Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3215

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
C/05/378680 / FA RK 20-3820
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de vrouw op het moment van geboorte van het kind gehuwd was met de man, waardoor de man in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot het kind. De ambtenaar van de burgerlijke stand is gelast de geboorteakte van het kind aan te passen met het vermelden van de vadergegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/378680 / FA RK 20-3820

Datum uitspraak: 21 juni 2021

beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

[verzoeker] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld te Haarlem.

De man heeft het verzoek mede namens - zoals voorkomend in het uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de man - [naam vrouw] (nader te noemen: de vrouw) gedaan - de man hanteert als naam van de vrouw: [naam vrouw].

De rechtbank heeft als belanghebbende aangemerkt:
- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] (nader te noemen: de ambtenaar).

Het Openbaar Ministerie is, op basis van artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de gelegenheid gesteld haar mening over het verzoek te geven.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift namens de man en de vrouw, ingekomen op 29 oktober 2020;
- de brief met bijlage namens de man en de vrouw van 4 december 2020;
- het e-mailbericht van de ambtenaar van 15 januari 2021;
- het F9 formulier met bijlage namens de man en de vrouw van 29 januari 2021;
- de brief namens het Openbaar Ministerie van 17 mei 2021.

2 De feiten

2.1.

De man is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Syrië. Hij heeft de Syrische nationaliteit. Bij beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (IND) van [datum] 2016 is de aanvraag van de man tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel (voor bepaalde tijd) ingewilligd. De vergunning is verleend met ingang van [datum] 2015 en geldig tot [datum] 2020.

2.2.

De vrouw is - blijkens het uittreksel uit de BPR van de man - geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Iran. De vrouw heeft de Iraanse nationaliteit. De vrouw is via Servië naar Europa gevlucht en kwam als eerste terecht in Roemenië, waarna zij naar Nederland reisde. Op [datum] 2019 heeft de vrouw een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij de man’ ingediend. Bij beschikking van de IND van [datum] 2019 is de aanvraag van de vrouw afgewezen, in verband met het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Vanwege het Dublin-akkoord moet de vrouw door Roemenië worden opgevangen. Het Vreemdelingen identiteitsbewijs (W-document) van de vrouw is verlopen. De vrouw, die zich heeft gelegitimeerd met een verlopen W-document, heeft geen verblijfsrecht in Nederland en zij staat niet geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP). Er loopt een laatste beroepszaak tegen de uitzetting van de vrouw, welke zij in Nederland mag afwachten.

2.3.

Op [datum] 2015 zijn de man en de vrouw in het gouvernement [plaats] in Syrië met elkaar getrouwd. Het is de man niet gelukt om het huwelijk te laten registreren, omdat de vrouw geen Syrische is. Wel is er door de ‘mukhtar’ (het officiële wijk- of dorpshoofd) een akte van bekendheid opgemaakt die de identiteit van de vrouw bevestigt - genoemde datum van [datum] 2014 berust kennelijk op een verschrijving en wordt gelezen als [datum] 2015.

2.4.

Op [datum] 2020 is namens de man aan de gemeente [gemeentenaam] verzocht om het huwelijk tussen de man en de vrouw te registreren in de BRP. De gemeente [gemeentenaam] heeft vervolgens op [datum] 2020 een Verklaring onder Ede laten opmaken, van zowel de man als de vrouw. Het huwelijk is vervolgens geregistreerd in de BRP.

2.5.

Op [datum] 2020 is in de gemeente [gemeentenaam] [naam minderjarige] (nader te noemen: [minderjarige] ) geboren. Op de geboorteakte met nummer [nummer] is de vrouw als moeder van [minderjarige] vermeld. De man is niet vermeld op de geboorteakte. Uit de rapportage van het Klinisch Chemisch Laboratorium van het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen van [datum] 2020 blijkt dat de resultaten van het DNA-onderzoek indicatief zijn voor vaderschap; de man is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader van [minderjarige] .

2.6.

De gemeente [gemeentenaam] heeft de ambtenaar verzocht de akte aan te passen vanwege de gehuwde status van de man. De ambtenaar vond de Verklaring onder Ede echter onvoldoende om de geboorteakte aan te passen.

2.7.

Intussen had de advocaat van de man het huwelijk in Syrië alsnog geregistreerd en is er een familieboekje afgegeven. Deze stukken zijn onderzocht door het Bureau Documenten, maar blijken waarschijnlijk niet echt te zijn. De status “gehuwd” is in de BRP gehandhaafd.

2.8.

Omdat de geboorteakte geen vadergegevens vermeldt kan de gemeente [gemeentenaam] [minderjarige] in de BRP niet koppelen aan de man. Als gevolg hiervan is [minderjarige] niet geregistreerd in de gemeente en is hij daarom illegaal.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Namens de man en de vrouw wordt verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) primair: voor recht te verklaren dat de vrouw op het moment van geboorte van [minderjarige] gehuwd was met de man, waardoor de man in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot [minderjarige] ;
- met de opdracht aan de ambtenaar om de geboorteakte aan te passen op grond van artikel 1:24 van het Burgerlijk Wetboek (BW), inhoudend het vermelden van de vadergegevens;
b) subsidiair: het vaderschap vast te stellen van [minderjarige] ;
- met als gezamenlijke keuze voor de geslachtsnaam “ [ geslachtsnaam vader] ”;
- met de opdracht aan de ambtenaar het vaderschap aan te tekenen op de geboorteakte van [minderjarige] .

3.2.

De ambtenaar acht het evident dat de man en de vrouw een groot belang hebben bij de registratie van hun huwelijk. Naast het vaststellen van de afstammingsrelatie en de naam van [minderjarige] , heeft de registratie van het huwelijk gevolgen voor het verblijfsrecht van de vrouw en [minderjarige] in Nederland. De ambtenaar is echter van mening dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de man en de vrouw. Zulks kan daarom niet als een kennelijke misslag worden aangemerkt en dus niet tot ambtshalve verbetering leiden van de afstammingsrelatie, de naam van [minderjarige] en de naam van de vrouw in de geboorteakte van [minderjarige] . De ambtenaar heeft geen bezwaar tegen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

3.3.

Het Openbaar Ministerie deelt het standpunt van de ambtenaar.

4 De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.

De man, de vrouw en [minderjarige] wonen/verblijven in Nederland. Op grond van artikel 3 Rv is de Nederlandse rechter daarom bevoegd op het verzoekschrift te beslissen.

Relatieve bevoegdheid

4.2.

De man en de vrouw wonen/verblijven in [woonplaats] in de gemeente [gemeentenaam] , gelegen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland. Deze rechtbank is dus op grond van artikel 262 Rv bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.3.

De vraag welke rechtsgevolgen aan een feit toekomen in verband met een andere, aan vreemd recht onderworpen vraag, moet, ex artikel 10:4 BW, als zelfstandige voorvraag worden beantwoord. Bij de afstamming kan de vraag aan de orde komen of [minderjarige] tijdens huwelijk is geboren; daarbij is het probleem aan de orde van de geldigheid van het huwelijk en of het huwelijk in Nederland kan worden erkend. De vraag naar de geldigheid van het huwelijk is in dit geval een voorvraag en het is allereerst de vraag welk recht van toepassing is op die voorvraag.

4.4.

Op grond van artikel 10:31, eerste lid BW wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend. Ingevolge het vierde lid van genoemd artikel wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

4.5.

De man heeft een asielstatus. Op grond van artikel 10:17, tweede lid BW, moeten de rechten welke de man vroeger heeft gekregen en welke uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de rechten voortvloeiende uit het huwelijk, worden geëerbiedigd.

4.6.

Het huwelijk tussen de man en de vrouw is in Syrië gesloten, zodat, op grond van artikel 10:31, eerste lid BW, naar Syrisch recht moeten worden gekeken of het huwelijk rechtsgeldig is. Volgens dit recht wordt de huwelijksvoltrekking beheerst door het recht van de geloofsgemeenschap waartoe de betrokken persoon behoort. Als de echtgenoten tot verschillende geloofsgemeenschappen behoren, dan is het recht van toepassing van de geloofsgemeenschap waartoe de man behoort. In elk geval de man behoort tot de soennitische islam. Een huwelijk naar islamitisch recht komt tot stand door een overeenkomst tussen man en vrouw. Het huwelijkscontract wordt gesloten door een overeenstemmende wilsverklaring van beide, gelijktijdig aanwezige huwelijkskandidaten, en twee handelingsbekwame moslimgetuigen ten overstaan van een huwelijksambtenaar. De akte dient vervolgens door een rechter te worden bevestigd. Aan deze eisen is voldaan, zij dat het Bureau Documenten heeft geoordeeld dat het bewijs van het huwelijk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven is.

4.7.

Gelet op de situatie waarin de man zich bevindt - hij is gevlucht uit Syrië en heeft een asielvergunning - is het met grote mate van waarschijnlijkheid onzeker of de juiste papieren ooit verkregen kunnen worden - de man kan niet naar Syrië gaan. Daarom heeft de gemeente [gemeentenaam] de man en de vrouw in de gelegenheid gesteld om een Verklaring onder Ede af te leggen, waarna de man in het BRP is ingeschreven als zijnde gehuwd op [datum] 2015 met de vrouw.

4.8.

De ambtenaar stelt ten eerste dat er twijfel bestaat over de rechtsgeldigheid van het huwelijk tussen de man en de vrouw, omdat in het aanmeldgehoor is genoteerd dat de man ongehuwd zou zijn en hij dit later als correctie bij het eerste gehoor heeft aangepast. Dit argument overtuigt niet, nu het mogelijk is om na een gehoor correcties toe te sturen.

4.9.

De ambtenaar heeft ten tweede aangegeven dat er door de man waarschijnlijk valse documenten zijn ingeleverd. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de overgelegde bewijsstukken waarschijnlijk niet echt te zijn. De status “gehuwd” is in de BRP echter gehandhaafd. Voor zover er valse documenten zouden zijn overgelegd, betekent dit niet dat het huwelijk tussen de man en de vrouw niet bestaat of niet geregistreerd is. De man heeft moeten vluchten en zijn advocaat heeft niet de juiste papieren weten te verkrijgen. De tweede door de man ingeschakelde advocaat werkte op afstand en enkele jaren later. De bewijsnood kan daarom in dit geval niet aan de man worden toegerekend.

4.10.

De ambtenaar heeft ten derde aangegeven dat de in de gemeente [gemeentenaam] afgelegde Verklaring onder Ede niet betrouwbaar zou zijn, omdat op dat moment al duidelijk zou zijn dat er bewijsstukken zouden zijn. Dit blijkt echter nergens uit. In situatie van oorlog en vlucht is het praktisch onmogelijk om stukken alsnog goed te registreren of te verkrijgen. Het opmaken van de Verklaring onder Ede is een bevoegdheid van de gemeente [gemeentenaam] . Daarnaast moet worden aangenomen dat de aangewezen ambtenaar van de gemeente [gemeentenaam] deugdelijk heeft getoetst of het aannemelijk is dat de verklaring met betrekking tot het huwelijk juist is. Het is niet aan de ambtenaar om hierover opnieuw een oordeel te vellen. Van belang acht de rechtbank daarbij dat de Verklaring onder Ede door de gemeente in stand is gelaten evenals de registratie van de man in de BRP, als zijnde hij op [datum] 2015 gehuwd met de vrouw. Op grond van artikel 2.10 Wet BRP mogen bepaalde gegevens niet aan de hand van een eigen verklaring worden ontleend indien aannemelijk is dat ter zake een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid onder c of d Wet BRP, kan worden verschaft. Kennelijk heeft de betrokken ambtenaar van de gemeente [gemeentenaam] geen aanleiding gezien voor wat betreft het in de Verklaring onder Ede vermelde rechtsfeit van het huwelijk tussen de man en de vrouw toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 2.10 Wet BRP in die zin dat hij er niet van heeft afgezien het feit “huwelijk” op te nemen in de BRP. De rechtbank gaat er aldus vanuit dat de BRP (nog steeds) terecht melding gemaakt van genoemd huwelijk.

4.11.

De rechtbank moet er dus van uit gaan dat het huwelijk van de man en de vrouw naar Syrisch recht rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en in Nederland kan worden erkend, ook nu gesteld noch gebleken is dat erkenning in strijd is met de Nederlandse orde, als bedoeld in artikel 10:32 BW.

4.12.

Het huwelijk tussen de man en de vrouw en de geboorte van [minderjarige] uit dit huwelijk is onderdeel van de identiteit en het familieleven, zoals beschermd in het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat voor recht zal worden verklaard dat de vrouw op het moment van geboorte van [minderjarige] gehuwd was met de man, waardoor de man in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot [minderjarige] . Nu er sprake is van een kennelijke misslag als bedoeld in artikel 1:24 BW zal de rechtbank gelasten dat de ambtenaar de geboorteakte van [minderjarige] aanpast, inhoudende het vermelden van de vadergegevens.

4.14.

De beslissing zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De beslissing zal immers pas in de registers van de burgerlijke stand worden verwerkt als deze in kracht van gewijsde is gegaan.

5 De beslissing

5.1.

verklaart voor recht dat de vrouw op het moment van geboorte van [minderjarige] gehuwd was met de man, waardoor de man in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot [minderjarige] ;

5.2.

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] om de akte van geboorte met nummer [nummer] , op [datum] 2020 opgemaakt, aan te passen door het vermelden van de vadergegevens:
OUDERS
Geslachtsnaam vader : [ geslachtsnaam vader]
Voornamen vader : [voornaam vader] ;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I. de Bruin, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van

F. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2021.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.