Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3052

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2865
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor wasplaats, sleufsilo’s en uitweg (artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.2, onder e, Wabo). De bouwwerken zijn niet vergunningsvrij op grond van artikel 3, eerste of zesde lid, van Bijlage II Bor. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor wat betreft de bouwwerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/2865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van Arnhem

in de zaak tussen

[Eiser A] en [eiseres B] , te [plaats A] , eisers

(gemachtigde: mr. J. Veltman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder

(gemachtigde: ing. G. Oostra).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [vergunninghouder], te [plaats B]

(gemachtigde: [naam A] ).

Procesverloop

In het besluit van 11 april 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning voor een wasplaats, sleufsilo’s en een uitweg verleend.

In het besluit van 9 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, onder aanpassing van het dictum op die wijze dat de omgevingsvergunning alleen nog geldt voor de uitweg omdat de wasplaats en de sleufsilo’s vergunningsvrij zijn.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de zaak met nummer 20/5369, plaatsgevonden op 19 april 2021. De gemachtigde van eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. L. Mekouar. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

In de zaak met nummer 20/5369 wordt apart uitspraak gedaan.

Overwegingen

Inleiding

1. De derde-partij exploiteert op het perceel [aan het adres A] een grondverzetbedrijf. Op het perceel staat een loods met een oppervlakte van 240 m², waarvoor op 27 september 2016 een omgevingsvergunning is verleend. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk.

Eisers wonen in de woning op het naastgelegen perceel [adres B] . Zij ondervinden (geluid)overlast van het bedrijf, met name door het laden en lossen.

Op 4 februari 2019 heeft de derde-partij bij verweerder een aanvraag ingediend voor de activiteit “bouwen”1 voor het bouwen van een wasplaats met een oppervlakte van 40 m² direct ten westen van de loods en voor sleufsilo’s met een oppervlakte van 116 m² aan de noordzijde van deze loods, alsmede een aanvraag voor het realiseren van een uitweg naar de Hertelerweg aan de zijde van de wasplaats.2

Is er sprake van bouwwerken?

2. De rechtbank is van oordeel dat de wasplaats en sleufsilo’s gelet op hun constructie aan te merken zijn als bouwwerken, zodat een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” is vereist. Deze vergunningplicht bestaat echter niet, als de bouwwerken vergunningsvrij zijn op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Zijn de bouwwerken vergunningsvrij?

3.1.

De derde-partij heeft, ondanks dat hij van mening is dat (in ieder geval) de sleufsilo’s vergunningvrij zijn, voor beide bouwwerken op 4 februari 2019 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” ingediend. Dat volgt uit het aanvraagformulier.

3.2.

Verweerder heeft de vergunning in het primaire besluit verleend. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de bouwwerken vergunningsvrij zijn op grond van artikel 3 van bijlage II bij het Bor, zodat geen omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” is vereist. Het bezwaar van eisers was daarom ongegrond.

Eisers zijn het daar niet mee eens en stellen zich op het standpunt dat voor de bouwwerken wel een omgevingsvergunning is vereist.

3.3.

Uit het bestreden besluit blijkt niet op grond van welk onderdeel van artikel 3 van bijlage II bij het Bor de bouwwerken volgens verweerder vergunningsvrij zijn.

Vast staat dat de bouwwerken geen dak hebben, zodat geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van bijlage II Bor. De bouwwerken zijn dus niet vergunningsvrij op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II Bor.

Ter zitting heeft verweerder met betrekking tot artikel 3, zesde lid, van bijlage II Bor desgevraagd aangegeven dat er een agrarische aard in de bedrijfsvoering van de derde-partij zit, zodat de bouwwerken vergunningsvrij zijn op grond van dit artikel.

Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Vast staat dat de derde-partij een grondverzetbedrijf exploiteert en geen landbouwbedrijf. Een grondverzetbedrijf is niet aan te merken als “agrarische bedrijfsvoering” als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van bijlage II Bor, ook niet als een deel van de opdrachten (naar schatting van de derde-partij ongeveer 40 %) in opdracht van agrariërs wordt verricht. Omdat in het Bor niet is gedefinieerd wat agrarische bedrijvigheid is, sluit de rechtbank aan bij de in het omgevingsrecht gebruikelijke definitie daarvan. Die is dat agrarische bedrijfsvoering bedrijvigheid is die geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren. De rechtbank is van oordeel dat een grondverzetbedrijf dat niet is. Het perceel is in het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” en in de ontwerp-beheersverordening “Landelijk gebied – 2020” ook niet voor niets bestemd als “Bedrijf” en niet als “Agrarisch”.

De bouwwerken zijn dus naar het oordeel van de rechtbank niet vergunningsvrij op grond van artikel 3, zesde lid, van bijlage II Bor.

De rechtbank is ook niet gebleken dat de bouwwerken vergunningsvrij zijn op grond van artikel 2 van bijlage II Bor. Verweerder heeft daarom ten onrechte overwogen dat de bouwwerken vergunningsvrij zijn en dat geen omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” is vereist.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor wat betreft de bouwwerken. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waar eisers naar hebben verwezen3 volgt dat verweerder aan deze beslissing op bezwaar niet het vernietigde bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Omdat de aanvraag in strijd is met het voorgaande bestemmingsplan “Doetinchem Buitengebied” uit 2000, dat nu weer vigerend is, is voor de aanvraag naast een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” ook een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”4 vereist. Verweerder zal in de nieuwe beslissing op bezwaar daarom ook moeten beoordelen of ze de aanvraag in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening achten.

De rechtbank ziet gelet op de beleidsruimte die verweerder bij deze beoordeling heeft geen aanleiding om – zoals door eisers verzocht – zelf in de zaak te voorzien door de aanvraag te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan.

Tegen de uitwegvergunning zijn geen beroepsgronden ingediend en er is ook geen sprake van onlosmakelijk samenhangende activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. Daarom bestaat geen aanleiding om ook de uitwegvergunning te vernietigen.

Proceskosten en griffierecht

5. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Voor een vergoeding van reiskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, aangezien eisers niet op de zitting zijn verschenen.

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 178 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, wat betreft de activiteit “bouwen”;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 178 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

2 Artikel 2.2, eerste lid, onder e, Wabo

3 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:247)

4 Artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo