Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:3033

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
05.301969.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 20-jarige man voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer door hem in de wang te steken of te snijden. De man krijgt daarvoor een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.301969.20

Datum uitspraak : 17 juni 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Guinee),
ingeschreven aan de [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Leeuwarden.

Raadsman: mr. R.J. Portegies, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2020 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer] eenmaal in de wang, in elk geval het gezicht, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2020 te Nijmegen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door:

- die [slachtoffer] eenmaal in de wang, in elk geval het gezicht, te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2020 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] eenmaal in de wang, in elk geval het gezicht, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5;

- de Forensisch Medische Letselrapportage van 11 februari 2021;

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , p. 108;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2021.

Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 29 november 2020 in Nijmegen aangever heeft gestoken of gesneden in zijn wang, waardoor bij aangever letsel is ontstaan. De vraag is welk strafbaar feit deze gedraging oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Van de daarvoor vereiste opzet op de dood is – ook in voorwaardelijke zin – niet gebleken. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen wat voor beweging verdachte precies heeft gemaakt en met welke kracht hij aangever heeft gesneden of gestoken. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de kans op de dood in dit geval naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is geweest. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

De subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling is naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Door met een mes aangever in zijn wang te steken of te snijden, heeft verdachte op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Dit gevolg is ook daadwerkelijk ingetreden nu uit de bewijsmiddelen volgt dat na hechting van de toegebrachte wond sprake is van een blijvend litteken van ongeveer twee bij één centimeter in het gezicht van aangever. Dat de wond is gehecht en dat sprake is van restschade in de vorm van een blijvend litteken in het gezicht maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 29 november 2020 te Nijmegen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door:

- die [slachtoffer] eenmaal in de wang, in elk geval het gezicht, te steken en/of te snijden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De duur van het voorarrest moet worden afgetrokken van deze gevangenisstraf.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld een meldplicht en verplicht reclasseringscontact. Verder is verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, waaronder verminderde toerekeningsvatbaarheid, van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft iemand die hem ’s nachts op straat aansprak op zijn gedrag richting zijn toenmalige vriendin in zijn gezicht gestoken of gesneden met een mes. Hierdoor heeft het slachtoffer een blijvend litteken op zijn wang opgelopen. Verdachte heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk en vindt dit een zeer ernstig feit.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank als uitgangspunt het landelijke oriëntatiepunt ten aanzien van het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen. Dit oriëntatiepunt gaat uit van zeven maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte – ondanks zijn bekentenis – geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Tevens vindt de rechtbank strafverzwarend dat verdachte een mes bij zich heeft gedragen, dat hij daarmee volkomen onverwacht een ongewapende man in zijn gezicht heeft gestoken en dat het feit zich ’s nachts op de openbare weg heeft afgespeeld.

In het psychologisch onderzoek van 28 mei 2021 is beschreven dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Daarnaast kan worden gesproken van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De psycholoog is van mening dat vanwege de gebrekkige ontwikkeling en de gedragsstoornis, het vooropstaan van emoties in plaats van denken, het beperkte oordeelsvermogen, het inschatten van wat er wel en niet aan hand was, een verminderd toe te rekenen van verdachte moet worden overwogen. De rechtbank ziet op basis van dit onderzoek geen aanleiding om verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar en daarmee rekening te houden bij de straftoemeting. Daarbij weegt mee dat de rechtbank uitgaat van andere feiten dan verdachte heeft aangegeven tijdens zijn gesprek met de psycholoog. De rechtbank gaat er op basis van de verklaring van [getuige] namelijk vanuit verdachte al een mes in zijn hand had voordat hij door het slachtoffer werd aangesproken met woorden als ‘zo praat je niet tegen een meisje’. Daarbij ziet de rechtbank niet in dat verdachte door de geuite woorden kon menen dat het slachtoffer de vriendin van verdachte iets zou aandoen en dat hij zijn vriendin moest beschermen, zoals verdachte bij de psycholoog heeft verklaard.

Uit de Justitiële Documentatie van 22 april 2021 volgt dat verdachte niet eerder vanwege een misdrijf met politie en justitie in aanraking is gekomen. In haar rapport van 31 mei 2021 heeft de reclassering het recidiverisico ingeschat als gemiddeld en geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante begeleiding, het meewerken aan dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole.

Ondanks dat zowel de psycholoog als de reclassering afdoening middels het volwassenenstrafrecht adviseert en de rechtbank hierin mee gaat, zal bij de straftoemeting rekening worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte. Ook houdt de rechtbank rekening met de bij verdachte vastgestelde lichte verstandelijke beperking.

De straf zoals bepleit door de verdediging doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit, maar mede gelet op het landelijke oriëntatiepunt is de straf zoals geëist door de officier van justitie te hoog. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, moet van deze straf worden afgetrokken.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich binnen 14 dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Leger des Heils op het adres Utrechtsestraat 47, 6811 LT Arnhem en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding door een nader te bepalen instelling voor ambulante forensische begeleiding en zich houdt aan de afspraken die de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- verdachte meewerkt aan het realiseren van dagbesteding in de vorm van betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of anderszins dagbesteding voor de duur van de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen, waarbij de reclassering urinecontrole en ademonderzoek (blaastest) kan gebruiken voor de controle en waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak hij wordt gecontroleerd;

 stelt als overige voorwaarden dat:

  • -

    verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. M.G.E. ter Hart en
mr. W. Oosterbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2021.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020566539, gesloten op 20 februari 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.