Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4255

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6057
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor bomenteelt (artikel 2.1, eerste lid, onder b, Wabo).

Verweerder heeft getoetst aan de landschapswaarden uit het Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Het LOP kan echter niet het bestemmingsplan opzij zetten noch is dit opgesteld ter uitvoering van in het bestemmingsplan neergelegde regels. Het bestemmingsplan vormt voor de aanlegvergunning het toetsingskader en in artikel 47.2, onder b, in samenhang met bijlage 6 bij de planregels zijn de landschapswaarden aangegeven die moeten worden beoordeeld. Verweerder had aan deze landschapswaarden moeten toetsen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft getoetst of deze landschapswaarden onevenredig worden aangetast. Daardoor staat ook niet vast of het nodig is om door het stellen van voorwaarden – bijvoorbeeld landschappelijke inpassingsmaatregelen – aan deze onevenredige aantasting tegemoet te komen.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/6057

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: S. Boonstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A. Textor).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] te [woonplaats].

Procesverloop

In het besluit van 7 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “uitvoeren van een werk” (hierna: aanlegvergunning) buiten behandeling gelaten omdat deze niet voldoet aan de in de Regeling omgevingsrecht gestelde voorschriften voor het indienen van een aanvraag.

In het besluit van 28 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Verweerder heeft een nieuw besluit genomen en de aanlegvergunning geweigerd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de zaak met nummer 20/6058, plaatsgevonden op 7 juni 2021. Namens eiseres is [eiseres] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder was aanwezig H. Posthuma en mr. V.A. Textor. De derde-partij is niet verschenen.

In de zaak met nummer 20/6058 wordt apart uitspraak gedaan.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1. De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bestemmingsplan “Buitengebied Epe” (hierna: het bestemmingsplan) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Eiseres is huurder van het agrarische perceel met kadastraal nummer 2220. Dit perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 3 hectare. Op dit perceel vindt sinds 2007 kerstbomenteelt plaats. De rechtsvoorganger van de derde-partij heeft verweerder op 10 mei 2019 verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder een aanlegvergunning aanplanten van deze kerstbomen.

3. Het perceel is in het bestemmingsplan bestemd als “Agrarisch”. Op het gehele perceel liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen “overige zone – groene ontwikkelingszone” en “overige zone – natte heideontginningen”. Op grond van artikel 47.1 is ter plaatse van de aanduiding “overige zone - natte heideontginningen” een aanlegvergunning vereist voor het beplanten met houtopstanden, waaronder het kweken en telen van bomen.

Op 17 maart 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een aanlegvergunning voor de teelt van kerstbomen en heesters voor een periode van vier jaar.

4. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan het Landschapsontwikkelingsplan (LOP), waarin het volgende staat: “Vorming van een robuust groen casco. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar het sterk vergroenen van het landschap met behulp van wegbeplantingen, erfbeplanting, kavelbeplanting en bosjes.”

Volgens verweerder is geen sprake van het versterken van de landschapsstructuren en kunnen zonder verdere inpassingsmaatregelen de landschappelijke en natuurlijke waarden niet worden gewaarborgd. Het aanplanten van een singel zou deze waarden wel kunnen waarborgen. Omdat het project onvoldoende is ingepast in het landschap heeft verweerder geweigerd de tijdelijke aanlegvergunning te verlenen.

Landschapswaarden

5.1.

Eiseres betoogt dat de tijdelijke teelt op een perceel van 3 hectare niet leidt tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogt te beschermen en dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de kernkwaliteiten die aan het gebied “natte heideontginningen” zijn toegekend, zodat voldaan wordt aan de beoordelingscriteria uit artikel 47.2, onder a, b en f, van het bestemmingsplan. Met de geëiste inpassingsmaatregelen gaat verweerder ook voorbij aan deze beoordelingscriteria. Deze landschappelijke inpassing is volgens eiseres ook ongewenst omdat het een huurperceel betreft dat na de huurperiode stobbenvrij en vrij van aanplant moet worden opgeleverd. Bovendien ontstaat er een nieuwe vergunningplicht bij het verwijderen van de aanplant, aldus eiseres.

5.2.

In het voorliggende geval is sprake van een aanlegvergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo en artikel 47.1 van de regels van het bestemmingsplan. De toetsingscriteria voor deze aanlegvergunning zijn opgenomen in artikel 47.2. Bij het verlenen van de aanlegvergunning dient op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo te worden getoetst aan deze in het bestemmingsplan opgenomen toetsingscriteria en dient de aanlegvergunning te worden geweigerd als deze daarmee in strijd is. De onevenredige aantasting van landschaps- en natuurwaarden is op grond van artikel 47.2, onder b, van de planregels één van de toetsingscriteria. Deze landschapswaarden zijn opgenomen in bijlage 6, en bestaan uit nat karakter (sloten), open grasland, een herkenbaar verkavelingspatroon en rechte ontginningsassen.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft getoetst aan de landschapswaarden uit het LOP. De rechtbank overweegt dat het LOP niet het bestemmingsplan opzij kan zetten noch is opgesteld ter uitvoering van in het bestemmingsplan neergelegde regels. Het bestemmingsplan vormt voor de aanlegvergunning het toetsingskader en in artikel 47.2, onder b, in samenhang met bijlage 6 bij de planregels zijn de landschapswaarden aangegeven die moeten worden beoordeeld. Verweerder had dus aan deze landschapswaarden moeten toetsen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft getoetst of deze landschapswaarden onevenredig worden aangetast. Daardoor staat ook niet vast of het nodig is om door het stellen van voorwaarden – bijvoorbeeld landschappelijke inpassingsmaatregelen – aan deze onevenredige aantasting tegemoet te komen.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten en griffierecht

7. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze proceskosten bedragen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1)

De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

(…).”

Artikel 2.11

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2 Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Bestemmingsplan “Buitengebied Epe”

Artikel 47 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden

47.1

Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op en in de hierna genoemde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:

a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b. verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet;

c. ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder het aanbrengen van kaden en dijken;

d. aanleggen en dempen van watergangen en andere waterpartijen en werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals diepen of draineren;

e. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, het ingraven of indrijven van voorwerpen dieper dan 3 m;

f. diepploegen, zijnde het extra diep - meer dan circa 0,4 m - omploegen, het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;

g. bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;

h. het vellen of rooien van houtsingels of houtwallen;

i. het verrichten van exploratieboringen en seismologisch onderzoek;

47.2

Beoordelingscriteria

Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 47.1 alleen indien:

  1. door de in lid 47.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen;

  2. de landschaps- en natuurwaarden zoals opgenomen in Bijlage 6 niet blijvend onevenredig of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen;

  3. geen sprake is van significante gevolgen voor gebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming als beschermde gebieden worden aangemerkt;

  4. (…);

  5. (…);

  6. voor zover de gronden liggen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' wordt eveneens beoordeeld of er geen sprake is van een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied;

  7. voor zover de gronden liggen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – beschermingszone natte landnatuur' wordt tevens beoordeeld of:

1. door de werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden of de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan de natuurlijke en/of waterhuishoudkundige waarden van de met deze bestemming te beschermen vochtgebonden natuurwaarden, alsmede de kwaliteit, de waterstand en de stroming van het oppervlakte- en grondwater niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;

2. het woongenot van nabij gelegen (recreatiewoningen) niet onevenredig wordt of kan worden geschaad als gevolg van plaagvorming van steekmuggen en/of knutten en de aanvrager een rapport heeft overgelegd waaruit blijkt dat de overlast door steekmuggen en knutten als gevolg van de voorgenomen maatregel zoveel als mogelijk wordt beperkt;

3. (…);

4. de waterbeheerder daaromtrent is gehoord.

Bijlage 6. Lijst met landschaps- en natuurwaarden per landschapseenheid