Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3080

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
05.254740.19 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 33-jarige vrouw en twee mannen van 39 en 46 en 55 jaar oud de verplichting opgelegd tot het betalen van ieder 12.000 euro aan de Staat. Een 55-jarige man moet 10.500 euro terugbetalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Tegenspraak

Parketnummer : 05.254740.19 (ontneming)

Datum uitspraak : 17 juni 2021

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, locatie Esserheem in Veenhuizen.

Raadsvrouw: mr. W.M.L. van Koningsveld, advocaat in Oss.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. De officier van justitie heeft het wederrechtelijk voordeel voor veroordeelde aanvankelijk geschat op € 138.904,-.

2 De procedure

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de vordering ter zitting heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden. De raadsvrouw heeft daarbij onder meer gesteld dat er geen wederrechtelijk verkregen voordeel is, omdat veroordeelde is vrijgesproken van de verkoop van xtc-pillen.

De officier van justitie heeft in reactie hierop in zijn conclusie betoogd dat gelet op de vrijspraak voor de verkoop van xtc-pillen de grond onder de oorspronkelijke (en nadien nog gewijzigde) berekening is komen te vervallen.

De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het niettemin aannemelijk is dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Hij gaat ervan uit dat veroordeelde voor zijn werkzaamheden een beloning heeft ontvangen. Gelet op een uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch heeft de officier van justitie het voordeel geschat op € 500,- per week. Nu de bewezenverklaarde periode 24 weken omvat heeft hij het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 12.000,-. De officier van justitie heeft verzocht veroordeelde te veroordelen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-.

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij vaststelling van de verplichting tot betaling van een bedrag van € 10.000,-.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen nu het Openbaar Ministerie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Niet blijkt dat hij over vermogen beschikte en evenmin zijn grote onverklaarbare geldbedragen of waardevolle goederen bij hem aangetroffen. Veroordeelde heeft er ook geen luxe levensstijl op na gehouden. De volle tank benzine of benzinegeld kunnen niet worden aangemerkt als verdiensten, maar eerder als onkosten. Volgens de raadsvrouw is de door de officier van justitie aangehaalde zaak van het gerechtshof niet vergelijkbaar met de zaak tegen veroordeelde en kan daarom niet op basis van die zaak tot schatting van de verdiensten worden overgegaan. Daarnaast wordt betwist dat de woning van veroordeelde gedurende de gehele ten laste gelegde periode is gebruikt. Volgens veroordeelde betreft het een periode van maximaal vijf weken. De raadsvrouw schat dat het voordeel van veroordeelde maximaal € 1.000,- is geweest. Daartegenover staat dat de woning van veroordeelde is ontruimd en hij hiervoor een rekening heeft gekregen van € 5.133,50, welk bedrag als kosten in mindering moet worden gebracht op het voordeel.

3 De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 2 juli 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4,5 jaar ter zake van onder andere:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B en C gegeven verbod, meermalen gepleegd, in de periode van 1 mei 2019 tot en met 21 oktober 2019.

De rechtbank heeft bewezen geacht dat sprake is geweest van productie van xtc-pillen, waarbij de verschillende processen op drie verschillende adressen, te weten de woonadressen van veroordeelde en de medeveroordeelden plaatsvonden. Gelet op het gripzakje met de datum 2 mei 2019 heeft de rechtbank vastgesteld, dat in ieder geval op die datum al sprake was van productie van xtc pillen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat er bij dat productieproces sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen veroordeelde en de medeveroordeelden [mede veroordeelde 1] , [mede veroordeelde 2] en [mede veroordeelde 3] .1,2

De rechtbank is van oordeel dat dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en overweegt daartoe het volgende.

Gedurende de bewezenverklaarde periode is veroordeelde betrokken geweest bij de grootschalige productie van xtc-pillen. Dat deze xtc-pillen bestemd waren om een verkoopopbrengst te genereren acht de rechtbank een vanzelfsprekendheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat de verkoop van xtc-pillen hoge opbrengsten met zich brengt. Dat veroordeelde een vergoeding heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden bij die productie acht de rechtbank, gelet op die hoge opbrengsten, niet meer dan logisch. Dat veroordeelde voor zijn betrokkenheid een vergoeding heeft ontvangen, verklaart hij ook zelf. Veroordeelde heeft immers verklaard dat hij als onkostenvergoeding één à twee keer een volle tank benzine heeft gekregen en één à twee keer een bedrag van € 75,-. Ook kreeg hij af en toe voor een bedrag van € 10,- à € 20,- per week aan speed.3

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde, is de vraag aan de orde op welk bedrag dit voordeel kan worden geschat.

De rechtbank heeft in het dossier geen bewijsmiddelen aangetroffen waaruit volgt dat in de bewezenverklaarde periode xtc-pillen zijn verkocht door veroordeelde dan wel door één van de medeveroordeelden. Met de officier van justitie acht de rechtbank daarom de grond voor de berekening van de vordering, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op aanvankelijk € 138.904,- en vervolgens op € 124.021,- niet houdbaar.

Veroordeelde heeft verklaard dat zijn verdiensten bestonden uit één à twee keer een volle tank benzine, € 75,- à € 150,- voor benzinegeld en af en toe speed voor een bedrag van € 10,- à € 20,- per week. De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat het hierbij is gebleven. Er is immers zoals hiervoor is overwogen op grote schaal xtc geproduceerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat veroordeelde en de medeveroordeelden een beloning voor hun werkzaamheden hebben ontvangen, die hoger is dan de onkostenvergoedingen en verkregen speed. De rechtbank vindt het door de officier van justitie gehanteerde bedrag voor loonkosten van € 500,- per week alleszins redelijk, niet onaannemelijk en zelfs aan de lage kant. De rechtbank zal uitgaan van hetzelfde bedrag en aansluiten bij de bewezenverklaarde periode van 1 mei 2019 tot en met 21 oktober 2019. Deze periode omvat ruim 24 weken. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vaststellen op 24 x € 500,- is € 12.000,-.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat de periode dient te worden beperkt tot maximaal vijf weken, overweegt de rechtbank dat het productieproces heeft plaatsgevonden op drie adressen. Ten aanzien van de productie van de xtc-pillen is medeplegen door veroordeelde en de medeveroordeelden bewezen geacht. Niet duidelijk is geworden wat de rollen van veroordeelde en de medeveroordeelden daarbij precies zijn geweest. Veroordeelde heeft daarover ook geen aannemelijke verklaring afgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de periode van betrokkenheid van veroordeelde te beperken tot maximaal vijf weken.

De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat op het wederrechtelijk verkregen voordeel de kosten in mindering moeten worden gebracht. Zij heeft daartoe overgelegd de factuur van
€ 5.133,50 van [naam] . De rechtbank constateert dat deze factuur ziet op de schoonmaak en het in de oude staat herstellen van de huurwoning. Deze kosten hebben geen causaal verband met de productie van de xtc-pillen en kunnen daarom niet op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde op een bedrag van € 12.000,-.

4 De betalingsverplichting

Onder veroordeelde is onder meer een personenauto, [merk] , in beslag genomen. In de hoofdzaak heeft de rechtbank deze personenauto verbeurd verklaard. Veroordeelde heeft verklaard dat de waarde maximaal € 1.500,- bedroeg.

De rechtbank zal bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening houden met de verbeurdverklaring van de personenauto en een bedrag van € 1.500,- in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Voor matiging van het te betalen bedrag in verband met de draagkracht van veroordeelde, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding.

De betalingsverplichting komt gelet op het voorgaande op een bedrag van € 10.500,-

(€ 12.000,- minus € 1.500,-). Dit bedrag dient veroordeelde te betalen aan de Staat.

De rechtbank zal de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering bepalen op 87 dagen.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 12.000,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.500,-;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op
87 dagen.

Aldus gegeven door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. E.J. Swiers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2021.

Mr. Wasmann is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het vonnis van de rechtbank van 2 juli 2020 (hierna: het vonnis), welk vonnis aan deze beslissing is gehecht. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het genummerde vonnis, tenzij anders vermeld.

2 Vonnis, p. 8.

3 Verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2021.