Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3349

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
C/05/359612 / HZ ZA 19-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bouwrecht, afrekening na ontbinding overeenkomst door aannemer nav verzuim opdrachtgever. laakbaar handelen door advocaat bij deskundigenonderzoek. positief contractsbelang, herstelgarantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/359612 / HZ ZA 19-51

Vonnis van 30 juni 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VROOM INVEST N.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Stassen te Enschede,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden thans wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat [mr. F.H.A. Mulder] te Almelo.

Partijen zullen hierna Vroom Invest en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 juli 2020

  • -

    de e-mailcorrespondentie tussen partijen en de rechtbank voorafgaande aan en naar aanleiding van dat tussenvonnis,

  • -

    de e-mail van 19 augustus 2020 houdende beslissing van de rolrechter

  • -

    het deskundigenbericht van 26 november 2020

  • -

    de beschikking van 8 december 2020

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens akte wijziging/vermeerdering van eis van Vroom Invest van 23 december 2020

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van 23 december 2020 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

  • -

    de antwoordakte van Vroom Invest van 3 maart 2021

  • -

    de antwoordconclusie tevens houdende vermeerdering van eis van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 3 maart 2021

  • -

    de akte uitlating producties, tevens akte uitlating akte vermeerdering van eis van Vroom Invest van 14 april 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Het is de rechtbank gebleken dat in het tussenvonnis van 15 juli 2020 onder r.o. 1.1. bij de weergave van het procesverloop geen melding is gemaakt van de door Vroom Invest op 27 mei 2020 genomen akte. De rechtbank herstelt hiermee deze omissie. De inhoud van die akte zal hierna bij de bespreking van de geschilpunten aan de orde komen.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

Partijen hebben wederom hun eisen gewijzigd/vermeerderd.

Vroom Invest vordert thans -samengevat- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen aan haar te voldoen binnen 8 dagen na betekening van het vonnis,

  • -

    € 222.460,50 als zijnde de nog niet betaalde kosten voortvloeiende uit het deskundigenrapport,

  • -

    € 16.382,57 voor de Covana cover,

  • -

    € 57.185,78 aan geleden schade/positief contractbelang

  • -

    € 20.890,20 aan instandhoudingskosten,

  • -

    de proceskosten, waaronder de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige en van de door Vroom Invest ingeschakelde deskundige Kienhuis te Wierden,

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding althans vanaf de dag van inleiding van deze procedure.

2.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun eis vermeerderd met de vordering, samengevat,

VII. Vroom Invest te veroordelen tot betaling van € 46.838,00 vanwege de door hen aan Fonteyn betaalde som voor het zwembad, Covana en toebehoren.

De aan de deskundige verstrekte stukken

2.3.

In het vonnis van 29 april 2020 waarin de deskundige als zodanig is benoemd, is bepaald dat Vroom Invest haar procesdossier aan de deskundige dient te doen toekomen.

In strijd met deze instructie en in strijd met de goede procesorde heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 11 juni 2020 buiten medeweten van de rechtbank en Vroom Invest aan het kantoor van de deskundige stukken en een usb stick afgegeven en deze bestanden ook per WeTransfer aan de deskundige gestuurd.

Dat deze bestanden toen ook per WeTransfer aan de rechtbank zijn gezonden, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen, is de rechtbank niet gebleken.

Niet is komen vast te staan dat de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die dag zonder overleg een bezoek heeft gebracht aan de deskundige in een poging stukken toe te lichten, zoals Vroom Invest heeft gesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verklaard dat op 11 juni 2020 de secretaresse van hun advocaat een usb-stick heeft afgegeven aan het kantoor van de deskundige. De deskundige maakt in zijn rapport geen melding van een bezoek van de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan hem.

Weliswaar is sprake van laakbaar handelen, van een poging de deskundige te beïnvloeden is onvoldoende gebleken.

2.4.

In zijn begeleidende brief van 11 juni 2020 schrijft de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de deskundige “(…) Grotendeels zijn het stukken die u reeds hebt ontvangen namens Vroom. Uit praktisch oogpunt treft u die stukken nogmaals. Daarnaast treft u enkele stukken aan die nog niet of slechts deels in het geding zijn gebracht maar -in ieder geval naar de mening van cliënten - van toegevoegde waarde kunnen zijn (…) Cliënten zenden u bijgaand de volgende stukken:

(….) Een overzicht van alle meer- en minderwerk opdrachten is toegevoegd. Daarnaast is de status van de werkzaamheden ten tijde van de schouw beschreven in het rapport van Kienhuis Bouwmanagement opgesteld door de heer [naam 1] . (…)”

Een kopie van deze brief is aan de advocaat van Vroom Invest gestuurd. Naar aanleiding van diens protest is op 1 juli 2020 door de rechtbank aan partijen en de deskundige meegedeeld dat de nadere toelichting van de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal worden geweigerd en dat de deskundige zijn werk moet doen op basis van het procesdossier.

2.5.

Bij brief van 3 juli 2020 heeft de deskundige de rechtbank bericht dat hij geschrokken is van de omvang van het dossier. De processtukken omvatten honderden pagina’s tekst, zo schrijft de deskundige en hij verzoekt om een aanvullend voorschot. Ook schrijft hij dat in het overgelegde procesdossier een aantal stukken, onder meer de producties 32 t/m 61 van Vroom Invest, ontbreekt. Deze stukken en met name productie 50 rapport Kienhuis d.d. 29 maart 2019 zijn volgens de deskundige dienstbaar aan het onderzoek.

Naar aanleiding van het verzoek van de deskundige heeft de rechtbank op 15 juli 2020 vonnis gewezen. Daarin overweegt zij:

“(…) De deskundige heeft de rechtbank voorts bericht dat hij heeft geconstateerd dat in het overgelegde procesdossier een aantal stukken ontbreekt. Het gaat om de producties 32 tot en met 61, (…) In ieder geval de producties 50, naar de rechtbank begrijpt een verkorte versie van het rapport Kienhuis, en productie 77, de uitgebreidere versie van dit rapport zullen volgens de deskundige dienstbaar zijn aan het deskundigenrapport .[onderstreping door rechtbank] Bepaald zal worden dat Vroom Invest de ontbrekende producties en het uitgebreidere rapport van Kienhuis aan de deskundige dient te verstrekken.

2.6.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij brief de rechtbank bericht dat zij uit het tussenvonnis begrijpen dat de deskundige vraagt om toezending van de uitgebreidere versie van het rapport van Kienhuis Bouwmanagement en zij verzoeken hen toe te staan deze uitgebreidere versie alsnog aan de deskundige te verstrekken.

Door de aanduiding ‘rapport Kienhuis’ te gebruiken voor de door [naam 1] van Kienhuis Bouwmanagement opgestelde nota met daarin nieuwe stukken is bij de rechtbank het misverstand ontstaan dat de stukken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alsnog aan de deskundige wilden verstrekken een uitgebreidere versie was van het rapport dat door Kienhuis Bouw/projectmanagement advies voor Vroom Invest was opgesteld van de schouw op 28 maart 2019.

Dit misverstand had voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in ieder geval duidelijk moeten zijn uit de e-mail van de griffier van 19 augustus 2020. Daarin schrijft de griffier dat het de deskundige is toegestaan kennis te nemen van informatie van de partijdeskundigen in deze zaak. Daarmee werd, zo blijkt ook uit deze e-mail, gedoeld op de rapporten die door [naam 2] voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en door Kienhuis Bouw/projectmanagement advies voor Vroom Invest zijn opgesteld van de schouw.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben helaas naar aanleiding van deze mail geen nadere toelichting gevraagd of gegeven en aan de deskundige nogmaals het gehele door [naam 1] (Kienhuis) voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgestelde, kennelijk zeer uitgebreide rapport verstrekt. Dit inclusief een overzicht van de niet-uitgevoerde onderdelen van de overeenkomst, hoewel daarover in de e-mail van 19 augustus 2020 uitdrukkelijk was bepaald dat het [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet was toegestaan dit aan de deskundige te verstrekken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat zij deze mail aldus begrepen hebben dat het hen niet werd toegestaan een nieuw, door hen of hun advocaat opgesteld overzicht aan de deskundige te verstrekken. De e-mail en eerdere aanwijzingen van de rechtbank geven echter geen aanleiding voor deze uitleg.

Dit alles heeft ertoe geleid dat de deskundige bij zijn onderzoek gebruik heeft gemaakt van stukken die niet tot het procesdossier behoren. Die stukken zijn niet bij conclusie na deskundigenbericht in het geding gebracht.

2.7.

Vroom Invest heeft betoogd dat de handelwijze van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot gevolg moet hebben dat aan al hetgeen de deskundige op basis van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten onrechte verstrekte stukken heeft geconcludeerd, voorbij gegaan moet worden. Welke conclusies van de deskundige dat betreft, vermeldt zij echter niet.

De rechtbank gaat ervan uit dat de deskundige de stukken van [naam 1] naar waarde heeft geschat, bij zijn onderzoek is uitgegaan van zijn eigen deskundige kennis en ervaring en zich niet heeft laten leiden door een andere uitleg of interpretatie van [naam 1] .

Anders dan Vroom Invest heeft aangevoerd, kan niet gezegd worden dat de deskundige bij zijn onderzoek uitsluitend is uitgegaan van deze aanvullende stukken. Weliswaar vermeldt de deskundige in bijlage A, de waardebepaling, bij het overzicht van de contractwijzigingen regelmatig ‘prod 77 bijlage 3 en 4’, maar uit de op- en aanmerkingen van Vroom Invest op het conceptrapport blijkt niet dat zij zich niet kon of kan verenigen met de bij die posten door de deskundige aangehouden bedragen. De deskundige verwijst in zijn reactie op de op- en aanmerkingen van Vroom Invest alleen voor wat betreft het ‘gestabiliseerd zandpakket t.p.v poeren’ naar ‘productie 77’. Deze reactie is kennelijk voor Vroom Invest voldoende geweest, want zij heeft dit onderwerp in haar conclusie na deskundigenbericht niet meer aan de orde gesteld.

Uit zijn reactie op de overige op- en aanmerkingen blijkt dat de deskundige zich daarbij onder meer heeft gebaseerd op productie 76 (het rapport van [naam 2] ), de bouwcalculatie en zijn bevindingen tijdens zijn bezoek aan de woning.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding het rapport van de deskundige geheel of gedeeltelijk ter zijde te stellen. Daarbij weegt zij ook mee dat beide partijen er belang bij hebben te weten waar ze aan toe zijn en dat de rechtbank deels debet is geweest aan (het ontstaan van) het misverstand.

De waardebepaling

2.8.

Aan de deskundige is verzocht te bepalen wat de waarde is van de ten tijde van de schouw op 28 maart 2019 al verrichte werkzaamheden en geleverde materialen, rekening houdend met de prijsafspraken die partijen in de overeenkomst en in de meerwerkopdrachten hebben gemaakt en rekening houdend met het minderwerk.

Aan de hand van die waarde dienen partijen af te rekenen.

De deskundige heeft die waarde gesteld op een bedrag van € 1.227.896,00, als volgt opgebouwd:

Waarde volgens de bouwcalculatie € 862.828

Waarde volgend uit contractwijzigingen (meer/minderwerk) € 292.016

Aanvragen bouwvergunningen, tekenwerk e.d. € 61.790

Waarde niet vast te stellen, 50% toerekenbaar = € 11.262

Totaal € 1.227.896

2.9.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat zij aan Vroom Invest hebben betaald een bedrag van in totaal (afgerond en inclusief btw) € 1.160.020,00. De rechtbank heeft in het vonnis van 29 januari 2020 bepaald dat zij een bedrag van € 109.136,00 aan Vroom Invest verschuldigd zijn. Wanneer zij overgaan tot betaling van de openstaande facturen dan hebben zij in totaal een bedrag van € 1.269.157,00 betaald, hetgeen meer is dan de door de deskundige berekende waarde van de woning, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] miskennen hiermee dat partijen niet dienen af te rekenen het door de rechtbank in het vonnis van 29 januari 2020 als nog opeisbare vordering per 30 november 2018 berekende bedrag, maar dat afgerekend dient te worden naar de waarde van het geleverde, verminderd met hetgeen al betaald is. Door de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst zijn partijen immers deels bevrijd van hun verplichtingen en zijn ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan. Zoals al in het vonnis van 29 januari 2020 is overwogen onder r.o. 5.38 kunnen de leveringen en werkzaamheden door Vroom Invest niet ongedaan gemaakt worden en moet daarom vastgesteld worden wat de waarde daarvan is.

Kosten voortraject

2.10.

Vroom Invest heeft de berekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van het door hen al betaalde bedrag niet weersproken, maar aangevoerd dat een deel daarvan, € 32.095, ziet op het voortraject en dat deze kosten volgens r.o. 5.17 van het vonnis van 29 januari 2020 niet voor verrekening in aanmerking komen. Deze betalingen moeten daarom volgens Vroom Invest in mindering worden gebracht op het al door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaalde.

Vroom Invest gaat hiermee eraan voorbij dat de deskundige de waarde van het geleverde heeft berekend inclusief de aanvragen bouwvergunningen en dergelijke. Het mag zo zijn dat de kosten van (architect-, archeologische, geologische en ingenieurs-)werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de aanneemovereenkomst geen onderdeel vormden van de aanneemsom, zoals overwogen in het vonnis van 29 januari 2020, dat betekent niet dat deze kosten niet mogen worden meegerekend bij de waardebepaling.

Als uitgangspunt geldt daarom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de door de deskundige berekende waarde van € 1.227.896 een bedrag van € 1.160.020 hebben voldaan, zodat zij nog een bedrag van € 67.876 aan hoofdsom verschuldigd zijn.

2.11.

In het vonnis van 29 januari 2020 is onder r.o. 5.39 overwogen dat de berekening van de waarde van het geleverde met zich brengt dat niet meer van belang is of de dakkapel al dan niet onderdeel was van de aanneemovereenkomst en dat dat ook geldt voor de door Vroom Invest gevorderde betaling voor ventilatieaanpassingen en beschermings-werkzaamheden zwembad. Naar aanleiding van het debat tussen partijen heeft de rechtbank evenwel aan de deskundige verzocht de dakkapel, de ventilatieaanpassingen, de beschermingsmaatregelen bij het zwembad en de betonnen pompput voor de opvang van regenwater bij zijn onderzoek te betrekken.

De dakkapel

2.12.

De deskundige heeft geconstateerd dat daadwerkelijk een dakkapel is gerealiseerd en daar een waarde aan toegekend. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de dakkapel deel uitmaakte van de aanneemovereenkomst, maar dat is bij de vaststelling van de waarde van het geleverde niet relevant. Relevant is dat de dakkapel geleverd is.

Het bedrag van € 5.997,76 zal daarom niet, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gevorderd, als onterecht opgevoerd meerwerk op de waardebepaling in mindering worden gebracht.

De ventilatieaanpassingen

2.13.

Voor wat betreft de ventilatieaanpassingen concludeert de deskundige dat de aanpassing op zolder is gerealiseerd en dat de aanpassing in het zwembad middels contractwijziging is verrekend. Het anders uitvoeren van de afzuigkap is verrekend met de uitgevoerde werkzaamheden en de warmtepomp benoemd in productie 77, niet geleverd, is niet opgevoerd in de vordering van Vroom Invest, aldus de deskundige.

Partijen hebben op dit punt geen bemerkingen.

De beschermingsmaatregelen bij het zwembad

2.14.

De deskundige concludeert dat de door Vroom Invest getroffen beschermingsmaatregelen bij het zwembad toereikend zijn geweest. Omdat deze werkzaamheden niet traceerbaar zijn bij de bouwcalculatie moet hieraan nog een waarde worden toegekend. De opgevoerde kosten komen de deskundige weliswaar hoog voor maar zouden gezien de bovenliggende, deels in het werk gestorte constructie niet onmogelijk kunnen zijn, aldus het deskundigenrapport.

Na door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde vragen over de waardebepaling van deze maatregelen heeft de deskundige in verband met het ontbreken van een gespecificeerde begroting van dit meerwerk de kosten gelabeld als ‘niet vast te stellen’ en voor 50% meegerekend.

Vroom Invest heeft hier bezwaar tegen gemaakt en aangevoerd dat zij een dergelijke begroting als productie 42 in het geding gebracht.

Uit het deskundigenrapport blijkt echter dat de deskundige ook na het concept-rapport de betreffende stukken niet heeft ontvangen, hetgeen voor rekening van Vroom Invest moet blijven.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in hun conclusies na deskundigenbericht uitvoerig ingegaan op de vraag of de beschermingsmaatregelen al dan niet deel hadden moeten uitmaken van de aanneemovereenkomst. Omdat het antwoord op deze vraag niet relevant is voor de vraag wat de waarde van deze werkzaamheden is, wordt aan dit betoog voorbijgegaan.

De rechtbank zal uitgaan van de door de deskundige aan de werkzaamheden toegekende waarde.

De betonnen pompput

2.15.

Over de betonnen pompput voor de opvang van regenwater heeft de deskundige opgemerkt dat in de ‘totaalpost betonnen kelder’ in het bestek en de bouwcalculatie voorzien is in een pompput voor het afvoeren van het zwembadwater en dat aanvullend hierop is voorzien in een kunststof pompput met pompen.

Naar aanleiding van vragen hierover van Vroom Invest naar aanleiding van het conceptrapport heeft de deskundige meegedeeld dat in de totaalpost betonnen kelder is voorzien in een pompput en dat aanvullend hierop is voorzien in een bouwcalculatie van € 3.800 exclusief opslagen en btw.

Aan hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot dit onderdeel van het deskundigenrapport gaat de rechtbank voorbij. Zij gaat ervan uit dat de deskundige heeft gewaardeerd wat hij heeft aangetroffen naar door hem te bepalen maatstaf, in dit geval de bouwcalculatie.

Aannemersopslag en bouwplaatstoeslag

2.16.

Op de vraag hoe hoog hij de gebruikelijke aannemersopslag en bouwplaatstoeslag voor het werk begroot heeft de deskundige geantwoord dat de door Vroom Invest gehanteerde opslagen en toeslagen marktconform/normaal zijn. Partijen hebben dit oordeel niet weersproken.

Niet afgenomen installaties

2.17.

Op de vraag welke installaties Vroom Invest heeft besteld maar niet afgenomen en voor welk bedrag deze installaties dienen te worden afgewaardeerd, heeft de deskundige als volgt geantwoord.

Er is geen sprake van incourante en /of maatwerk installaties. De installaties kunnen daarom bij een ander werk worden toegepast of worden terug geleverd aan de leverancier. De woning is feitelijk afgebouwd door de installateur die ook door Vroom Invest al was ingeschakeld. Retour- of annuleringskosten zijn daarom niet aannemelijk. De extra handelingskosten berekent de deskundige op 5% van de niet afgenomen installaties. De niet afgenomen installaties berekent de deskundige op een waarde van € 157.000 en de handelingskosten aldus op € 7.850.

Vroom Invest heeft deze conclusies van de deskundige bestreden en aangevoerd dat zij geen relatie heeft (gehad) met de installateur, een onderaannemer van haar onderaannemer [onderaannemer] . Ze heeft niet de kans gekregen de installaties door te leveren, zodat teruglevering aan de leverancier de enige optie was. Vroom Invest heeft verklaringen van haar eigen deskundige Kienhuis en de bij het project betrokken ingenieur in het geding gebracht waarin zij de economische restwaarde stellen op respectievelijk 35 % en tussen de 30 en 40 %.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de installaties niet door Vroom Invest zijn besteld en betaald, maar door haar onderaannemer [onderaannemer] . Vroom Invest is daarom volgens hen niet met de installaties blijven zitten. De installaties die voor en na de ontbinding zijn geleverd, zijn alle geplaatst. Van schade aan handelingskosten is dan ook geen sprake geweest, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

2.18.

Vroom Invest heeft na gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] haar stelling dat zij met de installaties is blijven zitten en dat zij ze met een aanzienlijke afwaardering aan de leverancier heeft moeten terug leveren, niet nader onderbouwd. Uit de door haar in het geding gebrachte verklaringen blijkt wel het percentage afwaardering, maar niet dat de installaties niet geïnstalleerd zijn in de woning en daadwerkelijk aan de leverancier terug zijn geleverd. Kienhuis verklaart slechts dat hij niet inziet dat de installaties door Vroom Invest op eenvoudige wijze en op korte termijn bij een ander project kunnen worden hergebruikt. Ingenieur Veerbeek benoemt de restwaarde van de installaties ‘ervan uitgaande dat deze inderdaad niet gemonteerd zijn geweest en zich in een goede staat bevinden’.

Gelet op de gemotiveerde betwisting had het op de weg van Vroom Invest gelegen aan te tonen dat zij de installaties voor een aanzienlijk lager bedrag terug heeft moeten leveren. Zij heeft dat niet gedaan. Dat klemt temeer omdat aannemelijk is dat de installaties na de ontbinding van de overeenkomst met Vroom Invest door of in opdracht van [onderaannemer] zijn geplaatst in de woning. Immers, na de ontbinding van de aanneemovereenkomst is de woning afgebouwd door [onderaannemer] met onder meer de al eerder ingeschakelde installateur. Volgens Veerbeek ging het om installaties die specifiek voor dit project waren geselecteerd en aangekocht. Enkele installaties hebben componenten die specifiek zijn voor het zwembad en uniek zijn, aldus Veerbeek.

Overwogen wordt dat het zo mag zijn dat de verstandhouding tussen Vroom Invest en [onderaannemer] bekoeld was, in de hiervoor geschetste situatie had [onderaannemer] er alle belang bij de installaties van Vroom Invest af te nemen opdat de woning alsnog zo spoedig mogelijk afgebouwd kon worden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de installaties niet terug geleverd zijn, maar in de woning zijn geplaatst en zij ziet geen aanleiding van de berekening door de deskundige af te wijken.

Het stuc- en zinkwerk

2.19.

Op de vraag hoe hij de kwaliteit van het stuc- en zinkwerk beoordeeld heeft de deskundige geantwoord dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet de kwaliteit gevelstucwerk hebben gekregen die zij mochten verwachten en dat herstel nodig is. Omdat het gevelstucwerk ten tijde van de schouw nog veel gebreken vertoonde, is dit voor 75 % gereed ingeschat en moet het met een bedrag van € 4.500 worden afgewaardeerd. De kosten van herstel schat de deskundige echter hoger in dan dit bedrag. Een bedrag van € 4.500 zal daarvoor volstrekt onvoldoende zijn, aldus de deskundige.

Vroom Invest heeft aangevoerd dat de deskundige ten onrechte nog een aftrek heeft toegepast voor pleisterwerk van de binnenwanden ad € 4.500 en plafonds ad € 1.500 als zijnde niet gereed. Tijdens zijn bezoek aan de woning in 2020 heeft de deskundige kunnen constateren dat deze posten thans gereed zijn, aldus Vroom Invest.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat het pleisterwerk binnen na de peildatum is hersteld en dat zij hiervoor een bedrag van € 8.278,97 hebben betaald aan [onderaannemer] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hieraan geen nadere conclusie verbonden.

Uit het rapport van de deskundige blijkt dat hij het pleisterwerk binnen heeft gewaardeerd zoals dat was op 28 maart 2019. Toen was volgens de deskundige het pleisterwerk van de binnenwanden niet sausklaar, dus gewaardeerd als behangklaar. Het herstelwerk aan de plafonds was nog niet gereed.

De rechtbank constateert dat de deskundige heeft gewaardeerd zoals hem is opgedragen, te weten per 28 maart 2019. Dat nadien herstelwerkzaamheden zijn verricht, is geen aanleiding van een andere peildatum uit te gaan. In dit verband wordt opgemerkt dat na de ontbinding van de overeenkomst de woning is afgebouwd door [onderaannemer] en gesteld noch gebleken is dat de herstelwerkzaamheden door of in opdracht van Vroom Invest zijn verricht.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de rechtbank verzocht op de door de deskundige berekende waarde van de woning een bedrag van € 1.500 in mindering te brengen in verband met de herstelkosten voor de plafonds. Zij miskennen met dit verzoek echter dat de deskundige dit bedrag al in mindering heeft gebracht op de waarde van de woning in verband met nog niet gereed zijnde herstelwerkzaamheden.

2.20.

Hetgeen hiervoor is overwogen over de peildatum voor het binnenwerk geldt ook bij de waardering van het stucwerk aan de buitengevel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding in te gaan op al hetgeen Vroom Invest daarover met name in haar antwoordakte nog heeft aangevoerd.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de kosten voor de herstelwerkzaamheden aan de buitengevel gesteld moeten worden op een bedrag van € 56.083,15 en stellen dat dit bedrag althans ten minste € 18.000 in mindering op de waarde van de woning moet komen.

De deskundige heeft op de vraag van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoe hoog hij de herstelkosten begroot geantwoord dat oplevering na de peildatum nog zou moeten plaatsvinden. Daarbij zou van herstelkosten geen sprake moeten zijn, omdat een en ander behoort tot een richtige oplevering van het werk, aldus de deskundige.

Vroom Invest onderschrijft het oordeel van de deskundige dat herstel voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kosteloos moet zijn omdat dit onder de garantie valt. Indien de stucwerkzaamheden voor de ontbinding niet goed zijn verricht, kan Vroom Invest haar onderaannemer [onderaannemer] aanspreken op herstel. Voor de werkzaamheden die nadien zijn gebeurd, kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [onderaannemer] aanspreken voor herstel van het stucwerk, aldus Vroom Invest.

Dit beroep op de garantieregeling treft doel. De aannemer dient zorg te dragen voor een deugdelijke oplevering van het werk en dient eventuele herstelwerkzaamheden kosteloos te (laten) verrichten. Het is aan Vroom Invest dan wel [onderaannemer] daarvoor zorg te dragen. De rechtbank ziet geen aanleiding op de waarde van de woning nog een bedrag wegens herstelkosten in mindering te brengen.

2.21.

Voor wat betreft het zinkwerk blijkt uit het rapport van de deskundige dat hem geen technische problemen zijn opgevallen.

2.22.

Bij de vraag of het deskundigenonderzoek hem aanleiding geeft tot opmerkingen die van belang kunnen zijn voor het nemen van beslissingen in deze zaak, heeft de deskundige naast de kosten voor het herstel van de stuclaag van de buitengevel, de volgende onderwerpen aan de orde gesteld.

De calamiteit

2.23.

De deskundige heeft naar aanleiding van zijn onderzoek aan de woning in september 2020 melding gemaakt van een calamiteit die zich een maand voor dat bezoek heeft voorgedaan. Toen heeft bij een hevige regenbui een grote hoeveelheid water zich verzameld in het verdiepte buitenterras naast de kelder (“de kuil”) en is vervolgens door de aluminium pui naar binnen getreden waardoor de pui ontzet is geraakt.

De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen de deskundige en partijen hierover hebben opgemerkt en aangevoerd. De calamiteit heeft zich geruime tijd na de peildatum voorgedaan en niet duidelijk is waardoor zij is veroorzaakt, zodat ook niet kan worden vastgesteld voor wiens rekening de te nemen maatregelen komen. In ieder geval kan niet zonder meer de oorzaak van deze calamiteit aan Vroom Invest worden toegeschreven. Er bestaat daarom geen aanleiding op de waarde van het geleverde een bedrag van € 22.904,89 in mindering te brengen als kosten voor de noodzakelijke constructieve aanpassingen aan het afwateringssysteem, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verzocht.

Niet functionerend toilet

2.24.

Bij het bezoek van de deskundige is hem tevens een niet-functionerend toilet getoond op de eerste verdieping van de woning. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zou dit veroorzaakt worden doordat beton in de afvoer terecht is gekomen, wat de deskundige voorstelbaar vindt.

Ook ten aanzien van deze toilet gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen daarover is opgemerkt en aangevoerd. Ook hier geldt dat een vordering met betrekking tot dit toilet niet is ingesteld, dat dit probleem bij de schouw van de woning in maart 2018 niet aan het licht is gekomen en dat niet zonder meer gezegd kan worden dat bij Vroom Invest de oorzaak ligt van het niet-functionerende toilet. Er bestaat daarom geen aanleiding op de waarde van het geleverde een bedrag van € 17.058,58 voor herstel van toilet en riool in mindering te brengen, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verzocht.

2.25.

Vroom Invest heeft haar eis vermeerderd en vergoeding gevorderd van de Covana cover, van het positief contractsbelang en van instandhoudingskosten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun eis vermeerderd met de kosten voor het zwembad, de Covana cover en toebehoren. Over deze posten wordt het volgende overwogen.

De Covana cover en het zwembad met toebehoren

2.26.

Voor wat betreft de Covana cover verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder r.o. 2.7 en verder van het tussenvonnis van 29 april 2020 heeft overwogen. Zij heeft Vroom Invest in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat [onderaannemer] haar de kosten van het zwembad, de afdekking en de toebehoren in rekening heeft gebracht, dat zij deze kosten heeft voldaan en dat de leverancier van het zwembad en de afdekking [onderaannemer] heeft aangesproken op betaling van zwembad en cover.

Vroom Invest heeft naar aanleiding hiervan als productie 64 een factuur van 9 april 2018 in het geding gebracht, waarmee [onderaannemer] haar een bedrag van € 40.000 met btw verlegd in rekening heeft gebracht voor “MeMi-M007 leveren en aanbrengen zwembad incl toebehoren”.

Uit productie 42 van Vroom Invest blijkt dat met MeMi-M007 bedoeld wordt de meerwerkcalculatie voor het zwembad en dat de Covana cover deel uitmaakt van de toebehoren. Vroom Invest heeft voorts een bankafschrift in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij deze factuur op 2 mei 2018 aan [onderaannemer] heeft voldaan. Daarnaast heeft zij een e-mail van 23 juni 2018 van de leverancier van de Covana cover aan [onderaannemer] in het geding gebracht waarin deze leverancier bij [onderaannemer] aandringt op betaling van het volledige bedrag van € 47.838 voor de zwemspa en de Covana.

2.27.

Vroom Invest heeft aldus voldoende bewijs geleverd van haar stelling dat zwembad c.a. in haar opdracht door (toen) haar onderaannemer [onderaannemer] is besteld en dat zij [onderaannemer] hiervoor heeft betaald. Ook heeft zij voldoende aangetoond dat [onderaannemer] door de leverancier Fonteyn is aangesproken tot betaling. Daartegenover hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bewijs geleverd van hun stelling dat Vroom Invest door Fonteyn op betaling is aangesproken, maar nimmer heeft betaald.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als productie 82 een factuur van 4 september 2018 in het geding gebracht waarmee Fonteyn onder meer de Covana cover aan hen in rekening brengt. Op deze factuur staat vermeld dat ze betaald is op 4 juli 2019. Bij creditfactuur van 2 juli 2019 is het bedrag voor de cover gecrediteerd en bij factuur van 4 juli 2019 is dezelfde cover weer aan hen in rekening gebracht. Uit de door Vroom Invest als productie 42 overgelegde e-mails blijkt dat de cover begin juni 2018 door de leverancier is verwijderd van de bouwplaats en dat een nieuwe is besteld. Kennelijk zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de leverancier is aangesproken tot betaling, nadat zij tevergeefs bij [onderaannemer] had aangedrongen op betaling en was Fonteyn pas na betaling bereid een andere cover te leveren. De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij door een tekortkoming van Vroom Invest genoodzaakt waren de cover (nogmaals) aan Fonteyn te betalen, moet als onvoldoende nader onderbouwd worden verworpen.

Dit alles is aanleiding de vordering van Vroom Invest met betrekking tot de Covana cover toe te wijzen. De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] Vroom Invest te veroordelen tot (terug) betaling van € 46.838,00 voor het zwembad en de cover zal worden afgewezen.

Het positief contractsbelang

2.28.

Vroom Invest heeft aanvankelijk gevorderd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen aan haar te voldoen de door haar gederfde omzet over de na de ontbinding van de aanneemovereenkomst nog resterende werkzaamheden zoals tussen partijen in de aanneemovereenkomst en meer- en minderwerkovereenkomsten overeengekomen, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening. Enige onderbouwing van deze vordering ontbrak.

In het vonnis van 29 januari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze vordering van Vroom Invest zal worden afgewezen omdat ontbinding van de overeenkomst leidt tot ongedaanmakingsverbintenissen en eventueel een verplichting tot waardevergoeding.

Bij die wijze van afrekening kan Vroom Invest geen aanspraak maken op gederfde omzet.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat naast de ontbinding aanspraak kan worden gemaakt op aanvullende schadevergoeding (waaronder gevolgschade) en ontbindingsschade indien daarvan sprake is.

2.29.

Vroom Invest heeft vervolgens bij conclusie na deskundigenbericht haar vordering gewijzigd en een bedrag van € 57.185,78 gevorderd aan geleden schade/positief contractsbelang. Zij heeft aangevoerd dat bij 100% gereedkomen van het werk zij nog een bedrag van € 266.824,35 had kunnen factureren aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . In dat bedrag zit een percentage winst, welke kwalificeert als positief contractsbelang. Zij is met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanneemsom van € 948.223,14 exclusief btw overeengekomen en heeft de woning voor een bedrag van € 745.000 exclusief btw bij [onderaannemer] aangenomen, hetgeen betekent dat er een marge van 21.43 % zou zijn. De winstmarge op de misgelopen omzet bedraagt derhalve € 57.185,78. Zou zij de woning hebben kunnen afbouwen, dan had zij dit bedrag meer aan winst gemaakt, aldus Vroom Invest.

2.30.

Vooropgesteld wordt dat de afwijzing van de vordering met betrekking tot de gederfde omzet niet ziet op de thans gevorderde vergoeding van het positief contractsbelang.

Overwogen wordt dat in artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en ook in artikel 6:74 BW ligt besloten dat (ook) de schade die het gevolg is van het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst, daaronder begrepen het zogenoemde positief contractsbelang, vergoed moet worden door de schuldenaar wiens verzuim heeft geleid tot het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst. Vroom Invest kan dus aanspraak maken op vergoeding van de winst die zij had kunnen maken in het geval zij de woning had kunnen afbouwen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen gevolgd worden in hun verweer dat Vroom Invest ten onrechte ook de kosten die gemaakt zijn voor het sluiten van de aanneemovereenkomst zoals de architectkosten en kosten aanvraag bouwvergunning heeft meegerekend, zodat het winstpercentage niet 21,43 % is maar 16,95 %. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts erop gewezen dat bij aanneemovereenkomsten een winstpercentage van 3% gehanteerd wordt. Een winst van 21 of 17% is volgens hen buitensporig en niet marktconform. Zij hebben verzocht de vordering af te wijzen dan wel slechts voor een bedrag van € 8.004,73, althans € 20.470,18, dan wel € 34.428,90 toe te wijzen.

Overwogen wordt dat het wel zo mag zijn dat bij aanneemovereenkomsten een winst van 3% gebruikelijk is, dat laat onverlet dat het de contracterende partijen bij een overeenkomst vrij staat andere afspraken te maken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet weersproken dat [onderaannemer] als onderaannemer de bouw van de woning voor een bedrag van € 745.000 exclusief btw heeft aangenomen. Voor de niet verrichte werkzaamheden uit de bouwcalculatie ad € 100.062,50 inclusief btw moet daarom met een winstpercentage van 16,95 gerekend worden. Op dit bedrag dient 21 % btw in mindering te worden gebracht, zodat uitgegaan moet worden van een bedrag van € 82.696,00. Anders is dit voor de winst die Vroom Invest zou hebben gemaakt op het meerwerk, door de deskundige aangeduid als contractwijzigingen. Gesteld noch gebleken is dat Vroom Invest met [onderaannemer] voor dit meerwerk zodanige overeenkomsten heeft gesloten dat Vroom Invest ook op deze werkzaamheden een winst van 16,95 % zou hebben gemaakt. De deskundige heeft berekend dat voor een bedrag van € 158.840,33 inclusief btw, dus €131.273,00 werk uit contractwijzigingen nog niet gereed was op 28 maart 2019. De rechtbank zal met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitgaan van 10% winst. Voor de post ‘niet vast te stellen’ zal voor het bedrag van (6.681 inclusief btw, dus 5.521,00 exclusief btw : 2 =) € 2.760,00 uitgegaan worden van 16.95 % winst omdat dit werkzaamheden uit de bouwcalculatie betreft. Voor het bedrag van (15.843,03 inclusief btw, dus 13.093,00 exclusief btw: 2 =) € 6.546,00 aan ‘niet vast te stellen’ uit de contractswijzigingen zal uitgegaan worden van 10 %. Dit leidt tot het volgende:

16,95 % van € 82.696,00 = € 14.016,00

10 % van € 131.273,00 = € 13.127,00

16,95 % van € 2.760,00 = € 467,00

10 % van € 6.546,00 = € 654,00

Totaal € 28.264,00

De vordering van Vroom Invest tot vergoeding van het positief contractbelang zal voor dit bedrag worden toegewezen.

Instandhoudingskosten

2.31.

Vroom Invest heeft in de procesinleiding onder IV gevorderd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen aan haar te voldoen ‘de kosten die Vroom heeft gemaakt uit hoofde van verplichtingen die Vroom op het tijdstip van beëindiging van de aannemingsovereenkomst reeds is aangegeven [aangegaan? rechtbank] met het oog op de uitvoering van de overeenkomst, alsmede de nog te maken kosten ter zake instandhouding ter voorkoming van schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.’

In haar verweerschrift op de tegenvordering heeft zij deze vordering onder IV gewijzigd en een bedrag van € 20.890,20 gevorderd in plaats van een verklaring voor recht.

In het vonnis van 29 januari 2020 is overwogen: “Vroom Invest heeft naar aanleiding van het besprokene bij de mondelinge behandeling deze vordering gewijzigd en alleen de nog te maken kosten ter instandhouding en voorkoming van schade gevorderd. Deze vordering zal worden afgewezen. Het door Vroom Invest vermelde bedrag heeft betrekking op al gemaakte kosten waar de vordering niet (meer) op ziet en gesteld noch gebleken is dat Vroom Invest thans nog instandhoudingskosten maakt of nog zou moeten maken.”

In haar akte van 27 mei 2020 heeft Vroom Invest betoogd dat zij haar vordering met betrekking tot de instandhoudingskosten bij de mondelinge behandeling niet heeft gewijzigd en dat deze wijziging ook niet uit het proces-verbaal van de zitting blijkt.

Vroom Invest kan hierin niet gevolgd worden. Volgens het proces-verbaal heeft zij bij de mondelinge behandeling verklaard: “U heeft gelijk dat bij punt 4 sprake is van een dubbele en dat mag eruit tot en met de vierde regel.” Vroom Invest heeft daarmee het eerste deel van haar vordering onder 4/IV ingetrokken en alleen nog gevorderd de nog te maken kosten van instandhouding.

2.32.

Naar aanleiding van het vonnis van 29 januari 2020 heeft Vroom Invest in haar conclusie na deskundigenbericht haar vorderingen aangevuld en gevorderd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen de door haar betaalde kosten voor instandhouding ad € 20.890,20 te voldoen.

Deze vordering zal worden afgewezen. Vroom Invest heeft haar vordering uitsluitend onderbouwd met een verwijzing naar het rapport van Kienhuis bouw/projectmanagement & advies. Daarin wordt onder 6 een opsomming gegeven van de kosten die vanaf 1 december 2018 voor rekening van de opdrachtgever komen, maar daaruit blijkt niet dat Vroom Invest deze kosten inderdaad heeft gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in hun verweerschrift tevens tegenvordering de vordering betwist en aangevoerd dat de kosten niet zijn gespecificeerd noch nader toegelicht. Vroom Invest heeft na deze betwisting haar vordering niet nader onderbouwd. Ook de gewijzigde vordering met betrekking tot de instandhoudingskosten zal daarom worden afgewezen.

Achtergelaten materialen

2.33.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat materiaal dat op de bouwplaats aanwezig was op 28 maart 2019 maar nog niet in de woning was verwerkt, niet door Vroom Invest maar door haar onderaannemers was geleverd. Deze materialen zijn door de deskundige meegenomen in de waardebepaling en op die manier moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze aan Vroom Invest vergoeden. De onderaannemers maakten jegens hen ook aanspraak op betaling, omdat zij door Vroom Invest onbetaald zijn gelaten en omdat het materiaal nog niet in de woning was verwerkt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben deze kosten aan de onderaannemers betaald. Zij worden zo twee maal belast met deze kosten, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun stelling dat het materiaal door de onderaannemers is geleverd en dat deze onderaannemers door Vroom Invest onbetaald zijn gebleven niet onderbouwd. In het deskundigenbericht en ook overigens is geen steun te vinden voor de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij de onderaannemers hebben moeten betalen voor de materialen. Het verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van € 8.190,82 op de totale waarde van de woning in mindering te brengen, wordt daarom niet ingewilligd.

Korting

2.34.

Voor wat betreft de korting die volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog in mindering moet worden gebracht verwijst de rechtbank naar de reactie van de deskundige op de daarover gestelde vraag door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat deze korting niet van invloed is op de waardebepaling. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

Verzuim

2.35.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in hun laatste conclusie aangevoerd dat uit het deskundigenrapport volgt dat zij niet in verzuim zijn geraakt, zodat Vroom Invest niet gerechtigd was de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden. Zij stellen dat na aftrek van het ten onrechte door Vroom Invest gevorderde bedrag van € 114.850,14 een terecht gefactureerd bedrag van € 95.192,86 resteerde. Daarop kwam in mindering een voorschotbetaling en creditfacturen ad € 38.077,44, zodat Vroom Invest nog een bedrag van € 57.115,42 kon vorderen. Op dat moment was er volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog sprake van een groot aantal door Vroom Invest nog niet in mindering gebrachte minderwerken, groot € 94.171,07, zodat zij op 30 november 2018 een vordering van € 37.055,65 op Vroom Invest hadden. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn zij niet in verzuim geraakt.

2.36.

De rechtbank passeert dit verweer. De vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim verkeerden moet beantwoord worden naar de situatie per 1 december 2018. Zoals door de rechtbank overwogen in het vonnis van 29 januari 2018 waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op die dag in verzuim omdat Vroom Invest een opeisbare vordering op hen had en zij hadden meegedeeld volgende facturen niet te zullen betalen.

De opdracht aan de deskundige strekt ertoe de waarde van het geleverde per 1 december 2018 te bepalen. Het feit dat de deskundige bij sommige posten met een lager bedrag dan in de (bouw)calculatie of prijsafspraken heeft gerekend, betekent nog niet dat Vroom Invest op 1 december 2018 (nog) niet gerechtigd was deze werkzaamheden volledig in rekening te brengen.

Zo geldt voor de volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toen ten onrechte gefactureerde bedragen het volgende.

2.37.

In het vonnis van 29 januari 2020 onder r.o. 5.12 heeft de rechtbank geoordeeld dat de nota voor 2018.10.151 voor meerwerk tegelwerk (MeMi 0055) opeisbaar was omdat het tegelwerk voor 97% gereed was, het ligbad nog niet betegeld kon worden omdat de onderaannemer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig het bad had geplaatst en het betegelen van de buitenkeuken niet onder de opdracht viel, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de offerte daarvoor pas op 26 november 2018 hebben getekend. Aan het oordeel dat de factuur voor dit meerwerk opeisbaar was op 1 december 2018 doet niet af dat de deskundige bij zijn begroting van de waarde van het werk heeft gerekend met een bedrag van € 5.021,00 wegens nog niet uitgevoerde (kit)werkzaamheden tegelwerk buitenkeuken en bad, dit op een totaal bedrag van € 52.530,44 voor het tegelwerk.

2.38.

Over het stucwerk heeft de rechtbank onder 5.10 van dat vonnis geoordeeld dat voor de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat het stucwerk nog niet gereed was, geen steun te vinden is in de rapporten die van de schouw zijn opgemaakt. Uit beide rapporten blijkt dat het stucwerk gereed was, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden waren de factuur daarvoor te voldoen. De op- en aanmerkingen over de kwaliteit van het stucwerk doen niet af aan de betalingsverplichting, temeer nu Vroom Invest heeft aangevoerd dat de klachten onder de garantie vallen, zo heeft de rechtbank geoordeeld.

De deskundige heeft in verband met de gebreken het buitenstucwerk gewaardeerd op 75% gereed. Het binnenstucwerk heeft hij lager gewaardeerd omdat de wanden behangklaar in plaats van sausklaar waren en omdat het herstelwerk aan de plafonds niet 100% gereed was. Ook deze oordelen van de deskundige laten onverlet dat het gefactureerde bedrag voor het stucwerk opeisbaar was.

Dit betekent dat de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat voor een bedrag van € 114.850,14 ten onrechte is gedeclareerd geen stand houdt. In het vonnis van 29 januari 2020 is voorts overwogen dat een aantal werkzaamheden (de kelder gerelateerde werkzaamheden gefactureerd in 2018.11.165 en de bliksemafleiders, factuur 2018.11.166) nagenoeg gereed of in een vergevorderd stadium was en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden aangekondigd deze niet te zullen betalen.

De rechtbank ziet gelet op dit alles geen aanleiding terug te komen op haar oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim zijn geraakt en dat Vroom Invest gerechtigd was de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden.

2.39.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt voor wat betreft de verschillende vorderingen van partijen tot het volgende.

In conventie

2.40.

De door Vroom Invest gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekort zijn geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst zal niet gegeven worden, omdat Vroom Invest daar geen belang bij heeft.

Anders is dat bij de verklaring voor recht dat de aanneemovereenkomst op 28 december 2018 rechtsgeldig is ontbonden. Deze verklaring zal daarom gegeven worden. De subsidiaire vordering behoeft geen bespreking meer.

2.41.

Vroom Invest heeft het door haar onder III gevorderde bedrag een en andermaal gewijzigd en in haar laatste wijziging van eis een bedrag van € 222.460,40 als “zijnde de nog niet betaalde kosten voortvloeiende uit het deskundigenrapport” gevorderd.

Zoals onder 2.15 overwogen, zal een bedrag van € 67.876 worden toegewezen.

Vroom Invest heeft voor wat betreft de over deze hoofdsom verschuldigde rente bij haar laatste wijziging van eis gevorderd de wettelijke samengestelde rente vanaf de dag der ontbinding althans vanaf de dag van de procesinleiding. Deze zal worden toegewezen vanaf de dag van ontbinding.

2.42.

De vordering van Vroom Invest met betrekking tot de Covana cover zal worden toegewezen voor een bedrag van € 16.382,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding.

De vordering van Vroom Invest met betrekking tot het positief contractsbelang zal worden toegewezen voor een bedrag van € 28.264,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding.

In het vonnis van 29 januari 2020 is onder r.o. 5.43 al geoordeeld dat de kosten van de deskundige Kienhuis bouw/projectmanagement & advies ad 9.873,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2019 zullen worden toegewezen.

2.43.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in conventie in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de proceskosten, de beslagkosten en de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige.

De beslagkosten worden gesteld op een bedrag van € 176,09 voor het beslagexploot. Ook zal bij het salaris advocaat een punt gerekend worden voor het beslagrekest. Met het deskundigenonderzoek is een bedrag van € 18.000,00 gemoeid geweest. Partijen hebben daarvan ieder de helft betaald, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van € 9.000,00 aan Vroom Invest verschuldigd zijn.

De kosten aan de zijde van Vroom Invest worden begroot op:

- dagvaarding/procesinleiding € 85,21

- overige explootkosten € 176,09

- griffierecht € 4.030,00

- deskundigen € 9.000,00

- salaris advocaat € 11.735,00 (6,5 punten × tarief € 1.770)

Totaal € 24.796,30

In reconventie

2.44.

In het vonnis van 29 januari 2020 is onder r.o. 5.9 geoordeeld dat het in de algemene voorwaarden vervatte artikel 8 moet worden vernietigd maar alleen voor de daarin neergelegde uitsluiting van de bevoegdheid tot verrekening. Artikel 10 moet worden vernietigd voor wat betreft de reclametermijn. Dat betekent dat de daarop ziende verklaringen voor recht zullen worden gegeven, zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderd. Al hun andere vorderingen zijn niet voor toewijzing vatbaar, zo volgt uit al hetgeen hiervoor en in eerdere vonnissen in deze zaak is geoordeeld.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen daarom ook in reconventie worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en zullen ook in reconventie veroordeeld worden in de kosten van de procedure. Deze worden gesteld op 6,5 punten x factor 0,5 x tarief € 1.770,00 = € 5.867,50.

3 De beslissing

De rechtbank

In conventie

3.1.

verklaart voor recht dat de aanneemovereenkomst van 7 juli 2017 op 28 december 2018 rechtsgeldig is ontbonden,

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk binnen acht dagen na het wijzen van dit vonnis aan Vroom Invest te voldoen

  1. een bedrag van € 67.876,00 ingevolge de ongedaanmakingsverbintenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2018 tot aan de dag van voldoening,

  2. een bedrag van € 16.382,57 voor de Covana cover, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2018 tot aan de dag van voldoening,

  3. een bedrag van € 28.264,00 aan gederfd positief contractsbelang, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2018 tot aan de dag van voldoening,

  4. een bedrag van € 9.873,60 aan kosten deskundige, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 augustus 2019 tot aan de dag van voldoening,

3.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure, de beslagkosten en kosten deskundige daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vroom Invest gevallen en begroot op een bedrag van € 24.796,30,

in reconventie

3.4.

vernietigt artikel 8 van de op de aanneemovereenkomst toepasselijke Verkoop- leverings- en betalingsverplichtingen van Vroom Invest voor wat betreft de daarin neergelegde uitsluiting van de bevoegdheid tot verrekening,

3.5.

vernietigt artikel 10 van de op de aanneemovereenkomst toepasselijke Verkoop- leverings- en betalingsverplichtingen van Vroom Invest voor wat betreft de reclametermijn,

3.6.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vroom Invest gevallen en begroot op een bedrag van € 5.867,50,

in conventie en in reconventie

3.7.

verklaart de veroordelingen onder 3.2., 3.3. en 3.6 uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.

Ap/MS