Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2911

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
AWB 20_3021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inburgeringsplicht; overschrijding inburgeringstermijn; zeer beperkte verwijtbaarheid inburgeraar; ambtshalve verlengen inburgeringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 20/3021


uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.B. Bierbach),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).

Procesverloop

In het besluit van 26 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 100, en bepaald dat eiser de aan het verstrekte lening moet terugbetalen.

In het besluit van 21 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk dhr. A. Garabetian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleidende overwegingen

1. De relevante regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Eiser was inburgeringsplichtig. De inburgeringstermijn liep van 21 februari 2016 tot en met 21 augustus 2019. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor het verlengen van de inburgeringtermijn op medische gronden gezien de rugklachten van zijn vrouw en de daarmee samenhangende (mantel)zorg. Deze aanvraag is in het primaire besluit afgewezen. Op 11 december 2019 heeft eiser zijn inburgeringsexamen gehaald.

Verlenging van de inburgeringstermijn op medische gronden

3. Eiser betoogt dat de overschrijding van de inburgeringstermijn niet verwijtbaar is geweest en dat de termijn om die reden had moeten worden verlengd. Eiser heeft gedurende de inburgeringstermijn de zorg gehad voor zijn vrouw, die kampt met ernstige rugklachten. Ook heeft eiser zelf last van psychische klachten die het volgen van onderwijs hebben belemmerd. Eiser heeft een kopie van het medisch dossier van zijn vrouw overlegd en een verklaring van het zorgbedrijf [bedrijf] dat eiser op 26 februari 2021 heeft onderzocht, conform DSM-5 een diagnose heeft gesteld en een behandelbeleid heeft aangeboden

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inburgeringstermijn terecht niet is verlengd, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minstens drie maanden achtereen niet in staat is geweest onderwijs te volgen. Verweerder verwijst naar een op 17 februari 2020 verzonden adviesrapportage van zijn medisch adviseur (Argonaut) waaruit blijkt dat niet kan worden gesteld dat eiser gedurende een periode van drie maanden niet in staat was onderwijs te volgen in verband met de zorg voor zijn vrouw.

5. Niet in geding is dat eiser de inburgeringstermijn heeft overschreden. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of er redenen zijn dat verweerder de inburgeringstermijn toch had moeten verlengen.

6. In de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt (het beleid) is bepaald dat eiser op medische gronden voor verlenging van de inburgeringstermijn in aanmerking komt als hij of zijn partner gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden leiden aan een langdurige ziekte.

7. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser niet aan de eis uit de Beleidsregel dat hij door de zorg voor zijn vrouw minstens drie maanden aaneengesloten niet in staat moet zijn geweest om onderwijs te volgen. Uit de medische stukken die verweerder heeft overlegd volgt dat de vrouw van eiser inderdaad aan ernstige en langdurige rugklachten leidt, maar niet blijkt dat het functioneren van eiser daardoor zo wordt beïnvloed dat daarmee ook aannemelijk is dat eiser daardoor drie maanden aaneengesloten geen onderwijs heeft kunnen volgen.

De inburgeringstermijn had toch moeten worden verlengd

8. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inburgeringstermijn van eiser had moeten verlengen. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

9. Uit de gedingstukken blijkt dat de echtgenote van eiser inderdaad lijdt aan langdurige en ernstige rugklachten, maar ook dat eiser zelf lijdt onder reeds ten tijde van het primaire en bestreden besluit aanwezige psychische traumatische klachten. Dat laatste blijkt met name uit het eerdergenoemde stuk van [bedrijf]. Deze combinatie van klachten bij eiser en zijn echtgenote maken naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat in zijn combinatie niet door Argonaut is onderzocht.

10. Daar komt bij dat eiser vijf van de zes examenonderdelen heeft gehaald voor het verstrijken van de inburgeringstermijn en dat hij de inburgeringstermijn met slechts ongeveer drie maanden heeft overschreden.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven is de rechtbank van oordeel dat eiser slechts in zeer beperkte mate een verwijt kan worden gemaakt. Mede gelet op de grote gevolgen van het niet verlengen van de inburgeringstermijn, waaronder het terugbetalen van de lening van ongeveer € 10.000, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de inburgeringstermijn met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de Wi (ambtshalve) had moeten verlengen. De rechtbank onderkent daarbij dat dit voorschrift naar de letter ziet op het ontbreken van verwijtbaarheid maar is van oordeel dat een redelijke uitleg meebrengt dat deze bepaling ook kan en moet worden toegepast in gevallen waarbij sprake is van sterk verminderde verwijtbaarheid in combinatie met grote negatieve gevolgen.

13. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen bespreking meer.

14. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen, zonder daarvoor een nieuw besluit in de plaats te stellen. Dit betekent dat eiser geen boete hoeft te betalen en de lening van DUO niet hoeft terug te betalen.

15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep. Verweerder moet die betalen. De kosten worden als volgt berekend. Eiser heeft zich laten bijstaan door een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft twee proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Deze proceshandelingen leveren ieder één punt op met een waarde van € 534. Toegekend wordt dus € 1.068. Ook moet verweerder de reiskosten van eiser vergoeden ter hoogte van € 29,48. Dit op grond van tweemaal de reisafstand tussen de woning van eiser en de rechtbank, op basis van een reis met het openbaar vervoer in de tweede klas. Tenslotte bedraagt het griffierecht dat verweerder aan eiser moet vergoeden € 178.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 178 aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiser ter hoogte van € 1.097,48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Wettelijk kader

Artikel 7b Wet inburgering

  1. De inburgeringsplichtige behaalt binnen drie jaar de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c.

  2. De termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig wordt.

  3. Onze Minister verlengt de termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van deze onderdelen van het inburgeringsexamen, of

[…]

Artikel 31 Wet inburgering

Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, niet binnen de in artikel 7b, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald.

Artikel 34 Wet inburgering

De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:

[…]

d. € 1.250 voor het niet behalen van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, binnen de bij of krachtens de artikelen 32 en 33 gestelde termijnen.

Artikel 4.13 Besluit inburgering

[…]

1. Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien:

a. het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, zijn behaald;

[…]

4. De kwijtschelding, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verleend indien de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a, b of c, zich heeft voorgedaan binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet respectievelijk de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet respectievelijk artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn.

Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt (Geldig 1-1-2020 t/m 15-05-2020)

Artikel 2. Langdurige ziekte

Bij langdurige ziekte van de inburgeringsplichtige, zijn partner of bloedverwant in de eerste graad van ten minste drie aaneengesloten maanden wordt de termijn van het participatieverklaringstraject of de termijn voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen verlengd met een periode die gelijk is aan de duur van die ziekteperiode.

Om in aanmerking te komen voor de verlenging dient de inburgeringsplichtige een verzoek in bij, en verstrekt een gerichte medische machtiging aan, DUO. Op deze machtiging geeft de inburgeringsplichtige aan op wie de machtiging betrekking heeft en voor welk doel DUO wordt gemachtigd om bij de behandelende arts of specialist informatie op te vragen. Het beoordelen daarvan gebeurt door een door DUO aangewezen medisch adviseur.