Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3115

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
8264518 \ CV EXPL 20-52 \ 676 \ 858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verstek, eindvonnis, in winkel gesloten verzekeringsovereenkomst Wegenwacht, ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieverplichtingen en Wft, beëindiging overeenkomst. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 8264518 \ CV EXPL 20-52 \ 676 \ 858

uitspraak van

verstekvonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap ANWB B.V.

gevestigd te 's-Gravenhage

eisende partij

gemachtigde De Klerk & Vis gerechtsdeurw. en incasso (Amsterdam)

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Op 17 juli 2020 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen.

1.2.

Bij akte van 18 december 2020 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.

2.2.

Naar aanleiding van de akte van de eisende partij overweegt de kantonrechter als volgt.

Verzekeringsovereenkomst

2.3.

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als verzekeringsovereenkomst. De eisende partij heeft dit in haar akte beaamd, waar zij zich op het standpunt stelt dat de Wegenwacht Service een verzekering betreft. Om deze verzekering te kunnen afsluiten, is een ANWB-lidmaatschap vereist. De eisende partij stelt dat sprake is van één overeenkomst, waarvan de onderdelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

2.4.

De kantonrechter begrijpt het standpunt van de eisende partij aldus, dat het lidmaatschap ten dienste staat van en accessoir is aan de Wegenwacht Service (de verzekeringsovereenkomst). Bij de verdere beoordeling neemt de kantonrechter dan ook tot uitgangspunt dat (enkel) sprake is van een verzekeringsovereenkomst.

Gevolgen kwalificatie verzekeringsovereenkomst

Toepasselijkheid Wft

2.5.

In de akte stelt de eisende partij zich op het standpunt dat de onderdelen sleutelhulp, transporthulp en repatriëring van de Wegenwacht Service vallen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1:6 lid 1 onder e, onderdelen 1, 2 en 3 Wft. De onderdelen vervoer, toezenden onderdelen en een vervangend chauffeur vallen niet onder deze bepaling, zodat, zo stelt de eisende partij, de Wft op de Wegenwacht Service van toepassing is.

2.6.

Nu de eisende partij niet heeft gespecificeerd welke van de hiervoor genoemde diensten in het onderhavige geval aan de gedaagde partij zijn verleend, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de Wft op de onderhavige overeenkomst van toepassing is.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen

2.7.

Op de onderhavige in de winkel gesloten verzekeringsovereenkomst zijn de informatieverplichtingen van toepassing zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van afdeling 6.5.2b BW, artikel 4:20 Wft en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4 en 8.1.6 BGfo. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter er ambtshalve op toezien dat deze consumentenbeschermende voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.

2.8.

De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar een flyer: “Wegenwacht Service: Kies zelf het pakket dat bij je past”. Deze flyer is voor het sluiten van de overeenkomst en met een toelichting van een winkelmedewerker aan de gedaagde partij verstrekt. De eisende partij stelt dat de gedaagde partij met die flyer is geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de overeenkomst, zoals haar naam, de aard van de dienstverlening en de tarieven. De eisende partij heeft de genoemde flyer overgelegd.

2.9.

Bij akte van 27 maart 2020 heeft de eisende partij de aan de gedaagde partij verzonden factuur overgelegd. De eisende partij heeft in haar akte een link naar de polisvoorwaarden opgenomen, een en ander in lijn met het landelijke ‘Informatieformulier voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijke persoon is’. In haar akte van 18 december 2020 heeft de eisende partij gesteld dat direct na inschrijving aan de consument een inschrijfbevestiging en de toepasselijke algemene voorwaarden worden verstrekt. Zij heeft in haar akte uiteengezet welke gegevens in de inschrijfbevestiging zijn opgenomen en welke informatie in de polisvoorwaarden te vinden is. Een voorbeeld van een inschrijfbevestiging is overgelegd.

2.10.

De kantonrechter is van oordeel dat met hetgeen de eisende partij in de aktes heeft gesteld en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen. Voor zover de vereiste informatie (deels) niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is verstrekt, geldt dat deze ook onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, al dan niet door opname in de polisvoorwaarden (art. 4:20 lid 6 Wft en art. 78 BGfo). In de onderhavige polisvoorwaarden is in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen melding gemaakt van de vereiste informatie (voor zover niet reeds voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst verstrekt).


Einde van de verzekeringsovereenkomst

2.11.

De eisende partij stelt zich in haar akte op het standpunt dat zij, in tegenstelling tot wat zij eerder heeft gesteld, de overeenkomst heeft ontbonden tegen het einde van het lopende contractjaar op grond van artikel 6:265 lid 1 BW wegens toerekenbare tekortkoming van de gedaagde partij in de nakoming ervan.

2.12.

Gelet op de als productie IV overgelegde brief, waarin is aangegeven dat de overeenkomst per einde van de lopende contractperiode niet wordt verlengd, en hetgeen de eisende partij kennelijk heeft beoogd, in het licht van het feit dat het om een verzekeringsovereenkomst gaat, gaat de kantonrechter er echter van uit dat de eisende partij bedoeld heeft dat zij de verzekeringsovereenkomst heeft opgezegd, in de zin van artikel 7:940 BW. Dit brengt met zich dat de overeenkomst is geëindigd per 1 januari 2020 en dat de gedaagde partij tot die datum premie verschuldigd is. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de gedaagde partij tot die datum aanspraak heeft kunnen maken op haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten.

Wat is toewijsbaar?

2.13.

Als productie II is de factuur overgelegd waarvan de eisende partij betaling vordert. In de factuur staat dat de gedaagde partij een totaalbedrag van € 155,00 verschuldigd is. Uit de overgelegde aanmaning en 14-dagenbrief blijkt dat de gedaagde partij heeft nagelaten dit bedrag te betalen.

2.14.

De vordering tot betaling van € 155,00 ligt gelet hierop voor toewijzing gereed.

2.15.

Omdat de gedaagde partij in gebreke is gebleven met het tijdig voldoen van de factuur is zij de gevorderde wettelijke vertragingsrente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum te bepalen.

2.16.

De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De eisende partij heeft aan de gedaagde partij een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

2.17.

De gedaagde partij wordt in deze zaak in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor genomen akte(s) blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte(s) te nemen.

Ten overvloede

2.18.

De kantonrechter overweegt tot slot, ten overvloede, als volgt. De eisende partij heeft in de dagvaarding (onder het kopje “verweer”) aangegeven:

“Gelet op het bepaalde bij art. 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wijst eiseres er op dat haar geen verweer tegen haar vordering bekend is;

Eiseres ziet er dan ook vanaf in dit stadium allerlei op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen doch is bereid en in staat op het eerste verzoek haar vordering nader te documenteren;” [onderstreping toegevoegd].

2.19.

Zoals in het tussenvonnis is overwogen, voldoet de dagvaarding niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Dat een gedaagde partij (mogelijk) geen verweer voert, doet aan de in het tussenvonnis genoemde wettelijke verplichtingen van artikelen 21 en 111 Rv niets af. De eisende partij is nu nog in de gelegenheid gesteld de gebreken aan de dagvaarding te repareren met aktes. Deze praktijk is echter niet blijvend. De kantonrechter geeft de eisende partij dan ook met klem in overweging haar dagvaardingen in het vervolg direct te voorzien van de voor de beoordeling benodigde informatie en stukken. Immers, het niet of niet volledig voldoen aan de wettelijke verplichtingen of het niet of onvoldoende onderbouwen van de stelling dat daaraan is voldaan, kan (en zal op termijn) leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 155,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldag van de factuur tot aan de dag van de gehele betaling, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 (inclusief btw);

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op:

85,18

aan explootkosten

124,00

aan griffierecht en

37,00

aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op