Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3880

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
C/05/384466 / FZ RK 21-580
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een geloofsdiscussie. Kort gezegd komt het erop neer dat de moeder wil dat de kinderen zowel in kerkkeuze als in schoolkeuze aansluiten bij haar geloofsovertuiging. De vader is het hier niet mee eens, omdat hij bang is dat dit de kinderen een te eenzijdige blik op de wereld zal geven. Eerst wordt bekeken of het wenselijk is om beide ouders deels in het gelijk te stellen. De rechtbank vindt van niet, omdat er voor de kinderen dan als het ware drie werelden ontstaan en dat is niet in hun belang. Het gedeeltelijk toewijzen van de verzoeken kan dan alleen nog in het belang van de kinderen zijn als dit de ouders gaat bewegen om tot betere afspraken te komen. De rechtbank ziet dit somber in, aangezien de ouders al twee mediationtrajecten hebben doorlopen en dit geen resultaat heeft gehad. Vervolgens wordt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, dat het voor kinderen wenselijk is om dicht bij hun woonplaats naar school te gaan, als uitgangspunt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/384466 / FZ RK 21-580

Datum uitspraak: 21 juni 2021

beschikking ex artikel 1:253a BW

in de zaak van

[verzoekster] (hierna: de moeder),

wonende te [woonplaats moeder] ,

advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,

tegen

[verweerder] (hierna: de vader),

wonende te [woonplaats vader]

advocaat mr. R. de Vries te Ede

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift ingekomen bij de griffie op 26 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen bij de griffie op 6 mei 2021.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 7 juni 2021 zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. A.J.C. van Bemmel;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. R. de Vries;

  • -

    een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] ), en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [kind 2] ).

2.2.

Partijen leven feitelijk gescheiden. Tussen hen loopt een echtscheidingsprocedure. Hierin is onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in geschil.

2.3.

Partijen zijn beiden van huis uit verbonden aan de Gereformeerde Gemeente in Nederland. In het begin van hun huwelijk woonden partijen in [woonplaats moeder] . De kinderen zijn gedoopt in de kerk van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. In de zomer van 2019 hebben partijen enige tijd in [plaatsnaam 1] gewoond en gingen zij in [plaatsnaam 2] naar de kerk (Gereformeerde Gemeente [plaatsnaam 2] ). Partijen hebben toen het lidmaatschap van de kerk in [woonplaats moeder] opgevraagd.

2.4.

In januari 2020 zijn partijen definitief uit elkaar gegaan. De moeder is daarna terugverhuisd naar [woonplaats moeder] , de vader woont inmiddels in [woonplaats vader] . De moeder is opnieuw lid geworden van de Gereformeerde Gemeente in Nederland in [woonplaats moeder] , de vader is lid geworden van de Hersteld Hervormde kerk in [woonplaats vader] .

2.5.

[kind 1] gaat momenteel op donderdagen naar peuterspeelzaal “ [naam peuterspeelzaal 1] ” in [woonplaats moeder] . Zij heeft de afgelopen tijd hulpverlening gehad van [praktijknaam 1] , praktijk voor psychomotorische kindertherapie, in [plaatsnaam 3] (hierna: [praktijknaam 1] ).

3 De verzoeken en verweren

3.1.

De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te verlenen om

  • -

    de kinderen in te schrijven als dooplid van de Gereformeerde Gemeente in Nederland in [woonplaats moeder] ;

  • -

    de kinderen in te schrijven op de [naam school 1] in [woonplaats moeder] ;

  • -

    [kind 2] in te schrijven bij peuterspeelzaal “ [naam peuterspeelzaal 1] ”;

  • -

    [kind 2] aan te melden voor een behandeling bij praktijk [praktijknaam 1] .

3.2.

De vader voert verweer en verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen, en bij wijze van zelfstandig verzoek:

  • -

    (voorwaardelijk:) vervangende toestemming te verlenen om de kinderen als lid van de Hersteld Hervormde Kerk in [plaatsnaam 4] in te schrijven;

  • -

    vervangende toestemming te verlenen om primair de kinderen in te schrijven op de [naam school 2] in [plaatsnaam 5] en subsidiair op de [naam school 3] in [woonplaats moeder] ;

  • -

    vervangende toestemming te verlenen om [kind 2] in te schrijven op de peuterspeelzaal [naam peuterspeelzaal 2] te [plaatsnaam 5] ;

  • -

    (voorwaardelijk:) vervangende toestemming te verlenen om [kind 2] in te schrijven voor therapie bij [praktijknaam 2] ;

  • -

    de moeder te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.3.

Op de stellingen en standpunten van partijen gaat de rechtbank hierna nader in.

4 Het standpunt van de Raad

4.1.

De kinderen verblijven, ook bij vaststelling van de zorgregeling zoals de vader die in de echtscheidingsprocedure heeft verzocht, doordeweeks vaker bij de moeder. De Raad heeft daarom geadviseerd de kinderen op een school in [woonplaats moeder] te laten inschrijven en gaat daarbij voorbij aan de geloofsdiscussie. Het is voor jonge kinderen met name van belang dicht bij huis naar school te kunnen. Met betrekking tot de kerk is een beslissing wellicht op termijn door de ouders gezamenlijk te maken. Dat verdient de voorkeur boven een beslissing door de rechtbank, aldus de Raad.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.1

Kerk, school en peuterspeelzaal

5.2.

Kort gezegd komen de verzoeken van de moeder erop neer dat de kinderen zowel in kerkkeuze als in schoolkeuze aansluiten bij haar geloofsovertuiging. De vader is met name bang dat dit de kinderen een te eenzijdige blik op de wereld zal geven en is het er daarom niet mee eens.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat haar gevraagd wordt een beslissing te nemen over onderwerpen die gaan over zeer persoonlijke keuzes van de ouders, omdat deze beslissingen sterk samenhangen met hun geloofsovertuiging. De rechtbank kan niet voor de ouders bepalen welke geloofsrichting zij volgen. De rechtbank kan evenmin bepalen dat de ene geloofsrichting bij voorbaat meer of minder in het belang van de kinderen is dan de andere. Het lijkt erop dat het onderliggende verschil van inzicht over de geloofsrichting een belangrijke reden is dat de ouders er samen niet uitkomen. Zij hebben hun geschil uiteindelijk aan de rechter voorgelegd. De rechtbank moet haar beslissing baseren op het belang van de kinderen, dat primair wordt bepaald door de sociale gevolgen van de keuze voor een bepaalde kerk en school en niet primair door een opvoeding in het ene of het andere geloof.

5.4.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of het wenselijk is beide partijen deels in het gelijk te stellen. Daarbij zou de rechtbank bijvoorbeeld de moeder toestemming kunnen verlenen de kinderen in te schrijven als dooplid van haar kerk en tegelijk de toestemming kunnen weigeren de kinderen op de [naam school 1] in te schrijven met verlening van toestemming aan de vader om de kinderen in te schrijven op de school in [plaatsnaam 5] . Daarmee zou voor een belangrijk deel aan de meer principiële bezwaren van de vader tegemoetgekomen worden. De inschrijving in de kerk heeft voor de kinderen immers op dit moment relatief beperkte gevolgen en de vader wordt in zijn vaderschap op geen enkele wijze belemmerd. De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat deze keuze op termijn op bezwaren zal stuiten. De kinderen verblijven doordeweeks vaker bij de moeder dan bij de vader. Niet alleen moeten de kinderen verder reizen naar hun school en worden speelafspraken na schooltijd lastiger, maar wanneer de kinderen met de moeder naar hun kerk gaan, zullen zij daar kinderen tegenkomen die elkaar van school kennen en voor wie de kinderen van partijen als buitenbeentjes zullen worden gezien, omdat zij naar een andere school gaan. In de sociale omgeving waar de moeder verblijft is dat geen wenselijke situatie. Tegelijk zullen de kinderen op school vriendjes krijgen, die in de kerkelijke wereld van hun moeder niet bekend zijn. Gecombineerd met het feit dat de kinderen ook nog een deel van de tijd bij hun vader verblijven, ontstaan er voor de kinderen dan als het ware drie werelden. Dat is niet in het belang van de kinderen.

5.5.

De spiegelbeeldige situatie (geen lid van de kerk in [woonplaats moeder] , wel naar de [naam school 1] ) zou in de situatie van de moeder voorlopig mogelijk minder bezwaren opleveren, maar lost in feite niets op, omdat ook dan het gevaar van drie werelden blijft bestaan. Bovendien zijn de bezwaren van de vader meer gelegen in de hele sociale omgeving, die nauwelijks afhankelijk is van het formele lidmaatschap van de kerk maar meer van de feitelijke kerkgang, die gewoon blijft plaatsvinden. In die variant is er geen goede reden het kerklidmaatschap af te wijzen.

5.6.

Het gedeeltelijk toewijzen van de verzoeken is daarom enkel in het belang van de kinderen als dit ertoe zou leiden dat partijen gaan bewegen om tot betere afspraken te komen. Partijen hebben echter al twee mediationtrajecten doorlopen en zelfs nog tijdens een schorsing van de zitting geprobeerd tot afspraken te komen. Dit heeft geen resultaat gehad. Daarom schat de rechtbank de kans dat partijen door een uitspraak van de rechtbank alsnog gaan bewegen op dit moment gering in. Het gevaar dat de situatie escaleert als de rechtbank geen klare wijn schenkt is te groot.

5.7.

Daarom neemt de rechtbank het advies van de Raad als uitgangspunt. Voor kinderen is het in de regel wenselijk dicht bij hun woonplaats naar school te gaan. Op die manier hebben ze het makkelijkst en meest ongedwongen contact met hun klasgenootjes, ook buiten schooltijd. Er is een school, de [naam school 1] , aanwezig op slechts enkele honderden meters van de woning van de moeder, waar de kinderen meer dan de helft van de tijd wonen. De reformatorische basis van de school sluit goed aan op de geloofsovertuiging van in elk geval een van de ouders, in dit geval de moeder. Daarom is er in beginsel geen reden de kinderen naar een andere school te laten gaan. Dit zou anders kunnen zijn als de voordelen van die andere school groter zijn dan de nadelen van het niet naar de [naam school 1] gaan. De kwaliteit van de [naam school 1] staat echter niet ter discussie. De vader heeft met name aangevoerd dat hij bang is dat de kinderen erop zullen worden aangekeken dat hun ouders gescheiden zijn. Dat deze vrees terecht is, is niet komen vast te staan, mede gelet op de betwisting door de moeder. Zij heeft er kennelijk vertrouwen in dat dit niet zal gebeuren en de rechtbank heeft onvoldoende reden daar anders over te denken. Dat de vader zelf zich bij de peuterspeelzaal met de nek aangekeken voelt door de ouders van kinderen met een reformatorische achtergrond, acht de rechtbank wel aannemelijk, maar dit is een probleem tussen volwassenen, dat zij moeten oplossen. De problemen van de volwassenen moeten niet op het bordje van de kinderen worden gelegd en kunnen niet leiden tot een andere beslissing. Kinderen moeten hier niet in betrokken worden en er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat [kind 1] en [kind 2] daadwerkelijk last zullen hebben van deze problemen.

5.8.

Omdat er geen redenen zijn die zich overduidelijk verzetten tegen het verzoek van de moeder, terwijl het belang van de kinderen om dicht bij hun woonplek naar school te kunnen zwaar weegt, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen. Daarbij past het ook om [kind 2] naar dezelfde peuterspeelzaal te laten gaan als [kind 1] . Ook dat verzoek is dus toewijsbaar. Dat de peuterspeelzaal geen bij de Kamer van Koophandel geregistreerde peuterspeelzaal is, is geen reden voor een ander oordeel. In hoeverre het mogelijk is met de peuterspeelzaal afspraken te maken over eventuele aansprakelijkheid in voorkomende gevallen, onttrekt zich aan het zicht van de rechtbank. Dat de peuterspeelzaal daarvoor (mogelijk) niet verzekerd is, behoeft aan (succesvolle) aansprakelijkstelling immers niet zonder meer in de weg te staan. De rechtbank passeert de argumenten van de vader hierover daarom.

5.9.

De rechtbank heeft bij het voorgaande onderkend dat ook de door de vader subsidiair voorgestelde school, de [naam school 3] , in [woonplaats moeder] staat, maar klaarblijkelijk heeft deze school de voorkeur van geen van beide ouders. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding dit subsidiaire verzoek van de vader toe te wijzen.

5.10.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de kinderen op hun toekomstige school als buitenbeentjes worden gezien, kan het van belang zijn dat zij opnieuw als dooplid van de Gereformeerde Gemeente in Nederland worden ingeschreven. De ouders hebben er indertijd voor gekozen de kinderen in die kerk te laten dopen. Vanwege een verhuizing zijn de kinderen (en de ouders) uitgeschreven uit de Gereformeerde Gemeente in Nederland. De moeder is weer terug bij die kerk en wenst de kinderen daar weer in te schrijven. De vader heeft verklaard dat de kinderen zijn gedoopt omdat het nu eenmaal zo hoort, maar inmiddels voelt hij zich niet meer aangesproken tot de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Hij staat er daarom niet achter dat de kinderen daar weer worden ingeschreven. Volgens de moeder heeft zij altijd bewust geleefd volgens de voorschriften van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Voor haar is het in dat verband ook van belang dat de kinderen ook bij de kerk horen. De vader lijkt het belang van de kinderen bij een kerklidmaatschap ook wel te onderkennen, maar wil voorkomen dat de kinderen te eenzijdig opgroeien in de sociale omgeving van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Hij heeft echter genoeg mogelijkheden, gelet op de ruime verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die de rechtbank in de echtscheidingsprocedure heeft vastgesteld, om de kinderen in aanraking te brengen met een andere sociale omgeving en de moeder lijkt daar ook niet op tegen. Het komt de rechtbank voor dat duidelijkheid voor de kinderen rust kan geven. Op dit moment stellen zij hierover nog geen vragen, maar dat zal op termijn anders worden. Daarom is het van belang dat toch nu al een beslissing wordt genomen. Als de ouders niet tussendoor verhuisd waren, zouden de kinderen waarschijnlijk nog steeds als dooplid ingeschreven hebben gestaan bij de Gereformeerde Gemeente in Nederland in [woonplaats moeder] . Omdat ook hier geen redenen zijn aangevoerd die zich overduidelijk verzetten tegen het verzoek van de moeder, en hiervoor al is overwogen dat een gedeeltelijke toewijzing van elk van beide verzoeken evenzeer nadelen meebrengt, brengt het belang van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank mee dat het verzoek van de moeder wordt toegewezen.

Behandeling van [kind 2]

5.11.

Met betrekking tot het verzoek van de moeder om [kind 2] te mogen aanmelden voor behandeling bij praktijk [praktijknaam 1] overweegt de rechtbank als volgt.

5.12.

De moeder heeft toegelicht dat [kind 2] in de afgelopen periode regelmatig met zijn hoofd tegen het bed heeft gebonkt en zichzelf daarbij ook heeft verwond. Er is sprake van veel emoties. De vader herkent deze gedragingen niet. Volgens hem gaat het met [kind 2] goed als hij bij de vader is. Dat laatste doet er echter niet aan af dat de moeder klaarblijkelijk momenteel tegen problemen aanloopt. Hoe ernstig deze zijn, kan de rechtbank niet goed beoordelen, maar de rechtbank onderschrijft het belang dat hier serieus naar wordt gekeken, ook als uiteindelijk de conclusie zou zijn dat het gedrag van [kind 2] niet ernstig is. De rechtbank is dus van oordeel dat er op zich reden is om [kind 2] aan te melden voor hulpverlening en eventueel behandeling.

5.13.

De vader heeft op dit moment minder vertrouwen in [praktijknaam 1] . De kennis en kunde van [praktijknaam 1] zijn niet in geschil, aangezien de vader niet bestrijdt dat [kind 1] baat heeft gehad bij de hulpverlening van [praktijknaam 1] . De vader heeft echter wel het gevoel dat veel focus op de rol van de moeder ligt en bovendien heeft de therapeute aan de moeder advies uitgebracht zonder dit op voorhand met hem te bespreken. De rechtbank acht die handelwijze niet zonder meer onjuist, maar acht het wel van belang dat beide ouders vertrouwen hebben in een therapeut. Dat biedt de meeste kans op succes. Daarom ligt het voor de hand voor [kind 2] een andere therapeut te zoeken. De problematiek is voor zover het zich nu laat aanzien van vrij beperkte omvang, wat betekent dat het niet onevenredig veel tijd en moeite zal kosten voor een andere therapeut om inzicht in de situatie te krijgen. Het feit dat [praktijknaam 1] al succesvol betrokken is geweest bij [kind 1] is daarom niet voldoende voor een andere beslissing.

5.14.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder in zoverre afwijzen. Omdat de noodzaak van hulpverlening en eventueel behandeling voldoende aannemelijk is geworden, is de voorwaarde die de vader heeft gesteld vervuld. Dat wil niet zonder meer zeggen dat [praktijknaam 2] moet worden benaderd. De moeder heeft daartegen inhoudelijk geen bezwaren geuit, maar de rechtbank heeft in zaken als deze veel vrijheid in het belang van het kind een beslissing te nemen. Het verdient de voorkeur dat de ouders eerst proberen in overleg tot een keuze komen. Omdat het met name de moeder is die problemen ervaart, dient een therapeut te worden gevonden waar ook de moeder mee kan instemmen. Daarom zal de rechtbank partijen nog een termijn gunnen in overleg tot een keuze te komen voor de te benaderen instantie en beslissen dat de vader pas vervangende toestemming krijgt als het partijen niet lukt binnen vier weken alsnog tot overeenstemming te komen. De rechtbank vertrouwt er daarbij op dat de vader hier geen misbruik van zal maken en daadwerkelijk met de moeder zal overleggen om te bezien of zij met zijn keuze kan instemmen dan wel om een alternatief te bespreken.

5.15.

In het kader van de hulpverlening kan de moeder desgewenst ook haar vragen over de invloed van de zorgregeling op het welbevinden van de kinderen aan de orde stellen.

Kosten

5.16.

Omdat partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat elk de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

verleent de moeder vervangende toestemming om de kinderen in te schrijven als dooplid van de Gereformeerde Gemeente in Nederland in [woonplaats moeder] en op de [naam school 1] in [woonplaats moeder] ;

verleent de moeder vervangende toestemming om [kind 2] in te schrijven bij peuterspeelzaal “ [naam peuterspeelzaal 1] ” in [woonplaats moeder] ;

verleent de vader vervangende toestemming om [kind 2] in te schrijven voor therapie bij [praktijknaam 2] , onder de voorwaarde dat de vader met de moeder in overleg gaat over een te benaderen therapeut en dit niet binnen vier weken na heden tot een gezamenlijke (andere) keuze voor een in te schakelen therapeut leidt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure betaalt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.C. van Doornik als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2021.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek.