Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3135

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
384037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoir derdenbeslagen. Spoedeisend belang wordt door artikel 705 lid 1 Rv niet vereist. In de kern gaat het om de vraag of een overeenkomst tot verkoop en levering door eisers aan gedaagden van de aandelen in een besloten vennootschap tot stand is gekomen. Deels sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht. Niet kan niet worden geoordeeld dat gedaagden (definitief) hebben geweigerd de bankgarantie van eisers te aanvaarden. Belangenafweging. Geen sprake van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Vordering deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/384037 / KG ZA 21-51

Vonnis in kort geding van 2 april 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L&S HOLDING BEUSICHEM B.V.,

statutair gevestigd te Beusichem, kantoorhoudende te Oostrum, gemeente Venray,

eisers,

advocaat mr. R.J. van Wolferen te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam bedrijf] ,

gevestigd te Haps, gemeente Cuijk,

gedaagden,

advocaat mr. M.P.M. Riep te 's-Hertogenbosch.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding met producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van eisers

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde sub 1, hierna: [gedaagde sub 1], is sinds 18 maart 2014 in dienst geweest bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Led Buy Direct B.V. (hierna LBD). LBD exploiteert een onderneming die handelt in ledlampen en toebehoren, voornamelijk via een webshop.

2.2.

Eiseres sub 2, hierna: L&S, houdt 60% van de aandelen in LBD en is daarvan tevens bestuurder. Eiser sub 1, hierna: [eiser sub 1], is bestuurder van L&S. Enig aandeelhouder en bestuurder van L&S is mevrouw [naam 1], met wie [eiser sub 1] in gemeenschap van goederen is gehuwd.

2.3.

De overige 40% van de aandelen in LBD wordt gehouden door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JD&H B.V. (hierna: JD&H), die tevens bestuurder daarvan is. De dochter van [eiser sub 1] (hierna: [naam 2]) is bestuurder en enig aandeelhouder van JD&H.

2.4.

Gedaagde sub 2, hierna: [naam bedrijf], is de persoonlijke holding van [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf], welke vennootschap op 5 juli 2019 is opgericht.

2.5.

Vanaf medio 2018 hebben [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] gesprekken gevoerd over de verkoop en levering aan [gedaagde sub 1] van aanvankelijk 40% en later 15% van de aandelen in LBD. Partijen verschillen van mening over de vraag of er in dit verband een overeenkomst tot stand is gekomen.

2.6.

Tijdens een gesprek op 28 januari 2019 tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] heeft blijkens een door gedaagden opgemaakte transcriptie van dit gesprek, voor zover hier van belang, de volgende conversatie plaatsgevonden:

[gedaagde sub 1]: “Ik werk 3,5 dag voor € 2.000,00 netto. Daarna zou ik terug komen van mijn reis in januari en zou het contract klaar liggen om mede-eigenaar te worden.”

[eiser sub 1]: “Ja dat is niet gelukt.”

[gedaagde sub 1]: “Wij zijn bepaalde dingen overeengekomen op die avond.”

[eiser sub 1]: “Ja.”

[gedaagde sub 1]: “Een mondelinge overeenkomst geldt net zo goed als een schriftelijke.”

[eiser sub 1]: “Ja dat weet ik niet maar goed zo ver wil ik het niet laten komen want daar heb ik geen zin in.”

[gedaagde sub 1]: “Nee ik ook niet.”

[eiser sub 1]: “Ik heb geen zin om naar de rechter te gaan met dit verhaal.”

[gedaagde sub 1]: “Nee ik ook niet maar ik ben wel gedupeerd. We wilden over 2 jaar verkopen en ik kreeg 40% Leo, dat is niet niks! Als dat dan niet doorgaat moet je het compenseren.”

[eiser sub 1]: “Ik zou niet weten wat ik dan zou moeten compenseren.“

[gedaagde sub 1]: “De afspraak dat ik 40% zou krijgen, Leo.”

[eiser sub 1]: “Als de deal niet doorgaat, gaat de deal niet door. Als de deal niet doorgaat kan ik daar toch ook niks aan doen.”

[gedaagde sub 1]: “Jij had me 40% beloofd en mede-eigenaar. Dan was alles koek en ei geweest. [naam 2] zou je uitkopen voor € 48.000,- en nu hoef je dat niet meer te doen. Dan zou het netjes zijn als je mij wilt compenseren. Je hebt me iets beloofd, he [gedaagde sub 1]. Niet los zand.”

[eiser sub 1]: “Jaaa dat ben ik met je eens. Ja dat klopt maar je kan niet verwachten dat ik ga compenseren. Je kan verwachten dat ik je nog een paar maanden toch met een salaris nog kan laten werken. Dat, dat lijkt me een uitstekende zaak, he. (…) Maar jij weet met de hand op mijn hart dat ik daar niks aan kan doen. Ik ben hier gewoon een partij in. Er is niks met [naam 2] op papier geregeld, niks met jou op papier geregeld. We hebben eigenlijk helemaal niks. We hebben gesproken erover. Dat ben ik ook met je eens. En op dat moment zat ik ook met een rot gevoel over de situatie met [naam 2] hoe die toen liep. Dat dat verhaal dan niet lukt of niet doorgaat, daar kan ik echt niks aan doen.”

[gedaagde sub 1]: “We hebben iets afgesproken, [gedaagde sub 1]. Eigenlijk was dat een zekerheid. Je hebt mij niet verteld dat het niet door zou gaan. Nee het ging door en het ging allemaal lukken en [naam 2] ging tekenen. En ineens hoor ik van een stagiaire. [naam 2] heeft gezegd dat ze niet gaat tekenen.”

2.7.

Tijdens een gesprek op 5 februari 2019 tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] heeft [eiser sub 1] blijkens een door gedaagden opgemaakte transcriptie van dit gesprek, voor zover hier van belang, het volgende gezegd:

“Ik heb uh er gisteren uiteraard met [naam 3] over gesproken ook. En wij uh ja wij willen jou niet kwijt. Dus dat is ook wel een punt. Wij willen kijken dat we 15% van mijn aandelen gaan regelen met jou. Dus die constructie met [naam 2] die gaat niet lukken, die moeten we vergeten. Ik wil 45% wel behouden. Dan beheer ik samen met jou wel een meerderheid binnen de aandeelhouders. Dat kan ook belangrijk zijn. (…) Dus in het andere geval had ik 60 en jij 0. Dat, dat kan niet. Dat ben ik ook in principe met jou eens en daar moest een oplossing voor bedacht worden en [naam 3] en ik willen wel graag met jou verder en [naam 2] met het financiële gedeelte van de zaak blijven draaien. Maar die is hier heel kwaad over hoor. Dat is helemaal geëscaleerd binnen de familie. Zij staat er niet achter dat ik jou de mogelijkheid op aandelen geef. Maar omdat ik een meerderheid heb kan ik dat wel zomaar besluiten. Het zijn mijn aandelen. Dus ik heb tegen haar gezegd van uh ik kan niet voldoende op je bouwen. Iedere keer leidt het tot een exces. Iedere keer loopt het weer op problemen. Ik heb geen zin in gezeur. Ik heb haar gezegd dat ik jou 15% van de aandelen aanbied, dat ik jou dan een fee aanbied en dat je heel hard moet werken als je dat wil. (…)

Maar goed ik, ik kon er ook niet goed van slapen. Dit ligt mij niet. De accountant had al gezegd. Je moet nooit je meerderheidsaandeel weg doen. Maar goed waar ik mee samen werk daar kom ik wel mee uit. Vandaar die 45% zodat ik in alle situaties wel de meerderheid behoud. Je hebt geen 40 maar hebt wel 15. Dus dan is het een kwestie dat je bij verkoop de verkoopwaarde beurt.”

2.8.

Tijdens een gesprek op 14 februari 2019 tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] heeft [eiser sub 1] blijkens een door gedaagden opgemaakte transcriptie van dit gesprek, voor zover hier van belang, het volgende gezegd:

“Uhh gisteravond met [naam 2] gesproken. En uit eerste instantie was het verzet uit haar hoek. Dat als ik aandelen aan iemand anders wil aanbieden dan moet ik ze eerst aan haar aanbieden en als zij ze niet neemt dan moet ze goedkeuren dat ze wel doorverkocht mogen worden. En daar zijn we gisteravond goed uitgekomen. Dus dat was het positieve ervan. Uiteindelijk heeft ze geen bezwaar. Dus dat is het eerste belangrijke punt. Dus dan moeten we de statuten opnieuw klaar maken.

Dus dan moeten we gaan kijken hoe jouw aandelen bij Ledbuydirect komen te passen en dat jij de aandelen van ons verworven hebt en in welke positie je staat in de onderneming.”

2.9.

Op 24 mei 2019 heeft [eiser sub 1] onder meer het volgende bericht aan notaris [naam 4] van [naam 4]:

Het is alweer een tijd geleden dat wij contact met u hebben gehad over een aandelen verkoop.

Op dit moment hebben we het duidelijk in beeld.

1. JD&H BV ([naam 2] Hofstede) verkoopt 10 aandelen aan Thijn van de Linden (bv gegevens volgen later). De aandelen van JD&H BV worden direct betaald, 1900 Euro per aandeel.

1. L&S Holding Beusichem BV verkoopt 15 aandelen aan Thijn van de Linden. De aandelen van L&S worden geleverd tegen een achtergestelde lening 1200 Euro per aandeel. Deze lening wordt direct ingelost bij de verkoop van Ledbuydirect bv, minimale wettelijke rente 2% per jaar.

Het betreft hier de aandelen van de BV Ledbuydirect bv, hiervan het aandelenregister al eerder naar u toegestuurd.

Zodra de gegevens van de BV-Holding van Thijn van de Linden bekend is, stuur ik u deze door en kunnen we een definitieve afspraak maken.

Zelf ben ik in het buitenland wanneer het afgewikkeld wordt, ik neem aan dat ik met u een machtiging kan regelen, of stukken heen en weer per post?

2.10.

Eveneens op 24 mei 2019 heeft [eiser sub 1] bij e-mail onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] en zijn dochter [naam 2] bericht:

Voor de overdracht van de aandelen, moet JD&H bv en L&S een verkoopovereenkomst met Thijn opstellen. Ook moeten onze accountants ([naam 2] en Leo) een verklaring afleggen van hun waardebepaling. Voor de verkoopovereenkomst heb ik even bij de notaris een standaard overeenkomst opgevraagd.

Wanneer we alle documentatie klaar hebben, kan [naam 4] een prijs maken.

Thijn graag snel je holding oprichten.

2.11.

Bij e-mail van 31 mei 2019 heeft [eiser sub 1] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] en [naam 2] bericht:

Ik ben afgelopen woensdag bij de notaris geweest en heb alles voorbereid. Ook zijn de statuten aangepast ivm levering aandelen.

[gedaagde sub 1], wanneer heb je de gegevens van je Holding en de inschrijving KvK. Deze heb ik nodig voor de koopovereenkomst en de notaris. Ook een bankrekening openen op je BV.

Begin volgende week graag de gegevens ivm voorbereiding notaris en accountants.

[naam 2]. De notaris neemt contact met je op om te legaliseren, heeft ook koopovereenkomst en waardebepaling aandelen van je accountant cijfers 2018.

Wij hebben de legalisatie woensdag geregeld en een volmacht getekend, zodat alles snel kan doorlopen.

2.12.

Voorts heeft [eiser sub 1] bij e-mail van 31 mei 2019 onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] bericht:

Om het af te werken, heb ik wel je BV gegevens en de inschrijving KvK.

Er komt een koopovereenkomst tussen L&S en jou BV, deze wordt opgesteld door mijn accountant. Met deze overeenkomst kan en achtergestelde betaling verkrijg je 15% van de aandelen en kan de notaris je in het aandelenregister inschrijven.

Hetzelfde passeert ook tussen jou en [naam 2].

De notaris heeft dus ook al jou origineel stukken nodig evenals de accountants, er kan niet opgericht worden op een willekeurige naam.

Wat je precies koopt komt in de koopovereenkomst te staan vanuit L&S, ook laat ik een waardebepaling uitvoeren door onze accountant.

Al deze stukken krijg je vooraf of in concept van ons en van [naam 2].

Vrijdag 10 juni moet alles notarisklaar zijn, dan kan het die week daarop passeren. Je moet dus eind volgende week je holding opgericht hebben, dan kan iedereen die week daarop de stukken klaarmaken.

2.13.

In reactie op voornoemde mail van [eiser sub 1] heeft [gedaagde sub 1] bij e-mail van 31 mei 2019 onder meer het volgende aan [eiser sub 1] bericht:

Oke dat is mooi.

Je kunt in de verkoopovereenkomst al vermelden: “[gedaagde sub 1] of nader te noemen meester”. Dan is het nog niet perse nodig om mijn B.V. (holding) al opgericht te hebben.

Dit zorgt bij mij niet voor extra kosten later. De aanvraag is in behandeling maar dit duurt nog zeker een week tot dat allemaal rond is.

Wat ik wel moet weten voordat we een overeenkomst tekenen is: wat koop ik precies? Wat is de waarde (koop prijs) en de garanties die ik daarbij heb.

Ook heb ik nog vragen over de balans en het werk van [naam 2].

2.14.

Op 29 juni 2019 heeft [eiser sub 1] een van notaris [naam 4] ontvangen concept statutenwijziging aan [gedaagde sub 1] en [naam 2] doorgestuurd. Daarbij heeft hij onder meer het volgende bericht:

De statutenwijziging heeft als doel, de aandelen verkoop te kunnen realiseren in 1/1.5 aandeel etc. De huidige statuten laten alleen maar de verkoop van hele aandelen toe.

2.15.

Bij e-mail van 12 juli 2019 heeft [gedaagde sub 1] onder meer het volgende aan [eiser sub 1] bericht:

In de bijlage een verkoop overeenkomst die ik heb opgesteld met behulp van een juristen website.

Lees deze even door en als je dingen ziet die nog niet goed staan moet je dat even zeggen. Dan kan ik dit eventueel aanpassen en kunnen we het ondertekenen.

2.16.

Bij e-mail van 15 juli 2019 heeft [eiser sub 1] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] bericht:

Hierbij retourneer ik je koopovereenkomst en heb ik definitief besloten om geen aandelen aan jou en je BV te verkopen.

Er zijn heel wat redenen waardoor ik vind, dat wij geen zelfde visie delen en zeker niet dezelfde passie en inzet leveren.

Je hebt zo ongelofelijk veel dingen belooft, echter heb je ze niet waargemaakt.

2.17.

Bij brief van 30 juli 2019 heeft de toenmalige advocaat van gedaagden,

mr. B.W.P.M. van Orsouw, onder meer het volgende bericht aan de toenmalige advocaat van eisers, mr. I. Ummels-Koks:

Ik begrijp dat de heer [eiser sub 1], middels L & S Holding Beusichem B.V., zijn persoonlijke holding, aandelen houdt in LEDbuydirect B.V. Hij, althans zijn holding, heeft met cliënten de afspraak gemaakt dat, in eerste instantie 40% van de aandelen in LEDbuydirect B.V., aan cliënte [naam bedrijf] B.V. zou worden verkocht en geleverd. Later, door het toen ook al niet nakomen van voormelde afspraak door de heer [eiser sub 1] en diens holding, is afgesproken dat 15% van de aandelen in LEDbuydirect B.V. aan cliënte [naam bedrijf] B.V. zou worden verkocht en geleverd (zodat laatstgenoemde dus medeaandeelhouder wordt van LEDbuydirect B.V.).

(…)

De heer [eiser sub 1] en zijn holding, L & S Holding Beusichem B.V., worden derhalve hierbij verzocht en gesommeerd om voormelde afspraak alsnog binnen 7 dagen na heden te zijn nagekomen, zulks op hun kosten, bij gebreke waarvan zij in verzuim verkeren.

2.18.

Bij brief van 5 augustus 2019 heeft mr. Van Orsouw de sommatietermijn uit voornoemde brief verlengd tot en met 9 augustus 2019. Eisers hebben niet aan de sommatie voldaan.

2.19.

Op 10 januari 2020 hebben LBD en [gedaagde sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst. De aandelenkwestie is in het addendum bij de vaststellingsovereenkomst expliciet uitgesloten van de overeenkomst en de finale kwijting.

2.20.

Bij e-mail en brief van 25 september 2020 heeft de advocaat van gedaagden [eiser sub 1], L&S en JD&H gesommeerd om binnen een termijn van uiterlijk 14 dagen te bevestigen dat zij de overeenkomst, aansprakelijkheid en schade erkennen en overgaan tot vergoeding van de schade ad € 144.470,00.

2.21.

Partijen hebben vervolgens veelvuldig met elkaar gecommuniceerd. Tot een oplossing heeft dit niet geleid.

2.22.

Gedaagden hebben op 9 december 2020 ten laste van eisers conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: Rabobank), de naamloze vennootschap ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro Bank) en LBD, voor een vordering die door de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend is begroot op

€ 172.981,84.

2.23.

Eisers zijn op 20 december 2020 door gedaagden gedagvaard om uiterlijk op de rolzitting van 17 februari 2021 bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond, te verschijnen en voor antwoord te concluderen. Eisers zijn inmiddels in die procedure verschenen.

2.24.

De beslagen onder Rabobank en ABN Amro Bank hebben ten aanzien van L&S doel getroffen voor een bedrag van respectievelijk € 1.098.859,93 (Rabobank) en

€ 105.114,87 (ABN Amro Bank). Ook is een effectenportefeuille bij Rabobank ter waarde van € 132.402,00 getroffen door het beslag.

2.25.

Het beslag onder Rabobank heeft ten aanzien van [eiser sub 1] eveneens doel getroffen voor een bedrag van € 82.511,70. Voorts is een effectenportefeuille bij Rabobank ter waarde van € 10.218,00 getroffen door het beslag.

2.26.

Partijen hebben vervolgens met elkaar gecommuniceerd over het opheffen van de gelegde beslagen door gedaagden, onder verstrekking van vervangende zekerheid door eisers. Tot een oplossing heeft dit niet geleid.

2.27.

Op 9 maart 2021 is het onder ABN Amro Bank ten laste van L&S gelegde beslag opgeheven. Het onder Rabobank ten laste van L&S gelegde beslag is beperkt tot de begrote vordering van € 172.981,84. De ten laste van [eiser sub 1] gelegde beslagen zijn gehandhaafd.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

I. het door gedaagden gelegde conservatoir derdenbeslag onder Rabobank en ABN Amro

Bank ten laste van eisers opheft,

subsidiair

II. het door gedaagden gelegde conservatoir derdenbeslag onder Rabobank en ABN Amro

Bank ten laste van eisers opheft, een en ander onder de opschortende voorwaarden dat:

a. [eiser sub 1] middels storting van een depot op rekening NL44 RABO 0142 3522 92 t.n.v.

Stichting Beheer Derdengelden Van der Kooij Besters Advocaten, zijnde de stichting

derdengeldenrekening van zijn advocaat, zekerheid stelt voor een bedrag van

€ 25.874,55, dan wel een bedrag van € 69.192,19, althans voor enig ander in goede

justitie te bepalen bedrag,

b. L&S middels een (NVB model) bankgarantie zekerheid stelt voor een bedrag van

€ 25.874,55, dan wel een bedrag van € 69.192,19, althans voor enig ander in goede

justitie te bepalen bedrag,

c. vermeerderd of verminderd met eventuele door de voorzieningenrechter van deze

rechtbank in goede justitie te bepalen voorwaarden,

primair en subsidiair

III. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

Eisers leggen kort gezegd het volgende aan hun vordering ten grondslag. Primair dienen de gelegde beslagen te worden opgeheven omdat sprake is van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Subsidiair geldt dat, nu noch met [eiser sub 1], noch met L&S, een overeenkomst tot verkoop en levering van 40%, althans 15% van de aandelen in LBD aan [gedaagde sub 1] of [naam bedrijf] tot stand is gekomen, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht. Meer subsidiair moeten de beslagen worden opgeheven onder verstrekking van een nader te bepalen (bank)garantie, waarbij een garantie moet worden geboden voor een lager bedrag – een meer realistische begroting van de vermeend geleden schade – dan het bedrag waarvoor de voorzieningenrechter de vordering van gedaagden heeft begroot.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden betwisten dat eisers een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Op 9 maart 2021 is het beslag gedeeltelijk opgeheven, in zoverre dat het beslag nog louter is beperkt tot de begrote vordering waarvoor verlof is verleend. Hierdoor beschikken eisers weer over het meerdere en is van enig bezwaar/belasting aan hun zijde geen sprake meer, juist ook omdat zij over meer dan voldoende liquide middelen beschikken.

4.2.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Artikel 705 lid 1 Rv biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv.

4.3.

Eisers stellen primair dat de gelegde beslagen dienen te worden opgeheven omdat sprake is van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De voorzieningenrechter die het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir derdenbeslag heeft beoordeeld, is door gedaagden niet correct en volledig voorgelicht omtrent de hoogte van de vordering. De weergave van de door gedaagden gestelde feiten in het beslagrekest zijn benevens de waarheid. Zij hebben de voorzieningenrechter welbewust in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv een verkeerde voorstelling van zaken geschetst. Immers, ondanks het feit dat [gedaagde sub 1] en [naam bedrijf] wisten dat er geen overeenkomst tot verkoop en levering van 55%, althans 40%, van de aandelen in LBD tot stand is gekomen, hebben zij de voorzieningenrechter voorgehouden dat dit anders is en hebben zij hun vorderingen begroot op een vermeende schade, gebaseerd op een aandelenbelang van 40%. Daarmee hebben zij de voorzieningenrechter in strijd met de waarheid en daarmee in stijd met het bepaalde in artikel 21 Rv welbewust onjuist voorgelicht. Als gevolg hiervan is verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 172.981,84, terwijl daarvoor geen rechtsgrond aanwezig is. Dit betekent dat het verlof van 26 november 2020, althans de gelegde beslagen nietig zijn. Subsidiair stellen eisers met verwijzing naar het voorgaande dat nu noch met [eiser sub 1], noch met L&S een overeenkomst tot verkoop en levering van 40%, althans 15%, van de aandelen in LBD aan [gedaagde sub 1] of [naam bedrijf] tot stand is gekomen, (ook) summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht.

4.4.

Omdat eisers aan hun primaire en subsidiaire stelling grotendeels dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag leggen zullen beide stellingen hierna gezamenlijk worden besproken.

4.5.

De opheffing van een conservatoir beslag kan volgens artikel 705 lid 2 Rv onder meer worden bevolen, indien 1) op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, 2) summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of 3), zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Met betrekking tot de tweede opheffingsgrond heeft te gelden dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.6.

In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of een overeenkomst tot verkoop en levering door [eiser sub 1] en/of L&S aan [gedaagde sub 1] en/of [naam bedrijf] van 40%, dan wel 15% van de aandelen in LBD tot stand is gekomen.

4.7.

Met betrekking tot de vermeende aandelenoverdracht van 40% kan de voorzieningenrechter voorshands geoordeeld kort zijn: niet aannemelijk is geworden dat partijen dat zijn overeengekomen. Gedaagden stellen in dit verband dat [gedaagde sub 1] eerst persoonlijk met [eiser sub 1] en aanvullend met L&S een overeenkomst tot verkoop en koop van 40% van de aandelen in LBD is overeengekomen. Volgens gedaagden nam [eiser sub 1] deze verplichting persoonlijk op zich en deed hij het voorkomen alsof hij daartoe beschikkingsbevoegd was. [eiser sub 1] is namelijk direct eigenaar van de onverdeelde helft van de aandelen in L&S en indirect eigenaar van de door L&S gehouden aandelen in LBD. L&S kwam later ter sprake en werd ook in die overeenkomst betrokken, aldus gedaagden. Zij verwijzen daarbij naar de verschillende geluidsopnames van de besprekingen tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] en de vele correspondentie tussen partijen. Uit een van die geluidsopnames blijkt evenwel dat [gedaagde sub 1] wist dat het bij de voorgenomen verkoop en levering van 40% van de aandelen in LBD ging om de aandelen die [naam 2], de dochter van [eiser sub 1], indirect houdt in LBD. Zo geeft [gedaagde sub 1] tijdens een gesprek met [eiser sub 1] op 28 januari 2019 aan (zie 2.6): “Jij had me 40% beloofd en mede-eigenaar. Dan was alles koek en ei geweest. [naam 2] zou je uitkopen voor € 48.000,- en nu hoef je dat niet meer te doen.”

4.8.

Eisers stellen dan ook, voorshands oordelend, terecht dat de overeenkomst tot verkoop en levering van 40% van de aandelen in LBD niet zag op de aandelen van [eiser sub 1]/L&S. Dat het ging om de aandelen van [naam 2]/JD&H kan ook worden afgeleid uit het beslagrekest van gedaagden zelf waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “JD&H zou daartoe haar aandelenbelang van 40% in eerste instantie overdragen aan L&S Holding; die dat aandelenbelang vervolgens weer zou overdragen aan een speciaal daarvoor door [gedaagde sub 1] op te richten vennootschap. [gedaagde sub 1] stemde hier destijds mee in en richtte daartoe dan ook de bewuste vennootschap op, (…) [naam bedrijf].” en even verderop: “[eiser sub 1] heeft aan [gedaagde sub 1] toen meegedeeld dat de transactie niet door kon gaan omdat JD&H, althans haar enig bestuurder en overigens zijn dochter, (…), alsnog niet akkoord zou gaan met kennelijk de overdracht van haar aan hem.”

4.9.

Gedaagden hebben overigens ook geen andere concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eiser sub 1] in privé of L&S 40% van de aandelen in LBD aan [gedaagde sub 1] zou overdragen. Bij dit alles neemt de voorzieningenrechter voorts nog in ogenschouw dat [gedaagde sub 1] ter zitting heeft verklaard dat als [eiser sub 1] de overeengekomen aandelenoverdracht van 15% had doorgezet, hij nooit meer had gesproken over “die 40%”. Dit is een aanwijzing dat [gedaagde sub 1] meent dat er sprake is van een nadere afspraak.

4.10.

Gedaagden stellen nog dat zij hun vordering ook hebben gebaseerd op onrechtmatig handelen. Volgens gedaagden heeft [eiser sub 1] immers eerst op persoonlijke titel het voorstel gedaan tot overdracht van de aandelen in LBD aan [gedaagde sub 1], welk voorstel door [gedaagde sub 1] is aanvaard. Hierdoor heeft [eiser sub 1] enerzijds een verplichting op zich genomen terwijl hij wist of behoorde te weten dat L&S niet zonder meer die verplichting zou kunnen nakomen, en anderzijds een persoonlijke zorgvuldigheidsverplichting op zich genomen tot overdracht van die aandelen. [eiser sub 1] is slechts bestuurder van L&S. Hij moet daarom hebben geweten dat hij persoonlijk niet zonder meer de aandelen zou kunnen overdragen aan [gedaagde sub 1] of [naam bedrijf]. Hierdoor wist, althans behoorde hij te weten dat hij persoonlijk L&S niet kon binden aan de overeenkomst tot overdracht van de aandelen in LBD aan [gedaagde sub 1], maar had hij daartoe op zijn minst goedkeuring voor nodig van de aandeelhouder (zijnde zijn echtgenote, mevrouw [naam 1]). Van die goedkeuring is echter niet gebleken, aldus gedaagden.

4.11.

Wat hiervan verder inhoudelijk ook zij, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan dit betoog van gedaagden niet worden gevolgd, reeds niet omdat, zoals hiervoor al is overwogen, [gedaagde sub 1] wist dat het bij de verkoop en levering van 40% van de aandelen in LBD ging om de aandelen van [naam 2] (JD&H) en niet om aandelen van [eiser sub 1] in privé of L&S.

4.12.

Ten aanzien van de door gedaagden gestelde overeenkomst met betrekking tot de verkoop en levering door [eiser sub 1] in privé of L&S van 40% van de aandelen in LBD is de slotsom dan ook dat, voorshands geoordeeld, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht.

4.13.

Met betrekking tot de vermeende aandelenoverdracht van 15% ligt het anders. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is hier wel een overeenkomst tot stand gekomen, zij het slechts tussen L&S en een toen nog door [gedaagde sub 1] op te richten vennootschap (hetgeen uiteindelijk [naam bedrijf] is geworden). [eiser sub 1] heeft dit zelf erkend. Zo heeft hij ter zitting verklaard dat “die afspraak van 15% onomstotelijk is gemaakt”. Die afspraak kan ook worden afgeleid uit de verschillende geluidsopnames van de besprekingen tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] en de vele correspondentie tussen partijen (zie 2.7 tot en met 2.15). Bovendien is er deels uitvoering gegeven aan de gesloten overeenkomst. Zo heeft de notaris op verzoek van [eiser sub 1] al voorbereidende werkzaamheden verricht, zoals het opstellen van een statutenwijziging. Dat er nog nadere voorwaarden moesten worden uitgewerkt of de koopovereenkomst moest worden opgesteld, maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop en levering van 15% van de aandelen in LBD.

4.14.

Dit leidt tot de slotsom dat, voorshands geoordeeld, genoegzaam is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [naam bedrijf] 15% van de aandelen in LBD van L&S overgedragen zou krijgen. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat [naam bedrijf] een vordering heeft op L&S zodat op dit punt niet kan worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht. Dit laatste geldt wel jegens [eiser sub 1] in privé, nu hij zelf geen partij is bij deze overeenkomst.

4.15.

Eisers stellen nog dat L&S op 24 december 2020 een concept bankgarantie aan gedaagden heeft aangeboden die volledig voldeed aan de door gedaagden gestelde voorwaarden. In dit verband is op 4 januari 2021 door de advocaat van eisers ook een fatale termijn gesteld aan gedaagden. Gedaagden hebben echter geweigerd de bankgarantie te aanvaarden, zodat het voorstel is komen te vervallen. Volgens eisers komt door deze weigering het beslag ten laste van L&S voor opheffing in aanmerking. Zij verwijzen daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2685.

4.16.

De voorzieningenrechter overweegt dat het op zichzelf juist is dat een beslag dient te worden opgeheven indien daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.

In deze zaak is namens L&S op 24 december 2020 per e-mail een concept bankgarantie aan gedaagden aangeboden voor de begrote vordering. Uit de overgelegde stukken komt dan het volgende beeld naar voren. Eisers waren op de hoogte van het feit dat de advocaat van gedaagden in de periode van 28 december 2020 tot en met 2 januari 2021 afwezig zou zijn. Het was voor gedaagden daarom zeer moeilijk, zo niet onhaalbaar, om direct te reageren op de e-mail van 24 december 2020. Eerst op 4 januari 2021 heeft de advocaat van gedaagden daarop gereageerd en aangegeven er die week op terug te komen. In die e-mail is ook gevraagd wat [eiser sub 1] in privé zou willen verstrekken als vervangende zekerheid. Vervolgens heeft de advocaat van eisers eveneens op 4 januari 2021 aangegeven dat [eiser sub 1] geen vervangende zekerheid kan aanbieden anders dan via L&S. Ook is aangegeven dat de tijd begint te dringen en dat zijn cliënten bereid zijn het aanbod gestand te doen tot uiterlijk 5 januari te 12:00 uur en dat dit aanbod slechts als geheel kan worden aanvaard, bij gebreke waarvan het aanbod komt te vervallen en daarop zowel in als buiten rechte geen beroep meer kan worden gedaan. In reactie hierop heeft de advocaat van gedaagden bij e-mail van 5 januari 2021 onder meer aangegeven dat genoemde termijnstelling onredelijk is en dat een garantstelling door L&S voor [eiser sub 1] in privé onvoldoende zekerheid biedt en dus geen vervangende zekerheid is. Voorgesteld wordt dat bijvoorbeeld de vrouw en dochter van [eiser sub 1] garant staan voor betaling. Ten slotte wordt aangegeven dat het de voorkeur verdient om de zekerheid in één keer en ten aanzien van alle partijen ([eiser sub 1] en L&S) te regelen. Daarop is door (de advocaat van) eisers niet direct meer gereageerd. Eerst op 5 februari 2021 heeft de advocaat van eisers per e-mail aangegeven dat het inmiddels enige tijd stil is geweest, dat er nog steeds de behoefte leeft aan opheffing van de beslagen tegen zekerheidstelling, maar dat [gedaagde sub 1] in feite meer zekerheid vraagt dan hem thans door de gelegde beslagen wordt geboden. Om die reden is zijn cliënt voornemens een kort gedingdagvaarding te laten uitbrengen waarin opheffing van de gelegde beslagen wordt gevorderd, aldus de advocaat van eisers.

4.17.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat partijen in ieder geval tot begin februari 2021 nog met elkaar in onderhandeling waren over het stellen van vervangende zekerheid door eisers en dat gedaagden bereid waren om hierover in overleg te treden met eisers. Bij die stand van zaken kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geoordeeld dat gedaagden (definitief) hebben geweigerd de bankgarantie van eisers te aanvaarden. Opheffing van het ten laste van L&S gelegde beslag om deze reden is dan ook niet aan de orde.

4.18.

Overigens was in de zaak die tot genoemd vonnis van de rechtbank Midden-Nederland heeft geleid het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld op de derdengeldrekening van de advocaat gestort. Daarmee was er feitelijk al voldoende zekerheid verschaft die tot betaling aan de beslaglegger zou leiden in het geval er een veroordelend vonnis zou worden uitgesproken ten nadele van de beslagene. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen doet die situatie zich in de onderhavige zaak echter niet voor.

4.19.

De vraag die nog resteert, is hoe groot de vordering van [naam bedrijf] op L&S is. De voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend heeft de vordering van gedaagden begroot op € 172.981,84. Dit bedrag is blijkens het beslagrekest evenwel gebaseerd op de misgelopen verkoop en levering van 40% van de aandelen in LBD. Hiervoor is overwogen dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [naam bedrijf] 15% van de aandelen in LBD van L&S overgedragen zou krijgen. Als 40% van de aandelen in LBD een waarde vertegenwoordigt van (afgerond) € 173.000,00 dan vertegenwoordigt 15% van die aandelen een waarde van (afgerond) € 65.000,00. De voorzieningenrechter zal de schade vooralsnog dan ook op dit bedrag begroten. Zij gaat daarbij voorbij aan de stelling van eisers dat partijen het voornemen hadden om LBD na maximaal twee jaar te verkopen, zodat ook voor de begroting van de schade moet worden uitgegaan van slechts twee van de vijf jaren (waaraan de schade door gedaagden mede is gerelateerd). Gedaagden hebben deze stelling gemotiveerd betwist zodat daarover in het kader van dit kort geding, gelet op de beperkte reikwijdte daarvan, geen oordeel kan worden gegeven.

4.20.

Een belangenafweging maakt het voorgaande niet anders. Het beslag was voor deze zitting door gedaagden al beperkt in omvang en wordt thans nog verder beperkt. Daarmee kan niet langer worden betoogd dat [eiser sub 1] en L&S ernstig worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en beleggingsactiviteiten. Het beslag is in zoverre dan ook niet meer bezwarend voor hen. Het belang van gedaagden om in ieder geval een bedrag van

€ 65.000,00 veilig te stellen tot het moment dat daarover in een bodemprocedure is beslist, weegt daarom zwaarder. Dit geldt te meer nu niet kan worden uitgesloten dat bij een algehele opheffing van het beslag een herstructurering van vermogen wordt georganiseerd en daarmee verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd of onttrokken, zoals gedaagden gemotiveerd hebben gesteld.

4.21.

De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat overigens van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen geen sprake is. Gedaagden hebben in het uitvoerige beslagrekest hun stellingen uiteengezet op basis van een grote hoeveelheid feiten en omstandigheden die zijn af te leiden uit verschillende stukken. Dat eisers het niet eens zijn met deze stellingen en/of de onderbouwing daarvan maakt niet dat sprake is van verzuim van vormen. In ieder geval is van het welbewust onjuist voorlichten van de voorzieningenrechter die het beslagrekest heeft beoordeeld naar het voorlopig oordeel van deze voorzieningenrechter geen sprake.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies:

- Het door gedaagden ten laste van [eiser sub 1] gelegde conservatoir derdenbeslag onder Rabobank en ABN Amro Bank zal worden opgeheven.

- Het door gedaagden ten laste van L&S gelegde conservatoir derdenbeslag onder Rabobank zal worden opgeheven onder de opschortende voorwaarde dat L&S middels een (NVB model) bankgarantie zekerheid stelt voor een bedrag van € 65.000,00.

- Het door gedaagden ten laste van L&S gelegde conservatoir derdenbeslag onder ABN Amro Bank is reeds opgeheven, zodat daarover thans geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

4.23.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door gedaagden ten laste van [eiser sub 1] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. en de naamloze vennootschap ABN Amro Bank N.V.,

5.2.

heft op het door gedaagden ten laste van L&S gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. onder de opschortende voorwaarden dat L&S middels een (NVB model) bankgarantie zekerheid stelt voor een bedrag van € 65.000,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021.

Coll.: MvG