Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3097

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
C/05/388060 FZRK 21/1400
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verleende zorgmachtiging, wegens ernstige persoonlijkheidsstoornissen en het risico op ernstig nadeel voor anderen. Er bestaan sterke aanwijzingen dat betrokkene zich in het verleden langdurig schuldig heeft gemaakt aan de ernstige mishandeling van zijn kinderen, vermoedelijk (mede) als gevolg van zijn geestelijke stoornis. De strafrechtelijke vervolging van betrokkene voor deze feiten is gestaakt, omdat de strafrechter de medische staat van betrokkene onvoldoende achtte voor vervolging. De rechtbank acht de kans groot dat indien betrokkene niet de juiste zorg ontvangt, hij opnieuw ernstig nadeel bij de kinderen zal veroorzaken. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis, acht de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk zodat de observatiebehandeling kan plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/388060 FZRK 21/1400

Datum uitspraak: 21 mei 2021

Beschikking machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Wvggz

naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verblijfplaats: [zorginstelling] te [plaats] , op grond van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, geldend tot en met 11 juni 2021,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss te Ermelo.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 mei 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 via beeldbellen plaatsgevonden op 18 mei 2021.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

  • mevrouw mr. L. Ruessink, als officier van justitie verbonden aan het Openbaar Ministerie;

  • [naam 1] , als zorgverantwoordelijke verbonden aan [zorginstelling] ;

  • [naam 2] , als geneesheer-directeur verbonden aan [zorginstelling] ;

  • [naam 3] , als Wzd-functionaris/regiebehandelaar verbonden [zorginstelling] ;

  • [naam 4] , als provisioneel bewindvoerder c.q. curator verbonden aan [naam bewindsvoerderskantoor] ;

  • [naam 5] , als provisioneel bewindvoerder c.q. curator verbonden aan [naam bewindsvoerderskantoor] .

2 Beoordeling

2.1.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het landelijk beleid van de Rechtspraak dat het niet is toegestaan de accommodatie waar betrokkene verblijft te bezoeken. Dit levert voor betrokkene en de medebewoners en verzorgers een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Datzelfde geldt voor de medewerkers van de rechtbank, alsook voor bewoners en verzorgers van overige accommodaties indien van dit beleid zou worden afgeweken. Om die reden is besloten betrokkene via beeldbellen te horen.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de medische verklaring, de bevindingen van de geneesheer-directeur, het zorgplan en de rapportage pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) is komen vast te staan dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale/psychopathiforme kenmerken, met daarbij een verstoorde realiteitstoetsing mogelijk passend bij een psychotische stoornis (schizofrenie). Daarnaast heeft betrokkene uitgebreide neurocognitieve stoornissen als gevolg van een CVA. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het niet onderbouwde verweer van de advocaat van betrokkene dat er geen sprake zou zijn van een psychische stoornis.

2.3.

Het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot ernstig nadeel, gelegen in (het risico op):

  • ernstig lichamelijk letsel;

  • ernstige psychische schade;

  • ernstige verwaarlozing;

  • maatschappelijke teloorgang.

2.4.

In eerste instantie gaat het hierbij om het risico op ernstig nadeel voor anderen. Er bestaan sterke aanwijzingen dat betrokkene zich in het verleden langdurig schuldig heeft gemaakt aan de ernstige mishandeling van zijn kinderen, vermoedelijk (mede) als gevolg van zijn geestelijke stoornis. De strafrechtelijke vervolging van betrokkene voor deze feiten is gestaakt, omdat de strafrechter de medische staat van betrokkene onvoldoende achtte voor vervolging. De rechtbank acht de kans groot dat indien betrokkene niet de juiste zorg ontvangt, hij opnieuw ernstig nadeel bij de kinderen zal veroorzaken. Zo staat in het NIFP-rapport (p. 67): “De kans op een recidive in engere zin lijkt niet groot. Wel is er een duidelijk risico op ernstig belastend gedrag jegens de kinderen. Bij terugkeer van betrokkene in zijn gezin (zowel betrokkene als de jongste kinderen willen hereniging) is er een kans op het herleven van de oude dynamiek, ook omdat de jongste kinderen nog geïndoctrineerd zijn en mogelijk in zijn aanwezigheid eerder voor bestraffing en mogelijke afzonderingsdynamiek zullen ‘kiezen’, al dan niet op (door hen geïnterpreteerde) instigatie van betrokkene.” en heeft de officier van justitie ter zitting verklaard dat er zogeheten ernstige bezwaren bestaan tegen betrokkene voor een – naar de rechtbank begrijpt – zedendelict dat betrokkene jegens één van zijn kinderen zou hebben gepleegd in de periode na zijn vrijlating.

2.5.

Daarnaast acht de rechtbank ook het risico op ernstig nadeel voor betrokkene zelf aanwezig, indien hij niet de juiste zorg ontvangt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt namelijk dat betrokkene zijn mogelijkheden om voor zichzelf te kunnen zorgen overschat.

2.6.

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig. Anders dan de advocaat van betrokkene is de rechtbank van oordeel dat deze benodigde zorg niet elders verleend kan worden zonder een aanzienlijk risico op het ernstige nadeel zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.3. overwogen. De advocaat van betrokkene heeft naar voren gebracht dat betrokkene bij een goede vriend zou kunnen verblijven en dat het gevaar ten aanzien van de kinderen van betrokkene is ondervangen middels een gedragsaanwijzing. De rechtbank is van oordeel dat het ernstig nadeel voor de kinderen niet is ondervangen door een gedragsaanwijzing, aangezien de officier van justitie ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat de gedragsaanwijzing ziet op één van zijn kinderen. Ook het verblijf van betrokkene bij een goede vriend acht de rechtbank niet in het belang van betrokkene, vanwege de noodzakelijke (psychische en lichamelijke) zorg die betrokkene nodig heeft. De deskundigen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat een observatiebehandeling noodzakelijk is. De rechtbank acht het van belang dat onderzocht wordt waarin betrokkene ondersteuning nodig heeft. Vanwege de complexiteit van de voorgeschiedenis van betrokkene, de ernstige persoonlijkheidspathologie met daarbij de interactie die plaatsvindt in combinatie met de neurocognitieve stoornissen, is het van belang dat deze observatieperiode binnen een gespecialiseerde kliniek plaatsvindt. Uit de toelichting van de deskundigen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de [naam kliniek] in staat is om te onderzoeken wat haalbaar is qua behandeling, welke bejegening passend is bij de psychische stoornis van betrokkene alsook het hersenletsel ten gevolge van een CVA en welke setting op termijn noodzakelijk is om het ernstig nadeel vanuit de psychische stoornis en het hersenletsel af te wenden. Nu gebleken is dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis, acht de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk zodat de observatiebehandeling kan plaatsvinden.

2.7.

Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen de advocaat en de deskundigen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de hierna te noemen vormen van zorg noodzakelijk zijn voor de duur van de zorgmachtiging:

  • het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen;

  • het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • insluiten;

  • het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

  • het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek; en

  • het opnemen in een accommodatie.

2.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in de zorgmachtiging op te nemen de verzochte vormen van verplichte zorg: “onderzoek aan kleding of lichaam”, “onderzoek van de woon- of verblijfsruimte of gedrags-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen”, “aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen”. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn.

2.9.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De rechtbank is van oordeel dat de in overweging 2.7 omschreven verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om
deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal derhalve een zorgmachtiging verlenen. De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank verzocht om onderhavige machtiging in duur te beperken tot vier maanden, maar daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment nog niet kan worden vastgesteld dat de observatieperiode van betrokkene binnen vier maanden zal worden afgerond. Gelet hierop zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de verzochte duur van zes maanden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
- [betrokkene], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen als genoemd in 2.7. kunnen worden getroffen;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 21 november 2021;

3.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, mr. E. Schippers en mr. G.F. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.P. van der Meer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.