Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3212

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
05.119868.20 en 05.020533.21 (gevoegd t.t.z.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-gevangenisstraf voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, van poging tot afpersing en van opzetheling van crimineel geld afkomstig van Whatsappfraude.

-dat verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft verricht, staat aan bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05.119868.20 en 05.020533.21 (gevoegd t.t.z.)

Datum uitspraak : 24 juni 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

Raadsvrouw: mr. J.L. Vermeer, advocaat in Rhenen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 05.119868.20 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- naar de woning te gaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) te houden, althans een dreigende sfeer te creëren waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) te slaan en/of te schoppen en/of knietjes te geven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier,

althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan en/of

- te dreigen die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel te steken en/of te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam te snijden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] te gieten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekende daders op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- naar de woning te gaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) te houden, althans een dreigende sfeer te creëren waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) te slaan en/of te schoppen en/of knietjes te geven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier,

althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan en/of

- te dreigen die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel te steken en/of te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam te snijden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] te gieten,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 april 2020 te

Bennekom, althans in Nederland

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [slachtoffer 1] in zijn woning te laten (verblijven) en/of

- ( op verzoek van die [medeverdachte 2] ) die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 1] in die woning toe te laten en/of

- ( nadat die [slachtoffer 1] en die [medeverdachte 2] en die [medeverdachte 1] de woning hadden verlaten) die woning op te ruimen;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de woning is gegaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) heeft gehouden, althans een dreigende sfeer heeft gecreëerd waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft geslagen en/of geschopt en/of knietjes gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier, althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft geslagen en/of

- heeft gedreigd die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel heeft gestoken en/of getrokken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam heeft gesneden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] heeft gegoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekende daders op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de woning is gegaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) heeft gehouden, althans een dreigende sfeer heeft gecreëerd waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft geslagen en/of geschopt en/of knietjes gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier, althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft geslagen en/of

- heeft gedreigd die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel heeft gestoken en/of getrokken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam heeft gesneden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] heeft gegoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [slachtoffer 1] in zijn woning te laten (verblijven) en/of

- ( op verzoek van die [medeverdachte 2] ) die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 1] in die woning toe te laten en/of

- ( nadat die [slachtoffer 1] en die [medeverdachte 2] en die [medeverdachte 1] de woning hadden verlaten) die woning op te ruimen;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere goederen, te weten een of meerdere geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 april 2020 tot en met 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

[slachtoffer 1] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door via whatsapp naar die [slachtoffer 1] te sturen:

“Luister bro ik hoop dat het die 5k waar is om naar je huis te gaan" en/of

"Maar je wilt jezelf niet in de problemen brengen en andere voor dit" en/of

“Kom hier met die doekoe. En geen grapjes. Wees een man en breng die doekoe terug” en/of

“Bel je ouders en zorg maar dat je er bij komt” en/of

“Als jij die doekoe niet terug brengt komen ze het net zoals gisteren bij je matties ophalen. Net zolang tot het bedrag rond is” en/of

“ [slachtoffer 1] hoop dat je weet wat je zegt je familie is belangrijk voor je toxh? Heb nu het nummer van je broertje. En je moeder. Je adres van je familie je vrienden alles is al doorgegeven en dat komt allemaal door je eigen junkie vriendjes. 12:00 geen antwoordt en ze gaan langs de eerste. Regel dat Kkr geld” en/of

“Ik ga nu 2 belletjes doen als ik die eerste gedaan heb ben je nog niet de lul wanneer die 2e om 12 uur komt beter voor je leven Kkr je op uit dit land” en/of

“Ik heb zeker al een paar ideeën die ik kan uitvoeren maar nog niet ga doen. Omdat je nog steeds kans hebt om dat geld terug te brengen” en/of

“Ik ga nu een bezoekje brengen. Aan je adres. En als je weet wie ik ben weet je ook dat ik kkr sirieus ben” en/of

“We gaan nu naar je ouders. Zorg dat die gaat pinnen anders komen we zelf langs”, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 28 april 2020 te Ede, althans in Nederland, [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling (van hun zoon),

door die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:

"het moet in orde komen als jullie jullie zoon nog terug willen zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

door een bedreiging te uiten over hun zoon en een strop, althans een bedreiging van gelijke aard en/of strekking;

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 05.020533.21 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte

door meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] te slaan en/of te stompen

en/of op/tegen een been van die [slachtoffer 4] te trappen en/of te schoppen,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een stekende pijn aan oor en/of kaak bij die [slachtoffer 5] en/of een pijnlijk been bij die [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: vuile kankerjuut, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 05.119868.20 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, 4 en 5. Ten aanzien van feit 1 en 2 heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een essentiële rol heeft gehad in de samenwerking en een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de delicten zodat sprake is van medeplegen. Subsidiair is minst genomen sprake van medeplichtigheid aan de ten laste gelegde vrijheidsberoving en poging tot afpersing.

Ook heeft verdachte zich volgens de officier van justitie schuldig gemaakt aan de 2 feiten in de zaak met parketnummer 05.02033.21.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de ten laste gelegde vrijheidsberoving en poging tot afpersing, heeft de raadsvrouw integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsvrouw is geen sprake van medeplegen en ook niet van medeplichtigheid. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen van de ten laste gelegde uitvoeringshandelingen heeft verricht en evenmin een actieve of coördinerende rol in de voorbereiding heeft gehad. Ook blijkt volgens de raadsvrouw nergens uit dat verdachte enige voorkennis had van het gebeuren in zijn woning. Voor feit 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de onder 5 ten laste gelegde bedreiging, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het dossier niet duidelijk naar voren komt wat er precies is gezegd en of van deze woorden een dreigende werking uit is gegaan zodat vrijspraak moet volgen.

In de zaak met parketnummer 05.020533.21 heeft de raadsvrouw voor feit 1, voor zover dit ziet op het trappen tegen het been van [slachtoffer 4] , vrijspraak bepleit. Voor feit 2 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Zaak met parketnummer 05.119868.201

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de feiten, met name feit 1 en 2, zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken, waarbij elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – wordt gebruikt voor het feit waarop het gezien de inhoud kennelijk betrekking heeft. Gelet op de chronologische volgorde van de feiten zal de rechtbank eerst feit 3, 4 en 5 bespreken en vervolgens feit 1 en 2.

Feit 3

Bewijsmiddelen

Op 27 april 2020 (vanaf circa 19:15 uur) heeft aangeefster [aangever] in totaal ruim

€ 3.960 overgemaakt naar de bankrekening van [getuige 1] , in reactie op Whatsappberichten die zij – zogenaamd – uit naam van haar dochter [naam 1] had ontvangen.2

[getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] en drie donkere jongens, onder wie een jongen die [medeverdachte 1] werd genoemd, haar hadden gevraagd of zij haar bankrekening tegen een percentage beschikbaar wilde stellen voor een storting. Er werden daarover afspraken gemaakt. Op 27 april 2020 werd er geld op haar rekening gestort onder vermelding van de naam [naam 1] . Direct nadat het geld was gestort, heeft zij dit in Bennekom gepind. [verdachte] en [medeverdachte 1] waren daarbij aanwezig.3

Verdachte heeft verklaard dat hij het door [getuige 1] gepinde geld uit de automaat heeft genomen en dit geld aan een van de medeverdachten heeft gegeven.4

Op de onder [verdachte] in beslag genomen telefoon, heeft de politie de volgende Whatsappberichten aangetroffen met contact [naam 2] , nummer [telefoonnummer] , van

27 april 2020 rond 17:15 uur:

In: Moet er alleen 4600 op die pas gestort worden

Uit: Ja. En gepint worden.

Uit: Wat heb je nodig. Heb er 2. Maar vertell ff wat je precies nodig hebt.

In: Bro. Ze mogen mee lopen met iemand. Die samen gaat pinnen met hun.5

Uit onderzoek van de politie volgt dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] in de ten laste gelegde periode in gebruik is bij verdachte [medeverdachte 1] , ook wel [medeverdachte 1] genoemd.6

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat het op 27 april 2020 in Bennekom met de bankpas van [getuige 1] gepinde bedrag, van [aangever] en dus van een misdrijf (Whatsapp-fraude) afkomstig is. Ook acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit geld in de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en de medeverdachten, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de beschreven handelingen en de gang van zaken, wisten dat het geld van criminele komaf was.

Feit 4

Bewijsmiddelen

Op de onder verdachte in beslag genomen iPhone, heeft de politie onderstaande Whatsappberichten aangetroffen, verzonden aan [slachtoffer 1] in de periode van 27 tot en met 29 april 2020:

“ [slachtoffer 1] hoop dat je weet wat je zegt je familie is belangrijk voor je toxh? Heb nu het nummer van je broertje. En je moeder. Je adres van je familie je vrienden alles is al doorgegeven en dat komt allemaal door je eigen junkie vriendjes. 12:00 geen antwoordt en ze gaan langs de eerste. Regel dat Kkr geld. Ik ga nu 2 belletjes doen als ik die eerste gedaan heb ben je nog niet de lul wanneer die 2e om 12 uur komt beter voor je leven Kkr je op uit dit land. Ik heb zeker al een paar ideeën die ik kan uitvoeren maar nog niet ga doen. Omdat je nog steeds kans hebt om dat geld terug te brengen. Ik ga nu een bezoekje brengen. Aan je adres. En als je weet wie ik ben weet je ook dat ik kkr sirieus ben. We gaan nu naar je ouders. Zorg dat die gaat pinnen anders komen we zelf langs. Je hebt nog 1 kans om het terug te geven”.7

Verdachte heeft bekend dat hij deze berichten naar aangever heeft gestuurd. Hij was heel boos op aangever en wilde hem onder druk zetten. Omdat aangever met het gepinde geld was weggerend, moest verdachte voor hem een groot geldbedrag afstaan; anders zou hij zelf problemen krijgen met de medeverdachten. Verdachte vond dat aangever het geld in elk geval terug moest brengen. Als hij aangever met zachte hand zou aanspreken, zou het geld niet op tafel komen, aldus verdachte.8

Bewijsoverwegingen

Gelet op de inhoud van bovenstaande Whatsappberichten – die zeer kort achter elkaar zijn verzonden – bezien in de context van de gebeurtenissen en de verklaringen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat van deze teksten, in samenhang beschouwd, een zodanige dreigende werking uitgaat dat aangever de redelijke vrees kon hebben dat de bedreiging(en) zou(den) worden waargemaakt. De rechtbank acht dan ook sprake van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht en komt tot een bewezenverklaring.

Feit 5

Vaststaat dat verdachte op 28 april 2020 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft aangesproken over het geld dat hun zoon van hem moest terugbrengen. Mede op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] , acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarbij tegen hen heeft gezegd: “het moet in orde komen, als jullie jullie zoon nog terug willen zien”, zoals ten laste is gelegd. Bezien tegen de achtergrond van het dossier, meer in het bijzonder het geldconflict tussen verdachte en de zoon, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat bovenstaande – dreigende – uitlatingen louter zijn gericht tegen de zoon van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en niet tegen hen zelf. Bedreiging van de zoon is echter niet ten laste gelegd onder feit 5. Ook overigens bevat het dossier geen bewijs dat verdachte (soortgelijke) dreigende uitlatingen heeft gedaan aan het adres van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde bedreiging.

Feit 1 en 2

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 27 april 2020 werd benaderd door zijn vriend [verdachte] om zijn bankrekening tegen een percentage ter beschikking te stellen voor een storting. Diezelfde avond heeft hij in de woning van [verdachte] meerdere negroïde jongens ontmoet, die hem instructies gaven. Vervolgens is één van hen met hem het gestorte geld gaan pinnen. [slachtoffer 1] is er daarna met een gepind bedrag van € 1.000 vandoor gegaan. Nadat [verdachte] hem bleef appen dat hij het gepinde geld terug moest brengen9 - is hij op 29 april 2020 omstreeks 14:00 uur op verzoek van een gezamenlijke vriendin naar diens woning in Bennekom gegaan. Korte tijd later kwamen er twee negroïde jongens binnen, die hij op 27 april 2020 ook in de woning had gezien. Zij vielen hem direct van achteren aan, sloegen en schopten hem en droegen hem op het gepinde geld te fixen. De negroïde jongen die eerder met hem mee was gelopen voor het pinnen, heeft onder meer een schroevendraaier door zijn oorlel gestoken. Ook heeft deze jongen geprobeerd zijn oorbel met een mes uit zijn oorlel te snijden en hem met de vuist en een houten balk in het gezicht geslagen. De andere negroïde jongen, die zijn rechterhand in het verband had, heeft hem frontaal in het gezicht getrapt. Tevens werd er gedreigd in zijn knie te boren met een boormachine die op het aanrecht lag. Hij schreeuwde het uit van angst en pijn. Geen van zijn vrienden kwam hem te hulp. [verdachte] was heel boos op hem.10

Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] wordt genoemd. Op 29 april 2020 werd hij gebeld, dat de jongen met wie hij eerder was meegelopen voor het pinnen en die er vervolgens met het gepinde geld vandoor was gegaan (hierna: aangever), in de woning van [verdachte] was. [verdachte] had geregeld dat aangever in de woning was. Het klopt dat hij [verdachte] om 14:10 uur heeft bericht: “Ik ben zo bij stuur snap max 1 uur en 30 min”. Ook heeft hij om 14:11 uur iemand gebeld en gevraagd hem zo snel mogelijk naar Ede te brengen omdat hij daar iemand, aangever, in elkaar moet slaan, topen. Aangekomen in de woning van [verdachte] , heeft hij aangever klappen in het gezicht gegeven en een schroevendraaier door diens oorlel gestoken omdat hij zijn geld wilde hebben. Het gebeuren in de woning heeft zo’n 2 uur geduurd.11

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij aangever in contact heeft gebracht met de jongens. Terwijl hij met aangever in de woning was, kreeg hij Snapchats binnen op zijn telefoon. Hij was bezig met zijn telefoon, toen hij de deur opendeed en de twee negroïde jongens binnenkwamen. Hij was de enige die zijn telefoon niet hoefde in te leveren. Hij heeft tegen aangever geschreeuwd omdat hij heel boos op hem was. Hij heeft geen poging ondernomen om de politie of andere hulp in te schakelen voor aangever.12

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij samen met [verdachte] en een aantal vrienden in [verdachte] woning was en hen hoorde zeggen dat aangever zou komen. Er werd gesproken over negroïde jongens die naar de woning zouden komen en aangever iets aan wilden doen. Even later kwam aangever binnen en daarna twee negroïde jongens. Aangever werd direct door hen op de grond gegooid en onder meer met een houten balk geslagen. Zij en de anderen kregen van negroïde persoon 2 die zijn rechterhand in het verband had, te horen dat iedereen zijn telefoon moest afgeven. Zij zag dat alleen [verdachte] zijn telefoon niet hoefde in te leveren. Getuige kon nog net voorkomen dat de negroïde jongens met een boormachine in de knie van aangever gingen boren. Nadat de negroïde jongens met aangever uit de woning waren vertrokken, gaf [verdachte] hun telefoons terug. De dag ervoor had [verdachte] haar verteld dat de negroïde jongens ook al langs waren geweest.13

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat [verdachte] een bericht kreeg op Snapchat en zonder dat de bel ging, de deur opendeed. Vervolgens kwamen er twee negroïde jongens binnen. Eén van hen, [medeverdachte 2] genoemd, pakte aangever vast en gaf hem een knietje tegen het hoofd. De andere negroïde jongen stuurde hen weg uit de woonkamer. Alleen [verdachte] bleef bij aangever en de twee negroïde jongens. Toen [verdachte] tijdens de mishandeling van aangever even naar hen in de slaapkamer kwam, deed hij alsof er niets aan de hand was. [verdachte] had eerder tegen haar gezegd dat als aangever binnen één dag zou betalen, alles goed zou komen. Om die reden had zij een vriendin op aangever afgestuurd om hem over te halen te komen praten bij [verdachte] thuis.14

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij op 27 april 2020 in de woning van [verdachte] was. Hij hoorde dat een negroïde jongen aan het bellen was met iemand die [medeverdachte 2] werd genoemd en die zei dat aangever direct na het pinnen was weggerend. Hierop probeerde [verdachte] aangever te bellen, maar die kreeg geen contact. Getuige ving op dat werd gezegd dat zij aangever nog wel te pakken zouden krijgen. Ook heeft getuige verklaard dat de sfeer in de woning gespannen werd, toen aangever op 29 april 2020 binnenkwam. Even later kwamen er twee negroïde jongens binnen met een houten lat. [verdachte] bleef met aangever en de twee negroïde jongens alleen achter in de woonkamer.15

Verdachte [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat ‘ [medeverdachte 2] ’ in de woning met een mes liep. Aangever werd in de woning 2 tot 3 uur lang mishandeld.16

Op de onder verdachte in beslag genomen telefoon heeft de politie voorts de volgende Whats-appberichten tussen hem en aangever ( [slachtoffer 1] genoemd) aangetroffen, verzonden op 28 april 2020:

Uit Je hebt je zelf diep in de nesten gewerkt. En iedereen om je heen ook. Hoe laat ben je hier. Ik moet dit probleem oplossen. Kom hier zo snel mogelijk heen.

Verzonden op 29 april 2020 tussen 13:46 en 14:00 uur:

Uit Ik ben alleen. Thuis.

In Ik kom daar nu heen.17

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat aangever op

29 april 2020, in ieder geval vanaf de binnenkomst van de twee negroïde medeverdachten, tegen zijn wil in de woning van [verdachte] werd gehouden, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachten een zodanige dreigende en gewelddadige situatie hadden gecreëerd, dat aangever de woning niet vrij kon verlaten, ook al was hij niet vastgebonden of opgesloten. Aangever werd in de woning immers ruim twee uur lang bedreigd en mishandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van opzettelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Ook acht de rechtbank bewezen dat aangever in de woning door middel van geweld en bedreiging met geweld werd gedwongen een geldbedrag te betalen, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

Mede gelet op de omstandigheid dat aangever zelf niets heeft verklaard over het gieten van alcohol en/of zout in zijn ogen/wonden door verdachten, terwijl dit een buitengewoon gewelddadige handeling is en het dus niet voor de hand ligt om een dergelijke handeling niet in de aangifte te noemen, acht de rechtbank dit onderdeel van het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet overtuigend bewezen. Ten aanzien van alle overige onder feit 1 en 2 ten laste gelegde

(gewelds)handelingen komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen hoe de betrokkenheid van verdachte bij de onder 1 ten laste gelegde vrijheidsberoving en de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing juridisch gezien dient te worden gekwalificeerd. De eerste vraag die de rechtbank daarbij moet beantwoorden, is of sprake is van medeplegen, zoals primair ten laste is gelegd.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als ‘medeplegen’ kan worden gekwalificeerd, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte:

- degene is die aangever heeft benaderd om als ‘geldezel’ te fungeren en hem voor dat doel met de medeverdachten in contact heeft gebracht;

- heeft geregeld dat aangever op 29 april 2020 in zijn woning was en ook anderen heeft ingeschakeld om aangever over te halen naar zijn woning te komen;

-wist dat [medeverdachte 2] vrijwel direct na de aankomst van aangever, naar zijn woning onderweg was;

-(via Snap chat) wist dat de medeverdachten voor de deur stonden, toen hij de deur opendeed;

-wist dat de medeverdachten op zoek waren naar aangever en hem wat aan wilden doen;

-als enige zijn telefoon niet hoefde in te leveren;

-bij aangever en de twee medeverdachten bleef;

-na het vertrek van aangever en de medeverdachten, de telefoons aan de anderen heeft teruggegeven;

-er belang bij had dat aangever het geldbedrag betaalde;

-aangever de dag ervoor via Whatsapp dreigend heeft gezegd dat hij het geld terug moest teruggeven.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er een gezamenlijk plan bestond tussen verdachte en de medeverdachten om aangever naar de woning van verdachte te lokken en hem daar met geweld en bedreiging met geweld te dwingen het geld af te staan. De aanwezigheid van dit plan wordt bevestigd door de getuigen, die hebben verklaard dat de medeverdachten direct bij binnenkomst zeer fors geweld tegen aangever gebruikten. Concluderend, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte essentieel zijn geweest voor de gepleegde vrijheidsberoving en de poging tot afpersing en van zodanig gewicht zijn dat deze tezamen kunnen worden aangemerkt als medeplegen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de feiten in zijn woning en voor het overgrote deel in zijn aanwezigheid hebben plaatsgevonden. Dat verdachte zelf geen geweldhandelingen jegens aangever heeft verricht, maakt zijn bijdrage niet anders. De overige door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 primair.

Zaak met parketnummer 05.020533.2118

Feit 1

Verbalisant [slachtoffer 5] heeft gerelateerd dat verdachte vol in verzet ging, toen hij hem op

21 januari 2021 aanhield op het Centraal Station in Arnhem. Verdachte bewoog zich met kracht in tegengestelde richting. [slachtoffer 5] kreeg hierop bijval van collega [slachtoffer 4] . Nadat [slachtoffer 5] verdachte had gefixeerd, voelde hij dat verdachte hem van achteren met de vuist op zijn oor en kaak sloeg. Hij voelde een stekende pijn.19

Verbalisant [slachtoffer 4] heeft gerelateerd dat hij, toen hij collega [slachtoffer 5] ondersteunde bij de aanhouding van verdachte, voelde dat verdachte hard naar achteren schopte en met de voet tegen zijn been kwam.20

Verdachte heeft verklaard dat hij zich bij zijn aanhouding heeft verzet en twee maal naar achteren heeft geslagen. Het kan zijn dat hij daarbij een verbalisant heeft geraakt.21

Het verweer van verdachte, dat hij zich enkel heeft verzet/heeft geslagen omdat hij geen lucht meer kreeg, vindt geen steun in het dossier en wordt daarom verworpen. Door in de beschreven omstandigheden te slaan en te schoppen, heeft verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van pijn/letsel bij verbalisanten. Dat alleen verbalisant [slachtoffer 4] heeft verklaard over het trappen van verdachte tegen zijn been en de omstandigheid dat deze gedraging niet is beschreven in het proces-verbaal uitkijken camerabeelden, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Vaststaat immers dat verdachte zich bij zijn aanhouding met geweld heeft verzet en dat [slachtoffer 4] zijn collega te hulp is gekomen om verdachte onder controle te krijgen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de geweldshandeling gericht tegen [slachtoffer 4] . De rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook volledig bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen p. 21;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juni 2021.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat:

verdachte het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05.119868.20 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- naar de woning te gaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) te houden, althans een dreigende sfeer te creëren waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) te slaan en/of te schoppen en/of een knietjes te geven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier,

althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan en/of

- te dreigen die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel te steken en/of te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam te snijden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] te gieten;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de woning is gegaan, waarin die [slachtoffer 1] aanwezig was en/of

- die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil) in die woning (vast) heeft gehouden, althans een dreigende sfeer heeft gecreëerd waardoor die [slachtoffer 1] werd belet/belemmerd die woning te verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft geslagen en/of geschopt en/of een knietjes gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) met een houten balk en/of een schroevendraaier, althans een of meerdere voorwerpen op/tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft geslagen en/of

- heeft gedreigd die [slachtoffer 1] met een boor in zijn knie te boren en/of

- die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn oorlel heeft gestoken en/of getrokken en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes in zijn lichaam heeft gesneden en/of

- alcohol en/of zout in de ogen en/of wonden van die [slachtoffer 1] heeft gegoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere goederen, te weten een of meerdere geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 april 2020 tot en met 29 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

[slachtoffer 1] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door via whatsapp naar die [slachtoffer 1] te sturen:

“Luister bro ik hoop dat het die 5k waar is om naar je huis te gaan" en/of

"Maar je wilt jezelf niet in de problemen brengen en andere voor dit" en/of

“Kom hier met die doekoe. En geen grapjes. Wees een man en breng die doekoe terug” en/of

“Bel je ouders en zorg maar dat je er bij komt” en/of

“Als jij die doekoe niet terug brengt komen ze het net zoals gisteren bij je matties ophalen. Net zolang tot het bedrag rond is” en/of

“ [slachtoffer 1] hoop dat je weet wat je zegt je familie is belangrijk voor je toxh? Heb nu het nummer van je broertje. En je moeder. Je adres van je familie je vrienden alles is al doorgegeven en dat komt allemaal door je eigen junkie vriendjes. 12:00 geen antwoordt en ze gaan langs de eerste. Regel dat Kkr geld” en/of

“Ik ga nu 2 belletjes doen als ik die eerste gedaan heb ben je nog niet de lul wanneer die 2e om 12 uur komt beter voor je leven Kkr je op uit dit land” en/of

“Ik heb zeker al een paar ideeën die ik kan uitvoeren maar nog niet ga doen. Omdat je nog steeds kans hebt om dat geld terug te brengen” en/of

“Ik ga nu een bezoekje brengen. Aan je adres. En als je weet wie ik ben weet je ook dat ik kkr serieus ben” en/of

“We gaan nu naar je ouders. Zorg dat die gaat pinnen anders komen we zelf langs”, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05.020533.21 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte

door meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] te slaan en/of te stompen

en/of op/tegen een been van die [slachtoffer 4] te trappen en/of te schoppen,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een stekende pijn aan oor en/of kaak bij die [slachtoffer 5] en/of een pijnlijk been bij die [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem het woord toe te voegen: vuile kankerjuut, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 05.119868.20

feit 1:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

feit 2:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

feit 3:

Medeplegen van opzetheling.

feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

in de zaak met parketnummer 05.020533.21

feit 1:

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

feit 2:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

Bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, heeft de raadsvrouw gepleit de duur te beperken tot de tijd van het voorarrest zodat de door verdachte gestarte behandeling bij Kairos niet wordt doorkruist. Verder heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte zich inspant om zijn leven op de rit te krijgen, begeleiding krijgt en dat het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis positief verloopt. Ook heeft verdachte meegewerkt aan een geslaagde mediation met aangever en heeft hij zelf geen geweld gebruikt. De verdediging verzet zich niet tegen oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving en poging tot afpersing van een vriend van hem. Aanleiding was een conflict over een geldbedrag dat was buitgemaakt bij een zaak waarin het slachtoffer als geldezel betrokken was en er met (een deel van) de buit vandoor was gegaan. Nadat verdachte het slachtoffer naar zijn woning had gelokt, werd het slachtoffer daar ruim twee uur lang mishandeld om hem ertoe te bewegen het geld terug te geven. Het slachtoffer kon niet weg en werd onder meer met een houten balk geslagen. Hij heeft hierdoor onder andere een gebroken neus opgelopen. Ook hebben de verdachten gedreigd met een boormachine in zijn knie te boren. Het slachtoffer schreeuwde het uit van de pijn.

Het gebeuren is voor het slachtoffer bijzonder beangstigend en traumatiserend geweest. In de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring is treffend verwoord welke psychische sporen het handelen van verdachten heeft achtergelaten bij het slachtoffer. Sinds enige tijd staat hij hiervoor onder medische behandeling. Ruim een jaar later voelt hij zich nog angstig en onveilig waardoor hij niet op een normale manier zijn leven kan leiden. Zijn vertrouwen in anderen, onder wie verdachte als (zogenaamde) vriend, is ernstig geschaad. De rechtbank acht het brute optreden van verdachten met trekken van sadisme zeer zorgwekkend. Zij rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich heeft laten leiden door financieel gewin en in het geheel geen oog heeft gehad voor de ingrijpende gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer, een vriend nog wel. Dat verdachte problemen kreeg in het criminele circuit doordat het slachtoffer het criminele geld niet wilde geven, is hiervoor geen enkele rechtvaardiging. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van crimineel geld dat is buitgemaakt bij Whatsapp fraude. Nadat verdachte voor deze feiten voorlopig in vrijheid was gesteld, heeft hij zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar. Ook heeft hij zich met geweld verzet tegen zijn daarop volgende aanhouding en de betreffende politieambtenaren geschopt en geslagen. Dit zijn kwalijke feiten, nu zij de uitoefening van de functie van politieambtenaren ernstig bemoeilijken.

Gelet op de ernst van de feiten, past alleen een forse vrijheidsstraf.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor ernstige misdrijven als deze en wordt in die zin als first offender aangemerkt. Wel liep hij tijdens (een deel van) de gepleegde feiten in een proeftijd. Uit het reclasseringsadvies van 17 mei 2021 komt naar voren dat er onduidelijkheid bestaat over de financiën/inkomsten, schulden en het sociale netwerk van verdachte. Gesprekken met verdachte over emotie en gevoel lijken niet of nauwelijks mogelijk. De reclassering vermoedt een stoornis in het autisme-spectrum en acht diagnostisch onderzoek noodzakelijk zodat passende begeleiding en behandeling kan worden ingezet. Het lopende traject bij de reclassering verloopt positief. Geadviseerd wordt om het commune strafrecht toe te passen. Om verdachte op het juiste pad te houden, adviseert de reclassering de volgende voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling bij Kairos of een soortgelijke zorgverlener met inbegrip van diagnostisch onderzoek, begeleid/beschermd wonen, ambulante begeleiding door Humanitas of een soortgelijke zorgverlener, meewerken aan schuldhulpverlening, meewerken aan zinvolle dagbesteding en een contactverbod met aangever.

Ook weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat verdachte zelf geen geweldshandelingen tegen aangever heeft verricht en dat hij de mediation met aangever positief heeft afgerond.

De rechtbank realiseert zich dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur de huidige behandeling, begeleiding en baan van verdachte zal doorkruisen, maar acht dit gelet op de ernst van de feiten niettemin aangewezen.

Alles afwegend, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Het dossier bevat aanknopingspunten dat verdachte beïnvloedbaar is door negatieve sociale contacten. De proeftijd wordt daarom bepaald op 3 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur en brengt tevens mede de ernst van de feiten tot uitdrukking. Om het gevaar op herhaling te beperken en verdachte te ondersteunen zijn leven verder op de rit te krijgen, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel alle bovenstaande door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Ter zitting heeft verdachte zich bereid verklaard aan deze voorwaarden mee te werken.

Bovenstaande strafoplegging is voor de rechtbank reden om het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis per direct op te heffen.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 en 2 in de zaak met parketnummer 05.119868.20 een (hoofdelijke) vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 804,23 aan materiële schade en € 5.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat volgens benadeelde uit de navolgende posten:

  • -

    Reiskosten: € 59,28;

  • -

    Handgemaakte ketting met hanger; € 130,00;

  • -

    Bril: € 367,00;

  • -

    Koptelefoon: € 284,70;

  • -

    Ringen: € 30,00;

  • -

    Portemonnee: € 12,50;

  • -

    Ov-chipkaart: € 11,00;

  • -

    Autipas: € 29,75.

Ter zitting heeft [slachtoffer 1] zijn vordering vermeerderd en aanvullend vergoeding van gemaakte reiskosten van € 41,80 gevorderd. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de gevorderde kosten met betrekking tot de bril, kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade dient te worden afgewezen, voor zover de vordering ziet op goederen die reeds aan [slachtoffer 1] zijn teruggeven. De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.

De beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De benadeelde partij heeft zich laten bijstaan, zodat de gevorderde reiskosten naar de zitting van € 29,38 niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 816,65 kan worden toegewezen. De rechtbank zal dus ook de gevorderde schade met betrekking tot de bril van [slachtoffer 1] toewijzen. Gebleken is dat [slachtoffer 1] de kosten voor een nieuwe bril vergoed heeft gekregen van zijn verzekering. Daarmee is een aanspraak van [slachtoffer 1] op zijn verzekering te niet gegaan. [slachtoffer 1] heeft zodoende nadeel geleden, welk nadeel voor vergoeding in aanmerking komt

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in onder meer het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

De rechtbank stelt op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorie van artikel 6:106 BW valt. Door het bewezenverklaarde is de benadeelde namelijk op andere wijze in de persoon aangetast. Het handelen van verdachte en de gebeurtenissen die daardoor hebben kunnen plaatsvinden, hebben veel impact gehad op [slachtoffer 1] zoals gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. [slachtoffer 1] is onder behandeling van een psychiater en kan nog niet op een normale manier aan het leven deelnemen. Aldus is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen.

Verdachte is vanaf 29 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor de reiskosten van totaal

€ 71,76 is daar niet bij inbegrepen; deze worden aangemerkt als proceskosten.

[aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 3 in de zaak met parketnummer 05.119868.20 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 9.360,66 aan materiële schade en vergoeding van immateriële schade.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij [aangever] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Ten aanzien van de materiële schade is aangevoerd dat verdachte niets te maken heeft gehad met de Whatsapp-fraude zodat deze schade niet is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Ten aanzien van de immateriële schade is voorts aangevoerd dat deze niet nader is onderbouwd.

De beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Gebleken is dat namens [slachtoffer 1] een bedrag van € 4.680,33 aan [aangever] is terugbetaald, zodat de rechtbank dit bedrag op de gevorderde schade in mindering zal brengen. [aangever] heeft haar vordering ook ingediend in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Daarom zal de rechtbank in de onderhavige zaak 1/3 deel van de gevorderde schade van € 4.680,33 toewijzen tot een bedrag van € 1.560,11. Verdachte is vanaf 27 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, eveneens met wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade is [aangever] niet-ontvankelijk in haar vordering, nu de vordering op dit punt op geen enkele wijze is onderbouwd. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met het feit 1 in de zaak met parketnummer 05.020533.21 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 171,00 aan immateriële schade.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 150,00, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat deze niet onderbouwd is.

De beoordeling door de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in onder meer het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 150,00. Verdachte is vanaf 21 januari 2021 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, eveneens met de wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

[slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in verband met feit 1 en 2 van de zaak met parketnummer 05.020533.21 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 200,00 aan immateriële schade.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 150,00, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat deze niet onderbouwd is.

De beoordeling door de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in onder meer het geval dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen of is aangetast in zijn eer of goede naam.

[slachtoffer 5] stelt dat hij zich door de uitlatingen van de verdachte in zijn eer en goede naam voelde aangetast. Daarnaast heeft [slachtoffer 5] een stekende pijn aan zijn kaak en oor ervaren en heeft het incident hem nog lange tijd bezig gehouden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 150,00.

Verdachte is vanaf 27 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 181, 266, 267, 282, 285, 312, 317, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 05.119868.20 onder feit 5 tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 14 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich uiterlijk binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres: [adres 2] te Arnhem en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen door forensische polikliniek Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Ook werkt verdachte mee aan een persoonlijkheidsonderzoek, waarbij specifiek gekeken wordt naar autisme of aan autisme verwante stoornissen. Dit onderzoek kan plaats vinden bij of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- verblijft bij 4youcare of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is reeds gestart. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- zich laat begeleiden door Humanitas of een soortgelijke zorgverlener voor ambulante begeleiding, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft zijn begeleider van 4youcare en zijn trajectbegeleider van Humanitas, inzicht in zijn financiën en schulden;

- wordt verplicht mee te werken aan een zinvolle dagbesteding, zulks ter beoordeling van de reclassering en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met de heer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2001, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

 stelt als overige voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Opheffing schorsing

 heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en 2 in de zaak met parketnummer 05.119868.20 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer 1] van € 3.500,00 aan smartengeld en € 816,65 aan materiële schade, totaal

€ 4.316,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 71,76;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag en bovenstaande kosten betaalt/betalen, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Vordering benadeelde partij [aangever]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.560,11 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 veroordeelt verdachte voor een derde in de kosten die de benadeelde partij

[aangever] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 van de zaak met parketnummer 05.020533.21 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 150,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 4] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 van de zaak met parketnummer 05.020533.21 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van € 150,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 5] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Schadevergoedingsmaatregel

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een totaalbedrag te betalen van € 4.316,65 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 53 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 1.560,11 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 150,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 150,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw en

mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juni 2021.

De griffier is buiten dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON4R020062 Sharan, gesloten op 30 april 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte p. 848-849 met bijlagen p. 850-854.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 159-160.

4 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 10 juni 2021, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 106.

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 555 en proces-verbaal van bevindingen p. 562 p. 647-648, 716.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 701, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal van verhoor verdachte p. 260 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] p. 349.

7 Het proces-verbaal van bevindingen p. 562-563 met bijlage p. 600-603, 608, 612-615, 619, 624, 627, 634-635, 639.

8 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 10 juni 2021.

9 Proces-verbaal van bevindingen p. 562 met bijlagen (Whatsappverkeer tussen [verdachte] en aangever p. 600-642).

10 Proces-verbaal aangifte p. 408-412, gelezen in onderlinge samenhang met.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 216-221, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen p. 555 met bijlage p. 557.

12 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 767-770.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 783, 787-789.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 792-794.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 162-163.

17 Proces-verbaal van bevindingen p. 632, 634, 639-642

18 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021032648, gesloten op 22 januari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

19 Proces-verbaal van bevindingen p. 21, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal beschrijving camerabeelden p. 25.

20 Proces-verbaal van bevindingen p. 20.

21 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 10 juni 2021, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 31.