Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2929

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1268
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navorderingsaanslagen 2012 tot en met 2016.

Eiser is ondernemer. Eiser hield in de betreffende jaren 100% van de aandelen van zijn Beheer B.V (de B.V.) De B.V. heeft eiser een pensioen toegezegd. De B.V. had een rekening-courantvordering op eiser. Tussen 2002 en 2013 is de rekening-courantvordering fors toegenomen. In de aangifte vennootschapsbelasting 2014 (van de B.V). is de rekening-courant-vordering met een aanzienlijk bedrag afgeboekt en is dit bedrag in mindering gebracht op de algemene reserve. Onregelmatige afwikkeling van pensioenaanspraken. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Afkoop van pensioen. Revisierente. Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verzoek om toekenning integrale proceskostenvergoeding (kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep). Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding van proceskosten moet worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-7-2021
V-N Vandaag 2021/1695
FutD 2021-2174
NLF 2021/1417
V-N 2021/36.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 20/1268 tot en met 20/1270, 20/1275 en 20/1276

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

20/1268 (2012)

Met dagtekening 22 december 2018 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.632, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 31.681 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Daarnaast is bij beschikking € 1.675 aan belastingrente in rekening gebracht.

20/1269 (2013)

Met dagtekening 10 januari 2018 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.299, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 54.752 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Daarnaast is bij beschikking € 2.524 aan belastingrente in rekening gebracht.

20/1270 (2014)

Met dagtekening 20 december 2018 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.186.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 985.938 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Daarnaast is bij beschikking € 154.104 aan belastingrente en € 232.788 aan revisierente in rekening gebracht.

20/1275 (2015)

Met dagtekening 21 december 2018 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.313.537, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 537.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Daarnaast is bij beschikking € 154.104 aan belastingrente en € 232.788 aan revisierente in rekening gebracht en is een verzuimboete van € 369 opgelegd.

AWB 20/1276 (2016)

Met dagtekening 29 maart 2019 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.619.918, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.075.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Daarnaast is bij beschikking € 101.934 aan belastingrente en € 305.701 aan revisierente in rekening gebracht.

Op 22 januari 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en tegen de aanslagen 2014 en 2015. Ook is bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen belastingrente 2012, 2013, 2014 en 2015, tegen de beschikkingen revisierente 2014 en 2015 en tegen de verzuimboete 2015.

Op 28 maart 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2016, de beschikking belastingrente 2016 en de beschikking revisierente 2016.

Verweerder heeft bij één geschrift van 19 december 2019 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 januari 2020, ontvangen door de rechtbank Noord- Holland op 8 januari 2020, beroep aangetekend. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep doorgezonden naar de rechtbank Gelderland.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een

verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. Verweerder heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend. Deze stukken zijn over en weer aan partijen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Verschenen zijn eiser en zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] .

Ter zitting heeft de gemachtigde een kostenoverzicht bezwaar en beroep, met de daarbij behorende facturen over de periode vanaf 1 februari 2019 tot en met 1 april 2021 en de bij de facturen behorende bijlagen ‘verrichtte werkzaamheden-uren’, overgelegd. Verweerder is ter zitting in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser houdt vanaf 1 januari 1999 100% van de aandelen in [naam B.V. 1] ( [B.V. 1] ). [B.V. 1] . houdt 100% van de aandelen in [B.V. 2]

2. [B.V. 1] . had een rekening-courantvordering op eiser. [B.V. 1] . en eiser hebben ter zake van de rekening-courantverhouding geen schriftelijke overeenkomst gesloten. Op de rekening-courantvordering is vanaf 2002 niet afgelost. Uit de aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) van [B.V. 1] . volgt dat de jaarlijks verschuldigde rente door [B.V. 1] . is bijgeschreven op de rekening-courantvordering. Eiser heeft verder met [B.V. 1] . een pensioenovereenkomst en een lijfrenteovereenkomst gesloten.

3. Eiser was gehuwd met [naam echtgenote] ( [echtgenote] ). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Op 4 januari 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen eiser en [echtgenote] uitgesproken. Eiser en [echtgenote] zijn overeengekomen dat [echtgenote] en de kinderen in de echtelijke woning zouden blijven wonen totdat de woning zou worden verkocht en dat eiser tot die tijd alle kosten met betrekking tot de woning, waaronder de maandelijkse hypotheek, zou blijven betalen. In juli 2007 is de woning verkocht.

4. Op 30 mei 2008 heeft eiser met zijn nieuwe partner [naam partner] ( [partner] ) een woning gekocht. Voor de financiering van deze woning hebben eiser en [partner] een hypothecaire lening verkregen van € 675.000. De woning is na de aankoop verbouwd. In juli 2008 hebben eiser en [partner] voor de verbouwing € 50.000 extra geleend.

5. Op 18 respectievelijk 20 september 2009 hebben eiser en [echtgenote] een echtscheidingsconvenant ondertekend, waarin is vastgelegd dat eiser met ingang van 10 juli 2006 aan [echtgenote] een partneralimentatie van € 2.550 per maand betaalt en met ingang van 22 februari 2005 een bijdrage in de kosten van de verzorging en de opvoeding van de kinderen van € 1.586 per maand (kinderalimentatie). Eind 2009/begin 2010 had eiser een betalingsachterstand van de te betalen partner- en kinderalimentatie van € 12.781,21. In januari 2010 heeft eiser een verzoek tot vermindering van de partner- en kinderalimentatie ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Bij beschikking van 6 oktober 2010 is de partneralimentatie verminderd tot € 2.480 per maand en de kinderalimentatie tot € 582,50 per kind per maand.

6. In september 2011 is eiser met [partner] in het huwelijk getreden. Dit huwelijk is in 2016 ontbonden.

7. Op 11 juli 2014 heeft eiser de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend. In deze aangifte is een schuld in box III aangegeven van € 813.072. Als omschrijving is vermeld ‘R/c [naam B.V. 1] ’.

8. Op 29 augustus 2014 heeft eiser de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend.

9. Op 30 april 2015 heeft [partner] de aangifte IB/PVV 2014 ingediend. Daarbij is een voordeel uit aanmerkelijk belang aangegeven van € 1.075.000 met als toelichting ‘afboeking rekening courant [B.V. 1] ’. [partner] heeft dit voordeel toegerekend aan eiser.

10. Op 3 juni 2016 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2014 ingediend. In de aangiften IB/PVV 2013 en 2014 heeft eiser in box III geen gegevens ingevuld. Eiser heeft geen voordeel uit aanmerkelijk belang aangegeven.

11. Op 3 juni 2016 heeft [B.V. 1] de aangifte Vpb 2014 ingediend. Daarin is de rekening-courantvordering met € 985.998 afgeboekt en is dit bedrag in mindering gebracht op de algemene reserve.

12. Op basis van de door [B.V. 1] . ingediende aangiften Vpb is het verloop van de rekening-courantvordering over de jaren 2002 tot en met 2014 als volgt:

2002

€ 120.929

2003

€ 124.931

2004

€ 171.047

2005

€ 202.814

2006

€ 360.169

2007

€ 519.876

2008

€ 592.694

2009

€ 654.724

2010

€ 734.629

2011

€ 813.072

2012

€ 902.722

2013

€ 1.012.226

2014

€ 26.228

13. In 2004 heeft [B.V. 1] . eiser een pensioentoezegging gedaan. Deze pensioentoezegging is vastgelegd in een aanvullende arbeidsovereenkomst, die door [B.V. 1] . en eiser is ondertekend op 22 maart 2004 (pensioenbrief). Op 1 januari 2006 is de pensioenbrief gewijzigd. Met ingang van 1 januari 2014 hebben [B.V. 1] . en eiser een nieuwe pensioenovereenkomst gesloten, die de eerder gedane pensioentoezeggingen vervangt.

14. Partijen hebben in 2017 en 2018 overleg gehad over de ingediende aangiften en de fiscale gevolgen van de afboeking van de rekeningcourant-vordering voor eiser.

15. Bij brief van 5 december 2018 heeft verweerder de aanslagen aangekondigd waarbij wordt uitgegaan van de volgende inkomsten in box I en box II:

box I

box II

2012

€ 10.632,00

€ 31.681,00

2013

€ 10.299,00

€ 54.752,00

2014

€ 1.186.680,00

€ 985.938,00

2015

€ 1.313.537,00

€ 537.500,00

2016

€ 1.619.918,00

€ 1.075.000,00

16. Verweerder heeft vervolgens aanslagen opgelegd voor de jaren 2014, 2015 en 2016, waarbij verweerder - ter behoud van rechten - voor meer ankers is gaan liggen, dat wil zeggen voor zowel afkoop van pensioen, c.q. lijfrente als uitdeling. Voor het geval deze aanslagen geen stand houden, heeft verweerder - ook ter behoud van rechten -navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2012 en 2013. In het verweerschrift heeft verweerder vermeld dat, wanneer in rechte komt te staan in welk jaar een inkomensbestanddeel in de heffing moet worden betrokken, de aanslagen voor de andere jaren ambtshalve zullen worden verminderd indien dat inkomensbestanddeel ook in die jaren is belast.

Geschil

17. In geschil is primair of de afboeking van € € 985.998 op de rekening-courantvordering van [B.V. 1] . op eiser, ten laste van de algemene reserve, kwalificeert als een afkoop van pensioenrechten en lijfrenten. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en of eiser recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep.

18. Verweerder heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat de afboeking op de rekening-courantvordering, ten laste van de algemene reserve, kwalificeert als een winstuitdeling in 2014, dan wel in 2015 of 2016, én als een afkoop van pensioen in 2014, dan wel in 2015 of in 2016. Desgevraagd heeft verweerder dit standpunt tijdens de zitting gewijzigd. Volgens verweerder kwalificeert de afboeking primair als een afkoop van pensioen in 2014, 2015 of 2016, hetgeen moet leiden tot een correctie van het box 1 inkomen in één van die jaren. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat de afboeking op de rekening-courantvordering is aan te merken als een winstuitdeling aan eiser in 2014, 2015 of 2016, hetgeen moet leiden tot een correctie van het box II inkomen in één van die jaren. Meer subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de toenames van de rekeningcourantverhouding in 2012 en 2013 kwalificeren als winstuitdelingen in die jaren zodat voor die jaren het box II inkomen gecorrigeerd moet worden.

19. Eiser is van mening dat in de jaren 2014, 2015 of 2016 géén sprake is van afkoop van de door [B.V. 1] . aan eiser toegekende pensioenaanspraken, omdat de pensioenaanspraken feitelijk al in 2009/2010 zijn afgekocht. Eiser had steeds hoger oplopende alimentatieverplichtingen, die hij niet kon nakomen, waardoor hij niet meer in staat was zijn schulden te voldoen. De waarde van de rekening-courantvordering was daarom nihil. Gelet op zijn slechte financiële situatie, is feitelijk al in 2009/2010 onderdekking ontstaan van de pensioenaanspraken. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er in 2014 wél sprake is van afkoop van pensioen dan is eiser van mening dat de waarde in het economisch verkeer van de pensioen- en lijfrenteaanspraken door verweerder te hoog is vastgesteld. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser naar de actuariële pensioenberekeningen bij de brief van zijn gemachtigde van 9 februari 2021. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding stelt eiser zich op het standpunt dat hij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep, omdat verweerder vijf (navorderings)aanslagen IB/PVV over 2012 tot en met 2016 heeft opgelegd waarin dezelfde uitdeling én afkoopsom van de pensioenaanspraken drie tot vijf keer in aanmerking is genomen. Daarmee heeft verweerder dermate onzorgvuldig gehandeld dat in plaats van de gebruikelijke forfaitaire kostenvergoeding, ingevolge het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (het Besluit), een integrale proceskostenvergoeding op zijn plaats is.

Beoordeling van het geschil

Afkoop pensioen
19. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) ziet op de fiscale consequenties bij een onregelmatige afwikkeling van pensioenaanspraken. Van een onregelmatige afwikkeling van pensioenaanspraken is in dit verband sprake ingeval op enig tijdstip een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht (afkoop) of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt. Indien op enig tijdstip sprake is van afkoop, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de pensioenaanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De waarde van de pensioenaanspraak dient te worden gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort teneinde de pensioenaanspraak te dekken.1

20. De rechtbank stelt vast dat de rekeningcourantvordering van [B.V. 1] . op eiser in 2014, ten laste van de algemene reserve, is afgeboekt met een bedrag van € 985.998. Dit blijkt uit de aangifte Vpb van [B.V. 1] . Door deze afboeking was [B.V. 1] . niet langer in staat aan de pensioenverplichtingen te voldoen zodat deze niet langer waren gedekt. De activa bestonden na de afboeking namelijk alleen nog uit het resterende deel van de rekeningcourantvordering van € 26.288, terwijl de passiva bestonden uit een negatieve winstreserve van -/- € 672.354 en de pensioenvoorziening van € 485.323.

21. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rekening-courantvordering al in de jaren 2009 en 2010 feitelijk waardeloos was geworden zodat toen al sprake was van onderdekking van de pensioenverplichtingen. De enkele stelling dat eiser in ernstige financiële problemen is geraakt door alle betalingsverplichtingen aan [echtgenote] , is daartoe onvoldoende, reeds omdat het niet strookt met het feit dat eiser (en [partner] ) in 2008 voor een totaalbedrag van € 725.000 aan leningen hebben verkregen voor de aanschaf en verbouwing van hun woning.

22. De omstandigheid dat de bezittingen van [B.V. 1] . in 2014 een aanzienlijk lagere waarde hadden dan de pensioenverplichtingen betekent naar het oordeel van de rechtbank, dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat in 2014 sprake was van afkoop van pensioen, zoals bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onder b, van de Wet LB.

23. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in 2014 sprake is van afkoop van pensioen, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van de (meer) subsidiaire standpunten.

24. Verweerder heeft tijdens de zitting het nadere standpunt ingenomen dat hij zich voor de berekening van de waarde van de pensioenaanspraken (waaronder begrepen de lijfrenteaanspraken) kan vinden in de door eiser overgelegde actuariële berekeningen van [naam persoon 5] ( [persoon 5] ). [persoon 5] heeft de waarde van de pensioenaanspraken ultimo 2014 berekend op € 1.029.170. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Dit betekent dat het box I inkomen van eiser, voor het jaar 2014, dient te worden vastgesteld op € 1.051.909 (€ 22.739 + € 1.029.170).

Revisierente

25. Een onregelmatige afwikkeling van pensioenaanspraken, als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onder b, van de Wet LB leidt ook tot het verschuldigd worden van revisierente.2 Voor het jaar 2014 is dan ook terecht een beschikking revisierente aan eiser opgelegd.

26. Omdat uitgegaan moet worden van een lagere waarde dan de waarde die verweerder heeft vastgesteld (€ 1.163.941) dient de revisierente te worden verminderd tot € 205.834 (20% van € 1.029.170).

Conclusie
25. Gelet op het gewijzigde standpunt van verweerder is het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond voor zover die handelt over de aanslag IB/PVV 2014. De uitspraak op bezwaar kan in zoverre niet in stand blijven. De aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 en de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 kunnen verder niet in stand blijven omdat deze slechts zijn opgelegd voor het geval dat de correctie voor 2014 in rechte geen stand zou houden.
Dit geldt ook voor de beschikkingen belastingrente 2012, 2013, 2015 en 2016, de beschikkingen revisierente 2015 en 2016 en de boetebeschikking voor 2015. De beroepen inzake de aanslagen en beschikkingen voor de jaren 2012, 2013, 2015 en 2016 dienen dan ook gegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn

26. Eiser heeft de rechtbank verzocht hem een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.3 De Hoge Raad overweegt in dit arrest als volgt: de redelijke termijn bedraagt in principe twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep samen. Als de totale procedure langer heeft geduurd, geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover die langer dan zes maanden heeft geduurd en de beroepsfase voor zover deze meer dan 18 maanden heeft geduurd. Vervolgens wordt als

uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar dat de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

27. Verweerder heeft de bezwaarschriften van eiser ontvangen op 22 januari 2019 respectievelijk op 28 maart 2019. De periode tussen deze data en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 6 maanden langer dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 6 maanden overschreden. Dit betekent een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van verweerder dateert van 19 december 2019. Dit is, gerekend vanaf 22 januari 2019, de ontvangstdatum van het oudste bezwaarschrift, ruim vijf maanden langer dan de termijn van zes maanden die geldt voor verweerder. Verweerder moet daarom een schadevergoeding betalen van € 500.

Integrale proceskostenvergoeding

28. Omdat de beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

29. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot een vergoeding van de integrale kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep. De gemachtigde heeft de totale kosten in bezwaar en beroep (inclusief btw) vastgesteld op € 38.245,39. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft hij een kostenoverzicht bezwaar en beroep met daarbij de onderliggende facturen en de data, de beschrijvingen van de door hem verrichtte werkzaamheden, de tijdsduur van deze werkzaamheden, het bijhorende tarief en de bijbehorende kosten overgelegd.

29. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft beslist, dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding, in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit grond is, als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (het “tegen beter weten in”-criterium).4 Ook als verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.5

30. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding moet worden toegekend. Verweerder heeft zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feiten, welk onderzoek werd bemoeilijkt omdat de standpunten van eiser over de relevante feiten niet in overeenstemming waren met zijn aangiften IB/PVV en met de aangiften Vpb van [B.V. 1] . Verweerder was daardoor genoodzaakt om meer aanslagen op te leggen ter behoud van rechten. Verweerder heeft daarbij niet tegen beter weten in gehandeld aangezien hij heeft toegezegd dat, wanneer in rechte vast komt te staan in welk jaar een inkomensbestanddeel in de heffing moet worden betrokken, de aanslagen voor andere jaren ambtshalve zullen worden verminderd. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot betaling van de integrale proceskosten dan ook af.

31. De rechtbank zal de vergoeding vaststellen op de voet van het Besluit. De rechtbank stelt de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.397 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1,5 vanwege vijf samenhangende zaken). Van overige kosten is geen vergoeding gevraagd.

32. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012, 2013, 2015 en 2016, alsmede de hierop betrekking hebbende beschikkingen belasting- en revisierente;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking 2015;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.051.909, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een bedrag uit sparen en beleggen van nihil;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente 2014 dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de beschikking revisierente 2014 tot een bedrag van € 205.834;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 2.397;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en
mr. J.J.J. Engel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Artikel 13, van de Wet LB juncto artikel 3.12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

2 Artikel 30i van de AWR.

3 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

4 Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

5 Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.