Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3724

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
28-07-2021
Zaaknummer
C/05/375463 / HA ZA 20-491
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident, octrooizaak. Eiser in het incident wil dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart omdat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is op grond van artikel 80 Rijksoctrooiwet. De rechtbank is van oordeel dat de belangrijkste vorderingen tot doel hebben vast te stellen of eiser in de hoofdzaak de volledige eigendom heeft van een octrooi en dat een door haar gebruikte methode niet binnen de beschermingsomvang valt van “de ie-rechten” van de gedaagde in de hoofdzaak. Om daarover te kunnen beslissen, ontkomt de rechtbank er niet aan om ook wezenlijke octrooirechtelijke aspecten in haar beoordeling te betrekken. De zaak wordt daarom naar de rechtbank den Haag verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/375463 / HA ZA 20-491

Vonnis in incident van 13 januari 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING KATHOLIEKE UNIVERSITEIT,

h.o.d.n. Radboud Universitair Medisch Centrum / Radboudumc,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M.F.H. Broekman te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLYCOSTEM THERAPEUTICS B.V.,

statutair gevestigd te 's-Hertogenbosch, kantoorhoudende te Oss,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.G.R. van Gardingen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna RUMC en Glycostem genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid wegens de exclusieve

bevoegdheid van de rechtbank Den Haag (art. 80 ROW) van Glycostem

- de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid van RUMC.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

Voor de beoordeling van de vordering in dit incident moet vooralsnog van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

RUMC is een academisch ziekenhuis dat deel uitmaakt van Radboud Universiteit. Zij heeft drie kernactiviteiten: patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek. Een van de onderzoeksgebieden waarop RUMC werkzaam is, is immuuntherapie. Deze therapie kan onder andere worden ingezet bij de bestrijding van verschillende vormen van kanker. RUMC doet al jaren onderzoek naar immuuntherapie, waaronder onderzoek naar therapieën waarbij gebruik wordt gemaakt van onder andere allogene stamceltransplantatie, T-cellen, dendritische-cellen en zogenaamde Natural Killer-cellen (hierna: NK-cellen).

2.2.

Glycostem is een bedrijf dat onderzoek doet naar de bestrijding van kanker met behulp van immuuntherapie met NK-cellen.

2.3.

Partijen hebben vanaf 2005 samengewerkt op het gebied van NK-cellen, in het bijzonder met het oog op het onderzoeken van methoden van productie daarvan. In dat verband hebben zij op 31 januari 2006 een Cooperation Agreement gesloten en op 27 juni 2006 een Professional Services Agreement. Voorts is op 29 november 2007 een ‘Amendment to the Cooperation Agreement' tussen partijen tot stand gekomen.

2.4.

Het onderwerp van het gezamenlijke onderzoek van RUMC en Glycostem onder de Cooperation Agreement werd in essentie gevormd door de volgende vier elementen:

1. NK-cellen worden exclusief gegenereerd uit stamcellen die uit navelstrengbloed

zijn verkregen,

2. ‘ low molecular weight heparine’ wordt gebruikt in het kweekmedium,

3. aan dat kweekmedium wordt een G-CSF, GM-CSF en IL-6 cytokine cocktail toegevoegd,

en

4. als kweekmedium wordt het ‘Glycostem Basal Growth Medium’ (GBGM) gebruikt.

Deze methode wordt door RUMC de ‘Glycostem-methode’ genoemd.

2.5.

Vanaf 2014 heeft RUMC gewerkt aan een alternatieve methode voor het genereren en vermeerderen van NK-cellen, die ingezet kunnen worden bij de bestrijding van kanker. Dit heeft geleid tot de – volgens RUMC – zogenaamde ‘Radboud-methode’. De essentiële elementen van deze methode zijn:

1. de NK-cellen worden gegenereerd uit stamcellen uit welke bron dan ook (inclusief

gemobiliseerd perifeer bloed, beenmerg en navelstrengbloed),

2. als kweekmedium wordt gebruikt een commercieel verkrijgbaar kweekmedium, zoals

CellGro DC of NK MACS,

3. er wordt geen heparine in het kweekmedium gebruikt,

4. er wordt geen G-CSF, GM-CSF en IL-6 cytokine cocktail aan het kweekmedium

toegevoegd, en

5. er wordt wel SR1 aan het kweekmedium toegevoegd.

2.6.

Glycostem is houdster van meerdere voor NK-cel technologie relevante octrooien, althans octrooiaanvragen, waaronder de internationale octrooiaanvrage WO 2017/077096 (hierna: WO096). WO096 ziet op de Glycostem-methode, is aangevraagd op 5 november 2016 en roept prioriteit in van twee Nederlandse octrooiaanvragen van 5 november 2015 respectievelijk 9 september 2016. WO096 vermeldt dat de daarin beschreven materie is uitgevonden door de heer [naam 2] van Glycostem en de toentertijd eveneens voor Glycostem werkzame de heer [naam 3].

2.7.

RUMC is houdster van internationale octrooiaanvrage WO 2017/046142 (hierna: WO142). WO142 ziet op de Radboud-methode, is aangevraagd op 14 september 2016 en roept prioriteit in van een Europese octrooiaanvrage van 15 september 2015. WO142 vermeldt dat de daarin beschreven materie is uitgevonden door de heer H. [naam 1] van RUMC.

2.8.

Medio juli 2018 hebben RUMC en de MWH Foundation op hun websites bekendgemaakt dat de MWH Foundation voor een periode van vier jaar financiële ondersteuning gaat bieden aan RUMC om haar NK-celtherapie gereed te maken voor gebruik door patiënten met kanker (leukemie of eierstokkanker).

2.9.

Bij brief van 22 augustus 2018 aan RUMC (en ook aan de MWH Foundation) heeft Glycostem zich op het standpunt gesteld – kort samengevat – dat het door RUMC en MWH Foundation genoemde project onder de Cooperation Agreement valt, althans is gebaseerd op en/of gebruik maakt van de onderzoeksresultaten die in het kader van de Cooperation Agreement zijn gegenereerd. Volgens Glycostem handelt RUMC daarmee in strijd met een of meer bepalingen uit de Cooperation Agreement en vreest zij dat RUMC enkele andere bepalingen niet zal nakomen.

2.10.

Als gevolg van voornoemde brief van Glycostem heeft de MWH Foundation besloten haar financiële ondersteuning aan RUMC op te schorten totdat het geschil met Glycostem tot een einde is gekomen.

2.11.

Partijen hebben daarop veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd. Tot een oplossing heeft dit niet geleid.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

RUMC vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Ten aanzien van de Radboud-methode en WO142:

I. primair

voor recht verklaart dat:

a. a) de volledige eigendom van de Radboud-methode en alle op de Radboud-methode

betrekking hebbende (exploitatie)rechten aan RUMC toekomen,

b) RUMC de volledige eigendom van WO142 heeft en [naam 1] de enige uitvinder is

van WO142,

c) RUMC met betrekking tot de Radboud-methode en WO142 niets aan Glycostem is

verschuldigd,

II. subsidiair

voor recht verklaart dat:

a. a) Glycostem geen (mede-)eigendom heeft van de Radboud-methode,

b) Glycostem geen recht heeft op (exploitatie van) de Radboud-methode,

c) de Radboud-methode (inclusief) WO142 niet binnen de beschermingsomvang van

intellectuele eigendomsrechten van Glycostem valt,

d) bij de ontwikkeling de Radboud-methode (inclusief WO142) geen gebruik is gemaakt

van vertrouwelijke informatie van Glycostem,

e) Glycostem geen (mede-)eigendom van WO142 heeft en Jan [naam 2] geen (mede-)

uitvinder is van WO142,

f) RUMC met betrekking tot de Radboud-methode en WO142 niets aan Glycostem is

verschuldigd,

Ten aanzien van de Glycostem-methode en WO096:

III. voor recht verklaart dat Glycostem onrechtmatig jegens RUMC heeft gehandeld en/of is

tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de Cooperation

Agreement door (i) eenzijdig de octrooiaanvrage WO096 in te (laten) dienen en (ii)

hierbij niet [naam 1] als mede-uitvinder te (laten) vermelden, althans dit niet te

corrigeren toen WO096 naar Glycostem overgeschreven was,

IV. Glycostem gebiedt om met RUMC gedurende een periode van drie maanden vanaf de

dag van dit vonnis te onderhandelen over genoegdoening voor de gevolgen van dit

onrechtmatig handelen en, voor het geval partijen niet tijdig tot overeenstemming zijn

gekomen, bepaalt dat Glycostem ervoor moet zorgdragen dat RUMC als mede-eigenaar

en [naam 1] als mede-uitvinder zullen worden erkend en als zodanig in de relevante

openbare (octrooi)registers zullen worden bijgeschreven, met bepaling dat Glycostem

vanaf twee weken na afloop van de onderhandelingstermijn voor elke dag, een gedeelte

van een dag voor een hele gerekend, dat niet (volledig) aan de veroordeling is voldaan

een dwangsom aan RUMC verbeurt van € 10.000,00 tot een maximum van

€ 1.000.000,00 zal zijn bereikt,

V. Glycostem gebiedt om RUMC jaarlijks schriftelijk te informeren over de status van de

commercialisatie van de resultaten van het gezamenlijke onderzoek onder de

Cooperation Agreement, waaronder in ieder geval de octrooifamilies WO2012/128622,

WO2013/119118, WO 2008/118020 en WO096 vallen,

Ten aanzien van de onrechtmatige uitlatingen:

VI. voor recht verklaart dat Glycostem onrechtmatig heeft gehandeld jegens RUMC door

toezending van een kopie van haar brief d.d. 22 augustus 2018 aan de MWH

Foundation,

Ten aanzien van de schade:

VII. voor recht verklaart dat Glycostem aansprakelijk is voor de schade die RUMC lijdt en

nog zal lijden als gevolg van:

a) de onterechte aanspraken die Glycostem jegens RUMC heeft gemaakt ten aanzien

van de Radboud-methode en WO142,

b) het eenzijdig (laten) indienen van de octrooiaanvrage WO096, althans dit niet te

corrigeren toen WO096 naar Glycostem overgeschreven was,

c) het niet (laten) vermelden van [naam 1] als mede-uitvinder op de

octrooiaanvrage WO096, althans dit niet te corrigeren toen WO096 naar Glycostem

overgeschreven was,

d) het toezenden door Glycostem van een kopie van haar brief d.d. 22 augustus 2018

aan de MWH Foundation,

VIII. Glycostem veroordeelt tot vergoeding van de door RUMC geleden en nog te lijden

schade, nader op te maken bij staat,

Ten aanzien van de proceskosten:

IX. primair Glycostem veroordeelt in de daadwerkelijk en volledige kosten van de

procedure aan de zijde van RUMC, inclusief de volledige kosten van een eventueel te

benoemen deskundige(n) op basis van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis, althans vanaf een in goede justitie te

bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening,

X. subsidiair Glycostem veroordeelt in de kosten van de procedure ex artikel 237 lid 1 Rv,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis, althans vanaf een in

goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

RUMC legt samengevat het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

- De Radboud-methode valt buiten de reikwijdte van de Cooperation Agreement. De projecten die daaronder vallen zijn nauwkeurig gedefinieerd en de werkzaamheden van RUMC die tot de Radboud-methode en WO142 hebben geleid vallen daar niet onder. Ditzelfde geldt voor de werkzaamheden van [naam 1] in dit verband.

- Voor zover Glycostem wel rechten kan ontlenen aan de Cooperation Agreement geldt dat zij op basis van die overeenkomst geen aanspraak heeft op (mede-)eigendom van de Radboud-methode en geen recht heeft op (exploitatie van) de Radboud-methode. De volledige eigendom van de Radboud-methode en alle daarop betrekking hebbende rechten komen toe aan RUMC. Zij is in dit opzicht dan ook niets verschuldigd aan Glycostem.

- Glycostem was en is geen partij bij de Cooperation Agreement en kan hieraan derhalve geen rechten jegens RUMC ontlenen. De overeenkomst is gesloten door Glycostem B.V. en niet door gedaagde in de hoofdzaak, Glycostem Therapeutics B.V. De rechten van Glycostem B.V. zijn niet van rechtswege overgegaan en evenmin zijn zij contractueel overgedragen.

- Het recht om met RUMC over een licentieovereenkomst ten aanzien van Joint Future Know How of RUMC Future Know How te onderhandelen is 90 dagen na het einde van de Cooperation Agreement komen te vervallen. Omdat beide partijen hebben aangegeven ervan uit te gaan dat de Cooperation Agreement uiterlijk in 2016 is geëindigd, was de periode waarbinnen Glycostem de onderhandelingen over een licentieovereenkomst mocht starten al ruimschoots verstreken toen zij zich op 22 augustus 2018 bij RUMC meldde.

- De werkzaamheden die hebben geleid tot octrooiaanvrage WO142 heeft RUMC zelfstandig verricht, zonder gebruikmaking van vertrouwelijke informatie van Glycostem en zonder inbreuk te maken op octrooien of andere bekende rechten van intellectuele eigendom/knowhow van Glycostem. Iedere aanspraak van Glycostem op (mede-)eigendom van WO142 en op (mede-)uitvinderschap voor [naam 2] is ongegrond.

- De octrooiaanvrage WO096 is in 2016 eenzijdig door Cellprotect GmbH ingediend met vermelding van [naam 2] en [naam 3] als uitvinders. In 2018 is WO096 overgeschreven naar Glycostem. WO096 is echter Joint Future Know How en op basis van artikel 4.08 van de Cooperation Agreement dient een beslissing om al dan niet octrooi aan te vragen samen met RUMC te worden genomen. Dat is evenwel niet gebeurd. Glycostem heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens RUMC. Als RUMC had mee kunnen beslissen over deze aanvrage, dan had dat zeer waarschijnlijk tot gevolg gehad dat de conclusies in de aanvrage anders waren verwoord, dat de mede-eigendom van RUMC erkend was, dat zij als mede-aanvraagster van WO096 genoemd was en dat [naam 1] als mede-uitvinder genoemd zou zijn.

- Ten tijde van het indienen van de WO096-aanvrage overlapte het management van Cellprotect met het management van Glycostem, zodat wetenschap van het handelen van Cellprotect aan Glycostem kan worden toegerekend. Door de octrooiaanvrage door Cellprotect te laten doen, heeft Glycostem misbruik gemaakt van identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. Dat is onrechtmatig.

- Als Glycostem rechten kan ontlenen aan de Cooperation Agreement, dan moet zij ook de verplichtingen daaronder naleven. Door de informatie te delen met Cellprotect die zij nodig had voor de WO096-aanvrage, heeft Glycostem de geheimhoudingsafspraken die zijn neergelegd in artikel 5 van de Cooperation Agreement geschonden. Dit kwalificeert als een toerekenbaar tekortschieten van Glycostem.

- Cellprotect heeft [naam 1] niet genoemd als mede-uitvinder in de octrooiaanvrage WO096. Glycostem heeft dit destijds toegestaan, althans niet gecorrigeerd toen WO096 naar Glycostem was overgeschreven. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens [naam 1] en bijgevolg ook jegens zijn werkgeefster, RUMC. RUMC heeft er als onderzoeksinstelling belang en voordeel bij dat haar werknemers als (mede-)uitvinder van octrooien bekend zijn.

- Omdat RUMC zich niet volledig kan vinden in de wijze waarop WO096 is aangevraagd, moeten partijen onderhandelen om tot een praktische en voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen.

- De vordering tot het jaarlijks schriftelijk informeren over de status van de commercialisatie van de resultaten van het gezamenlijke onderzoek onder de Cooperation Agreement is gebaseerd op de afspraken tussen partijen en op hetgeen gebruikelijk is wanneer partijen zijn overeengekomen de opbrengst te delen ingeval van verkoop van octrooien en royalty-betalingen te doen ingeval van productie en verkoop van producten waarop de octrooien betrekking hebben, zoals RUMC en Glycostem hebben gedaan met de hier aan de orde zijnde octrooifamilies.

- Met het versturen van een kopie van haar brief van 22 augustus 2018 aan de MWH Foundation heeft Glycostem onrechtmatig gehandeld jegens RUMC. Door haar uitlatingen in deze brief heeft Glycostem de reputatie van RUMC aangetast en daarmee het recht van RUMC op bescherming van haar goede naam als bedoeld in artikel 8 EVRM geschonden. Ook is het handelen van Glycostem in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het onrechtmatig handelen is aan Glycostem toe te rekenen en RUMC heeft als gevolg van dit handelen schade geleden. Die schade omvat onder meer het verlies van de financiële bijdrage die de MWH Foundation zou leveren aan de doorontwikkeling van de Radboud-methode, in totaal tenminste € 800.000,00.

- Daarnaast is Glycostem aansprakelijk voor de (overige) materiële en immateriële schade die RUMC lijdt en nog zal lijden als gevolg van:

a. a) de onterechte aanspraken die Glycostem jegens RUMC heeft gemaakt ten aanzien van de Radboud-methode en WO142,

b) het eenzijdig (laten) indienen van de octrooiaanvrage WO096, althans dit niet te corrigeren toen WO096 naar Glycostem was overgeschreven, en

c) het niet (laten) vermelden van [naam 1] als mede-uitvinder op de octrooiaanvrage WO096, althans dit niet te corrigeren toen WO096 naar Glycostem was overgeschreven.

Ook heeft RUMC schade geleden en zal zij nog schade lijden als gevolg van het verlies van de tijd die haar werknemers, haar octrooigemachtigde en haar advocaten aan dit geschil besteden, met name aan hun poging om de gegevens van WO096 te laten corrigeren en het verweer tegen de aanval van Glycostem op de Radboud-methode en WO142.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Glycostem vordert voor alle weren dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de rechtbank zich onbevoegd verklaart van het geschil kennis te nemen en de zaak op grond van artikel 110 Rv, dan wel artikel 73 Rv, verwijst naar de rechtbank Den Haag.

4.2.

Glycostem legt kort gezegd het volgende aan haar vordering ten grondslag. De vorderingen van RUMC zien in hoofdzaak op de vraag aan wie de eigendom toekomt van bepaalde octrooiaanvragen en of een bepaalde techniek wel of niet onder de reikwijdte van die octrooiaanvragen valt. De rechtbank Gelderland is niet bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen wegens exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag, op grond van artikel 80 Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: ROW).

4.3.

RUMC voert gemotiveerd verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Het gaat in dit incident om de vraag of deze rechtbank onbevoegd is van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen, gelet op de stelling van Glycostem dat de rechtbank Den Haag op grond van artikel 80 ROW exclusief bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen.

5.2.

Volgens Glycostem strekken de vorderingen van RUMC alle tot vaststelling van eigendom en beschermingsomvang van octrooirechten en vallen zij daarom onder de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag. De vorderingen onder I hebben betrekking op de eigendom van WO142 en zijn naar hun aard opeisingsvorderingen. De vorderingen onder II zien evenzeer op opeising(svraagstukken), in het bijzonder sub d (over vermeend geen gebruik maken van vertrouwelijke informatie van Glycostem bij de ontwikkeling van de Radboud-methode inclusief WO142), sub e (over geen mede-eigendom van Glycostem van WO142 en sub f (over niets verschuldigd zijn door RUMC aan Glycostem wat betreft de Radboud-methode en WO142). Verder vordert RUMC te verklaren dat de Radboud-methode inclusief WO142 niet binnen de beschermingsomvang van intellectuele eigendomsrechten van Glycostem valt. Dit is volgens Glycostem in feite een niet-inbreuk verklaring, welke het spiegelbeeld is van handhaving (van in dit geval de octrooirechten van Glycostem). Vordering III ziet op WO096 en betreft een onverkapte opeisingsvordering. De gestelde onrechtmatigheid van het niet samen met RUMC aanvragen van WO096 en [naam 1] niet als uitvinder opnemen hangt direct samen met de vraag of RUMC aanspraak heeft op deze octrooiaanvrage, net als een gebod aan Glycostem om RUMC te informeren over de commercialisatie (vordering V). Vordering VII onder a, b en c en vordering VIII zijn volledig afhankelijk van het oordeel over de eigendomsaanspraken op WO142 en WO096. Ten slotte zijn alle overgebleven vorderingen zo nauw verknocht met de vorderingen waarvoor alleen de rechtbank Den Haag bevoegd is, dat deze alleen in samenhang daarmee beoordeeld kunnen worden, aldus Glycostem.

5.3.

RUMC betwist dat de rechtbank Gelderland onbevoegd is. Zij stelt dat in de kern het geschil gaat over de vraag wat de gevolgen zijn van de samenwerking tussen RUMC en Glycostem die in de Cooperation Agreement is neergelegd. Het betreft een contractuele kwestie en de vorderingen zijn gebaseerd op contractuele afspraken en/of onrechtmatig handelen, niet op octrooirechtelijke (opeisings)gronden. Uit de Cooperation Agreement volgt aan wie de vermogensrechtelijke eigendomsrechten toekomen van de octrooien die voortkomen uit de samenwerking onder die Cooperation Agreement. Dat vermogensrechtelijke eigendomsrecht en de overige contractuele afspraken vormen de basis van de vorderingen van RUMC. Zij heeft geen vorderingen ingesteld ten aanzien van aanvragen, handhaving, opeising of vernietiging van octrooien, die binnen de kaders van artikel 80 ROW zouden vallen. De rechtbank Gelderland is volgens RUMC op basis van artikel 9.03 van de Cooperation Agreement dan ook bevoegd om te oordelen over hier aan de orde zijnde geschillen over de uitleg en nakoming van overeenkomsten en onrechtmatig handelen, ook indien de eigendomsrechten waar het om gaat op octrooirechtelijke vermogensrechten zien. Dergelijke verbintenisrechtelijke vragen behoren niet tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag en artikel 80 ROW staat dan ook niet in de weg aan toepassing van de forumkeuze in de Cooperation Agreement en derhalve aan de bevoegdheid van de rechtbank Gelderland, aldus RUMC.

Voor zover de rechtbank van mening mocht zijn dat nadere kennis van het octrooirecht van nut kan zijn voor een goede beoordeling van deze zaak wijst RUMC op de mogelijkheid om door middel van een rechter-plaatsvervanger gebruik te maken van het specialisme en de expertise op dat gebied van de rechtbank Den Haag.

5.4.

De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 99 Rv vormt de hoofdregel voor relatieve bevoegdheid. Ingevolge dit artikel is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 80 ROW vormt een dergelijke afwijkende bepaling en schept exclusieve bevoegdheid voor de rechtbank Den Haag, onder meer voor zover het betreft vorderingen die betrekking hebben op opeising van octrooien en octrooiaanvragen en vaststelling van geldigheid van en inbreuk op octrooien.

5.5.

RUMC vordert onder 3.1. II. subsidiair sub c een verklaring voor recht dat de Radboud-methode (inclusief) WO142 niet binnen de beschermingsomvang valt van intellectuele eigendomsrechten van Glycostem. Uit de stukken wordt niet duidelijk wat in dit verband onder ‘intellectuele eigendomsrechten’ moet worden verstaan, maar niet valt uit te sluiten dat daaronder ook een of meerdere octrooien vallen. Zo stelt RUMC in haar dagvaarding: “Uit het hiervoor (…) gestelde blijkt dat RUMC de werkzaamheden die hebben geleid tot octrooiaanvrage WO142 zelfstandig, zonder gebruikmaking van vertrouwelijke informatie van Glycostem Therapeutics en zonder inbreuk te maken op octrooien of andere bekende rechten van intellectuele eigendom/knowhow van Glycostem Therapeutics heeft verricht.” Voor zover met intellectuele eigendomsrechten (ook) wordt gedoeld op octrooien – en meer in het bijzonder WO096 van Glycostem – is de rechtbank Den Haag op grond van artikel 80 lid 2 sub b ROW exclusief bevoegd, nu genoemde verklaring voor recht betrekking heeft op de vaststelling dat bepaalde door RUMC verrichte handelingen niet strijdig zijn met WO096 van Glycostem.

5.6.

Voor het overige vallen de hier aan de orde zijnde vorderingen van RUMC naar de letter van de wet niet onder artikel 80 ROW, maar onder artikel 83 lid 1 ROW. Ingevolge deze bepaling wordt van alle andere geschillen dan in de artikelen 80 en 81 bedoeld kennis genomen door de rechter die daartoe volgens de algemene regeling der rechtspraak bevoegd is.

5.7.

In beginsel geldt artikel 83 lid 1 ROW derhalve ook voor de onder 3.1. I. primair gevorderde verklaringen voor recht dat RUMC de volledige eigendom heeft van de Radboud-methode en WO142, dat [naam 1] de enige uitvinder is van WO142 en dat RUMC met betrekking tot de Radboud-methode en WO142 niets aan Glycostem is verschuldigd. Echter, met deze vorderingen poogt RUMC te voorkomen dat Glycostem WO142 kan opeisen. Het betreft hier in feite dus vorderingen tot niet-opeising.

5.8.

Wanneer het gaat om vorderingen tot vaststelling van inbreuk op een octrooirecht, tot vaststelling van niet-inbreuk op een octrooirecht en tot opeising van een octrooirecht is de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd, ingevolge respectievelijk artikel 80 lid 2 sub a, artikel 80 lid 2 sub b en artikel 80 lid 1 sub a en/of b ROW. Naar het oordeel van de rechtbank past het dan niet in het systeem van de wet om enkel voor vorderingen tot niet-opeising van een octrooirecht de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag los te laten. Het ligt veeleer voor de hand dat ook in dat soort gevallen de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is.

5.9.

Bij het voorgaande komt dat wanneer alle vorderingen van RUMC in ogenschouw worden genomen, mede in het licht van de door haar geponeerde, uitvoerige stellingen (zie 3.2), duidelijk is dat de belangrijkste vorderingen tot doel hebben om vast te stellen enerzijds dat RUMC de volledige eigendom heeft (en Glycostem geen mede-eigendom heeft) van WO142 en dat de Radboud-methode niet binnen de beschermingsomvang valt van aan Glycostem toekomende ie-rechten, en anderzijds dat RUMC mede-eigendom heeft (en dat [naam 1] mede-uitvinder is) van WO096. Om daarover een weloverwogen beslissing te kunnen nemen, zal de rechtbank er niet aan ontkomen om ook wezenlijke octrooirechtelijke aspecten in haar beoordeling te betrekken, zoals onder meer de vraag naar de eigendom en het uitvinderschap van de octrooiaanvragen WO142 en WO096 en de reikwijdte van die aanvragen. Voor deze beoordeling is bij uitstek octrooirechtelijke deskundigheid nodig, die deze rechtbank niet en de rechtbank Den Haag wel heeft. Daarbij betrekt de rechtbank dat in octrooizaken doorgaans grote zakelijke belangen spelen en partijen dus belang hebben bij, maar ook recht hebben op een goede en deskundige rechtsbedeling. Overigens ziet RUMC blijkens de dagvaarding de aanval van Glycostem op de Radboud-methode en WO142 zelf ook als “een (verkapte) handhavingsactie waarmee Glycostem aan RUMC het gebruik van die methode probeert te ontzeggen op basis van haar octrooirechten” en is deze procedure “ondanks het in de kern contractenrechtelijke geschil in zekere zin een vooruitgeschoven verweer tegen deze verkapte handhavingsactie”. Bovendien wil RUMC bij de proceskostenveroordeling aansluiting zoeken bij de ‘Regelingen bij octrooizaken’, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl door de rechtbank Den Haag.

5.10.

De rechtbank is derhalve ook om deze reden van oordeel dat de beoordeling van de door RUMC geponeerde stellingen dient plaats te vinden bij de rechtbank Den Haag. Dit geldt dus ook voor stellingen die op zichzelf geen wezenlijke octrooirechtelijke aspecten omvatten. De vorderingen die daarop gebaseerd zijn, zijn verknocht met de andere vorderingen en hangen daarmee zodanig samen dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven.

5.11.

Nu de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is van de vorderingen van RUMC kennis te nemen, komt RUMC geen rechtsgeldig beroep toe op het forumkeuzebeding (artikel 9.03) in de Cooperation Agreement.

5.12.

De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding om mee te gaan in de suggestie van RUMC om door middel van een rechter-plaatsvervanger gebruik te maken van het specialisme en de expertise op dat gebied van de rechtbank Den Haag.

5.13.

Een en ander leidt tot de conclusie dat RUMC zich met haar vorderingen tot de rechtbank Den Haag moet wenden en dat deze rechtbank daarom niet bevoegd is over het geschil te oordelen. De vordering van Glycostem zal worden toegewezen en de zaak zal worden verwezen naar de rechtbank Den Haag in de stand waarin deze zich thans bevindt.

5.14.

RUMC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Glycostem maakt aanspraak op vergoeding van de redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Op de voet van dit artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Glycostem heeft echter verzuimd een concreet bedrag aan kosten te vorderen, laat staan dat zij die kosten met een gedetailleerde urenspecificatie heeft onderbouwd. De rechtbank zal de kosten aan de zijde van Glycostem daarom conform het liquidatietarief begroten op € 543,00 (1 punt x tarief € 543,00).

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,

7.2.

veroordeelt RUMC in de kosten van het incident, aan de zijde van Glycostem tot op heden begroot op € 543,00,

7.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.4.

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Den Haag (team Handel, sectie Intellectuele Eigendom).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.