Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3211

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
05.301365.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en voor medeplegen van opzetheling van crimineel geld afkomstig van Whatsappfraude.

-vrijspraak voor medeplegen van wederechtelijke vrijheidsberoving en van poging tot afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.301365.20

Datum uitspraak : 24 juni 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (voormalige Sovjet-Unie),

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. A.H. Staring, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) in een auto te laten instappen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) met een auto naar een andere plek te vervoeren en/of

- een brandende sigaret op het lichaam van die [slachtoffer] uit te drukken en/of

- die [slachtoffer] buiten in een bos te dwingen zich uit te kleden en/of

- die [slachtoffer] te filmen, terwijl die [slachtoffer] naakt was en/of

- die [slachtoffer] daar alleen achter te laten;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te

Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) in een auto te laten instappen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) met een auto naar een andere plek te vervoeren en/of

- een brandende sigaret op het lichaam van die [slachtoffer] uit te drukken en/of

- die [slachtoffer] buiten in een bos te dwingen zich uit te kleden en/of

- die [slachtoffer] te filmen, terwijl die [slachtoffer] naakt was en/of

- die [slachtoffer] daar alleen achter te laten;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 april 2020 te

Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- de auto te besturen en/of (daarmee) die [slachtoffer] (tegen zijn wil) naar een andere plek te

vervoeren en/of

- tijdens bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos aanwezig te blijven en/of

(daardoor) bij te dragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of

(daardoor) een dreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en/of

- zich niet van het plegen van bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos te

distantiëren, althans niet in te grijpen;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) in een auto heeft laten instappen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) met een auto naar een andere plek heeft vervoerd en/of

- een brandende sigaret op het lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgedrukt en/of

- die [slachtoffer] buiten in een bos heeft gedwongen zich uit te kleden en/of

- die [slachtoffer] heeft gefilmd, terwijl die [slachtoffer] naakt was en/of

- die [slachtoffer] daar alleen achter heeft gelaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te

Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem/hen

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) in een auto heeft/hebben laten instappen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) met een auto naar een andere plek heeft/hebben vervoerd

en/of

- een brandende sigaret op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben uitgedrukt en/of

- die [slachtoffer] buiten in een bos heeft/hebben gedwongen zich uit te kleden en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gefilmd, terwijl die [slachtoffer] naakt was en/of

- die [slachtoffer] daar alleen achter heeft/hebben gelaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 april 2020 te

Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- de auto te besturen en/of (daarmee) die [slachtoffer] (tegen zijn wil) naar een andere plek te

vervoeren en/of

- tijdens bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos aanwezig te blijven en/of

(daardoor) bij te dragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of

(daardoor) een dreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en/of

- zich niet van het plegen van bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos te

distantiëren, althans niet in te grijpen;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere goederen, te weten een of meerdere geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van

dit/deze geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het

een door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair

[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] op of

omstreeks 27 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere goederen, te weten een of meerdere geldbedragen,

hebben verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze geldbedrag(en)

wisten, althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen

goed betrof,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 27 april 2020 te

Bennekom, althans in Nederland

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] met een auto te vervoeren naar een geldautomaat

en/of

- te wachten terwijl die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] geld opnamen uit die

geldautomaat;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 3 primair. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rol van verdachte bij beide feiten van voldoende gewicht is om als medepleger te worden aangemerkt. Daarbij heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte wist dat aangever niet vrijwillig in de auto zat en dat het op 27 april 2020 in Bennekom gepinde geld van misdrijf afkomstig was.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 sprake is van medeplichtigheid. Voor feit 2 heeft de officier van justitie volledige vrijspraak gevorderd omdat volgens haar onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte wist dat de (gewelds)handelingen jegens aangever erop waren gericht hem te dwingen tot betaling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft volledige vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen en ook niet van een medeplichtigheid. Verdachte had geen weet van de frauduleuze pintransacties van [medeverdachte 4] en [slachtoffer] en ook niet van de plannen van de medeverdachten om het geld op hardhandige wijze terug te halen bij [slachtoffer] . In het bos stond verdachte op flinke afstand van [slachtoffer] . Ook had verdachte geen opzet op het creëren van een dreigende sfeer voor [slachtoffer] .

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de feiten, zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken, waarbij elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – wordt gebruikt voor het feit waarop het gezien de inhoud kennelijk betrekking heeft. Gelet op de chronologische volgorde, zal de rechtbank eerst feit 3 en daarna feit 1 en 2 bespreken.

Feit 3

Bewijsmiddelen

Op 27 april 2020 heeft aangeefster [aangever] in totaal ruim € 3.960 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 4] , in reactie op Whatsappberichten die zij – zogenaamd – uit naam van haar dochter [naam 1] had ontvangen.2

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] en drie donkere jongens haar hadden gevraagd of zij haar bankrekening tegen een percentage beschikbaar wilde stellen voor een storting. Een van die jongens – naar later blijkt medeverdachte [medeverdachte 1] – werd [medeverdachte 1] genoemd. Op 27 april 2020 werd er geld op haar rekening gestort onder vermelding van de naam [naam 1] . Zij en bovengenoemde personen waren toen samen in de woning van [medeverdachte 3] . Direct nadat het geld was gestort, kreeg zij van hen instructies. Een man die [verdachte] werd genoemd en ook in de woning was, reed haar, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar een geldautomaat in Bennekom. Nadat zij het gestorte geld had gepind, ontving zij voor het beschikbaar stellen van haar rekening € 100 van [medeverdachte 1] , die dit geld weer had gekregen van [verdachte] .3 Geconfronteerd met de foto op pagina 818, heeft [medeverdachte 4] verklaard dat zij de man op de foto voor 100 procent herkent als [verdachte] .4

Verdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 4] door de anderen, onder wie [verdachte] , tijdens de pintransactie in Bennekom vanaf een afstand in de gaten werden gehouden. [medeverdachte 4] moest het gepinde geld aan [verdachte] geven. Direct na het pinnen, heeft [medeverdachte 4] het geld in de auto aan [verdachte] gegeven. Nadat [verdachte] zijn deel van het geld had genomen, is deze met de auto vertrokken.5

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 27 april 2020 net als [medeverdachte 4] in de woning van [medeverdachte 3] was om zijn bankrekening ter beschikking te stellen voor een storting. In de woning waren meerdere – voor hem onbekende – negroïde jongens aanwezig, die hem instructies gaven. Hij zag daar voor het eerst een oudere man, door de anderen [verdachte] genoemd. [verdachte] werd door de negroïde jongens apart genomen en bijgepraat.6

Geconfronteerd met bovenstaande foto die aan [medeverdachte 4] is getoond, heeft verdachte verklaard dat hij de persoon op de foto is. Hij is wel eens samen met een donker getinte kennis genaamd [naam 2] , in de woning van [medeverdachte 3] in Bennekom geweest. Geconfronteerd met een foto van [medeverdachte 4] , heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat hij haar in de woning van [medeverdachte 3] heeft gezien. Het kan zijn dat dit op 27 april 2020 was. Hij kent haar niet. Hij denkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 27 april 2020 bij hem in de auto hebben gezeten.7

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat het op 27 april 2020 met de bankpas van [medeverdachte 4] in Bennekom gepinde bedrag, van [aangever] en dus van een misdrijf (Whatsapp-fraude) afkomstig is. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte in de woning aanwezig was, toen [medeverdachte 4] en [slachtoffer] instructies kregen voor het pinnen van de gestorte bedragen. Vervolgens heeft verdachte [medeverdachte 4] , die hij niet kende, doelbewust naar de geldautomaat gereden en haar pintransactie vanaf een afstand in de gaten gehouden. Hij wist dus dat het ging om crimineel geld. Daarna heeft verdachte het gepinde bedrag in een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten overhandigd gekregen en verdeeld, dat sprake is van medeplegen. De rechtbank acht het feit dan ook bewezen. Dat niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij de Whatsapp-fraude van [aangever] en het ronselen van de pinpas van [medeverdachte 4] , is voor de ten laste gelegde heling niet van belang en staat daarom niet aan een bewezenverklaring in de weg.

Feit 1

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 29 april 2020 naar de woning van [medeverdachte 3] in Bennekom is gelokt, waar hij vervolgens is bedreigd en mishandeld door twee negroïde jongens. Hij is onder meer met de vuist en een houten balk in het gezicht geslagen. Hij heeft hierdoor letsel in zijn gezicht opgelopen. Hierna is hij onder begeleiding en op bevel van de twee negroïde jongens mee naar buiten gelopen, waar zij bij een bankje in de buurt van de woning werden opgepikt door een auto met chauffeur en bijrijder. Hij moest achterin plaats nemen, tussen de twee negroïde jongens in. Toen hij instapte, waren zijn verwondingen duidelijk zichtbaar en niet te missen, aldus aangever. Zijn gezicht bloedde en zag er gehavend uit. De chauffeur was eerder genoemde [verdachte] . In de auto heeft aangever oogcontact gehad met [verdachte] . Verdachte zag dat [verdachte] hem vanuit de binnenspiegel waarnam. In de auto drukte de negroïde jongen die links naast hem zat, een peuk uit tegen zijn enkel. Aangever schreeuwde van de pijn. Hij zag dat [verdachte] over zijn schouder keek om te zien wat er aan de hand was. De jongen die in de auto achterin rechts naast hem zat, navigeerde. Verdachte herkent deze jongen op de foto van pagina 443. Aangekomen bij een bos, stapte iedereen uit de auto. Vervolgens werd hij gesommeerd zich uit te kleden, terwijl dit door de anderen werd gefilmd. [verdachte] was daar ook bij aanwezig en stond op 10 tot 13 meter afstand van hem. Voordat hij in het bos alleen werd achtergelaten, kreeg hij van de twee negroïde jongens nog een klap in het gezicht.8 Aangever herkent de persoon op de aan hem getoonde foto van pagina 444 voor 100 procent als [verdachte] .9

[getuige 1] , die tijdens de mishandeling van aangever ook in de woning was, heeft verklaard dat zij zag dat aangever een dik blauw oog had en dat zijn voorhoofd bloedde.10

Op 29 april 2020 heeft de arts bij aangever het volgende letsel waargenomen: blauwe plek onder het oog, schaafwonden in het gezicht, neusbreuk, zwelling bij beide jukbeenderen.11

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij naar de woning is gegaan om aangever in elkaar te slaan. Hij heeft aangever in de woning onder meer klappen in het gezicht gegeven. Het gebeuren in de woning heeft volgens hem zo’n 2 uur geduurd en de daarop volgende autorit van de woning naar Zeist circa 1 uur. In de auto zat hij achterin naast aangever. Aangever zat in het midden en kon niet weg. Aangever ging niet vrijwillig met hen een ritje maken. Toen hij zijn schoenen vast deed, heeft hij een brandende peuk tegen de voet van aangever gehouden. Hij heeft in opdracht gewerkt.12

Geconfronteerd met bovenstaande foto van pagina 443 die aan aangever is getoond, heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij de persoon op de foto is.13

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 29 april 2020 via Whatsapp een filmpje heeft ontvangen via de telefoon van aangever. Daarop was te zien dat aangever in elkaar geslagen en naakt in het bos zat.14

Geconfronteerd met de foto van pagina 444 die aan aangever is getoond, heeft verdachte verklaard dat hij de persoon op de foto is. Op 29 april 2020 werd hij gebeld door eerder genoemde [naam 2] , die zei dat hij een chauffeur nodig had om drie jongens op te halen in de buurt van Ede/ Wageningen. Hierop heeft hij bovenstaande kennis in Apeldoorn opgepikt en is hij met hem als bijrijder in een huurauto naar de hem opgegeven locatie gereden. Bij een bankje stapten er twee donkere jongens en één blanke jongen [de rechtbank begrijpt: aangever] achter in. Een van de donkere jongens navigeerde. De jongens hadden ruzie met elkaar. De sfeer in de auto was vervelend. Aangekomen bij het bos, kreeg hij van de donkere jongens te horen dat hij moest stoppen. Bij het uitstappen, begon een van de donkere jongens te vechten met de blanke jongen. De donkere jongens bespraken onderling iets. Het kan zijn dat zij de broek van aangever naar beneden hebben getrokken. Daarna zijn hij en de drie donkere jongens weggereden.15

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat aangever tegen zijn wil bij verdachte in de auto is gestapt in Bennekom, vervolgens tegen zijn wil naar een bos in Zeist is gebracht en daarbij de overige ten laste gelegde handelingen heeft moeten ondergaan. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden, in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen hoe de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde juridisch moet worden gekwalificeerd. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of sprake is van medeplegen, zoals primair ten laste is gelegd.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt als volgt.

Vaststaat dat verdachte aangever tezamen met twee (negroïde) medeverdachten met de auto heeft opgepikt nabij de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] in Bennekom, direct nadat aangever daar twee uur lang tegen zijn wil door hen was (vast)gehouden en mishandeld. Dat aangever en de twee negroïde medeverdachten voor verdachte onbekenden waren, zoals hij heeft verklaard, volgt de rechtbank niet. Uit de bewijsmiddelen (zie feit 3) volgt immers dat zij op 27 april 2020 samen in de woning van [medeverdachte 3] waren, dat beide negroïde medeverdachten verdachte toen hebben bijgepraat en dat één van hen bij verdachte in de auto zat toen hij [medeverdachte 4] naar de geldautomaat reed. De rechtbank is niettemin van oordeel dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte, op het moment dat aangever bij hem in de auto stapte, wetenschap had van hetgeen daarvoor in de woning had plaatsgevonden. Daarbij overweegt de rechtbank tevens dat verdachte niet aanwezig was bij de frauduleuze pintransactie van aangever op 27 april 2020 in Amersfoort. Evenmin kan op basis van het dossier worden gesteld dat verdachte wist dat aangever met het gepinde geld was weggerend en dat de medeverdachten sindsdien het geld bij aangever probeerden terug te halen. Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Evenmin kan worden vastgesteld dat de rol van verdachte als chauffeur van voldoende gewicht is om als medepleger te worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Wel stelt de rechtbank op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte wist/moet hebben geweten dat aangever tegen zijn wil bij hem in de auto stapte en tegen zijn wil naar een andere locatie werd gebracht. Daarbij overweegt de rechtbank dat aangever, ook nadat hij zijn gezicht in de woning had gewassen en een pet droeg, duidelijk zichtbaar letsel had, toen hij in de auto stapte, en in de auto instructies kreeg dat hij zijn hoofd naar beneden moest houden. Voorts zat hij tussen twee medeverdachten in zodat hij niet weg kon uit de auto. Bovendien schreeuwde hij het uit van de pijn toen er in de auto een peuk tegen zijn enkel werd uitgedrukt en had hij in de auto oogcontact met verdachte. Dat verdachte van al deze omstandigheden niets heeft meegekregen, zoals hij heeft verklaard, terwijl hij met aangever en de medeverdachten al die tijd in een kleine ruimte zat, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Dit geldt te meer nu verdachte heeft verklaard dat de jongens in de auto ruzie hadden en er een vervelende sfeer was. Dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en daardoor mogelijk niet alles heeft meegekregen wat er in de auto is gezegd, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Voorts concludeert de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen dat verdachte samen met de medeverdachten in het bos is uitgestapt, en toen aangever gesommeerd werd zich uit te kleden, op zodanige afstand stond dat hij heeft bijgedragen aan een getalsmatig overwicht en een dreigende sfeer voor aangever. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte op enig moment daadwerkelijk heeft ingegrepen om de dreiging, het geweld en het naakt filmen van aangever, te stoppen. Ook is hij steeds doorgereden zonder zich om aangever te bekommeren. Dat verdachte bij hun vertrek uit het bos € 10 aan aangever heeft gegeven om thuis te komen, maakt dit niet anders. Op grond van al het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opzettelijk behulpzaam is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever, zoals subsidiair ten laste is gelegd. De door de raadsman gevoerde verweren worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de hierboven onder feit 1 bewezenverklaarde handelingen, erop waren gericht aangever te dwingen een geldbedrag te betalen, en dus dat sprake was van het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling. De rechtbank zal verdachte daarom volledig vrijspreken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 29 april 2020 te Bennekom en/of te

Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) in een auto te laten instappen en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn wil) met een auto naar een andere plek te vervoeren en/of

- een brandende sigaret op het lichaam van die [slachtoffer] uit te drukken en/of

- die [slachtoffer] buiten in een bos te dwingen zich uit te kleden en/of

- die [slachtoffer] te filmen, terwijl die [slachtoffer] naakt was en/of

- die [slachtoffer] daar alleen achter te laten;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 april 2020 te

Bennekom en/of te Zeist, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- de auto te besturen en/of (daarmee) die [slachtoffer] (tegen zijn wil) naar een andere plek te

vervoeren en/of

- tijdens bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos aanwezig te blijven en/of

(daardoor) bij te dragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of

(daardoor) een dreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en/of

- zich niet van het plegen van bovenomschreven feit(en) in de auto en/of in het bos te

distantiëren, althans niet in te grijpen;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2020 te Bennekom, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere goederen, te weten een of meerdere geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van

dit/deze geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het

een door misdrijf verkregen goed betrof;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

feit 3:

Medeplegen van opzetheling.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de bepleite integrale vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft hij erop gewezen dat verdachte geen relevant strafblad heeft.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan vrijheidsberoving. Aanleiding was een conflict over een geldbedrag dat was buitgemaakt bij een zaak waarin het slachtoffer als geldezel betrokken was en er met (een deel van) de buit vandoor was gegaan. Nadat het slachtoffer naar de woning van een van de medeverdachten was gelokt, hebben de medeverdachten hem daar ruim twee uur lang mishandeld om hem te dwingen het geld terug te geven. Het slachtoffer kon niet weg en werd onder meer met een houten balk geslagen. Hij heeft hierdoor onder andere een gebroken neus opgelopen. Verdachte was als chauffeur betrokken bij de zaak. Hij heeft het slachtoffer samen met twee medeverdachten met een huurauto met bijrijder in de buurt van de woning opgepikt. Het slachtoffer is zichtbaar gewond en onder dwang bij hem in de auto gestapt en naar een bos gebracht. Onderweg werd een brandende sigaret tegen zijn enkel uitgedrukt. In het bos werd het slachtoffer gedwongen zich uit te kleden, terwijl een van de medeverdachten dit met diens eigen telefoon filmde en het desbetreffende filmpje daarna verstuurde. Daarna werd het slachtoffer ontredderd en alleen achtergelaten.

Het gebeuren is voor het slachtoffer bijzonder beangstigend en traumatiserend geweest.

In de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring is treffend verwoord welke psychische sporen het handelen van verdachte en zijn medeverdachten heeft achtergelaten bij het slachtoffer. Sinds enige tijd staat hij hiervoor onder medische behandeling. Ruim een jaar later voelt hij zich nog steeds angstig en onveilig en kan hij niet op een normale manier zijn leven leiden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de ingrijpende gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Voorts heeft verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan heling van crimineel geld dat is buitgemaakt bij Whatsapp-fraude.

Gelet op de ernst van de feiten, past alleen een vrijheidsstraf.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft geen relevant strafblad en wordt daarom voor de bewezenverklaarde feiten als first offender aangemerkt. Uit het reclasseringsadvies van 3 juni 2021 komt naar voren dat er problemen zijn op diverse leefgebieden zoals dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Tijdens het onderzoek van de reclassering verbleef verdachte in het buitenland en de communicatie met hem verliep gebrekkig. Hierdoor heeft de reclassering onvoldoende beeld gekregen van verdachte en zijn houding. De reclassering ziet geen mogelijkheden om mogelijke risico’s met interventies of toezicht te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

In strafverminderende zin betrekt de rechtbank dat voor feit 1 sprake is van medeplichtigheid en niet van medeplegen. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In zijn nadeel neemt de rechtbank mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

De rechtbank acht minder bewezen dan de officier van justitie en zal daarom een lagere straf opleggen. Alles afwegend, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de inverzekeringstelling.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 en 2 een (hoofdelijke) vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 804,23 aan materiële schade en € 5.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat volgens benadeelde uit de navolgende posten:

  • -

    Reiskosten: € 59,28;

  • -

    Handgemaakte ketting met hanger; € 130,00;

  • -

    Bril: € 367,00;

  • -

    Koptelefoon: € 284,70;

  • -

    Ringen: € 30,00;

  • -

    Portemonnee: € 12,50;

  • -

    Ov-chipkaart: € 11,00;

  • -

    Autipas: € 29,75.

Ter zitting heeft [slachtoffer] zijn vordering vermeerderd en aanvullend vergoeding van gemaakte reiskosten van € 41,80 gevorderd. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de gevorderde kosten met betrekking tot de bril, kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade dient te worden afgewezen, voor zover de vordering ziet op goederen die reeds aan [slachtoffer] zijn teruggeven. De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.

De beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De benadeelde partij heeft zich laten bijstaan, zodat de gevorderde reiskosten naar de zitting van € 29,83 niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 816,65 kan worden toegewezen. De rechtbank zal dus ook de gevorderde schade met betrekking tot de bril van [slachtoffer] toewijzen. Gebleken is dat [slachtoffer] de kosten voor een nieuwe bril vergoed heeft gekregen van zijn verzekering. Daarmee is een aanspraak van [slachtoffer] op zijn verzekering te niet gegaan. [slachtoffer] heeft zodoende nadeel geleden, welk nadeel voor vergoeding in aanmerking komt

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in onder meer het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

De rechtbank stelt op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorie van artikel 6:106 BW valt. Door het bewezenverklaarde is de benadeelde namelijk op andere wijze in de persoon aangetast. Het handelen van verdachte en de gebeurtenissen die daardoor hebben kunnen plaatsvinden, hebben veel impact gehad op [slachtoffer] zoals gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. [slachtoffer] is onder behandeling van een psychiater en kan nog niet op een normale manier aan het leven deelnemen. Aldus is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen.

Verdachte is vanaf 29 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor de reiskosten van totaal

€ 71,76 is daar niet bij inbegrepen; deze worden aangemerkt als proceskosten.

[aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 3 in de zaak met parketnummer 05.119868.20 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 9.360,66 aan materiële schade en vergoeding van immateriële schade.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij [aangever] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Ten aanzien van de materiële schade is aangevoerd dat verdachte niets te maken heeft gehad met de Whatsapp-fraude zodat deze schade niet is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Ten aanzien van de immateriële schade is voorts aangevoerd dat deze niet nader is onderbouwd.

De beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Gebleken is dat namens [slachtoffer] een bedrag van € 4.680,33 aan [aangever] is terugbetaald, zodat de rechtbank dit bedrag op de gevorderde schade in mindering zal brengen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van het aandeel van verdachte in het bewezenverklaarde het schadebedrag te matigen. Uit het burgerlijk recht volgt dat schade ontstaan ten gevolge van de onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen, terwijl voor elk van die gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden, ieder van die personen jegens de benadeelde voor de gehele schade aansprakelijk is. Door verdachte zijn geen feiten en/ of omstandigheden gesteld die dit anders maken.

[aangever] heeft haar vordering ook (volledig) ingediend in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Daarom zal de rechtbank in de onderhavige zaak 1/3 deel van de gevorderde schade van € 4.680,33 toewijzen tot een bedrag van € 1.560,11. Verdachte is vanaf 27 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, eveneens met wettelijke rente. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade is [aangever] niet-ontvankelijk in haar vordering, nu de vordering op dit punt op geen enkele wijze is onderbouwd. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 48, 57, 282 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en 2 in de zaak met parketnummer 05.119868.20 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer] van € 3.500,00 aan smartengeld en € 816,65 aan materiële schade, totaal

€ 4.316,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 71,76;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag en bovenstaande kosten betaalt/betalen, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Vordering benadeelde partij [aangever]

 veroordeelt verdachte in verband met feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.560,11 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 veroordeelt verdachte voor een derde in de kosten die de benadeelde partij

[aangever] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Schadevergoedingsmaatregel

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een totaalbedrag te betalen van € 4.316,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 53 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 1.560,11 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw en

mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juni 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON4R020062 Sharan, gesloten op 30 april 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte p. 848-849 met bijlagen p. 850-854.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] p. 159-161, 163.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] p. 815-816.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] p. 106-108, 112.

6 Proces-verbaal van aangifte p. 408, 411 en aanvullend proces-verbaal van verhoor aangever documentnr. 20210203.1400, p. 2-3.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 384 en 389 en proces-verbaal van verhoor verdachte p. 395-396.

8 Proces-verbaal van aangifte p. 410-412 en aanvullend proces-verbaal van verhoor aangever documentnr. 20210203.1400, p. 2-3.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever p. 432-444.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 768.

11 Geneeskundige verklaring van 29 april 2020 p. 414-415.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 216-218, 221-222

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 275 en 283.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 805.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 381-384, 393 .