.

Wet natuurbescherming.

§ 3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn.

Artikel 3.1.

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.3.

1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

3. […]

4. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1° .in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

4°. ter bescherming van flora of fauna;

5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

5. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over:

a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden;

b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en

c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

6. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat het desbetreffende besluit de handelingen uitsluitend toelaat indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, en dat aan het besluit de voorschriften worden verbonden, bedoeld in het vijfde lid.

7. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op:

a. handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2, en

b. handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, een plan of een programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, indien:

1°. ten aanzien van het beheerplan, het plan of het programma, althans het onderdeel dat betrekking heeft op de desbetreffende handelingen, is voldaan aan het in het vierde en vijfde lid bepaalde ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen, en

2°. het bestuursorgaan dat het beheerplan, het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid voor dergelijke handelingen, of, als dat niet het geval is, het beheerplan, het plan of het programma is vastgesteld in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling.

§ 3.3. Beschermingsregime andere soorten

Artikel 3.10

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

[…]

Bijlage, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming

Onderdeel A (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a)

Zoogdieren

[…]

Konijn

[…]

Vos

[…]

Woelrat

[…].

§ 3.4. Schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer

Artikel 3.12

1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.

2. Een faunabeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van [derde-partij] en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van [derde-partij] behoort, vertegenwoordigd. Op uitnodiging van het bestuur van [derde-partij] kunnen vertegenwoordigers van andere dan de in de tweede volzin bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren.

3. Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. Ten aanzien van door Onze Minister vanwege de omvang van hun leefgebieden aangewezen diersoorten stellen de faunabeheereenheden, in wier werkgebied het leefgebied is gelegen, gezamenlijk een faunabeheerplan vast.

4. Onderdeel van het faunabeheerplan zijn passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade aangericht door in het wild levende dieren.

5. Ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer wordt het faunabeheerplan onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is.

6. Alvorens een faunabeheerplan vast te stellen, hoort [derde-partij] de binnen haar werkgebied werkzame wildbeheereenheden over de inhoud van het plan.

7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin [derde-partij] werkzaam is. Ingeval een gezamenlijk faunabeheerplan is vastgesteld door faunabeheereenheden in verschillende provincies, geschiedt de goedkeuring door gedeputeerde staten van de provincie waarin het leefgebied van de soort grotendeels is gelegen, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het leefgebied mede is gelegen. Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid.

8. [derde-partij] brengt jaarlijks verslag uit van de uitvoering van het faunabeheerplan aan gedeputeerde staten van de provincie waarin [derde-partij] werkzaam is.

9. Provinciale staten stellen bij verordening regels waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door [derde-partij] vastgestelde faunabeheerplannen voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

a. de omvang en begrenzing van het werkgebied van [derde-partij] ;

b. de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend op grond van artikel 3.18;

c.de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen, bedoeld in onderdeel b worden verricht, en

d. de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties als bedoeld in het tweede lid in het bestuur van [derde-partij] .

10. Het eerste lid is niet van toepassing op het beheer van populaties van exoten of verwilderde dieren en op de bestrijding van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren.

Artikel 3.15.

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land schade veroorzaken.

2. In zoverre in afwijking van de artikelen 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, kan Onze Minister een vrijstelling van verboden als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, tweede lid, 3.5, 3.6, tweede lid, en 3.10, eerste lid, verlenen voor de bestrijding door grondgebruikers van schadeveroorzakende vogels en dieren als bedoeld in het eerste lid.

3. Provinciale staten kunnen bij verordening vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid of 3.10, eerste lid, aanwijzen die:

a. niet bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, zijn aangewezen;

b. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en

c. in hun provincie schade veroorzaken.

4. Provinciale staten verlenen bij verordening een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, voor de bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren als bedoeld in het derde lid uitsluitend aan grondgebruikers.

5. De vrijstelling, bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt verleend voor handelingen op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.

6. De schade, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, heeft uitsluitend betrekking op:

a. door vogels veroorzaakte:

1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of

2°. schade aan flora of fauna;

b. door dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte:

1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats, of

2°. ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom, en

c. door dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte schade behorende tot bij de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de verordening, bedoeld in het vierde lid, omschreven categorieën van schade.

[…]

Besluit natuurbescherming.

Artikel 3.1.

Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

a. Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);

b. houtduif (Columba palumbus);

c. kauw (Corvus monedula);

d. konijn (Oryctolagus cuniculus);

e. vos (Vulpes vulpes), en

f. zwarte kraai (Corvus corone corone).

Omgevingsverordening Gelderland

Artikel 3.66 (vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren)

1. Als schadeveroorzakende vogels en dieren, als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de in bijlage 9 Vrijstelling storen en doden diersoorten genoemde vogels en dieren en als de middelen voor het doden en vangen van deze vogels en dieren als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, van die wet worden aangewezen de in bijlage 9 bedoelde middelen.

2. In afwijking van de verboden in de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het de grondgebruiker toegestaan de in bijlage 9 bedoelde handelingen uit te oefenen op de door hem gebruikte gronden en in of aan de door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.

3. In het tweede lid wordt onder het omringende gebied verstaan:

a. voor het doden: het gebied in een straal van twintig meter rondom het betreffende perceel;

b. voor het storen: de direct aangrenzende percelen.

Artikel 3.67 (gebruik vrijstelling)

1. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.66 geldt alleen voor het in de bijlage 9 Vrijstelling storen en doden diersoorten bij elk soort genoemde gebied, belang, periode en middel.

2. Als de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, draagt die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven toestemming bij zich en geeft een daartoe bevoegde ambtenaar op eerste vordering inzage.

Bijlage 9 bij de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 3.74 (werkgebied Faunabeheereenheid)

Het werkgebied van [derde-partij] bevat het grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van het Kroondomein, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Kroondomein.

Artikel 3.77 (geldingsduur)

1. Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.

2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van [derde-partij] de geldigheidsduur van een faunabeheerplan met maximaal een jaar verlengen.

Artikel 3.78 (algemene eisen aan een faunabeheerplan)

Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

a. de omvang van het totale werkgebied van [derde-partij] in hectares;

b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van [derde-partij] is aangegeven;

c. een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was en de aard en de omvang van de handelingen gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort;

d. een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft plaatsvinden;

e. een vermelding van de wildbeheereenheid waarbinnen de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft plaatsvinden;

f. kwantitatieve gegevens over de ontwikkeling van de populatie van de in het faunabeheerplan omschreven diersoorten op landelijk niveau;

g. een overzicht van de gedode dieren in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van [derde-partij] .

Artikel 3.79 (aanvullende eisen aan een faunabeheerplan voor de beperking van de omvang van populaties)

1. In aanvulling op artikel 3.78 bevat een faunabeheerplan ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie op basis van een ontheffing op grond van artikel 3.17 van de Wet natuurbescherming de volgende gegevens:

a. een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer op grond van één of meerdere belangen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;

b. de gewenste stand van de soorten opgenomen in het faunabeheerplan en waarvoor een ontheffing is verleend, een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt om dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet;

c. een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

d. een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en belangrijke schade te voorkomen;

e. per diersoort een beschrijving van de handelingen die in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen, wanneer van toepassing onderscheiden per gewas;

f. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen wordt bepaald;

g. voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

2. Het eerste lid, de onderdelen c en e, is niet van toepassing op soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

1 ECLI:NL:RBGEL:2018:1163

2 ECLI:NL:RVS:2019:875

3 ECLI:NL:RVS:2021:745