Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4393

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
21/3343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Verweerder heeft verzoekster een aanwijzing gegeven op grond van de Jeugdwet. Verweerder is verplicht om de zakelijke weergave van deze aanwijzing en het onderliggende rapport openbaar te maken. Verzoekster bestaat uit vijf onderdelen. Bij het toezicht dat heeft geleid tot het geven van de aanwijzing heeft verweerder slechts een onderdeel twee maal bezocht. Na het eerste bezoek aan dit onderdeel is er een verbeterplan opgesteld en uitgevoerd. Twee onderdelen zijn slechts eenmaal bezocht. Voor deze twee onderdelen is geen verbeterplan opgesteld, terwijl dat wel een vaste gedragslijn is van verweerder. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid. Het besluit tot het geven van een aanwijzing aan verzoekster als geheel en die aanwijzing te publiceren, treft verzoekster als geheel, dus ook op de onderdelen die in het geheel niet onderzocht zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/3343

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: M.T. van Daatselaar),

en

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te 's-Gravenhage, verweerder

(gemachtigden: mr. M.G.E. Grijsbach, mr. Q.J.M.A. Amelink en ir. R. Vervoordeldonk).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een aanwijzing gegeven op grond van de Jeugdwet (Jw), waarmee verzoekster wordt verplicht om binnen zeven maanden maatregelen te treffen, zodat wordt voldaan aan een aantal aandachtspunten.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2021. Verzoekster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoekster is in juni 2011 opgericht en gevestigd in [woonplaats]. Aan verzoekster zijn vier stichtingen en twee B.V. ’s verbonden, te weten: [naam] (’[naam]), [naam] [woonplaats] ([naam]), [naam] ([naam]), Stichting [verzoekster] [naam] ([naam]), [naam] en [naam] Deze vier stichtingen en twee B.V. ’s kennen dezelfde bestuurder als verzoekster. De indicaties voor zowel Jw, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) als Wet langdurige zorg (Wlz) zijn afgegeven op naam van verzoekster. Verzoekster is te kwalificeren als jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw. Verzoekster laat bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen door de verbonden stichtingen ‘[naam], [naam], [naam] en [naam]. Het gaat om verschillende vormen van jeugdhulp met verblijf. Bij [naam] heeft verzoekster de dagbesteding ondergebracht. Bij [naam] zijn de medewerkers in dienst, die worden ingezet bij ’[naam], [naam], [naam] en [naam] en [naam] De stichtingen en de B.V. ’s kennen dezelfde bestuurder en diverse zaken zijn overkoepelend geregeld, zoals de klachtenregeling, richtlijnen en protocollen. Ook zijn enkele medewerkers werkzaam voor meerdere stichtingen. Zo worden de kwaliteitsmedewerker, een manager backoffice en de gedragswetenschapper voor alle stichtingen en [naam] ingezet. Toezichthouders van verweerder hebben in het kader van toezicht bezoeken afgelegd aan ’[naam], [naam] en [naam].

3.2. ’

[naam] is opgericht in december 2019 en verleent (jeugd)hulp op basis van een overeenkomst met verzoekster. Het is een ‘moeder en kind-huis’. Het biedt begeleiding aan moeders met kinderen. De moeders zijn meestal (nog) niet in staat om zelfstandig met hun kind(eren) thuis te wonen. ’[naam] begeleidt de moeders bij de verzorging van hun kind, hun dagelijkse bezigheden en werkt met hen en de kinderen aan hun doelen. De problematiek van de moeders is divers, zoals verslavingsproblematiek, een verstandelijke beperking en psychische problematiek.

[naam] is opgericht in december 2019 en verleent eveneens (jeugd)hulp op basis van een overeenkomst met verzoekster. Het wordt door verzoekster een zorgboerderij en gezinsvervangend tehuis genoemd. [naam] biedt plek aan tien bewoners. De problematiek van de cliënten varieert en bestaat onder meer uit psychische problemen en dementie.

[naam] is opgericht in juli 2020 en verleent ook (jeugd)hulp op basis van een overeenkomst met verzoekster. Het is ingericht als een gezinshuis.

4.1

In oktober en november 2020 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (de Inspectie), deels samen met de Wmo-toezichthouder van de GGD Gelderland-Zuid toezicht uitgeoefend bij ’[naam]. Daarbij voldeed ’[naam] aan zeven van de 24 onderzochte verwachtingen uit het toetsingskader Verantwoorde Hulp voor de Jeugd1. Aan 17 verwachtingen voldeed ’[naam] niet. Bij vier verwachtingen werd een aandachtspunt geformuleerd. Vervolgens heeft ’[naam] een plan van aanpak opgesteld om de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Dit plan van aanpak is beoordeeld door de Inspectie en daarbij is de verwachting uitgesproken dat het plan verder wordt aangescherpt. De Inspectie heeft ’[naam] verzocht om uiterlijk 29 januari 2021 een geactualiseerd verbeterplan aan te leveren. Hiertoe heeft verweerder op 18 december 2020 een conceptrapport opgesteld en aangegeven dit rapport openbaar te zullen maken op de site van Inspectie. Hiertoe heeft verweerder op 18 december 2020 een openbaarmakingsbesluit afgegeven. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken een schriftelijke reactie te geven op de openbaar te maken informatie.

In januari 2021 heeft ’[naam] een plan van aanpak opgesteld van de verbeterpunten. Bij brief van 10 februari 2021 heeft de Inspectie op dit plan gereageerd. Daarin geeft de Inspectie aan dat er verbetermaatregelen worden getroffen die aansluiten bij de geconstateerde tekortkomingen en dat deze voldoende voortvarend worden opgepakt. Er is echter ook een aantal punten dat nog ontbreekt in het plan van aanpak. Verwacht wordt dat ’[naam] het plan van aanpak aanpast op deze punten. Om de voortgang van het verbeterplan te kunnen beoordelen zal de Inspectie onaangekondigd een bezoek brengen aan ’[naam] voor een hertoets.

4.2.

Bij brief van 14 mei 2021 heeft verweerder aan verzoekster het conceptrapport ‘De kwaliteit van de zorg voor cliënten van Stichting [verzoekster]. Locaties ’[naam], [naam] en [naam]’ gestuurd. Dat rapport is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek dat de Inspectie samen met het Wmo-toezicht van GGD Gelderland-Zuid heeft uitgevoerd in maart en april 2021. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 juni 2021 te reageren op dit rapport. Uit het rapport blijkt dat de Inspectie in de betreffende maanden onaangekondigd toezicht heeft uitgevoerd bij verzoekster. Daarvoor hebben zij bezoeken gebracht aan ’[naam], [naam] en [naam]. Aanleiding voor het toezicht was het toezicht dat de Inspectie in 2020 heeft uitgevoerd bij ’[naam], waarbij meerdere tekortkomingen en aandachtspunten zijn geconstateerd. Naar aanleiding daarvan maakte de Inspectie zich zorgen over de andere locaties van verzoekster. De hertoets bij ’[naam] is daarom verbreed naar [naam] en [naam]. Het onderzoek bij ’[naam] is uitgevoerd met het toetsingskader Verantwoorde Hulp voor de Jeugd. Het onderzoek bij [naam] en [naam] is uitgevoerd aan de hand van het toetsingskader van de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd: het JIJ-kader2. Beide toetsingskaders zijn eveneens passend bij het kwaliteitstoezicht in het kader van de Wmo3. Door de Inspectie is daarbij op alle locaties een aantal aandachtspunten geconstateerd, welke in het rapport zijn vastgelegd. Verzoekster heeft schriftelijk op deze bevindingen gereageerd. In zijn brief van 14 juni 2021 heeft verweerder op deze reactie van verweerder gereageerd. Op enkele punten heeft verweerder het rapport aangepast of aangevuld. Het aangepaste rapport is als bijlage meegestuurd naar verzoekster. Verweerder geeft in de brief van 14 juni 2021 aan dat hij er, gelet op het gebrek aan verbeterkracht na het eerdere toezicht in 2020 en het niet (structureel) aantrekken van de benodigde deskundige medewerkers om passende hulp en zorg te realiseren, geen vertrouwen in heeft dat verzoekster zonder bestuursrechtelijke maatregel van de Inspectie op korte termijn zal voldoen aan de normen voor verantwoorde jeugdhulp. Verweerder geeft daarom aan voornemens te zijn een aanwijzing te geven aan verzoekster om ervoor te zorgen dat verzoekster de geconstateerde tekortkomingen alsnog wegneemt.

4.3.

Bij brief van 14 juni 2021 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld voornemens te zijn om een aanwijzing op grond van artikel 9.3, eerste lid, van de Jw te geven. Bij het toezicht in maart en april 2021 voldeed '[naam] aan acht van de 17 beoordeelde normen, aan negen van de 17 beoordeelde normen voldeed ’[naam] niet. Op de locaties [naam] en [naam] voldeed verzoekster aan twee van de 14 beoordeelde normen. Aan één norm voldeed verzoekster grotendeels, aan 11 van de 14 normen voldeed verzoekster niet. De hulpverlening bij verzoekster voldoet niet aan de normen voor verantwoorde jeugdhulp.

Verzoekster handelt daarmee, volgens verweerder, in strijd met de artikelen 4.1.1 en 4.2.1 van de Jw. Verweerder heeft het voornemen de volgende aanwijzing op te leggen: verzoekster dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf maanden na dagtekening van de aanwijzing, te voldoen aan een aantal nader geformuleerde normen. Mocht verzoekster niet binnen de gestelde termijn van vijf maanden aan de aanwijzing voldoen, dan kan verweerder een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom opleggen om de naleving van de aanwijzing af te dwingen. Verweerder geeft tevens aan voornemens te zijn het vastgestelde rapport en de aanwijzing openbaar te maken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 21 juni 2021 voor 17:00 uur een schriftelijke zienswijze in te dienen.

Tijdens een gesprek op 14 juni 2021 heeft verzoekster haar zienswijze tegen het voornemen van verweerder ingediend. Vervolgens is verweerder overgegaan tot afgifte van het primaire besluit.

5. Verweerder heeft de aanwijzing gebaseerd op de vaststelling dat verzoekster niet voldoet aan de eisen van verantwoorde jeugdhulp op de thema's ontwikkelingsgerichte hulp, de kundige hulpverlener en goed bestuur. Bij het toezicht in maart en april 2021 voldeed verzoekster op de locatie '[naam] aan acht van de 17 beoordeelde normen. Van de 17 beoordeelde normen voldeed verzoekster aan negen normen niet. Op de locaties [naam] en [naam] voldeed verzoekster aan twee van de 14 beoordeelde normen, aan één norm voldeed verzoekster grotendeels, aan 11 van de 14 normen voldeed verzoekster niet. De hulpverlening bij verzoekster voldoet niet aan de normen voor verantwoorde jeugdhulp. Verzoekster handelt daarmee in strijd met de artikelen 4.1.1 en 4.2.1 van de Jw. Verzoekster is een termijn gegeven tot uiterlijk 1 februari 2022 om te voldoen aan de gestelde normen. Indien zij binnen deze termijn geen gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing, kan verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom opleggen teneinde naleving van de aanwijzing af te dwingen. Verweerder is op grond van artikel 9.7 van de Jw in samenhang met artikel 3.1 van onderdeel III van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet verplicht de aanwijzing openbaar te maken.

6. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] uit een structuur van stichtingen bestaat. Er is weliswaar sprake van een overkoepelende stichting. Maar om de tekortkomingen van de afzonderlijke stichtingen toe te rekenen aan verzoekster, gaat een brug te ver. Bepaalde stichtingen zijn wel onderzocht en andere stichtingen niet. Door het op één hoop gooien van alle geconstateerde tekortkomingen lijkt het alsof elke stichting de betreffende tekortkoming heeft. Dat is evident onjuist. Bij [naam] en [naam] heeft ten onrechte geen hertoets plaatsgevonden. Daardoor wordt verzoekster nu geconfronteerd met een aanwijzing voor deze locaties. Het primaire besluit is onvoldoende gemotiveerd dan wel niet zorgvuldig opgesteld.

De openbaarmaking van de aanwijzing ziet louter en alleen op gestelde tekortkomingen in de verleden tijd (ex tunc). Op het moment van openbaarmaking (ex nunc) zijn onverkort wijzigingen doorgevoerd door verzoekster die niet worden benoemd door verweerder in de openbaar te maken aanwijzing. Niet duidelijk is waarom verweerder de verbetertermijn niet heeft vastgesteld tot 1 maart 2022, zoals door verzoekster is verzocht.

Het is onmiskenbaar dat openbaarmaking van het rapport en de aanwijzing verstrekkende en negatieve gevolgen voor verzoekster zal hebben. Voor [naam] en [naam] geldt dat er geen verbetertraject en plan van aanpak is doorlopen. Er is daarmee onvoldoende zorgvuldig gehandeld door verweerder.

7. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat verzoekster, de vier stichtingen en de twee B.V. ’s dezelfde natuurlijke persoon als bestuurder kennen zo blijkt uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Verzoekster is te kwalificeren als jeugdhulpaanbieder als bedoeld in art. 1.1 van de Jw. Zij is een rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen, namelijk door de jeugdhulp te laten verlenen door ‘[naam], [naam] en [naam], onder verantwoordelijkheid van het College. De colleges van de gemeenten geven de indicaties om jeugdhulp te verlenen af op de naam van verzoekster. Hiermee valt verzoekster onder de verantwoordelijkheid van het college zoals is opgenomen in de definitie van jeugdhulpaanbieder in art 1.1 van de Jw. Verzoekster beschikt over een AGB-code en zet de betalingen door naar de andere rechtspersonen door wie Stichting [verzoekster] die jeugdhulpverlening feitelijk doet verlenen. Het al dan niet zijn van lege huls is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een jeugdhulpaanbieder in de zin van de Jw gelet op de omschrijving dat ook een rechtspersoon die jeugdhulp doet verlenen een jeugdhulpaanbieder is. Verweerder acht dat de verbonden rechtspersonen waar toezicht heeft plaatsgevonden afzonderlijk ook te kwalificeren zijn als jeugdhulpaanbieder in de zin van de Jw. Dit gelet op de memorie van toelichting op de Jeugdwet bij de artikelsgewijze toelichting en definitie van jeugdhulpaanbieder.4 Verweerder acht het opleggen van één bestuursrechtelijke maatregel aan verzoekster uit het oogpunt van proportionaliteit en effectiviteit meer aangewezen dan meerdere bestuursrechtelijke maatregelen aan de afzonderlijke rechtspersonen. Verweerder ziet een rode draad in de tekortkomingen op de verschillende locaties en dus bij de verschillende rechtspersonen. De punten waarop de jeugdhulpverlening niet aan de getoetste normen voldoet, zijn op de verschillende locaties bij de verschillende rechtspersonen dezelfde en bovendien overkoepelend geregeld.

Verweerder vindt dat hij een redelijke termijn heeft opgenomen om te voldoen aan de normen vermeld in de aanwijzing. Relevant is dat deze termijn proportioneel is en in verhouding staat tot de weg te nemen normschendingen.

Op grond van artikel 9.7, eerste lid, van de Jw in samenhang gelezen met artikel 2 van het Besluit Openbaarmaking en artikel 3.1, onder a en c, van onderdeel III van de bijlage bij

het Besluit openbaarmaking is verweerder verplicht om de zakelijke weergave van de aanwijzing en het rapport openbaar te maken. Met de openbaarmaking van de zakelijke weergave van de aanwijzing en het onderliggende rapport wordt door de wetgever beoogd de naleving van regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop het

toezicht en de uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Op basis van de Jw is, anders dan voorheen onder de Wet openbaarheid van bestuur (de WOB) geen ruimte meer voor een individuele belangenafweging. De wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat de vraag wat in de praktijk openbaar moet worden gemaakt, niet is onderworpen aan een belangenafweging. Dat openbaarmaking van de zakelijke weergave van de aanwijzing en het rapport mogelijk onevenredig nadeel zou kunnen hebben voor de instelling doet niet af aan het gebonden karakter van openbaarmaking. Het evenredigheidsbeginsel, uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is evenmin van toepassing.

Dat er onzorgvuldig gehandeld is, acht verweerder onjuist. Zo heeft verweerder alvorens over te gaan tot een aanwijzing een plan van aanpak van verzoekster op 1 februari 2020 naar aanleiding van het eerste rapport ontvangen, een tweede bezoek in 2021 gebracht en het

rapport voor feitelijke onjuistheden voorgelegd, een voornemen tot aanwijzing verzonden en de mogelijkheid gegeven om een zienswijze in te dienen om vervolgens een definitieve aanwijzing te geven. Overigens vereist de Jw niet dat verweerder bij geconstateerde tekortkomingen een jeugdhulpaanbieder eerst een kans biedt om de tekortkomingen weg te nemen, alvorens zij een aanwijzing oplegt. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat de waardering van de feiten, en daarmee het vaststellen van tekortkomingen, aan haar is voorbehouden.5

De beoordeling van de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang, als bedoelt in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat openbaarmaking van de zakelijke weergave van de aanwijzing en het onderliggende rapport van verweerder onomkeerbare gevolgen voor haar heeft.

9.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de tekortkomingen die bij ’[naam], [naam] en [naam] door de Inspectie zijn vastgesteld tussen partijen niet in geschil zijn.

9.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er bij verzoekster geen sprake is van een holdingstructuur. Wel hebben alle, bij verzoekster, aangesloten stichtingen en B.V. ’s dezelfde bestuurder. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat [verzoekster] inschrijft op aanbestedingen voor het verrichten van jeugdhulp. Wanneer verzoekster deze aanbesteding toegewezen krijgt ontvangt zij daarvoor geld. De bij [verzoekster] aangesloten stichtingen en B.V. ’s verbinden zich op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst tot het verrichten van de jeugdhulp. [verzoekster] doet daarmee jeugdhulp verlenen door de betreffende stichting of B.V. [verzoekster] valt daarmee onder de definitie van jeugdhulpaanbieder van artikel 1.1 van de Jw, zoals nader uitgewerkt in de memorie van toelichting daarop. Verzoekster is in het bezit van één AGB-code. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient [verzoekster] daarom te worden aangemerkt als één organisatie.

9.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ten onrechte aan verzoekster een aanwijzing gegeven. [verzoekster] bestaat uit vijf onderdelen, te weten ’[naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] Bij het toezicht dat heeft geleid tot het geven van de aanwijzing heeft de Inspectie twee onderdelen, [naam] en [naam], in het geheel niet bezocht. Twee onderdelen zijn slechts eenmaal bezocht door de Inspectie, [naam] en [naam]. Slechts één onderdeel, ’[naam], is tweemaal bezocht door de Inspectie. Na het eerste bezoek aan ’[naam] is er een verbeterplan opgesteld en uitgevoerd. Voor [naam] en [naam] is er geen verbeterplan opgesteld en uitgevoerd. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat, hoewel de Jw niet vereist dat verweerder bij geconstateerde tekortkomingen een jeugdhulpaanbieder eerst een kans biedt om de tekortkomingen weg te nemen alvorens zij een aanwijzing oplegt, verweerder dat in de praktijk altijd wel doet. Hierdoor is er, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, sprake van een vaste gedragslijn van verweerder. Verweerder heeft ook ter zitting geen verklaring gegeven waarom voor [naam] en [naam] niet de gelegenheid is gegeven een verbeterplan op te stellen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat verweerder deze vaste gedragslijn voor [naam] en [naam] ten onrechte niet gevolgd heeft. Dit klemt te meer gezien de aanzienlijke gevolgen die publicatie van de aanwijzing voor verzoekster kan hebben. Anders dan verweerder vindt de voorzieningenrechter voorts dat de tekortkomingen die bij ’[naam] zijn geconstateerd na uitvoering van het verbeterplan zonder meer kunnen worden toegerekend aan [naam] en [naam]. Het besluit tot het geven van een aanwijzing aan [verzoekster] als geheel en deze te publiceren, treft [verzoekster] als geheel. Het heeft implicaties voor de publieke uitstraling van [verzoekster] als geheel en dus ook op de onderdelen die in het geheel niet onderzocht zijn, [naam] en [naam], en dat acht de voorzieningenrechter gelet op het hiervoor overwogene onzorgvuldig.

9.4.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst veroordeelt hij verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Die kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 748,- per punt en wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ter hoogte van € 360,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 1.496;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht groot € 360 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Peters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Jeugdwet

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder (…):

– jeugdhulp:

1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

– jeugdhulpaanbieder:

1°. natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;

2°. solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college;

– jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent;

Artikel 4.1.1

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties. Voor zover het betreft jeugdhulp die verblijf van een jeugdige of ouder in een accommodatie gedurende ten minste een etmaal met zich brengt, draagt de jeugdhulpaanbieder er tevens zorg voor dat in de accommodatie geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdige of ouder.

3. De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard.

Artikel 9.1

1. Onverminderd artikel 36 van de Gezondheidswet heeft de Inspectie gezondheidszorg en jeugd tot taak het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin van:

a. de jeugdhulpaanbieders;

b. de certificerende instelling, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid;

c. de gecertificeerde instellingen;

d. Veilig Thuis;

e. de raad voor de kinderbescherming, en

f. de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan.

2. In afwijking van het eerste lid, wordt het onderzoek, voor zover het de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft, uitgevoerd door de inspectie bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s.

3. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren van de inspecties, bij de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid.

4. De inspecties nemen bij de vervulling van hun taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, de instructies van Onze Ministers in acht.

5. De Inspectie gezondheidszorg en jeugd houdt bij de vervulling van haar taak rekening met de behoeften van gemeenten.

6. De inspecties brengen van hun bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kunnen daarbij voorstellen doen tot verbetering van de kwaliteit. Onze Ministers worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de bevindingen.

7. De Inspectie gezondheidszorg en jeugd publiceert jaarlijks een verslag van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij de voorstellen die zij in het belang van de jeugdhulp nodig acht.

Artikel 9.3

1. Indien een van Onze Ministers van oordeel is dat een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of onvoldoende naleeft, kan hij de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling die het betreft een schriftelijke aanwijzing geven.

2. In de aanwijzing geeft Onze Minister die het aangaat met redenen omkleed aan welke maatregelen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling moet nemen met het oog op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

3. De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling daaraan moeten voldoen.

4. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 9.2, eerste lid, met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door een van Onze Ministers kan worden verlengd.

5. De jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.

6. Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan een met het toezicht belaste ambtenaar.

Artikel 9.7

1. De inspectie, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, en de inspectie, bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, maken, na een daartoe strekkend besluit van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorgaan, de bij die maatregel aan te wijzen onder haar berustende informatie openbaar inzake het toezicht en de uitvoering van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, teneinde de naleving daarvan te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten daarvan zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen, die met de uitvoering van de bij of krachtens deze wet gestelde regels zijn belast, dan wel de organisatie waarvoor zij werkzaam zijn, in plaats van die inspecties worden belast met openbaarmaking als bedoeld in de eerste volzin.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen dan de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, die belast zijn met de uitvoering van de bij of krachtens deze wet gestelde regels worden verplicht onder hen berustende informatie ter openbaarmaking te verstrekken aan degene die met de openbaarmaking daarvan is belast, bij welke verstrekking de informatie wordt ontdaan van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.

3. Op grond van het eerste lid kan voor openbaarmaking worden aangewezen, informatie betreffende:

a. uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens;

b. kennisgevingen van de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, waarin de betrokkene wordt medegedeeld dat tot intensivering van het toezicht is overgegaan, dat die intensivering wordt beëindigd, dan wel dat de betrokkene met onmiddellijke ingang of op zeer korte termijn verbeteringen in zijn organisatie moet aanbrengen;

c. adviezen aan bestuursorganen over het toezicht op of de uitvoering van de bij of krachtens deze wet gestelde regels;

d. waarschuwingen;

e. besluiten, inhoudende een bevel of de verlenging van een bevel als bedoeld in artikel 9.3, vierde lid, dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid;

f. besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht;

g. de uitvoering, wijziging, beëindiging, schorsing en intrekking van besluiten en maatregelen als bedoeld in dit lid.

4. Indien de informatie betrekking heeft op besluiten als bedoeld in het derde lid, onder e en f, wordt bij de openbaarmaking aangegeven of een rechtsmiddel tegen dat besluit is of kan worden ingesteld.

5. De inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, dan wel degene die op grond van het eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, dragen er zorg voor dat de informatie die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt, bij de openbaarmaking is ontdaan van:

a. persoonsgegevens, voor zover de openbaarmaking daarvan op grond van het zesde lid niet is toegestaan; en

b. informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste, dan wel tweede lid, voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.

6. De openbaar te maken informatie mag slechts persoonsgegevens bevatten, voor zover die persoonsgegevens:

a. gerelateerd zijn aan het beroeps- of bedrijfsmatig functioneren of handelen van de personen die onderwerp zijn van het toezicht of op wie de uitvoering betrekking heeft;

b. gerelateerd zijn aan de taakvervulling van de personen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de aangewezen regelgeving zijn belast; of

c. door de persoon ten aanzien van wie de openbaarmaking plaatsvindt, duidelijk openbaar zijn gemaakt.

Artikel 9.8

1. De openbaarmaking, bedoeld in artikel 9.7, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 9.7, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.

2. Indien de betrokkene een reactie kenbaar heeft gemaakt, wordt deze door het met openbaarmaking belaste bestuursorgaan eveneens openbaar gemaakt.

3. Op de besluiten tot openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

4. Het derde lid blijft buiten toepassing indien het besluit tot openbaarmaking is gericht op de openbaarmaking van informatie over een besluit waarbij een belanghebbende op grond van artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht tot het naar voren brengen van een zienswijze in de gelegenheid dient te worden gesteld.

5. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gedaan tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek uitspraak heeft gedaan.

6. De termijn van twee weken, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing bij de openbaarmaking van informatie over:

a. bevelen als bedoeld in artikel 9.3, vierde lid, alsmede over verlengingen daarvan;

b. aanwijzingen als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, indien die aanwijzing inhoudt dat aan de betrokkene een beperkende maatregel is opgelegd;

c. lasten als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, tot handhaving van een bevel als bedoeld onder a of een aanwijzing als bedoeld onder b;

d. kennisgevingen van de inspecties waarin de betrokkene wordt medegedeeld dat tot intensivering van het toezicht is overgegaan, dan wel dat de betrokkene met onmiddellijke ingang of op zeer korte termijn verbeteringen in zijn organisatie moet aanbrengen.

7. indien openbaarmaking plaatsvindt via het internet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de periode gedurende welke de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, dan wel degene die op grond van artikel 9.7, eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, de informatie beschikbaar stellen.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor een goede uitvoering van het eerste en tweede lid en artikel 9.7, eerste en tweede lid.

9. Indien de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van deze wet, blijft openbaarmaking achterwege.

Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet

Artikel 3

1. De in de bijlage aangewezen informatie wordt op een voor het publiek toegankelijke wijze openbaar gemaakt via het in het betreffende onderdeel van de bijlage aangewezen communicatiemiddel.

2. Door de NVWA, de IGJ of de IJenV via hun website openbaar gemaakte informatie blijft gedurende de in het betreffende onderdeel van de bijlage vastgestelde termijn beschikbaar.

1 https://www.igj.nl/zorgsectoren/jeugd/publicaties/toetsingskaders/2019/06/24/toetsingskader-verantwoorde-hulp-voor-jeugd---overzicht.

2 https://www.igj.nl/zorgsectoren/jeugd/publicaties/toetsingskaders/2021/01/05/het-jij-kader.

3 https://ggdgelderlandzuid.nl/wp-content/uploads/2019/07/190722-Toetsingskader-Wmo-juli-2019.pdf.

4 Kamerstuk 33 684, nr.3 MvT, p. 121.

5 Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS: 2020: 2089).