Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3248

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
19_6812 en 19_7353
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Winstuitdeling vanwege het niet berekenen van rente op een rekening-courantschuld van eiser aan zijn B.V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-8-2021
V-N Vandaag 2021/1983
FutD 2021-2612
NLF 2021/1653
NTFR 2021/2976 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2021/39.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/6812 en AWB 19/7353

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: [naam gemachtigde] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende aanslagen opgelegd:

  • -

    voor het jaar 2015 een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.932 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 167.388. Tevens is bij beschikking € 4.933 aan belastingrente in rekening gebracht;

  • -

    voor het jaar 2016 een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer] ) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 167.055. Tevens is bij beschikking € 3.815 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 november 2019 (jaar 2015) en van 6 december 2020 (jaar 2016) de aanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen telkens tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021.

Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] , is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam B.V.] ( [B.V.] ).

2. Naar aanleiding van een in 2012 en 2013 bij [B.V.] uitgevoerd boekenonderzoek, is in 2013 tussen eiser en [B.V.] een ‘overeenkomst inzake rekening-courant’ gesloten. Daarin is onder meer overeengekomen dat over het saldo een rente van 5% per jaar in rekening wordt gebracht.

3. Over de jaren 2015 en 2016 is door [B.V.] ter zake van haar rekening-courantvordering geen rente aan eiser berekend.

Geschil

4. In geschil is of sprake is van uitdelingen van winst in verband met het feit dat [B.V.] over beide jaren geen rente ter zake van haar rekening-courantvordering op eiser heeft berekend. Niet in geschil is dat de niet berekende rente (5% van het saldo) over 2015 € 169.006 bedroeg en voor 2016 € 162.297.

5. Verweerder is van mening dat genoemde niet uitgekeerde rentebedragen uitdelingen van winst vormen. Eiser is van mening dat van uitdelingen van winst geen sprake is, omdat voor beide jaren niet is gebleken dat de gelden [B.V.] definitief hebben verlaten. Ook is volgens eiser geen sprake van de vereiste dubbele bewustheid bij eiser en [B.V.]

6. Niet langer is in geschil dat het inkomen uit aanmerkelijk belang in beide jaren volledig dient te worden toegerekend aan eiser, omdat eiser en zijn echtgenote daar op grond van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 inmiddels voor hebben gekozen.

Beoordeling van het geschil

7. Een winstuitdeling is aanwezig indien sprake is van een bevoordeling van een aandeelhouder als zodanig, die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, waarbij de aandeelhouder en de vennootschap zich bewust zijn of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn van die bevoordeling en de aandeelhouder de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft aangenomen1.

8. De naar aanleiding van het voornoemde boekenonderzoek opgemaakte rekening-courantovereenkomst is door zowel eiser als [B.V.] ondertekend. De aan [B.V.] verschuldigde rente is niet berekend, niet betaald of bijgeschreven en ook niet als bate in de administratie verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [B.V.] zich daarmee een voordeel laten ontgaan, waardoor zij is verarmd en eiser is verrijkt. De gelden hebben aldus definitief het vermogen van [B.V.] verlaten.2

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat zowel eiser als [B.V.] zich bewust is geweest dat eiser is bevoordeeld in zijn hoedanigheid van aandeelhouder ten koste van [B.V.] De contractuele bepalingen met betrekking tot de rente waren bij immers bij eiser en bij [B.V.] bekend, terwijl eiser geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat er in 2015 en 2016 door [B.V.] geen rente is berekend, bijgeschreven of geadministreerd over de rekening-courantvordering. Aan het vereiste van dubbele bewustheid (bij eiser en bij [B.V.] ) is derhalve ook voldaan zodat sprake is geweest van uitdelingen van winst.

10. Omdat de belastingaanslag van het jaar 2015, gelet op het voorgaande, niet te hoog is vastgesteld, dient het beroep voor het jaar 2015 (zaaknummer 19/6812) ongegrond te worden verklaard. Omdat bij het opleggen van de belastingaanslag van het jaar 2016 is uitgegaan van een winstuitdeling ten bedrage van € 167.055 en verweerder die uitdeling nader heeft berekend op € 162.297, dient het beroep voor het jaar 2016 (zaaknummer 19/7353) gegrond te worden verklaard.

11. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, dient het beroep tegen de beschikking belastingrente voor het jaar 2015 eveneens ongegrond te worden verklaard en dient de in rekening gebrachte belastingrente voor het jaar 2016 te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor het jaar 2015 (zaaknummer 19/6812) ongegrond;

- verklaart het beroep voor het jaar 2016 (zaaknummer 19/7353) gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ter zake van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016;

- vermindert de belastingaanslag 2016 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.297;

- vermindert de desbetreffende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.333;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Vergelijk onder meer Hoge Raad 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411 en Hoge Raad 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193.

2 Vergelijk Gerechtshof Den Haag, 11 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1747.