Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:429

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
31-01-2021
Zaaknummer
05-238532-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft twee mannen veroordeeld tot 24 respectievelijk 18 maanden gevangenisstraf, waarvan steeds 6 maanden voorwaardelijk, voor een gewapende overval op twee mannen in een woning in Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/238532-20

Datum uitspraak : 19 januari 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Grave.

Raadsman: mr. D. Kotterman, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 5 januari 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een mobiele telefoon (Iphone 11 Pro Max),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft weggenomen in/uit een woning, gelegen aan de kruizemuntstraat 2 met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] te richten en/of

-(tijdens de vlucht) dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] te richten en/of

-(tijdens de vlucht) in de (linker) onderarm van die [slachtoffer 1] te bijten;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Arnhem, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni, type 315 auto, kaliber 8 mm Knall zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 0-1;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 16;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2021.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- kennisgeving van inbeslagneming, p. 31;

- het proces-verbaal van onderzoek aan het wapen, p. 41-42;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari 2021.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een mobiele telefoon (Iphone 11 Pro Max),

in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft weggenomen in/uit een woning, gelegen aan de Kruizemuntstraat 2 met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] te richten en/of

-(tijdens de vlucht) dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] te richten en/of

-(tijdens de vlucht) in de (linker) onderarm van die [slachtoffer 1] te bijten;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2020 te Arnhem, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni, type 315 auto, kaliber 8 mm Knall zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zouden de bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het locatiegebod. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht in deze zaak niet zou moeten worden toegepast.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat toepassing moet worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman verwezen naar het reclasseringsrapport, de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke detentie gelijk aan het voorarrest op te leggen, in combinatie met een voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval, waarbij een iPhone 11 Pro Max is buitgemaakt. Via Marktplaats legden zij contact met de eigenaar van de telefoon en diens zoon. Verdachte en zijn medeverdachte wekten de indruk geïnteresseerd te zijn in de aankoop van de telefoon en maakten een afspraak. Deze afspraak vond plaats in de woning van de slachtoffers in Arnhem. Eenmaal aangekomen in de hal van de woning heeft verdachte een pistool getrokken en dit op hen gericht om zo de telefoon te kunnen stelen. Tijdens zijn vlucht uit de woning werd hij achtervolgd door één van de slachtoffers. Hij heeft toen nogmaals het pistool op hem gericht en heeft het slachtoffer uiteindelijk in diens onderarm gebeten.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Door bij het plegen van de diefstal geweld te gebruiken en daarmee te dreigen heeft hij de slachtoffers angst aangejaagd. Zij bevonden zich op dat moment in hun woning: bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Ook weegt de rechtbank mee dat gewapende overvallen, zeker wanneer deze in een woning plaatsvinden, leiden tot gevoelens van afschuw en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft al deze belangen genegeerd en zijn eigen gewin vooropgesteld. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke gedragingen een vrijheidsstraf van langere duur passend maken.

De reclassering heeft geadviseerd om in de zaak tegen verdachte toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Kort samengevat baseert men dit advies op de constatering dat verdachte onvoldoende in staat is om zijn eigen gedrag goed te organiseren en de risico’s van zijn handelen in te schatten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om dit advies over te nemen. De rechtbank overweegt dat iemand met de leeftijd van verdachte in beginsel wordt berecht conform het volwassenenstrafrecht, maar dat hier in bijzondere gevallen van kan worden afgeweken door het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om daartoe over te gaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte de overval op de slachtoffers op volwassen wijze en zorgvuldig hebben voorbereid. Zij hebben een afspraak gemaakt en zijn vervolgens met bus en trein vanuit Amsterdam naar Arnhem gereisd. Bovendien hebben zij een pistool meegenomen en hier ook mee gedreigd. Kennelijk zagen zij in dat het toepassen van dergelijk geweld en de dreiging daarmee de diefstal gemakkelijker zouden maken. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden duiden op een voorbereide actie en niet op een impulsieve, ongeorganiseerde daad. De rechtbank ziet ook overigens geen omstandigheden die toepassing van het adolescentenstrafrecht rechtvaardigen en zal daartoe dan ook niet overgaan.

De rechtbank zal in enigszins strafverminderende zin dan weer wel rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte. Ook heeft verdachte zichzelf na de overval gemeld bij de politie en heeft hij vervolgens openheid van zaken gegeven. De rechtbank acht het verder van belang om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en hieraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Het bestaan van een voorwaardelijk strafdeel en de begeleiding door de reclassering kunnen werken als stok achter de deur voor verdachte om zich in de toekomst niet langer bezig te houden met strafbare feiten. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een locatiegebod en -verbod en zal daartoe dan ook niet overgaan.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

8 De beoordeling van het beslag

De rechtbank beslist dat het in beslag genomen pistool (goednummer: PL0600-2020450347-2362065), met behulp waarvan feit 1 is begaan, moet worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

9 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beiden in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen ieder € 2.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en het toepassen van hoofdelijkheid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en geconcretiseerd.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen door het onder feit 1 bewezenverklaarde in hun persoon zijn aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. Een verzoek om schadevergoeding dat hierop is gegrond, zal in beginsel moeten worden onderbouwd met concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat een dergelijke aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden die conclusie rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is. De benadeelde partijen zijn immers met geweld en met de dreiging van geweld overvallen in hun eigen huis. De nadelige gevolgen daarvan zijn zo evident dat de rechtbank de door de benadeelde partijen overgelegde onderbouwing als voldoende beschouwt.

Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, zal ten aanzien van de immateriële schade een bedrag van € 750,00 worden toegekend aan beide benadeelde partijen. De benadeelde partijen zullen in het overige deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partijen voor dat hele bedrag aansprakelijk is. De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door een zijn mededader is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

Verdachte is vanaf 21 september 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

o stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o stelt als bijzondere voorwaarden dat:

 betrokkene zich meldt uiterlijk drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland in Amsterdam. Hij meldt zich op het telefoonnummer 088-8041200. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

 betrokkene actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa (cognitieve vaardigheden) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

o geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beslissing ten aanzien van het beslag

De rechtbank:

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen pistool (goednummer: PL0600-2020450347-2362065).

Beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 1 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 (vijftien) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Beslissing ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 1 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 (vijftien) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Elbersen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant G. van den Berg van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ON4R020123 (onderzoek Daalder), gesloten op 24 september 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.