Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3565

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
C/05/380116 / HA ZA 20-670
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Matiging contractueel overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/380116 / HA ZA 20-670

Vonnis van 9 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSA B.V., mede handelende onder de naam DoepelStrijkers,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. P.M. Jongeling te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COPIER SPECIAL PROJECTS B.V., mede handelende onder de naam CSP Real Estate,

gevestigd te Bennekom,

gedaagde,

advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal (onttrokken).

Partijen zullen hierna DSA en CSP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 februari 2021,

  • -

    de brief van 21 april 2021 van de zijde van DSA met vier nadere producties

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 april 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt,

  • -

    de akte vermeerdering van eis van DSA, genomen tijdens de mondelinge behandeling van 29 april 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

CSP houdt zich bezig met de verbouwing van een recreatiepark dat toebehoort aan De Steppe B.V. in Ulicoten. CSP heeft in dat kader verschillende werkzaamheden uitbesteed aan derden, waaronder DSA. DSA houdt zich onder meer bezig met architectenwerkzaamheden.

2.2.

CSP en DSA hebben een overeenkomst van opdracht gesloten, waarbij DSA als opdrachtnemer met CPS als opdrachtgever heeft afgesproken drie typen vakantiewoningen te ontwerpen en esthetische begeleiding te geven bij het bouwproces. Partijen hebben afgesproken dat de verrichte werkzaamheden per fase zouden worden gefactureerd, waarna DSA in januari 2018 met de werkzaamheden is gestart.

2.3.

Op de overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van DSA toepassing. Art. 56 van de algemene voorwaarden bepaalt onder meer:

“(…)

4. De opdrachtgever betaalt het gedeclareerde bedrag, voor zover niet anders is overeengekomen, binnen 30 dagen na de datum van de betreffende declaratie.

(…)

6. Verricht de opdrachtgever de ingevolge de opdracht verschuldigde betaling niet tijdig en is de vertraging niet het gevolg van een aan de adviseur toe te rekenen omstandigheid, dan is de opdrachtgever zonder nadere ingebrekestelling in verzuim en kan de adviseur aanspraak maken op vergoeding van rente tegen het wettelijke rentepercentage, met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste betalingsdag tot en met de dag waarop de opdrachtgever de declaratie heeft voldaan.

7. Vindt de betaling niet plaats binnen één maand na de dag waarop deze uiterlijk had behoren te geschieden, dan kan de adviseur aanspraak maken op vergoeding van rente tegen het wettelijke rentepercentage verhoogd met drie procent met ingang van de dag waarop deze maand is verstreken, een en ander zonder nader herinneringsbericht of aanmaning van de adviseur.

8. over de door de adviseur gevorderde rente wordt geen rente berekend.

9. alle werkelijk door de adviseur gemaakte onkosten om tot voldoening van zijn declaratie te geraken, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijke kosten, komen voor rekening van de opdrachtgever.

10. In afwijking van het in lid 9 bepaalde geldt dat voor opdrachten, waarbij een consument opdrachtgever is, de wettelijke regeling van de incassokosten van toepassing is.”

2.4.

Op 26 september 2019 heeft DSA CSP een factuur gezonden ten bedrage van
€ 157.300,-. CSP heeft op 9 januari 2020 een deelbetaling van € 35.000,- verricht. Het resterende bedrag van € 122.300,- heeft DSA vanwege liquiditeitsproblemen onbetaald gelaten. Op 3 maart 2020 heeft DSA een tweede factuur aan CSP gezonden van in totaal

€ 9.075,-. Ook dit bedrag is onbetaald gebleven.

2.5.

Op 24 februari 2020, 3 maart 2020 en 10 maart 2020 heeft DSA een betalingsherinnering voor het resterende bedrag van € 122.300,- van de eerste factuur gestuurd naar CSP. Op 17 maart 2020 heeft DSA een betalingsherinnering gestuurd voor de tweede factuur van € 9.075,-.

2.6.

Omdat betaling uitbleef, heeft DSA Invorderingsbedrijf MS B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: het Invorderingsbedrijf), de opdracht gegeven om openstaande bedragen te incasseren. Op 18 maart 2020 heeft het Invorderingsbedrijf CSP gesommeerd om binnen vijf dagen tot betaling van € 159.908,45 over te gaan, welk bedrag was ontstaan door vermeerdering van de restanthoofdsom met € 4.598,14 aan rente, buitengerechtelijke incassokosten van € 19.706,25, dossierkosten van € 75,00 en BTW (21%) van € 4.154,06.

2.7.

Op 26 maart 2020 heeft de advocaat van CSP per brief gereageerd op de sommatie van het Invorderingsbedrijf met een voorstel om de incasseringen tot eind mei 2020 aan te houden opdat CSP de gelegenheid had nieuwe financiering te vinden of onroerende zaken te verkopen.

2.8.

Omdat voldoening van het openstaande bedrag uitbleef, heeft DSA op 29 oktober 2020 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir derdenbeslag bij de rechtbank Amsterdam ingediend. Op 2 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van die rechtbank DSA verlof verleend om conservatoir derdenbeslag te leggen onder ING Bank N.V. (hierna: ING Bank) en Vakantiepark Giethoorn B.V. (hierna: Vakantiepark Giethoorn), waarbij de vordering van DSA op CSP (inclusief rente en kosten) voorlopig op € 170.750,- is begroot.

2.9.

Op 2 november 2020 heeft DSA de deurwaarder conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ING Bank en Vakantiepark Giethoorn, waarna DSA op 16 november 2020 de onderhavige bodemprocedure tegen CSP aanhangig heeft gemaakt. Nadat CSP op 13 januari 2021 een conclusie van antwoord heeft genomen, heeft de advocaat van CSP de rechtbank in april 2021 bericht dat hij zich als advocaat van CSP onttrekt.

2.10.

Op 29 april 2021 heeft de mondelinge behandeling in onderhavige zaak plaatsgevonden, waar CSP niet is verschenen. De advocaat van CSP heeft de rechtbank op 26 april 2021 per mail medegedeeld dat CSP haar activiteiten heeft beëindigd en op korte termijn zal worden ontbonden. DSA heeft tijdens de mondelinge behandeling haar standpunten nader toegelicht en een akte vermeerdering van eis genomen, inhoudende dat zij haar eis met een bedrag van € 19.706,25 aan buitengerechtelijke incassokosten wenst te verhogen. Tijdens deze zitting werd geconstateerd dat de buitengerechtelijke kosten wel in het lichaam van de dagvaarding waren genoemd, maar abusievelijk niet in het petitum waren opgenomen.

3 Het geschil

3.1.

DSA vordert – na vermeerdering van eis – dat CSP bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot betaling van:

I € 131.375,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente van € 5.229,88 over de restanthoofdsom berekend tot en met 9 april 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 131.375,- vanaf 9 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

II de kosten van de gelegde conservatoire beslagen begroot op € 2.924,29 dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

III de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten;

IV een bedrag van € 19.706,25 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

CSP erkent de hoofdsom, maar voert verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet ter discussie staat dat CSP in verzuim is met het betalen aan DSA van openstaande facturen van in totaal € 131.375,00 voor de door DSA uitgevoerde werkzaamheden conform de gesloten overeenkomst van opdracht. Over het betoog van CSP dat zij voor het verrichten van betalingen aan DSA afhankelijk was van gelden die zij van haar opdrachtgever behoorde te ontvangen, overweegt de rechtbank dat dit niet aan DSA kan worden tegengeworpen. De relatie tussen CSP en haar opdrachtgever staat immers buiten de contractuele relatie die tussen CSP en DSA geldt. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde hoofdsom en onbestreden wettelijke handelsrente zal toewijzen als hierna te melden.

4.2.

Dan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 130 lid 1 Rv bepaalt dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn of haar eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.

4.3.

Overwogen wordt dat in onderhavige zaak onmiskenbaar een vergissing is gemaakt door de incassokosten niet in het petitum te vermelden, nadat DSA deze kosten wel gemotiveerd in het lichaam van de dagvaarding heeft gesteld en onderbouwd. CSP heeft als verwerende partij bij conclusie van antwoord ook gemotiveerd verweer gevoerd tegen de rechtmatigheid van de incassomaatregelen en de hoogte van de incassokosten. Gelet hierop is geen sprake van strijd met de eisen van goede procesorde. De rechtbank zal daarom de vermeerdering van eis van de zijde van DSA toelaten.

4.4.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten op grond van de algemene voorwaarden heeft CSP aangevoerd dat deze kosten in strijd zijn met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die gelden tussen contractspartijen. Ook is zij van mening dat een percentage van 15% van de hoofdsom aan buitengerechtelijke incassokosten te hoog is bij een te incasseren bedrag boven de € 5.000,00 en dat daarom aansluiting dient te worden gezocht bij de bedragen uit de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK).

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het eerste standpunt van CSP niet kan worden gevolgd. Uit de correspondentie, facturen en betalingsherinneringen blijkt dat meermaals verzocht is tot betaling over te gaan zonder kostenverhogende maatregelen. Bovendien is na de brief van de advocaat van CSP met het verzoek om incassering tot eind mei 2020 uit te stellen, tot in november van 2020 gewacht met het leggen van beslag. Er is dan ook geen sprake van gemaakte kosten die in strijd zijn met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.6.

Voor wat betreft de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wordt vooropgesteld dat in de algemene voorwaarden van DSA staat dat de werkelijke buitengerechtelijke kosten voor rekening komen van de opdrachtgever, in casu CSP. Daarmee wijken partijen af van art. 2 BIK. Uit de antwoorden op prejudiciële vragen, gesteld aan de Hoge Raad in het arrest van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 15 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5225, volgt dat art. 2 BIK in een B2B-relatie weliswaar van aanvullend recht is, maar het de rechter vrijstaat om bij toepassing van art. 242 Rv een incassobeding ambtshalve te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 BIK wordt begroot, indien niet wordt gesteld en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag.

4.7.

Met CSP is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak niet uit de sommatiebrief van het Invorderingsbedrijf van 18 maart 2020 of andere producties is af te leiden dat er aanzienlijk veel tijd gemoeid is geweest met de genomen incassomaatregelen om daarmee op een bedrag van € 19.706,25 te komen. In deze zaak ontbreekt ieder aanknopingspunt dat de daadwerkelijke kosten meer hebben bedragen dat het bedrag van de BIK-staffel. Op basis van de overgelegde stukken wordt aangenomen dat de daadwerkelijke tijdsbesteding enkele uren is geweest. Er is in elk geval onvoldoende gesteld om te oordelen dat in onderhavige zaak het gebruikte tarief van 15% redelijk is jegens CSP. De stelling van DSA dat een incassopercentage van 15% in de branche waarin partijen opereren gebruikelijk is, wordt verworpen. Deze enkele omstandigheid betekent immers nog niet dat op basis van dat percentage berekende kosten ook jegens CSP redelijk zijn. De incassokosten worden daarom gematigd conform art. 2 BIK tot € 2.088,75.

4.8.

DSA heeft bij dagvaarding de gevorderde beslagkosten als volgt begroot:

“Beslag onder ING €174,76

Beslag onder Vakantiepark Giethoorn B.V. €174,76

Overbetekening aan gedaagde €70,59

Overbetekening aan derde ING €70,59

Overbetekening aan derde €70,59

Griffierecht €656,00

1 pt. liquidatietarief €1.707,00

Totaal €2.924,29

4.9.

CSP heeft aangevoerd dat de gevorderde beslagkosten dienen te worden afgewezen, omdat deze kosten zinloos zijn gemaakt. DSA was er immers mee bekend dat CSP tot dusverre geen herfinanciering had gevonden. Daarnaast heeft CSP aangevoerd dat het beslag bij Vakantiepark Giethoorn zinloos is, doordat deze partij niet bij CSP bekend is en het beslag zou zijn gelegd zonder enige serieuze aanwijzing van een bestaande rechtsverhouding tussen CSP en Vakantiepark Giethoorn.

4.10.

Anders dan door CSP is betoogd, zal de rechtbank de gevorderde beslagkosten, (vermeerderd met wettelijke rente) toewijzen. Overwogen wordt dat de redenatie van CSP berust op een onjuiste rechtsopvatting. Uitgangspunt is dat op grond van art. 3:276 BW en 435 lid 1 jo. 702 lid 1 Rv het de schuldeiser vrijstaat beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen om zijn vordering te verhalen. Het beslag dient niet enkel als pressiemiddel voor betaling, maar ook om verhaal van de vordering te verwezenlijken met een executoriale verkoop. Voor het leggen van beslag is dan ook niet vereist dat de schuldenaar financieel draagkrachtig is. Evenmin is gebleken dat DSA onnodig derdenbeslag onder Vakantiepark Giethoorn heeft gelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van DSA desgevraagd verklaard dat voorafgaand aan het leggen van het conservatoir beslag onderzoek is gedaan en dat Vakantiepark Giethoorn toen als opdrachtgever naar voren is gekomen.

4.11.

CSP wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en nakosten van DSA veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente als hierna te melden.
De proceskosten worden tot aan dit vonnis begroot op:

- dagvaarding € 87,99

- griffierecht € 3.475,00

- salaris advocaat € 3.540,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 1.770,00)

Totaal € 7.102,99

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt CSP om aan DSA te betalen een bedrag van € 131.375,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente van € 5.229,88 over de restanthoofdsom berekend tot en met 9 april 2020 en vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de restanthoofdsom berekend vanaf 10 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt CSP om aan DSA te betalen een bedrag van € 2.088,75 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt CSP om aan DSA te betalen een bedrag van € 2.924,29 aan gemaakte kosten voor het leggen van conservatoir beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt CSP in de proceskosten, aan de zijde van DSA tot aan dit vonnis begroot op € 7.102,99 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt CSP in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat CSP niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na betekening tot aan de dag van volledige betaling;

5.6.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.