Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:4121

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
C/05/369109 / HA ZA 20-242
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Autoverzekering.1. Beroep verzekeraar op art. 7:930 lid 4 BW slaagt. 2. Geen schending zorg- of adviesplicht assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/369109 / HA ZA 20-242 / 167 / 538

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eiseres,

advocaten mrs. H.L.J.M. van Grinsven en G. Willemsen te Tilburg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde partij 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaten mrs. P.M. Leerink en M. Maas te Deventer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRIVATE INSURANCE ASSURADEUREN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Weert,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin (Ierland) en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.W.E. Lohman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisende partij] , [gedaagde partij 1] , PIA en AXA genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2020

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2021

  • -

    de akte van [gedaagde partij 1] van 17 februari 2021 met de producties 15 en 16

  • -

    de akte van [eisende partij] van 17 februari 2021 met de producties 13 t/m 20

- de antwoordakte uitlaten producties van [eisende partij] van 17 maart 2021

- de antwoordakte na comparitie van [gedaagde partij 1] van 17 maart 2021

- de antwoordakte na comparitie van PIA en AXA van 17 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is een autobedrijf dat luxe auto’s in- en verkoopt. Indirect bestuurder en aandeelhouder van [eisende partij] is de heer [bestuurder eisende partij] (hierna: [bestuurder eisende partij] ).

2.2.

[gedaagde partij 1] is een assurantietussenpersoon, onder meer voor het bemiddelen bij verzekeringen voor luxe motorvoertuigen. De heer [bestuurder gedaagde partij 1] (hierna: [bestuurder gedaagde partij 1] ) is bestuurder van [gedaagde partij 1] en de heer [gevolmachtigde gedaagde partij 1] (hierna: [gevolmachtigde gedaagde partij 1] ) is gevolmachtigde.

2.3.

AXA is een onderneming die schadeverzekeringen verstrekt. PIA is de gevolmachtigde van AXA.

2.4.

[eisende partij] heeft op 2 februari 2018 een auto, merk Ferrari, type GTC4 Lusso Novitec (hierna: de Ferrari of de auto) gekocht voor een bedrag van € 235.000,00. Dit bedrag werd voldaan door twee auto’s in te ruilen en een bedrag van € 47.000,00 bij te betalen. Voor de aankoop van de Ferrari leende [eisende partij] een bedrag van € 230.000,00 van de heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1] ). [betrokkene1] is bevriend met de indirect bestuurder van [eisende partij] , [bestuurder eisende partij] . [betrokkene1] leent vaker geld uit aan [eisende partij] voor de aankoop van exclusieve auto’s.

2.5.

Bij e-mail van 5 februari 2018 heeft [betrokkene1] [gevolmachtigde gedaagde partij 1] onder meer het volgende bericht:

Een vriend van mij [bestuurder eisende partij] gaf me jou gegevens en sprak erg positief over jou

Zou jij een prijs kunnen maken voor allrisk verzekering voor

(…)

Ferrari gtc4 lusso 2016

Dag waarde in NL 330000 euro

Wat voor alarm vereisten zijn hiervoor ?

2.6.

Op 6 februari 2018 heeft [bestuurder gedaagde partij 1] [betrokkene1] per e-mail een offerte voor de verzekering van de Ferrari bij AXA gestuurd. Deze offerte is op naam van [betrokkene1] (verzekeringnemer) gesteld. Als stallingsadres is het woonadres van [betrokkene1] vermeld. De postcode en geboortedatum op de offerte verwezen naar [betrokkene1] als regelmatig bestuurder. Tevens is vermeld dat de auto voor particulier en zakelijk gebruik verzekerd zou zijn.

2.7.

Op 13 februari 2018 heeft [eisende partij] aangifte BPM gedaan en € 47.626,00 afgedragen. Op 22 februari 2018 is de Ferrari op naam van [eisende partij] gesteld.

2.8.

[eisende partij] heeft de Ferrari aanvankelijk via de reguliere garageverzekering verzekerd via haar tussenpersoon [betrokkene2] . Bij e-mailbericht van 22 februari 2018 heeft Allianz (de verzekeraar) [betrokkene2] bericht:

Zodra het kenteken bekend is verneem ik dit graag.

Had jij inmiddels al met verzekerde gesproken of alle bij ons bekende gegevens nog actueel zijn?

Want ik denk dat als we deze polis momenteel gaan naverrekenen dat relatie een hartverzakking krijgt.

Vervolgens heeft [eisende partij] via [betrokkene2] een offerte (bij PIA) aangevraagd om de Ferrari afzonderlijk (dus niet via de garageverzekering) te verzekeren voor zowel zakelijk als particulier gebruik, met [eisende partij] als verzekeringnemer, [bestuurder eisende partij] als regelmatig bestuurder en [eisende partij] als stallingsadres. De premie (exclusief kosten) bedroeg € 2.402,00 per jaar (op basis van een verzekerd bedrag/waarde van € 335.000,00). [eisende partij] heeft hier uiteindelijk geen gebruik van gemaakt.

2.9.

Op 19 maart 2018 heeft [eisende partij] een peilzender gekocht voor de Ferrari voor

€ 120,08 en een kentekenplaat voor € 139,17.

2.10.

Bij e-mailbericht van 4 april 2018 heeft [gevolmachtigde gedaagde partij 1] namens [gedaagde partij 1] [betrokkene1] opnieuw een e-mail gestuurd met dezelfde offerte als onder 2.6. vermeld.

2.11.

[betrokkene1] heeft [gevolmachtigde gedaagde partij 1] diezelfde dag bericht:

Ik wil deze graag bij jullie ingang zetten

Wat heb je allemaal nodig van ons?

2.12.

Op 5 april 2018 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [betrokkene1] en [gedaagde partij 1] . [betrokkene1] heeft [gedaagde partij 1] medegedeeld dat [gedaagde partij 1] [eisende partij] moest vragen om nadere informatie over de Ferrari.

2.13.

Bij e-mailbericht van 5 april 2018 heeft [bestuurder gedaagde partij 1] , namens [gedaagde partij 1] , [betrokkene3] (hierna: [betrokkene3] ), werkzaam bij [eisende partij] , (en cc [betrokkene1] ) het volgende bericht:

We hebben zojuist even contact gehad met [betrokkene1] en we hebben voor de verzekering van de Ferrari GTC4 Lusso nog de volgende informatie nodig. Zou jij zo vriendelijk willen zijn om dit even te sturen?

  1. De meldcode. (laatste 4 cijfers van het chassisnummer)

  2. Wat voor een voertuigvolgsysteem is er ingebouwd? Zou je ons hiervan het certificaat kunnen mailen?

  3. De auto wordt 3 jaar lang tegen de aanschafwaarde verzekerd. Zou je ons kopie van de factuur kunnen mailen? (inclusief BTW/BPM)

2.14.

Op 9 april 2018 heeft [bestuurder gedaagde partij 1] [betrokkene3] de volgende herinnering gestuurd:

Heb je onze vorige mail ontvangen? Zo ja, zou je ons dan even de info willen verstrekken? Dan kunnen we de verzekering voor de Ferrari van [betrokkene1] in gang zetten.

2.15.

[betrokkene3] heeft [bestuurder gedaagde partij 1] bij e-mailbericht van 10 april 2018 de volgende informatie gestuurd:

Bij deze de gevraagde informatie:

  1. 669

  2. Er zit een peilzender is. Zie het certificaat in de bijlage.

  3. Stuur ik je zsm. Systeem ligt eruit.

2.16.

Op 10 april 2018 heeft [betrokkene1] telefonisch contact gehad met [bestuurder gedaagde partij 1] .

2.17.

[gevolmachtigde gedaagde partij 1] heeft naar aanleiding hiervan telefonisch contact opgenomen met de heer [betrokkene4] (hierna: [betrokkene4] ) van PIA. PIA heeft er mee ingestemd dat de verzekering van de Ferrari op naam van [eisende partij] zou worden gezet met [betrokkene1] als regelmatig bestuurder en “feitelijk eigenaar”.

2.18.

Op 11 april 2018 is een digitaal aanvraagformulier voor een autoverzekering ingevuld. Bij naam is [betrokkene1] ingevuld. Omdat het een digitaal formulier was, kon er geen handtekening worden ingevuld. In plaats daarvan moest er “akkoord” worden ingevuld op de plaats van de handtekening, hetgeen ook is geschied.

Op de vraag of de aanvrager of een andere belanghebbende in de afgelopen vijf jaar een schade (b.v. aanrijdingsschade, diefstal, ruitbreuk etc.) heeft geclaimd, is nee geantwoord.

2.19.

[gedaagde partij 1] heeft het formulier diezelfde dag via haar portaal naar PIA gestuurd, waarna [bestuurder gedaagde partij 1] [betrokkene1] en [betrokkene3] per e-mail heeft bericht dat de gegevens met betrekking tot de verzekering van de Ferrari zijn doorgevoerd op naam van [eisende partij] en dat de auto in dekking was genomen.

2.20.

PIA heeft vervolgens een FISH (Fraude en Informatie Systeem Holland) check gedaan ten aanzien van [eisende partij] en [betrokkene1] . PIA heeft geconstateerd dat [eisende partij] zeven autoschades op haar naam had staan. Tevens kon PIA niet achterhalen wie als de ultimate beneficial owner (ubo) van de verzekeringnemer moest worden aangemerkt. PIA heeft vervolgens op 13 april 2018 [gedaagde partij 1] gevraagd om een toelichting op de schades te geven en [eisende partij] een ubo-verklaring te laten invullen. Dat heeft [betrokkene3] namens [eisende partij] ( [bestuurder eisende partij] ) diezelfde dag nog gedaan, waarna [gevolmachtigde gedaagde partij 1] de ingevulde ubo-verklaring heeft geretourneerd aan PIA en daarbij het volgende heeft vermeld:

Bijgevoegd de UBO verklaring. De bestuurder en eigenaar van de auto, [betrokkene1] , laat de auto op naam van [eisende partij] staan omdat hij snel van auto wisselt en van de auto geen marge auto wil maken omdat dit de eventuele toekomstige verkoop naar het buitenland of een bedrijf bemoeilijkt.

2.21.

In reactie hierop heeft mevrouw [betrokkene5] (hierna: [betrokkene5] ), werkzaam bij PIA, [gevolmachtigde gedaagde partij 1] bericht:

Dank voor het Ubo-formulier.

Maar hoe zit het met schadeverloop op [eisende partij] BV.

Heb je daar wat info over?

2.22.

[gevolmachtigde gedaagde partij 1] heeft vervolgens telefonisch contact gehad met [betrokkene5] en toegelicht dat [eisende partij] verzekeringnemer was, maar dat [betrokkene1] “de feitelijke eigenaar” en regelmatig bestuurder van de auto was.

2.23.

Bij de stukken bevindt zich een printscreen van een pagina van het digitale dossier van PIA inzake [eisende partij] , waarop onder meer het volgende door [betrokkene5] is vermeld:

16-4-2018 Inmiddels Ubo ontvangen, gecheckt en akkoord. [eisende partij] is het garagebedrijf waarop het kenteken geregistreerd staat en ook blijft staan. Toelichting TP opgeslagen in polisdossier. De Ferrari welke verzekerd is onder dit polisnummer wordt alleen gereden door de bestuurder welke vermeld staat in deze aanvraag (de heer [betrokkene1] , Ferrari is ook feitelijk van hem).

2.24.

Bij e-mailbericht van 16 april 2018 heeft [betrokkene5] [gedaagde partij 1] bericht dat de aanvraag was geaccepteerd.

2.25.

Op 17 april 2018 heeft [bestuurder gedaagde partij 1] [betrokkene1] en [betrokkene3] de polis en de groene kaart voor de verzekering van de Ferrari toegestuurd. Op de polis is onder meer het volgende vermeld:

Verzekeringnemer [eisende partij] B.V.

[adres]

(…)

Premie € 2.384,00 per jaar

(…)

Gebruik Particulier en bedrijfsmatig

(…)

Stallingsadres afwijkend van woonadres ja

Adres en woonplaats stalling [adres]

Postcode regelmatig bestuurder [postcode]

Naam bestuurder [betrokkene1]

(…)

Verzekerde waarde Casco (incl. BTW) € 332.000,-

ALG000110 – Elektronische acceptatie

Deze verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen door middel van het elektronisch aanleveren van gegevens. Deze gegevens worden geacht afkomstig te zijn van verzekeringnemer en zijn door de tussenpersoon verwerkt ten behoeve van het sluiten van overeenkomst. Verzekeringsnemer is verplicht de vermelde gegevens te controleren en eventuele onjuistheden of afwijkingen binnen 14 dagen na dagtekening van de polis schriftelijk aan de tussenpersoon te melden. Na afloop van deze termijn wordt aangenomen dat de door verzekeringnemer aan de tussenpersoon verstrekte gegevens juist zijn overgenomen/weergegeven en dat de opdracht tot verzekeren correct is uitgevoerd.

Bij het aanvragen van deze verzekering is een aantal vragen gesteld die voor de beoordeling en acceptatie van het aangeboden risico van belang zijn. Deze vragen zijn hierover vermeld en vormen samen met de vermelde antwoorden en (object)gegevens de basis van deze verzekeringsovereenkomst.

(…)

Vraag en Antwoord

Heeft u de afgelopen 5 jaar een schade gehad Nee

(…)

MR001250 – Bestuurders jonger dan 28 jaar

Indien het Motorrijtuig wordt bestuurd door een bestuurder jonger dan 28 jaar geldt naast het op het polisblad vermelde eigen risico een extra eigen risico van maximaal € 2.500,- voor Cascoschade. Dit extra eigen risico van € 2.500,- wordt verminderd met € 250,- voor ieder jaar dat de bestuurder ouder is dan 18 jaar. Indien wordt gereden in het bijzijn van een persoon ouder dan 28 jaar, dan geldt dit extra eigen risico niet.

2.26.

Op 24 november 2018 heeft [bestuurder eisende partij] de zoon (de heer [betrokkene6] van een klant/vriend van hem, in de gelegenheid gesteld om in de Ferrari, die stond geparkeerd bij [eisende partij] , te rijden, samen met de zeventienjarige zoon van [bestuurder eisende partij] als bijrijder. Vervolgens heeft een eenzijdige aanrijding plaatsgevonden, waarna de Ferrari total loss is verklaard.

2.27.

Na de aanrijding heeft een medewerker van [eisende partij] , op instructie van [bestuurder eisende partij] , de Ferrari ter verzekering aangemeld bij de garageverzekering van [eisende partij] bij Allianz.

2.28.

[eisende partij] heeft de schade gemeld bij [gedaagde partij 1] , die vervolgens dit heeft doorgeleid naar PIA. PIA heeft CED Forensic (hierna: CED) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de aanleiding van de schade. Daartoe is op 22 mei 2019 een rapport opgemaakt.

2.29.

CED heeft PIA bij brief van 14 december 2018 bericht dat volgens een bieding de restwaarde van de Ferrari € 85.592,42 exclusief btw bedroeg.

2.30.

Bij brief van 30 augustus 2019, verzonden per e-mail, heeft de advocaat van [eisende partij] de advocaat van PIA en AXA verzocht om tot uitkering van de schade over te gaan.

2.31.

De advocaat van PIA en AXA heeft de advocaat van [eisende partij] bij brief van 9 september 2019, verzonden per e-mail, medegedeeld dat PIA/AXA niet tot uitkering van de schade over gaat, omdat sprake zou zijn van schending van de mededelingsplicht.

2.32.

Bij brief van 24 december 2019, aangetekend en tevens per e-mail verstuurd, heeft de advocaat van [eisende partij] [gedaagde partij 1] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden, omdat PIA/AXA niet tot uitkering hiervan overgaat.

2.33.

De restanten van de Ferrari zijn op 21 april 2020 door [eisende partij] verkocht voor een bedrag van € 70.000,00.

3 De vordering

3.1.

[eisende partij] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen:

primair

1. PIA en/of AXA ieder hoofdelijk, het bedrag van € 282.885,25, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, dat de één betalende, de ander zal zijn bevrijd;

2. PIA en/of AXA de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf 24 mei 2019, althans vanaf de dag van dagvaarding, althans vanaf de dag in goede justitie te bepalen, tot aan de dag van algehele voldoening;

subsidiair

1. [gedaagde partij 1] het bedrag van € 282.885,25, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

2. [gedaagde partij 1] de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 31 december 2019, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

zowel primair als subsidiair

3. PIA en/of AXA en/of [gedaagde partij 1] , ieder hoofdelijk, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.189,43, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

4. PIA en/of AXA en/of [gedaagde partij 1] , ieder hoofdelijk, de kosten van dit geding, daaronder begrepen het salaris van de advocaat van [eisende partij] , alsmede de na de uitspraak nog vallende kosten ofwel de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eisende partij] legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat PIA en/of AXA gehouden is/zijn tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst en daarmee tot uitkering van de schade. PIA en AXA dienen op grond van artikel 7:958 lid 1 sub b en lid 2 BW de aanschafwaarde van de auto van € 282.885,25 te vergoeden.

[eisende partij] heeft bij het afsluiten van de verzekering alle informatie verstrekt die door de verzekeraar bij haar is opgevraagd. Voor zover dat anders zou zijn stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat de door haar niet dan wel onjuist medegedeelde feiten niet van belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals zich dat heeft verwezenlijkt (artikel 7:930 lid 2 BW), en dat PIA vanwege de schending van haar eigen onderzoeksplicht geen beroep toekomt op de artikelen 7:928 BW juncto 7:930 lid 4 en 5 BW. PIA/AXA dient dan ook tot uitkering van de schade over te gaan.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering jegens PIA/AXA dient te worden afgewezen, stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat [gedaagde partij 1] aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW juncto artikel 7:401 BW, nu zij als tussenpersoon tekort is geschoten in de nakoming van de opdracht tot bemiddeling (advies- en zorgplicht) voor het afsluiten van een verzekering voor de Ferrari. [eisende partij] heeft vertrouwd op het advies en handelen van [gedaagde partij 1] en de ontvangen polis.

Uiterst subsidiair stelt [eisende partij] dat haar een uitkering toekomt op grond van het bepaalde in artikel 7:930 lid 3 BW.

3.3.

PIA en AXA voeren verweer en stellen zich op het standpunt dat [eisende partij] haar mededelingsplicht heeft geschonden, nu bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet is gemeld dat de Ferrari onderdeel zou uitmaken van de bedrijfsvoorraad van [eisende partij] en gebruikt zou worden voor promotionele doeleinden. [gedaagde partij 1] en [eisende partij] weten, althans [eisende partij] had op grond van de toe te rekenen kennis van [gedaagde partij 1] kunnen begrijpen, dat garages een aanzienlijk groter risico lopen op autoschades en dat PIA/AXA geen autoschades bij garages verzekert, en hadden het voorgaande moeten melden. Op het aanvraagformulier is ingevuld dat het stallingsadres van de Ferrari het huisadres van [betrokkene1] was en dat geen sprake was van (auto)schades in de afgelopen vijf jaar. Deze vragen zijn bewust onjuist beantwoord, zodat volgens PIA en AXA sprake is van opzet tot misleiding zoals bedoeld in artikel 7:930 lid 5 BW. Subsidiair stellen PIA en AXA zich op het standpunt dat een redelijk handelend verzekeraar de Ferrari nooit verzekerd had als zij had geweten dat de auto tot de handelsvoorraad van [eisende partij] behoorde, zodat AXA op grond van artikel 7:930 lid 4 BW niet tot uitkering van de schade is gehouden. Het beroep van [eisende partij] op artikel 7:930 lid 2 BW is om die reden ten onrechte gedaan. Dit geldt ook voor het beroep op artikel 7:930 lid 3 BW. De in de dagvaarding vermelde verwijzing naar de schadestaatprocedure – die niet in het petitum terugkomt – dient te worden afgewezen, nu partijen (uiterst subsidiair) van mening verschillen over de hoogte van de uitkering. Tot slot stellen AXA en PIA zich, indien eerder genoemde verweren niet opgaan, op het standpunt dat de door CED vastgestelde waarde van de Ferrari van € 281.402,40 dient te worden vergoed, nu [eisende partij] hier op 14 december 2018 akkoord mee is gegaan. De restwaarde is door CED vastgesteld op € 95.070,00 inclusief btw, waar [eisende partij] mee heeft ingestemd. [eisende partij] heeft de Ferrari inmiddels verkocht zodat AXA een bedrag van € 195.809,98 (€ 281.402,40 -/- € 85.592,42) zal uitkeren, minus het eigen risico van € 3.000,00. [eisende partij] heeft geen recht op vergoeding van de aanschafwaarde, nu artikel 7:958 BW van regelend recht is en alleen van toepassing is als de polisvoorwaarden geen eigen regeling bevatten voor de berekening van de schade.

3.4.

[gedaagde partij 1] voert als verweer dat zij haar zorgplicht als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon jegens [eisende partij] niet heeft geschonden, zodat er dekking dient te worden verleend door PIA/AXA. Het is/was wel mogelijk om de Ferrari met [eisende partij] als verzekeringnemer, [bestuurder eisende partij] als regelmatig bestuurder en [eisende partij] als stallingsadres afzonderlijk en tegen dezelfde premie te verzekeren, zodat PIA ten onrechte uitkering weigert met een beroep op artikel 7:930 lid 3, 4 en 5 BW.

Voor zover daar anders over wordt geoordeeld, treft [gedaagde partij 1] geen blaam, omdat het aan PIA/AXA was om nadere vragen te stellen.

Voorts betwist [gedaagde partij 1] het causaal verband tussen de haar gemaakte verwijten en de gestelde schade (geen dekking van de schade). Verder komt de schade voor eigen rekening en risico van [eisende partij] , omdat zij niet de juiste en volledige informatie aan [gedaagde partij 1] heeft verstrekt.

Daarnaast heeft [eisende partij] nagelaten om na ontvangst van de polis daartegen te reclameren of vragen hierover te stellen, zodat het vorderingsrecht van [eisende partij] op grond van artikel 6:89 BW is komen te vervallen. Tot slot dient de schade te worden verminderd met het extra eigen risico bedrag van € 2.500,00, omdat de bestuurder 18 jaar oud was ten tijde van de aanrijding.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Omdat AXA een rechtspersoon is naar buitenlands recht, draagt de vordering een internationaal karakter. Allereerst dient dan ook de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. AXA is gevestigd te Dublin, maar houdt kantoor in Amsterdam. Niet weersproken is dat de onderhavige vordering betrekking heeft op de aangelegenheden die dit kantoor betreffen, zodat op grond van artikel 1:14 BW jo artikel 1:10 BW jo artikel 99 Rv de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil.

[gedaagde partij 1] is gevestigd en houdt kantoor te [plaats] . Nu niet is betwist dat er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen [gedaagde partij 1] en tegen AXA en PIA (gevestigd en kantoorhoudende te Weert) dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen (zoals hierna ook wordt overwogen onder 4.4.), is op grond van artikel 107 Rv de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem bevoegd om van de vorderingen tegen alle drie de gedaagden kennis te nemen.

4.2.

Tussen partijen is niet in discussie dat op hun rechtsverhouding, de vorderingen en de beoordeling daarvan Nederlands recht van toepassing is.

Partijen

4.3.

Vooropgesteld wordt dat [eisende partij] de procedure zo heeft ingestoken dat hier sprake is van zogenaamde subjectieve cumulatie. Dat wil zeggen dat één eiser in een en dezelfde dagvaarding tegen meerdere gedaagden vorderingen instelt met het doel deze - op zichzelf genomen zelfstandige vorderingen - in een en dezelfde procedure te laten behandelen. Een dergelijke procedurele insteek is mogelijk indien tussen de vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen.

4.4.

[eisende partij] heeft voor deze insteek gekozen, omdat zij jegens PIA/AXA nakoming van een verzekeringsovereenkomst vordert, ten aanzien waarvan [gedaagde partij 1] bij het sluiten van die overeenkomst als tussenpersoon heeft gefungeerd. Indien geoordeeld wordt dat PIA/AXA niet tot uitkering van de schade over hoeft te gaan, vordert [eisende partij] van [gedaagde partij 1] betaling van de schade wegens schending van haar zorg- en adviesplicht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het onder 4.3. bedoelde vereiste. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden dan ook geen aanleiding de vorderingen in afzonderlijke zaken te splitsen, hetgeen overigens ook door geen van gedaagden is verzocht.

4.5.

Nu subjectieve cumulatie aan de vorderingen jegens de afzonderlijke gedaagden niet hun zelfstandigheid ontneemt, worden hierna de vorderingen jegens ieder van de gedaagden zelfstandig en afzonderlijk beoordeeld. Wel wordt opgemerkt dat de hiervoor onder 2. vastgestelde feiten ten aanzien van alle gedaagden gelden.

4.6.

PIA heeft aangevoerd dat zij geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst en dat [eisende partij] daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens haar dient te worden verklaard.

Vastgesteld wordt dat PIA uit hoofde van een overeenkomst de gevolmachtigde is van AXA. Zij is gevolmachtigd om zelfstandig verzekeringen af te sluiten en schades te behandelen, een en ander voor rekening en risico van AXA. PIA is geen risicodragende partij/verzekeraar. Bovendien is op het polisblad PIA uitdrukkelijk als gevolmachtigde vermeld en is AXA als verzekeraar opgenomen. PIA kan daarom niet worden aangesproken door [eisende partij] . De vorderingen van [eisende partij] jegens PIA zullen dan ook worden afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling

ten aanzien van AXA

4.7.

Het meest verstrekkende verweer dat AXA voert is dat [eisende partij] haar mededelingsplicht heeft geschonden. Volgens AXA heeft [eisende partij] door vragen op het aanvraagformulier over het stallingsadres van de auto en haar schadeverleden bewust onjuist te beantwoorden en door niet mede te delen dat de auto tot de bedrijfsvoorraad van [eisende partij] behoorde, terwijl zij wist dat deze omstandigheden van belang waren voor het sluiten van de verzekering, AXA opzettelijk misleid, zodat zij [eisende partij] geen uitkering verschuldigd is.

Subsidiair stelt AXA zich op het standpunt dat als zij had geweten dat de auto tot de handelsvoorraad van [eisende partij] behoorde zij de verzekering nooit had gesloten, zodat ook onder die omstandigheden geen uitkering verschuldigd is.

4.8.

Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Artikel 7:930 BW beperkt het recht op uitkering indien niet aan deze mededelingsplicht is voldaan. Slechts indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (lid 4), of indien is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden (lid 5), is in het geheel geen uitkering verschuldigd. De stelplicht en bewijslast dat niet aan de mededelingsplicht is voldaan, ligt bij de verzekeraar.

4.9.

Allereerst geldt dat bij de beoordeling van de vraag welke feiten de verzekeringnemer behoort te kennen, of waarvan hij behoort te begrijpen dat deze van belang kunnen zijn voor de beslissing van de verzekeraar bij het sluiten van de verzekering, blijkens de parlementaire geschiedenis, wordt uitgegaan van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer, waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Ook dient rekening te worden gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verzekeringnemer. Daarnaast geldt dat de mededelingsplicht uitsluitend ziet op feiten waarvan de verzekeringnemer weet of behoort te begrijpen dat deze voor de verzekeraar van belang (kunnen) zijn. Aan de hand van de vragenlijst die door de verzekeraar is toegezonden, weet de verzekeringnemer welke punten de verzekeraar interesseren. Daarbij geldt dat de verzekeringnemer een voorgelegde vraag mag opvatten naar de zin die hij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen (Hoge Raad 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1902, NJ 1996, 707).

4.10.

Vooropgesteld wordt dat [betrokkene1] op 5 februari 2018 een bedrag van € 230.000,00 aan [eisende partij] heeft overgemaakt, zodat [eisende partij] de in Duitsland te koop staande Ferrari kon aankopen. [betrokkene1] heeft, toen hij werd gehoord door CED, te dien aanzien verklaard dat hij [bestuurder eisende partij] , directeur van [eisende partij] , vaker financieel te hulp schoot op het moment dat [bestuurder eisende partij] “handel zag”. Ook heeft [betrokkene1] verklaard dat de Ferrari zou worden toegevoegd aan de handelsvoorraad van [eisende partij] . [bestuurder eisende partij] heeft verklaard dat hij handelt in exclusieve auto’s, dat [betrokkene1] als investeerder hem soms faciliteert daarbij, zo ook bij de aankoop van de Ferrari, en dat het niet de bedoeling was om de Ferrari direct door te verkopen, behalve als er een goed bod gedaan zou worden.

4.11.

[eisende partij] heeft de Ferrari aanvankelijk op de reguliere garageverzekering verzekerd via haar tussenpersoon [betrokkene2] . Omdat de waarde van de Ferrari er voor zorgde dat een hogere premie moest worden betaald, heeft [eisende partij] via [betrokkene2] een offerte (bij PIA) aangevraagd om de Ferrari afzonderlijk (dus niet via de garageverzekering) te verzekeren voor zowel zakelijk als particulier gebruik, met [eisende partij] als verzekeringnemer, [bestuurder eisende partij] als regelmatig bestuurder en [eisende partij] als stallingsadres, maar [eisende partij] heeft daar uiteindelijk geen gebruik van gemaakt.

4.12.

[betrokkene1] heeft [gevolmachtigde gedaagde partij 1] (gevolmachtigde van [gedaagde partij 1] ) op 4 april 2018, nadat hij om een prijsopgave voor een allrisk verzekering van onder meer de Ferrari had verzocht, laten weten dat hij de verzekering wilde afsluiten. [betrokkene1] heeft [gevolmachtigde gedaagde partij 1] voor nadere informatie over de Ferrari verwezen naar [eisende partij] . Op 10 april 2018 heeft [betrokkene1] telefonisch contact gehad met [bestuurder gedaagde partij 1] (bestuurder van [gedaagde partij 1] ), waarna [gevolmachtigde gedaagde partij 1] telefonisch contact heeft opgenomen met [betrokkene4] (werkzaam bij PIA), die er mee heeft ingestemd dat de verzekering op naam van [eisende partij] zou worden gezet met [betrokkene1] als regelmatig bestuurder en feitelijk eigenaar.

4.13.

Op 11 april 2018 is een digitaal aanvraagformulier voor een autoverzekering ingevuld, dat [gedaagde partij 1] diezelfde dag via haar portaal (ITS Toolbox) naar PIA heeft gestuurd. Bij naam is [betrokkene1] ingevuld. Op de vraag of de aanvrager of een andere belanghebbende in de afgelopen vijf jaar een schade (b.v. aanrijdingsschade, diefstal, ruitbreuk etc.) heeft geclaimd, is nee geantwoord.

PIA heeft na een uitgevoerde FISH-controle [gedaagde partij 1] op 13 april 2018 gevraagd om een toelichting op de schades van [eisende partij] te geven en om [eisende partij] een ubo-verklaring te laten invullen. [gevolmachtigde gedaagde partij 1] heeft vervolgens de door [betrokkene3] namens [eisende partij] ( [bestuurder eisende partij] ) ingevulde ubo-verklaring geretourneerd aan PIA en daarbij vermeld dat de bestuurder en eigenaar van de auto, [betrokkene1] , de auto op naam van [eisende partij] liet staan, omdat hij snel van auto wisselde en van de auto geen marge auto wilde maken, omdat dit de eventuele toekomstige verkoop naar het buitenland of een bedrijf zou bemoeilijken. [gevolmachtigde gedaagde partij 1] heeft desgevraagd telefonisch contact gehad met [betrokkene5] , werkzaam bij PIA, en toegelicht dat [eisende partij] verzekeringnemer was, maar dat [betrokkene1] “de feitelijke eigenaar” en regelmatig bestuurder van de auto was. [betrokkene5] heeft daarna in het digitale dossier vermeld dat de Ferrari alleen werd gereden door de bestuurder welke vermeld stond in de aanvraag, [betrokkene1] , en dat de Ferrari feitelijk ook van hem was. Op 16 april 2018 heeft [betrokkene5] [gedaagde partij 1] bericht dat de aanvraag was geaccepteerd. Een dag later heeft [bestuurder gedaagde partij 1] [betrokkene1] en [betrokkene3] de polis en de groene kaart voor de verzekering van de Ferrari toegestuurd. Op de polis is als verzekeringnemer [eisende partij] vermeld, als regelmatig bestuurder [betrokkene1] en als stallingsadres het adres van [betrokkene1] . Bij de vraag naar schade over de afgelopen vijf jaar is ‘nee’ vermeld.

4.14.

AXA ging er dus vanuit dat het stallingsadres het woonadres van [betrokkene1] was, terwijl de auto feitelijk bij het autobedrijf van [eisende partij] stond. De auto is dus bij PIA/AXA gepresenteerd als de auto van [betrokkene1] , terwijl hij behoorde tot het wagenpark van [eisende partij] . Dat is nooit bij PIA/AXA gemeld en PIA/AXA had geen redenen om nader onderzoek hiernaar te doen. Immers op het aanvraagformulier is bij het stallingsadres het woonadres van [betrokkene1] vermeld. Hoewel [eisende partij] betwist dat [gedaagde partij 1] ( [gevolmachtigde gedaagde partij 1] ) PIA heeft laten weten dat [betrokkene1] de auto op naam van [eisende partij] liet staan, omdat hij snel van auto wisselde en van de auto geen marge auto wilde maken, omdat dit de eventuele toekomstige verkoop zou bemoeilijken, volgt dit expliciet uit het e-mailbericht van 13 april 2018 van [gedaagde partij 1] ( [gevolmachtigde gedaagde partij 1] ) aan [betrokkene5] (PIA). [betrokkene1] is in dat bericht ook uitdrukkelijk als bestuurder en eigenaar van de auto benoemd. PIA had dus geen reden om aan te nemen dat de auto eigendom was van [eisende partij] en tot het wagenpark van [eisende partij] behoorde. PIA mocht er onder die omstandigheden vanuit gaan dat de auto gestald was bij [betrokkene1] en niet in de garage/op het terrein van [eisende partij] , en dat [betrokkene1] de auto gebruikte als ware het zijn eigendom. [eisende partij] heeft nadat zij de polis had ontvangen ook geen melding gemaakt bij [gedaagde partij 1] /PIA dat het stallingsadres zoals dit was vermeld op de polis (het woonadres van [betrokkene1] ) niet klopte, terwijl zij op grond van de op het polisblad opgenomen voorwaarde (ALG000110 – Elektronische acceptatie) wel verplicht was om de vermelde gegevens te controleren en eventuele onjuistheden of afwijkingen binnen veertien dagen schriftelijk aan de tussenpersoon te melden.

Daar komt bij dat [eisende partij] zeven schades op haar naam had staan, terwijl op de polis het blanco schadeverleden van [betrokkene1] dan wel [bestuurder eisende partij] is aangehouden, althans in ieder geval bij de vraag of er de afgelopen vijf jaar schade was veroorzaakt ‘nee’ is vermeld. [eisende partij] heeft niet bij [gedaagde partij 1] (of direct bij PIA/AXA) aangegeven dat deze informatie onjuist was.

Bij die stand van zaken heeft PIA/AXA af mogen gaan op de door [eisende partij] verstrekte informatie, welke informatie – zo is achteraf gebleken – niet in overeenstemming was met de werkelijkheid. Nu AXA geen auto’s via een garageverzekering (met een groter risico) verzekert, is voldoende komen vast te staan dat AXA bij kennis van de juiste stand van zaken geen verzekering voor de Ferrari zou hebben afgesloten. Het beroep van AXA op lid 4 van artikel 7:930 BW slaagt dan ook, zodat zij geen uitkering aan [eisende partij] is verschuldigd. Dit maakt dat het beroep op artikel 7:930 lid 5 BW geen bespreking behoeft. Dat geldt, gelet op het voorgaande, ook voor het beroep van [eisende partij] op de leden 2 en 3 van datzelfde artikel.

4.15.

De (primaire) vorderingen jegens AXA zullen dus worden afgewezen.

ten aanzien van [gedaagde partij 1]

4.16.

Dan resteren de (subsidiaire) vorderingen jegens de assurantietussenpersoon [gedaagde partij 1] .

Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever in het kader van artikel 7:401 BW de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot verwacht mag worden. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben (vgl. Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122 en Hoge Raad 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1720). In het algemeen geldt dat de zorgplicht van de assurantietussenpersoon zich ook uitstrekt tot de fase van advisering voorafgaande aan het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst en in de fase ná de totstandkoming van de verzekering. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en belangen van de cliënt voor zover kenbaar voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.

4.17.

Volgens [eisende partij] wist, althans behoorde [gedaagde partij 1] te weten, dat [eisende partij] dat de auto wenste te verzekeren op haar naam en niet op naam van [betrokkene1] . Dit volgt volgens [eisende partij] onder meer uit de omstandigheid dat [eisende partij] als verzekeringsnemer op het polisblad is vermeld en dat op het kentekenbewijs [eisende partij] als eigenaar van de auto is vermeld. Daarnaast heeft [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] verzocht om een ubo-verklaring in te vullen voordat de verzekering kon worden afgesloten.

4.18.

Voorop gesteld dient te worden dat [betrokkene1] [gedaagde partij 1] in februari 2018 heeft benaderd om een verzekering voor de Ferrari af te sluiten, waarna [gedaagde partij 1] [betrokkene1] een offerte heeft doen toekomen. Daarop stonden de postcode en de geboortedatum van [betrokkene1] , hetgeen op [betrokkene1] als regelmatig bestuurder duidt. In april 2018 heeft [gedaagde partij 1] [betrokkene1] dezelfde offerte doen toekomen en is er gecorrespondeerd over de af te sluiten verzekering. [betrokkene1] heeft zich daarbij steeds als eigenaar van de auto gepresenteerd, althans de indruk gewekt dat dat de situatie was. [betrokkene1] heeft [gedaagde partij 1] ( [bestuurder gedaagde partij 1] ) op 10 april 2018 telefonisch verzocht om vanwege fiscale redenen de Ferrari op naam van [eisende partij] te zetten. [eisende partij] heeft dat betwist, maar in het e-mailbericht van 13 april 2018 van [gedaagde partij 1] aan [betrokkene5] is uitdrukkelijk vermeld dat [betrokkene1] (die wordt genoemd als de bestuurder en de eigenaar van de auto) tijdens het telefoongesprek met [bestuurder gedaagde partij 1] heeft toegelicht dat [betrokkene1] de auto (de verzekering) op naam van [eisende partij] wilde zetten, omdat hij snel van auto wisselt en van de auto geen marge auto wil maken. Dit zou een eventuele toekomstige verkoop naar het buitenland of een bedrijf bemoeilijken. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij 1] hier zelf mee is gekomen. Voldoende is dan ook komen vast te staan dat [betrokkene1] [gedaagde partij 1] heeft medegedeeld dat hij vanwege fiscale redenen de verzekering op naam van [eisende partij] wilde afsluiten, zodat [gedaagde partij 1] hier vanuit mocht gaan. De stelling dat [gedaagde partij 1] wist, althans behoorde te weten, dat [eisende partij] de auto op haar naam wilde verzekeren, leidt dan ook niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van een tekortkoming van [gedaagde partij 1] in de zin dat [gedaagde partij 1] haar zorg- dan wel adviesplicht heeft geschonden.

4.19.

Dat het [gedaagde partij 1] bekend was dat de verzekering op naam van [eisende partij] afgesloten diende te worden, omdat [eisende partij] de eigenaar van de auto was, zoals [eisende partij] stelt in de dagvaarding, klopt niet. Hiervoor is reeds overwogen dat [betrokkene1] degene was die de verzekering heeft aangevraagd en zich steeds heeft gepresenteerd als eigenaar van de auto. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [gedaagde partij 1] is medegedeeld of dat [gedaagde partij 1] anderszins had moeten begrijpen dat [eisende partij] de eigenaar van de auto was. Enkel vanwege fiscale redenen werd de verzekering op naam van [eisende partij] afgesloten, waarbij [betrokkene1] vervolgens is gepresenteerd als “feitelijk eigenaar” en regelmatig bestuurder. Door [eisende partij] en/of [betrokkene1] is nooit bij [gedaagde partij 1] aangegeven dat het niet juist was dat [betrokkene1] “feitelijk eigenaar” en regelmatig bestuurder was. Evenmin is gemeld dat de auto bij [eisende partij] was gestald. In tegendeel, op de polis is als stallingsadres het adres van [betrokkene1] opgenomen en niet het adres van [eisende partij] . Uitdrukkelijk is op het polisblad vermeld dat het stallingsadres (het adres van [betrokkene1] ) afwijkend was van het adres van de verzekeringsnemer, [eisende partij] . [eisende partij] heeft na ontvangst van de polis bij [gedaagde partij 1] niet gemeld dat het stallingsadres onjuist was. Evenmin heeft [eisende partij] bij [gedaagde partij 1] aangegeven dat het antwoord op de vraag naar het schadeverleden van [eisende partij] onjuist was. Dit terwijl [eisende partij] verplicht was onjuistheden schriftelijk aan [gedaagde partij 1] te melden. Nu [eisende partij] nooit heeft aangegeven dat de polis niet strookte met de aanvraag of met haar bedoeling, wordt de stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij 1] niet heeft gehandeld conform de aanvraag van [betrokkene1] , verworpen.

4.20.

[eisende partij] heeft verder gesteld dat de verzekering nooit op haar naam afgesloten had kunnen worden, omdat zij een garagebedrijf is. [gedaagde partij 1] heeft haar adviesplicht te dien aanzien geschonden, aldus [eisende partij] . Ook die stelling kan niet gevolgd worden. De bedoeling van [betrokkene1] (en [eisende partij] ) is nooit geweest om een garageverzekering af te sluiten. Dat was ook niet mogelijk, omdat AXA enkel verzekeringen voor particulieren aanbiedt en afsluit.

Wel is het bij AXA mogelijk om een verzekering op naam van een vennootschap te zetten, hetgeen hier ook gebeurd is. Dat [eisende partij] een garagebedrijf is, maakt dat in zoverre niet anders. Wat het wel anders maakt, is dat de auto bij [eisende partij] gestald stond in plaats van bij [betrokkene1] , dat (daardoor) sprake was van een ander gebruik (hetgeen een risicoverzwarende omstandigheid betrof) en dat dit niet is gemeld aan [gedaagde partij 1] , ook niet nadat [eisende partij] de polis had ontvangen. [gevolmachtigde gedaagde partij 1] heeft te dien aanzien bij CED steeds verklaard dat [gedaagde partij 1] er steeds vanuit is en – gelet op de verklaringen van [betrokkene1] – ook vanuit mocht gaan dat de auto door [betrokkene1] zou worden gebruikt en bij zijn huis zou worden gestald. In dat verband is verder nog van belang dat uit het CED onderzoek is gebleken dat de kilometerstand van de auto op 2 februari 2018 6.500 kilometer bedroeg en eind november 2018 11.508 kilometer. Dit maakt dat in die periode ruim 5.000 kilometer met de auto is gereden. [betrokkene1] heeft verklaard dat hij in de periode van februari tot november 2018 tijdens weekenden vijf keer met de auto heeft gereden, waarvan eenmaal naar Duitsland. Onduidelijk is wie de overige kilometers in de auto heeft gereden. [betrokkene1] heeft verder nog verklaard dat de auto als hij er niet in reed bij [eisende partij] gestald stond en dat hij daar deel uitmaakte van de handelsvoorraad en werd gebruikt als visitekaartje van [eisende partij] .

4.21.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eisende partij] , mede gelet op de gemotiveerde betwisting van haar stellingen door [gedaagde partij 1] , onvoldoende heeft gesteld om tot (bewijslevering van) het oordeel te komen dat [gedaagde partij 1] haar zorg- dan wel adviesplicht heeft geschonden. Of sprake is van causaal verband en eigen schuld, alsmede de schadeomvang, hoeft dan ook niet te worden beoordeeld. Dat geldt eveneens voor het beroep van [gedaagde partij 1] op schending van artikel 6:89 BW (klachtplicht).

4.22.

De subsidiaire vordering jegens [gedaagde partij 1] zal dus eveneens worden afgewezen.

Proceskosten en nakosten

4.23.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde partij 1] en AXA/PIA worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij 1] en AXA/PIA worden ieder afzonderlijk begroot op:

- griffierecht 4.131,00

- salaris advocaat 6.227,50 (2,5 punten × tarief € 2.491,00)

Totaal € 10.358,50

4.24.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.25.

De wettelijke rente over de proces- en nakosten is toewijsbaar vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij 1] en aan de zijde van AXA/PIA tot op heden begroot op ieder € 10.358,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eisende partij] , zowel ten aanzien van [gedaagde partij 1] als ten aanzien van AXA/PIA, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisende partij] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2. en 5.3. ten aanzien van [gedaagde partij 1] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.