Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3326

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
05/219191-20+05/211477-20+05/306486-19+05/027972-20+05/050883-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 24-jarige man uit Ede voor onder andere een overval op de Domino’s Pizza in Ede en meerdere diefstallen. De straf bestaat uit een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, en een werkstraf van 240 uur. Daarbij moet de man schadevergoeding betalen aan één van de slachtoffers van de overval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/219191-20+05/211477-20+05/306486-19+05/027972-20+05/050883-20 (gevoegd ttz)

Datum uitspraak : 29 juni 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Saoedi-Arabië),

wonende te [adres 1] .

Raadsvrouw: mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 15 juni 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/219191-20 laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2016 te Ede, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

  • -

    een geldbedrag van ongeveer 540 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] te Ede, heeft weggenomen in/uit de [slachtoffer 1] gelegen aan het [adres 2] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

  • -

    die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand tegen zijn hoofd en/of gezicht en/of lichaam te slaan en/of stompen en/of

  • -

    (dreigend) aan die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of (dreigend) de woorden toe te voegen: ‘geld, geld, geld en/of doe de kluis open en/of kassa, maak de kassa open’, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    (dreigend) een mes op/tegen de keel en/of nek en/of hals van die [slachtoffer 4] aan te zetten en/of drukken.

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/211477-20 laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juli 2018 te Beekbergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning (gelegen aan de [adres 3] aldaar),

  • -

    Een kluis (met inhoud) en/of

  • -

    Een geldbedrag van 7000 euro, althans een geldbedrag en/of

  • -

    Een of meer kentekenbewijs/bewijzen en/of

  • -

    Een horloge (merk/type Casio) en/of

  • -

    Een (goudkleurige) ketting en/of

  • -

    Een luchtdrukwapen en/of

  • -

    Een (reserve)sleutel van een bedrijfsauto/bus en/of

  • -

    Een of meer bankpas(en) (met bijbehorende pincode),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, en/of

inklimming;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 27 juli 2018 tot en met 28 juli 2018

te Ede en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 4394 euro), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 5] , althans een ander dan aan hem, verdachte, waarbij hij het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meer bankpas(sen) op naam van [slachtoffer 5] (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij,

verdachte niet gerechtigd was.

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/306486-19 laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 december 2019 te Ede, in het besloten lokaal [slachtoffer 6] (gelegen aan de [adres 4] ) bij [slachtoffer 6] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 17 november 2019 schriftelijk de toegang tot dat Cafe ontzegd voor de duur van een

(1) jaar.

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/027972-20 laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Ede diepvrieshamburgers en/of mayonaise, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [slachtoffer 7] (filiaal gelegen aan de [naam 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/050883-20 laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2020 te Ede, een telefoon (merk: Samsung), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/219191-20 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en het volgende daartoe aangevoerd. Weliswaar is DNA van verdachte gevonden op de sjaal die 3 dagen na de overval in de buurt van een nepvuurwapen is aangetroffen in de omgeving van de plaats delict en de muts die kort na de overval in de buurt van de plaats delict is aangetroffen, maar dit betreffen mengprofielen. Volgens de Hoge Raad dient wanneer sprake is van een mengprofiel, ander ondersteunend bewijs aanwezig te zijn. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij de overval. De raadsvrouw heeft verzocht dit verhoor uit te sluiten van het bewijs, nu de verklaring niet betrouwbaar is. [medeverdachte] heeft zich eerst op zijn zwijgrecht beroepen, waarna de politie vragen met technische details heeft gesteld aan [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft vervolgens een bekennende verklaring conform deze technische details, en dus met voorkennis, afgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 2] (hierna: aangever 1) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 26 maart 2016 aan het werk was bij [slachtoffer 1] aan het [adres 2] te Ede.2 Hij zag man 1 met een pistool voor hem staan. Man 1 zei tegen hem: “Geld, geld, geld” en “Doe de kluis open”. Toen de kluis niet openging vanwege het tijdslot, riep man 1: “Kassa, maak de kassa open”. Aangever 1 zag hoe man 1 geld uit de kassa pakte en [slachtoffer 1] via de uitgang bij het scooterhok aan de achterzijde verliet. Aangever 1 zag dat man 2 achter man 1 naar buiten rende. Aangever 1 heeft man 2 bij zijn collega [slachtoffer 4] zien staan, toen man 1 hem vroeg naar de kassa te lopen. Hij zag dat man 2 een mes tegen [slachtoffer 4] keel hield. Van zijn collega [slachtoffer 3] hoorde hij dat hij een klap in zijn gezicht heeft gehad van één van de twee mannen.3

[slachtoffer 4] (hierna: aangever 2) heeft verklaard dat hij zag dat twee mannen [slachtoffer 1] in kwamen rennen. Hij zag dat één van de mannen een zwart pistool bij zich had en hij voelde dat er een mes op zijn keel werd gedrukt. Hij heeft het mes ook gezien. Aangever 2 hoorde de man met het pistool iets zeggen over de kassa. Hij heeft niet kunnen horen wat de man precies zei, maar het was hem duidelijk dat de kassa open moest. Later heeft hij van zijn collega [slachtoffer 3] gehoord dat [slachtoffer 3] door één van de mannen is geslagen.4

In de brandgang tussen de Irislaan en de Rozenlaan zijn onder andere een muts, een mes en een broek aangetroffen.5 Daarnaast zijn op het grasperceel tussen de Valkenier, de Kastelenlaan en de Veenderweg onder meer twee sjaals en een vuurwapen aangetroffen.6 Op de muts en één van de twee sjaals is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van verdachte (matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard).7 De politie heeft de aangetroffen kleding, het mes en het vuurwapen vergeleken met de camerabeelden en geconcludeerd dat deze goederen sterke gelijkenissen vertonen met de goederen die de personen op de camerabeelden aanhadden of de wapens dat zij bij zich droegen.8

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat behalve hij zelf, ‘ [bijnaam] ’, [slachtoffer 3] en verdachte betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van de overval.9 Volgens [medeverdachte] is hij samen met verdachte naar binnen gegaan. Verdachte hield een nep vuurwapen vast, [medeverdachte] een mes.10 De overval heeft maar 5 minuten geduurd, de kluis ging niet open vanwege een tijdslot.11 Er is wel geld meegenomen, dit had verdachte bij zich.12 [medeverdachte] heeft zijn broek uitgedaan in de steeg en heeft zijn sjaal afgedaan op het grasperceel tussen de Valkenier, de Kastelenlaan en de Veenderweg.13

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, tezamen met anderen, op 26 maart 2016 [slachtoffer 1] in Ede heeft overvallen. Verdachtes DNA is aangetroffen op een muts en een sjaal, die gevonden zijn in de buurt van de plaats delict. Deze spullen lagen bij andere spullen, waarvan [medeverdachte] heeft verklaard dat deze hem toebehoorden. Daarnaast heeft de politie geconcludeerd dat de aangetroffen spullen sterke gelijkenissen vertonen met de op de camerabeelden waargenomen spullen die de daders aanhadden of met zich droegen.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat niet evident is gebleken dat sprake is geweest van beïnvloeding. Daarnaast heeft [medeverdachte] verklaringen afgelegd over omstandigheden die duiden op daderwetenschap, zoals het niet opengaan van de kluis vanwege het tijdslot, waar de politie hem eerder in het verhoor niets over heeft verteld.

Ten aanzien van parketnummer 05/211477-20 14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van een dusdanig kort tijdbestek tussen de inbraak en de eerste pintransactie bij een pinautomaat in Ede, dat sprake is van voldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 27 juli 2018, tussen 23:15 uur en 23:30 uur, drie mannen door het steegje zag lopen in de richting van de woning van aangever [slachtoffer 5] in Beekbergen. Circa 20 à 25 minuten later liepen dezelfde mannen terug. De eerste pintransactie is gedaan om 23:59 uur bij een pinautomaat in Ede. De reistijd tussen Beekbergen en Ede is circa 30 minuten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de camerabeelden, waarop de herkenning door de verbalisanten gebaseerd is, onduidelijk zijn. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het mogelijk is dat een andere jongen zich gelegitimeerd heeft met de legitimatie van verdachte, nu verdachte meermaals zijn legitimatie is kwijtgeraakt.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij betrokken is geweest bij de inbraak in het huis van [slachtoffer 5] in Beekbergen. De rechtbank is van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte onderdeel was van de groep van drie mannen waar getuige [getuige 1] over heeft verklaard. Van enig ander bewijs dat duidt op betrokkenheid van verdachte, is geen sprake.

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 5] (hierna: aangever) heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn zakelijke pinpas is gestolen tijdens een inbraak in zijn woning.15 Aangever heeft verklaard dat hij uit zijn afschrijvingen heeft opgemaakt dat op 28 juli 2019 omstreeks 01:00 uur € 1000,00 is gepind in Ede. In dezelfde nacht hebben er 20 pintransacties plaatsgevonden in Utrecht, met bedragen variërend tussen € 99,00 en € 300,00. Volgens aangever is in totaal circa € 3.500,00 gepind met zijn pinpas.16

De camerabeelden van Holland Casino te Utrecht zijn uitgekeken. Hierop is onder meer te zien dat een donkere jongeman, met zwart haar en een bril, op 28 juli 2018 tussen 1.10 uur en 2.40 uur meerdere succesvolle en enkele mislukte transacties uitvoert met een pinpas.17

Uit een mutatierapport, betreffende een toelichting bij het incident in Holland Casino, heeft medewerker [getuige 2] verklaard dat verdachte een bedrag van € 3.000,00 wilde opnemen. Een medewerker van het casino vroeg verdachte zich te legitimeren, omdat dit de procedure is bij dergelijke transacties. Verdachte vertrok vervolgens, waarna hij tegengehouden kon worden bij de uitgang van het casino. Hier gaf verdachte een identiteitsbewijs af op naam van verdachte. De bankpas waarmee verdachte geld wilde opnemen, stond echter op naam van [naam 2] / [slachtoffer 5] .18

Drie verbalisanten hebben verdachte ambtshalve herkend aan de hand van (screenshots van) de camerabeelden van Holland Casino te Utrecht.19 Verbalisant [verbalisant 1] kent verdachte ambtshalve, omdat verdachte wekelijks op het Museumplein te Ede komt en [verbalisant 1] regelmatig horecadiensten draait. Daarnaast kent [verbalisant 1] verdachte van eerdere controles in de gemeente Ede. [verbalisant 1] herkent verdachte aan zijn postuur, gezicht, bril, huidskleur en haardracht.20 Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte omdat hij hem meerdere malen heeft aangehouden. Daarnaast is [verbalisant 2] bij de woning van verdachte geweest en heeft hij verdachte meerdere malen gesproken in het uitgaansgebied van Ede. [verbalisant 2] herkende verdachte aan zijn houding, postuur, gezicht, huidskleur en manier van bewegen.21 Tot slot zag verbalisant [verbalisant 3] zeer sterke gelijkenissen tussen de afgebeelde persoon en verdachte, gelet op de vorm van het hoofd, het postuur en de oren die wat uitsteken en naar beneden hangen. [verbalisant 3] heeft verdachte op 6 augustus 2018 gehoord en zodoende van dichtbij gezien. Daarnaast heeft [verbalisant 3] verdachte regelmatig gezien in het uitgaansgebied in Ede. Tot slot is [verbalisant 3] werkzaam in het cluster Veldhuizen/Kernhem en heeft hij verdachte regelmatig gezien in de wijk Veldhuizen.22

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 28 juli 2019 meerdere geldbedragen heeft gepind in Holland Casino te Utrecht. Verdachte is herkend door drie verbalisanten, die voldoende duidelijk hebben beschreven van welke onderscheidende kenmerken sprake was. Deze verbalisanten zijn veelvuldig met verdachte in aanraking gekomen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de verbalisanten goed in staat zijn verdachte te herkennen. Daarnaast heeft verdachte zich gelegitimeerd met zijn eigen legitimatiebewijs. Dat dit iemand anders is geweest met een gevonden legitimatiebewijs van verdachte, acht de rechtbank onaannemelijk, mede gelet op de herkenningen van verdachte. Verdachte heeft nagelaten dit scenario met verifieerbare bewijsmiddelen te onderbouwen. Daarnaast heeft de verdachte dit scenario niet eerder dan tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren gebracht. Dat verdachte degene is geweest die in Ede heeft gepind, daarvoor is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs nu op grond van de camerabeelden herkenning niet mogelijk is.

Ten aanzien van parketnummer 05/306486-19 23

De feiten

Verdachte bevond zich op 28 december 2019 in [slachtoffer 6] in Ede.24

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Op 17 november 2019 is verdachte de toegang ontzegd tot [slachtoffer 6] , voor de duur van één jaar. De ontzegging is ondertekend door verdachte.25

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich op 28 december 2019 bevond in [slachtoffer 6] in Ede, terwijl hem de toegang tot dit café ontzegd was. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte niet wist dat hij niet in [slachtoffer 6] mocht komen, gelet op de ondertekende ontzegging.

Ten aanzien van parketnummer 05/027972-20 26

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [slachtoffer 7] , p. 15-18;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2021.

Ten aanzien van parketnummer 05/050883-20 27

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 8] (hierna: aangeefster) heeft in haar aangifte verklaard dat zij van haar zoon,

[getuige 3] , heeft vernomen dat verdachte op 23 februari 2020 aangeefsters telefoon heeft gepakt en meegenomen uit haar woning. Aangeefster was op dat moment in het buurthuis. Volgens aangeefster is verdachte naar het buurthuis gekomen en heeft hij tegen haar gezegd dat zij haar telefoon terug zou krijgen na betaling van € 20,00. Aangeefster zag dat verdachte haar telefoon vasthad.28 Aangeefster heeft een klacht ingediend bij de hulpofficier van justitie.29

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte aangeefsters telefoon in de woonkamer heeft gepakt en meegenomen. Volgens [getuige 3] heeft verdachte gezegd dat hij de telefoon niet terug wilde geven voordat hij geld kreeg.30

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 23 februari 2020 aangeefsters telefoon heeft gestolen. Verdachte gedroeg zich als heer en meester over de telefoon en de telefoon was uit de feitelijke heerschappij van aangeefster. Dat zij hem terug kon krijgen door verdachte geld te betalen, doet aan de diefstal niet af.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten aanzien van parketnummer 05/219191-20, ten aanzien van parketnummer 05/211477-20, feit 2, ten aanzien van parketnummer 05/306486-19, ten aanzien van parketnummer 05/027972-20 en ten aanzien van parketnummer 05/050883-20 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van parketnummer 05/219191-20:

hij op of omstreeks 26 maart 2016 te Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

  • -

    een geldbedrag van ongeveer 540 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] te Ede, heeft weggenomen in/uit de [slachtoffer 1] gelegen aan het [adres 2] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

  • -

    die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist en/of vlakke hand tegen zijn hoofd en/of gezicht en/of lichaam te slaan en/of stompen en/of

  • -

    (dreigend) aan die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of (dreigend) de woorden toe te voegen: ‘geld, geld, geld en/of doe de kluis open en/of kassa, maak de kassa open’, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    (dreigend) een mes op/tegen de keel en/of nek en/of hals van die [slachtoffer 4] aan te zetten en/of drukken.

Ten aanzien van parketnummer 05/211477-20, feit 2:

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 27 juli 2018 tot en met 28 juli 2018

te Ede en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 4394 euro), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 5] , althans een ander dan aan hem, verdachte, waarbij hij het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meer bankpas(sen) op naam van [slachtoffer 5] (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij,

verdachte niet gerechtigd was.

Ten aanzien van parketnummer 05/306486-19:

hij op of omstreeks 28 december 2019 te Ede, in het besloten lokaal [slachtoffer 6] (gelegen aan de [adres 4] ) bij [slachtoffer 6] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 17 november 2019 schriftelijk de toegang tot dat Cafe ontzegd voor de duur van een

(1) jaar.

Ten aanzien van parketnummer 05/027972-20:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Ede diepvrieshamburgers en/of mayonaise, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten aan het winkelbedrijf [slachtoffer 7] (filiaal gelegen aan de [naam 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Ten aanzien van parketnummer 05/050883-20:

hij op of omstreeks 23 februari 2020 te Ede, een telefoon (merk: Samsung), in elk geval enig goed, die of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 05/219191-20:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van parketnummer 05/211477-20, feit 2:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermaals gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 05/306486-19:

het in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

ten aanzien van parketnummers 05/027972-20 en 05/050883-20:

diefstal.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht niet van toepassing is, gelet op de omstandigheden van verdachte met betrekking tot werk en woning. Daarnaast acht de reclassering de toepassing van het adolescentenstrafrecht niet passend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat in het ter terechtzitting overgelegde NIFP rapport, dat weliswaar ziet op andere parketnummers, geconcludeerd is dat de feiten verdachte toen verminderd toegerekend konden worden. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank hier rekening mee te houden. Voorts verzoekt de raadsvrouw om toepassing van het adolescentenstrafrecht. Zij vindt hiertoe reden in dit overgelegde NIFP rapport, waarin toepassing van het adolescentenstrafrecht geadviseerd is. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een gevangenisstraf de goede ontwikkeling van verdachte zou doorkruisen. Verdachte heeft een baan, mag bij zijn moeder wonen en heeft in de afgelopen tijd geen strafbare feiten gepleegd. Tot slot dient volgens de raadsvrouw rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat drie feiten dateren uit 2018 en 2016.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 21 mei 2021;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 28 mei 2021;

- een Pro Justitia rapport, opgemaakt door psycholoog H.A. Feringa, gedateerd 3 oktober 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één overval, meerdere diefstallen en

huisvredebreuk. De rechtbank vindt de overval een zeer ernstig feit en neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat gedreigd is met een mes en een nep vuurwapen, en dat geweld is toegepast. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de veiligheidsgevoelens van niet alleen de medewerkers van [slachtoffer 1] , maar ook van anderen in de maatschappij. Slachtoffers van overvallen kampen vaak nog lang met vervelende (psychische) gevolgen. Daarnaast heeft verdachte door het plegen van de overval en de diefstallen een gebrek aan respect getoond tegenover andermans eigendom.

Uit het uittreksel justitiële documentatie volgt dat verdachte eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat in het verleden uitgebreid geprobeerd is tot gedragsbeïnvloeding te komen, hetgeen geen langdurig resultaat opleverde. Verdachte hield zich niet aan voorwaarden. De reclassering concludeert dat bij beëindiging van het laatste reclasseringstoezicht, enkel heil wordt gezien in het onderzoeken van de mogelijkheden van een klinische opname. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat, omdat verdachte ontkent. De reclassering ziet geen doorslaggevende redenen om toepassing van het adolescentenstrafrecht te adviseren. Bij verdachte is geen (lichte) verstandelijke beperking vastgesteld. Ondanks dat verdachte bij zijn moeder woont, bestaat niet de indruk dat hij actief deelneemt aan het gezin. Daarnaast is geen sprake van scholing. Tot slot zijn er geen maatregelen of interventies nodig die alleen binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn.

In het Pro Justitia rapport, dat is opgemaakt naar aanleiding van andere feiten te weten bedreiging en mishandeling van moeder, heeft de psycholoog geadviseerd verdachte deze feiten in verminderde mate toe te rekenen. Volgens de psycholoog is, dan wel was, bij verdachte sprake van een autistiforme stoornis, met kenmerken van ADHD en problemen in het gebruik van middelen. Verdachte kan hierdoor meer en sneller dan de gemiddelde mens in conflict raken met zijn omgeving omdat hij onvoldoende adequaat de omgeving begrijpt en/of zich er onvoldoende adequaat toe kan verhouden. Bij oplopende spanningen kan de controle over zijn handelen snel afnemen. De psycholoog heeft geadviseerd het adolescentenstrafrecht toe te passen. De argumenten hiervoor zijn gelegen in de omstandigheid dat bij verdachte sprake is van een langdurig hulpverleningsgeschiedenis waarbij het hem niet afdoende lukte om zijn leven op orde te krijgen. Verdachtes problemen zouden het doorlopen van de leeftijdsfase waarin hij zit, bemoeilijken. Gezien verdachtes leeftijd kan gesteld worden dat hij met voldoende kwalitatieve en kwantitatieve pedagogische begeleiding én met gerichte behandelinterventies (nog) positief te beïnvloeden is. De rechtbank schuift dit rapport terzijde, nu de conclusie met betrekking tot de toerekenbaarheid ziet op feiten die van heel andere aard zijn. Daarnaast zijn de door de psycholoog genoemde argumenten met betrekking tot toepassing van het adolescentenstrafrecht thans niet meer aan de orde. Verdachte woont bij zijn moeder en beschikt over werk, waardoor de rechtbank van oordeel is dat pedagogische begeleiding niet meer aan de orde is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. Het voorwaardelijke gedeelte van de straf dient als stok achter de deur voor verdachte om geen nieuwe strafbare feiten te begaan. De rechtbank vindt in de hoeveelheid en de ernst van de feiten, en met inachtneming van de oriëntatiepunten, reden om een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur van 240 uren. De strafoplegging wijkt af van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Daarnaast heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met zijn toentertijd relatief jonge leeftijd, de omstandigheid dat een deel van de feiten (zeer) oud is en dat sprake is van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van parketnummer 05/219191-20

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.000,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden wegens ontbreken van causaal verband. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet gemakkelijk vastgesteld kan worden of de psychische spanningen niet al voor het feit bestonden. Hierdoor dient volgens de raadsvrouw de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel het bedrag te worden gematigd.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

  • -

    verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

  • -

    de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

  • -

    de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

  • -

    de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Door het plegen van het tenlastegelegde is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat verdachte psychische gevolgen heeft ondervonden van de gewelddadige overval. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering, gedeeltelijk, tot een bedrag van € 1.500,00 toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 26 maart 2016.

De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Ten aanzien van parketnummer 05/211477-20

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.430,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden wegens ontbreken van causaal verband. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bij veroordeling voor feit 2, rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de vordering ziet op feit 1.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 1. Nu de vordering van de benadeelde partij ziet op schade ontstaan naar aanleiding van feit 1, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 57, 63, 138, 310, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/219191-20, feit 1 tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 9 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 veroordeelt verdachte in verband met het tenlastegelegde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van smartengeld;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en

mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Hadžić, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2019339299, gesloten op 31 juli 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 38.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 39.

4 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] , p. 49.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 142.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51.

7 Herzien rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Ede op 26 maart 2016’, p. 249.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 113-120.

9 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 323.

10 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 329.

11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 326.

12 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 335.

13 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 335 en 343.

14 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018338963, gesloten op 20 augustus 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

15 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 52.

16 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 52, 57-58.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 123-125.

18 Mutatierapport, p. 128.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 123-126 en proces-verbaal van bevindingen, p. 145-150.

20 Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 111.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 115.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 117.

23 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019577354, gesloten op 29 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

24 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens [slachtoffer 6] , p. 8 en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

25 Ontzegging toegang [slachtoffer 6] , p. 11.

26 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 7] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020050563, gesloten op 2 februari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

27 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 8] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020087277, gesloten op 26 februari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

28 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] , p. 16.

29 Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 22.

30 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 24.