Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:30

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
C/05/374423 / FA RK 20-2621
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

“vaststelling kinderalimentatie. Beschikking in begrijpelijke taal.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/374423 / FA RK 20-2621

Datum uitspraak: 5 januari 2021

beschikking vaststelling kinderalimentatie

in de zaak van

[verzoekster] , hierna te noemen de vrouw,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

advocaat mr. C.C.W. Plaat te Ede,

tegen

[verweerder] , hierna te noemen de man,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

advocaat mr. W. Kok te Ede.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 27 juli 2020,

- het verweerschrift van de man, ingekomen op 28 augustus 2020.

1.2.

In verband met de maatregelen rondom de uitbraak van het coronavirus is partijen de

mogelijkheid geboden om de procedure schriftelijk voort te zetten en af te doen. Beide

partijen hebben hiermee ingestemd. Dat betekent dat de rechtbank de zaak op de stukken af

zal doen, dus zonder mondelinge behandeling.

1.3.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen:

  • -

    het F9-formulier van de vrouw van 18 november 2020 met brief en financiële stukken,

  • -

    het F9-formulier van de man van 7 december 2020 met bijlage 4 en 5.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad en samengewoond. Zij zijn in 2014 uit elkaar gegaan.

2.2.

Zij zijn de ouders van [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] in [geboorteplaats minderjarige 1] . Beide partijen oefenen het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

2.3.

Partijen hebben geen afspraken vastgelegd over een bijdrage voor [de minderjarige] .

3 Verzoek en verweer

3.1.

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met € 150 per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, althans een bijdrage vast te stellen als de rechtbank juist acht. Zij heeft haar verzoek bij F9-formulier van 18 november 2020 bijgesteld naar € 84 per maand.

3.2.

De man voert verweer en verzoekt de door hem te betalen bijdrage vast te stellen op € 35 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel op een bedrag als de rechtbank juist acht.

4 De beoordeling

De ingangsdatum

4.1.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

4.2.

Partijen hebben geen standpunt ingenomen over de te hanteren ingangsdatum. De rechtbank zal daarom voor de ingangsdatum aansluiten bij de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een bijdrage. Dat betekent dat de vast te stellen bijdrage geldt vanaf 27 juli 2020.

De behoefte van [de minderjarige]

4.3.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.

4.4.

Partijen zijn het er over eens dat hun netto gezinsinkomen in 2014 € 3.500 per maand bedroeg. Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] in 2014 houdt de rechtbank rekening met 4 punten. Uit die tabellen volgt vervolgens dat ouders bij een gezinsinkomen van € 3.500 per maand gemiddeld € 535 per maand uitgaven voor hun kind in 2014. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 592 per maand.

De draagkracht van beide ouders

4.5.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.

De draagkracht van de man

4.6.

Voor het bepalen van de draagkracht van de man kijkt de rechtbank eerst naar zijn inkomen. De man heeft recente salarisstroken overgelegd (augustus, september en oktober 2020) en zijn jaaropgave over 2019. Uit de stroken blijkt dat zijn jaarloon BT overeenkomt met zijn jaaropgave over 2019. De rechtbank zal daarom een draagkrachtberekening maken aan de hand van de jaaropgave. Hieruit blijkt een bruto jaarsalaris van € 29.024. De rechtbank houdt rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Zijn netto besteedbaar inkomen komt daarmee op € 2.012 per maand. De berekening is aan deze beschikking gehecht.

4.7.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van zijn inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 975)]. Zijn draagkracht komt daarmee op € 303 per maand.

De draagkracht van de vrouw

4.8.

Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. De vrouw heeft haar salarisstroken over juli, augustus en september 2020 overgelegd. Hieruit blijkt een bruto maandloon van € 2.355 te vermeerderen met vakantiegeld, een bruto pensioenpremie van € 154 en een WIA werknemersverzekering van € 8 per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, een aanspraak op kindgebonden budget, de alleenstaande ouderkop en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Haar netto besteedbare inkomen komt daarmee op € 2.539 per maand. Ook deze berekening is aan de beschikking gehecht.

4.9.

Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank weer gebruik van de draagkrachtformule: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 975)]. Haar draagkracht komt daarmee op € 561 per maand.

De verdeling van de kosten

4.10.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.11.

Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 303 per maand en de vrouw een draagkracht van € 561 per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 864 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [de minderjarige] te betalen, want die zijn € 592 per maand. De draagkrachtvergelijking wordt gemaakt met de formule: draagkracht ouder gedeeld door totale draagkracht keer behoefte. Dit betekent dat het aandeel van de man (303/864 x 592 =) € 208 per maand is. Het aandeel van de vrouw is (561/864 x 592 =) € 384 per maand.

De zorgkorting

4.12.

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. De man houdt rekening met een zorgkorting van 30% van de behoefte op basis van een zorg van gemiddeld 2,5 dagen per week. De vrouw rekent met 25%, gebaseerd op een gemiddelde zorg van 2 dagen per week.

4.13.

De rechtbank houdt rekening met een zorgkorting van 25% van de behoefte. Dat komt neer op € 148 per maand. Dit percentage past volgens de Expertgroep Alimentatie bij een zorg van zowel 2 als 2,5 dagen per week. Pas bij een zorgregeling van meer dan 2,5 dag per week, volgt een hoger percentage. Dat betekent dat de man een bedrag van (208-148 =) € 60 per maand moet betalen.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

4.14.

De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen, zoals verzocht door beide partijen.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.15.

De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

beslist dat de man met ingang van 27 juli 2020 een bedrag van € 60 per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] in [geboorteplaats minderjarige 2] ;

5.2.

beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2021.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.