Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2999

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
05/250672-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man en 40-jarige vrouw zijn vrijgesproken van oplichting en verduistering. De rechtbank kan niet vaststellen dat er sprake is van (een) oplichtingsmiddel(en) waardoor de aangevers zouden zijn bewogen tot afgifte van een goed of geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/250672-20

Datum uitspraak : 14 juni 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

31 mei 2021.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 15 juli 2020 te Neede, gemeente Berkelland en/of Dinxperlo, gemeente Aalten en/of Groenlo, gemeente Oost Gelre en/of Stokkum, gemeente Montferland en/of Schalkhaar, gemeente Deventer en/of Enschede en/of Denekamp, gemeente Dinkelland en/of Hengelo (O) en/of Losser en/of Kilder, gemeente Montferland en/of Heerenveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of meerdere personen, te weten (in elk geval)

[aangever 1] en/of

[aangever 2] en/of

[aangever 3] en/of

[aangever 4] en/of

[aangever 5] en/of

[aangever 6] en/of

[aangever 7] en/of

[aangever 8] en/of

[aangever 9] en/of [aangever 10] ,

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en),

[aangever 1] (een bedrag van 2000 euro) en/of

[aangever 2] (een bedrag van 1.250 euro) en/of

[aangever 3] (voor een bedrag van 100 euro) en/of

[aangever 4] (een bedrag van 785 euro) en/of

[aangever 5] (een bedrag van 1.166 euro) en/of

[aangever 6] (een bedrag van 410 euro) en/of

[aangever 7] (een bedrag van 350 euro) en/of

[aangever 8] (een bedrag van 3.015 euro) en/of

[aangever 9] (een bedrag van 945 euro) en/of

[aangever 10] (een bedrag van 323 euro),

althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, door:

- ( al dan niet met een valse persoons- of bedrijfsnaam) te reageren op een of meerdere (Facebook en/of marktplaats) oproep(en)/verzoek(en)/bericht(en) van voornoemde aangevers om tegen betaling klusjes te verrichten en/of werkzaamheden te verrichten in/aan hun tuin(en) en/of woning(en) en/of

- zich (daarbij) voor te doen als een betrouwbare hovenier/hoveniersbedrijf en/of klusjesmensen die voornemens en/of in staat is/zijn om de werkzaamheden te verrichten en/of

- die voornoemde aangevers te bezoeken op hun woonadressen en/of door de situatie ter plaatse te bekijken en/of

-die aangevers daarbij valse beloften te doen dat het werk op korte termijn uitgevoerd wordt en/of hen voorbeelden te laten zien van tuinen die door hen opgeknapt zijn, terwijl dat niet het geval is en/of

- die aangevers voor te houden dat hij/zij een offerte zou maken/opstellen en/of

- die aangevers (telefonisch) voor te houden wat de totale kosten/bedragen zullen zijn en/of

- die aangevers te beschrijven waar de werkzaamheden uit bestaan en/of een voorschot te vragen en/of

- die aangevers (een) offerte(s) te sturen en/of daarbij aan te geven dat hij/zij een voorschot wens(t)(en) te ontvangen onder meer om materialen aan te schaffen ten behoeve van de werkzaamheden, en/of

- die aangevers een betaalverzoek/Tikkie te sturen, en/of

- soms kleine werkzaamheden wel uit te voeren, en/of

- dit alles te doen terwijl verdachte en/of zijn mededader wist(en) dat de afspraken niet nagekomen zouden worden, en/of

- voornoemde aangevers meermalen excuses en onwaarheden voor te houden waarom de

werkzaamheden niet kunnen worden verricht en/of smoesjes te verzinnen, waardoor voornoemde personen werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 15 juli 2020 te Neede, gemeente

Berkelland en/of Dinxperlo, gemeente Aalten en/of Groenlo, gemeente Oost Gelre en/of Stokkum, gemeente Montferland en/of Schalkhaar, gemeente Deventer en/of Enschede en/of Denekamp, gemeente Dinkelland en/of Hengelo (O) en/of Losser en/of Kilder, gemeente Montferland en/of Heerenveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk €10.344,- althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] en/of [aangever 9] en/of [aangever 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten door civiele wanprestatie, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2019 tot en met tot en met 15 juli 2020 te Kilder, gemeente Montferland en/of Dinxperlo, gemeente Aalten en/of Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Enschede en/of Apeldoorn en/of Druten en/of Hilvarenbeek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere personen, te weten (in elk geval)

[aangever 11] (een bedrag van 110 euro) en/of

[aangever 8] (een bedrag van 300 euro) en/of

[aangever 12] (een bedrag van 66,55 euro) en/of

[aangever 13] (een bedrag van 1.745 euro) en/of

[aangever 14] (een bedrag van 150 euro) en/of

[aangever 15] (een bedrag van 40 euro) en/of

[aangever 16] (een bedrag van 150 euro) en/of

[aangever 17] (een bedrag van 60 euro),

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed,

door:

- ( al dan niet met een valse persoons- of bedrijfsnaam) te reageren op een of meerdere (Facebook en/of marktplaats) oproep(en)/verzoek(en)/bericht(en) van voornoemde personen en/of goederen te koop aan te bieden en/of (een) standplaats(en) op de kermis/markt aan te bieden, te weten

[aangever 11] die - zakelijk weergegeven - openhaardhout wilde en/of

[aangever 8] die - zakelijk weergegeven - een palmboom wilde kopen en/of

[aangever 12] die - zakelijk weergegeven - zand wilde kopen en/of

[aangever 13] die - zakelijk weergegeven - een (mini)kraantje te huur/koop had aangeboden en/of

[aangever 14] en/of [aangever 16] en/of [aangever 17] die - zakelijk weergegeven - standplaats(en) zocht(en) voor op de kermis/markt en/of

[aangever 15] die - zakelijk weergegeven - een marktkraam wilde huren,

door:

- zich voor te doen als bonafide/betrouwbare verkoper en/of huurder en/of partij, en/of

- meerdere keren contact te hebben/houden met voornoemde [aangever 11] en/of [aangever 8] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] in verband met de koop/verkoop/verhuur van voornoemde goederen en/of [aangever 14] en/of [aangever 16] en/of [aangever 17] in verband met de standplaatsen op de markt/kermis en/of [aangever 15] in verband met de huur van een marktkraam, en/of

- een of meerdere (mondelinge) huurovereenkomst(en) en/of (mondelinge) koopovereenkomsten en/of (mondelinge) verhuurovereenkomsten aan te gaan en/of offerte(s)/factu(u)r(en) op te maken/op te stellen, en/of

- voornoemde personen te verzoeken het/de overeengekomen geldbedrag(en) over te maken en/of een betaalverzoek/Tikkie te sturen met de vraag aan het betaalverzoek te voldoen, en/of

- de indruk te wekken dat hij, verdachte, en/of zijn mededader het openhaardhout en/of de palmboom en/of het zand zal doen toesturen/leveren en/of de verschuldigde huur met betrekking voornoemd (mini)kraantje zal voldoen en/of een standplaats op de kermis/markt en/of een marktkraam zal leveren/ter beschikking stellen,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader bovengenoemde goederen niet heeft verzonden en/of

verschuldigde huur niet heeft betaald en/of de standplaats en/of marktkraam niet kon aanbieden, en waardoor die [aangever 11] en/of [aangever 8] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] en/of [aangever 14] [aangever 16] en/of [aangever 15] en/of [aangever 17] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte

en/of

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2019 tot en met tot en met 15 juli 2020 te Kilder, gemeente Montferland en/of Dinxperlo, gemeente Aalten en/of Lemelerveld, gemeente Dalfsen en/of Enschede en/of Apeldoorn en/of Druten en/of Hilvarenbeek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk €2621,55,- althans een groot geldbedrag, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 11] en/of [aangever 8] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] en/of [aangever 14] en/of [aangever 15] en/of [aangever 16] en/of [aangever 17] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en welk goed verdachte

en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten door civiele wanprestatie, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2 De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft verzocht de dagvaarding voor zover het gaat over [aangever 13] (onder 2) nietig te verklaren, omdat de inhoud van die dagvaarding op dat punt volstrekt onbegrijpelijk is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het kennelijk de bedoeling van het openbaar ministerie is geweest om aan verdachte het verwijt te maken dat hij één of meerdere personen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het gebruik van één of meerdere oplichtingsmiddelen, te bewegen tot afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed. Echter, waartoe [aangever 13] nu precies is bewogen, kan volgens de verdediging uit deze tenlastelegging niet volgen.

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de tenlastegelegde strafbare feiten in onderlinge samenhang bezien, de verdachte in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen en zich daartegen te verdedigen.

De rechtbank stelt vast dat in het onder 2 tenlastegelegde is omschreven waartoe [aangever 13] zou zijn bewogen, namelijk het verlenen van een dienst ofwel de verhuur van een minikraantje. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het wetboek van Strafvordering voldoet en verwerpt daarom het nietigheidsverweer van de verdediging.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de aangiftes bij zowel feit 1 als 2 blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich voordeden als bonafide ondernemers terwijl zij niet van plan waren hun afspraken na te komen en deze ook niet zijn nagekomen. De aangiftes in onderlinge samenhang beziend laten een patroon van oneerlijk handelen zien wat maakt dat de drempel van oplichting is gehaald.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het enkel gebruiken van een andere naam én het plegen van wanprestatie nog niet maakt dat sprake is van oplichting. De verdediging heeft ook aangevoerd dat er geen sprake is van verduistering. De geldbedragen die door de kopers zijn overgemaakt aan de verdachte (of medeverdachte) zijn na ontvangst daarvan in hun vermogen gevloeid en daardoor niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Oplichting

Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed.

Wil er dus in juridische zin van oplichting sprake zijn, dan moet door één of meer van de
hiervoor genoemde middelen iemand daadwerkelijk worden bewogen tot afgifte van een goed. Tussen de afgifte van het goed en de hiervoor genoemde middelen moet een rechtstreeks verband bestaan.

De rechtbank overweegt dat uit de aangiften is gebleken dat aangevers telkens geld hebben betaald voor goederen en/of diensten die niet, te laat of niet volledig zijn geleverd. Verdachte heeft aangevers bezocht op hun woonadressen en hen soms na afloop, soms ter plaatse offertes gestuurd, er is gevraagd om een voorschot te betalen. In sommige gevallen zijn wel, soms kleine, werkzaamheden uitgevoerd, in veel gevallen ook niet. In sommige gevallen heeft verdachte daarbij zijn eigen naam en bedrijfsnaam gebruikt en in ander gevallen valse namen. In de meeste gevallen is een factuur verzonden vanuit de eenmanszaak [naam 1] of [naam 2] , die op naam staat van medeverdachte, de partner van verdachte, met wie hij het bedrijf uitoefent.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wilde roepen om daarvan misbruik te kunnen maken, of dat van de ander de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid mag worden verwacht.

Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte bij het sluiten van de overeenkomsten in enkele gevallen gebruik heeft gemaakt van valse namen. De rechtbank kan echter niet op basis van het dossier vaststellen dat aangevers zijn bewogen tot afgifte van geld dóór het aannemen van die valse namen. Er bestaat dan ook geen rechtstreeks verband tussen dit oplichtingsmiddel en het in artikel 326 lid 1 Sr bedoelde gevolg.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat sprake is geweest van een samenweefsel van verdichtsels. De door verdachte gehanteerde handelwijzen in de verschillende aangiftes zijn te verschillend om te spreken van een vast patroon, waarbij de rechtbank in het bijzonder belang hecht aan het feit dat verdachte in een aantal gevallen wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het geld te ontvangen, terwijl hij nooit voornemens is geweest om de betreffende goederen dan wel diensten te leveren acht de rechtbank dan ook niet bewezen.

Het subsidiair tenlastegelegde, te weten verduistering, kan evenmin bewezen worden verklaard. Verduistering in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht is de wederrechtelijke toe-eigening van een goed dat aan een ander toebehoort en dat men anders dan door misdrijf onder zich heeft. Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte met aangevers overeenkomsten heeft gesloten en krachtens die overeenkomsten geldbedragen van de aangevers heeft ontvangen. Daardoor zijn de geldbedragen tot het vermogen van verdachte en/of medeverdachte gaan behoren. Daarmee zijn de geldbedragen niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV8280). De rechtbank wil niet uitsluiten dat verdachte civielrechtelijk is tekort geschoten in zijn contractuele verplichtingen, en dat daardoor wellicht op verdachte een betalingsverplichting aan aangevers rust, echter leidt het niet voldoen aan die betalingsverplichting(en) niet tot wederrechtelijke toe-eigening in de zin van artikel 321 WSr.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 2:

Ten aanzien van aangevers [aangever 11] en [aangever 8] overweegt de rechtbank dat in het dossier, behoudens de aangifte, geen bewijs van betaling aanwezig is zodat reeds hierom niet bewezen is dat sprake van oplichting dan wel verduistering. Van afgifte dan wel wederrechtelijke toe-eigening van enig goed is immers niet gebleken.

Ten aanzien van aangever [aangever 12] overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte via Facebook zwart zand te koop heeft aangeboden, een koopovereenkomst heeft gesloten met aangever en ter betaling de koopsom heeft ontvangen van aangever. In strijd met de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting is levering van het zwart zand echter uitgebleven.
Uit de inhoud van het dossier blijkt onvoldoende dat aangever [aangever 12] is bewogen tot de afgifte van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag door één van de in de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen. Verduistering acht de rechtbank evenmin bewezen, nu het door aangever betaalde geldbedrag na storting in het vermogen van verdachte is gevloeid. Hierdoor is het geldbedrag niet voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar.

Ten aanzien van aangever [aangever 13] overweegt de rechtbank als volgt. Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting blijkt dat aangever [aangever 13] zeven keer zijn minikraam met aanhangwagen heeft verhuurd aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waarna een vijftal keren niet de huurprijs is voldaan. Verdachte heeft hierbij gebruik gemaakt van een valse naam. De rechtbank kan echter niet op basis van het dossier vaststellen dat aangever is bewogen tot het verhuren van zijn minikraam dóór het aannemen van die valse hoedanigheden. Er bestaat dan ook geen rechtstreeks verband bestaan tussen dit oplichtingsmiddel en het in artikel 326 lid 1 Sr bedoelde gevolg.

Verduistering acht de rechtbank evenmin bewezen. Van wederrechtelijke toe-eigening van enig goed is niet gebleken. Verdachte heeft de minikraan immers teruggebracht naar aangever. Voor zover de steller van de tenlastelegging bedoeld heeft te stellen dat de niet-betaalde huursommen het verduisterde goed betreffen kan zulks evenmin leiden tot een veroordeling wegens verduistering nu deze niet voor (wederrechtelijke) toe-eigening vatbaar zijn.

Ten aanzien van aangevers [aangever 14] , [aangever 15] , [aangever 16] en [aangever 17] overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting blijkt dat aangevers via Facebook hebben gereageerd op een advertentie van [naam 3] , waarin zij op zoek was naar standhouders voor de kermis/braderie in [plaatsnaam 1] op 22 augustus 2020 en een campingkermis in [plaatsnaam 2] in september 2020. Aangevers hebben een geldbedrag betaald ter reservering van de aangeboden standplaatsen op een rekeningnummer ten name van [naam 4] . Vervolgens zijn de beide evenementen vanwege de uitbraak van het coronavirus geannuleerd. Aangevers hebben het door hen betaalde geldbedrag niet teruggekregen. Verdachte betwist dat hij [naam 3] is, of van die naam gebruik heeft gemaakt. Verdachte heeft verklaard de geldbedragen van aangevers op zijn bankrekening te hebben ontvangen.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat verdachte onder de naam [naam 3] contact heeft gehad met aangevers, zodat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte aangevers heeft bewogen tot afgifte van enig goed zodat reeds hierom van oplichting geen sprake kan zijn.

Het subsidiair tenlastegelegde, te weten verduistering, acht de rechtbank evenmin bewezen. Weliswaar blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte de geldbedragen van aangevers onder zich heeft gehad, maar van wederrechtelijke toe-eigening is niet gebleken. De door aangevers gestorte geldbedragen zijn voldaan ter voldoening aan hun verplichtingen uit overeenkomst en zijn daardoor tot het vermogen van verdachte gaan behoren. Daarmee zijn de geldbedragen niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar. Wellicht rust ook hier op verdachte een betalingsverplichting aan aangevers, echter leidt het niet voldoen aan die betalingsverplichting(en) niet tot wederrechtelijke toe-eigening in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen [aangever 6] , [aangever 1] , [aangever 16] , [aangever 7] , [aangever 17] , [aangever 15] , [aangever 14] , [aangever 9] , [aangever 8] , [aangever 12] en [aangever 13] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend.

Overweging van de rechtbank

De vrijspraak van verdachte heeft juridisch tot gevolg dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen toekomt. Nu het niet tot oplegging van een straf of maatregel komt, zal de rechtbank daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

 verklaart de benadeelde partijen [aangever 6] , [aangever 1] , [aangever 16] , [aangever 7] , [aangever 17] , [aangever 15] , [aangever 14] , [aangever 9] , [aangever 8] , [aangever 12] en [aangever 13] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, mr. C. Kleinrensink en mr. J.M.J.M. Doon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. van Ophuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2021.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.