Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2892

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
365138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering. (Opvolgend) assurantietussenpersoon niet aansprakelijk voor schade van verzekerde wegens diens veroordeling tot terugbetaling arbeidsongeschiktheids-uitkeringen wegens misleiding (7:941 lid 5 BW). Geen schending zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/365138 / HA ZA 20-62

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiser]

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande,

eiser,

advocaat mr. C.W. Langereis te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VZP BEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. T.R.A. Kerstholt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en VZP Bedrijven genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bevolen en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte houdende overlegging producties tevens houdende wijziging / vermeerdering gronden vordering ex artikel 130 Rv van [eiser] , met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 maart 2021 en de daarin genoemde pleitnotitie van [eiser] en spreekaantekeningen van VZP Bedrijven.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De beoordeling

Wat is de kern van het geschil?

2.1.

[eiser] is in een eerdere procedure veroordeeld om door hem ontvangen uitkeringen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (€ 381.259,56) en niet betaalde verzekeringspremies (€ 42.031,64) plus de wettelijke rente over deze bedragen aan zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar (terug) te betalen. In die procedure is geoordeeld dat [eiser] aan de verzekeraar opzettelijk onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt. Volgens [eiser] is de veroordeling het gevolg van het te kort schieten door zijn assurantietussenpersoon VZP Bedrijven en de in haar opdracht werkende heer B. [naam 1] (verder: [naam 1] ) in hun zorgplicht jegens [eiser] . Met het schenden van de zorgplicht is VZP Bedrijven, zo stelt [eiser] , tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst of heeft zij onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld. [eiser] wil dan ook dat VZP Bedrijven zijn schade vergoedt. Hij vordert een verklaring voor recht dat VZP Bedrijven aansprakelijk is en de schade van [eiser] moet vergoeden. Hij vordert dat de hoogte van de te vergoeden schade nader zal worden bepaald in een schadestaatprocedure. De schade bestaat volgens [eiser] in ieder geval uit de bedragen die hij als uitkomst van de eerdere procedure aan de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar moet betalen en een bedrag van € 500.000,00 aan smartengeld.

VZP Bedrijven betwist dat zij - of [naam 1] als haar hulppersoon - is tekortgeschoten in de zorgplicht jegens [eiser] en dat, voor zover daarvan wel sprake zou zijn, daardoor schade is ontstaan. Van aansprakelijkheid voor schade van [eiser] kan dan volgens VZP Bedrijven ook geen sprake zijn.

De rechtbank komt tot het oordeel dat van schending van de zorgplicht niet is gebleken. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

Wat is er gebeurd?

2.2.

[eiser] is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf-DGA] B.V. (hierna: [bedrijf-DGA] ). [bedrijf-DGA] is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [eiser] was de enige werknemer van [bedrijf] .

2.3.

Op 20 november 2007 heeft [bedrijf-DGA] via de door haar ingeschakelde assurantietussenpersoon VZP Intermediair een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Generali). [bedrijf-DGA] was de verzekeringnemer, [eiser] was de verzekerde.

2.4.

Op de polis was vermeld dat de zogenoemde ‘Voorwaarden 602’ van toepassing waren. Op 12 oktober 2013 is de polis geprolongeerd. Hierbij is vermeld dat de ‘Voorwaarden 660’ golden.

2.5.

In het najaar van 2009 heeft VZP Intermediair bij Generali gemeld dat [eiser] arbeidsongeschikt was. Vanaf eind 2009 heeft [eiser] uitkeringen van Generali ontvangen.

2.6.

In 2013 rezen er bij Generali twijfels over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van [eiser] . Onder meer naar aanleiding van de bevindingen van een door Generali ingeschakeld detectivebureau heeft Generali de betalingen aan [eiser] per 1 november 2013 stopgezet. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2013 is Generali veroordeeld om de betalingen te hervatten. Generali heeft dit gedaan.

2.7.

Op 1 juni 2014 heeft VZP Intermediair haar assurantieportefeuille overgedragen aan VZP Bedrijven, die op 12 februari 2014 is opgericht. In de aan de overdracht ten grondslag liggende overeenkomst van 5 februari 2014 tussen VZP Intermediair en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), de man achter VZP Bedrijven, is overeengekomen dat – voor zover van belang – verkocht worden de portefeuillerechten (het recht op provisie en het recht op beheer van de verzekeringen die VZP Intermediair in beheer heeft) en de handelsnamen VZP Intermediair en VZP Intermediair B.V. Ook is overeengekomen dat de verkoop en koop geschiedt naar de toestand van het verkochte per de datum van levering en dat het risico met ingang van die datum voor rekening van koper is. VZP Intermediair heeft haar statutaire naam op 3 juni 2014 gewijzigd in DISKK Advies en Opleidingen B.V.

2.8.

[naam 1] was directeur-grootaandeelhouder van VZP Intermediair. Na de overdracht van de aandelenportefeuille heeft de heer B. [naam 1] als hulppersoon van VZP Bedrijven met [eiser] gecommuniceerd over de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

2.9.

In het tweede kwartaal van 2014 heeft Generali bij [eiser] financiële stukken opgevraagd. [eiser] heeft op 23 juni 2014 een e-mail van Generali van diezelfde datum hierover aan [naam 1] gezonden. In de e-mail van Generali is het volgende vermeld:

In onze berichtgeving van 24 april en 19 mei 2014 vragen wij u om ons aanvullende gegevens aan ons toe te sturen. Dit zijn:

- Een specificatie van de door u totaal per jaar per verzekeraar ontvangen uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid van de jaren 2009 t/m 2013.

- Een exacte specificatie waaruit uw inkomsten uit arbeid/loon en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking is opgebouwd.

- De aangifte IB van 2012 én de balans, winst en verliesrekening van 2012 van [bedrijf-DGA] Holding B.V. en de werkmaatschappij Willem [eiser] Producties.

- De aangifte IB van 2013 én de balans, winst en verliesrekening van 2013 van [bedrijf-DGA] Holding B.V. en de werkmaatschappij Willem [eiser] Producties.

(…)

In onze polisvoorwaarden staat beschreven wat u moet doen als u arbeidsongeschikt bent. Eén van de verplichtingen is dat u ons de benodigde informatie moet geven. Bijvoorbeeld ook over uw inkomen. Dit om vast te stellen of u recht heeft op een uitkering en hoe hoog uw uitkering moet zijn. Tot op heden hebben wij de gevraagde gegevens niet ontvangen. Wij geven u hierbij een laatste uitstel om deze informatie uiterlijk vóór 5 augustus 2014 toe te sturen. Hebben wij de gevraagde informatie op deze datum niet van u ontvangen, dan zal de uitbetaling van uw uitkering worden opgeschort.

2.10.

[naam 1] heeft bij e-mail van 26 juni 2014 aan [eiser] (met een CC aan [naam 2] van VZP Bedrijven) hierop als volgt gereageerd:

Op basis van de polisvoorwaarden, daar heeft Generali helemaal gelijk in, ben je verplicht de gevraagde informatie aan te leveren. (…) Ik denk er het mijne van, dat merk je wel, maar toch wil ik jou met klem vragen de gevraagde informatie tijdig aan te leveren. Geef Generali niet de kans om de uitkering te beëindigen of op te schorten op basis van het door jou niet voldoen aan formaliteiten!!!!!

Pas als jij de gevraagde informatie hebt verstrekt kan Generali bepalen of er aanleiding is om de uitkeringen bij te stellen. Hebben zij die aanleiding niet dan kun je op dat punt weer een Vinkje zetten. Game over t/m 2013. Zijn wij wel van mening dat het cijferwerk aanleiding moet zijn tot correctie van uitkeringen dan zul je op dat moment moeten beoordelen of die mening van Generali terecht is.

2.11.

Op 6 oktober 2014 heeft [eiser] aan Generali financiële stukken over de voorgaande jaren verstrekt, waaronder de jaarrekeningen, omzetgegevens en facturen van [bedrijf] . In de hierna nader genoemde procedure is komen vast te staan dat [bedrijf] volgens deze stukken een omzet heeft behaald van in 2010 € 120.232,00, in 2011 € 80.698,00, in 2012 € 98.967,00 en 2013 € 43.581,00 en dat de kosten van werk van derden in 2010 € 10.686,00 bedroegen, in 2011 € 4.450,00 en in 2012 en 2013 € 0,00.

2.12.

Bij brief van 14 november 2014 heeft Generali de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [eiser] met ingang van december 2009 beëindigd.

2.13.

Bij vonnis van 19 augustus 2015 (zaak- en rolnummer: C/16/382745 / HA ZA 14-955) heeft de rechtbank Midden-Nederland [eiser] en [bedrijf-DGA] Holding hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Generali van € 381.259,56 aan ontvangen uitkeringen en € 42.031,64 aan niet betaalde verzekeringspremies, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.14.

Dit vonnis is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 april 2018 (zaaknummer 200.187.377) bekrachtigd. Het gerechtshof heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:

4.3

Generali heeft onbestreden gesteld en met producties onderbouwd dat de Bijzondere Voorwaarden met setnummers (…) 602 (…) van toepassing zijn verklaard in het polisblad van 11 oktober 2009 (…). Onbestreden is ook gebleven dat deze Bijzondere Voorwaarden al van toepassing waren op de verzekeringsovereenkomst vanaf de ingangsdatum van de verzekering. De voorwaarden waren daarmee van toepassing op de verzekeringsovereenkomst toen [eiser] zich op 23 oktober 2009 arbeidsongeschikt meldde.

4.4 (…)

Voor zover de artikelen 14 en 25 Bijzondere Voorwaarden afwijken van artikel 7:941 BW dienen zij wel buiten toepassing te blijven (…)

(…)

4.13

Op grond van het voorgaand is het hof van oordeel dat vast staat dat [eiser] inkomen heeft gegenereerd met werken. In de polis is “Inkomen” immers gedefinieerd als: “het bruto inkomen van de verzekerde uit arbeid en/of winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting”. Gelet daarop en gelet op het feit dat [eiser] directeur-grootaandeelhouder is van [bedrijf-DGA] , [bedrijf-DGA] directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] en [eiser] de enige werknemer van [bedrijf] , dient de omzet/winst van de werkmaatschappij, zoals Generali ook heeft aangevoerd, te worden aangemerkt als het inkomen van [eiser] .

4.14

Op grond van artikel 25 lid 1 aanhef en onder d en e (alsook op grond van artikel 7:941 lid 2 BW) waren [eiser] c.s. verplicht geen feiten en omstandigheden, die voor de mate van arbeidsongeschiktheid of uitkering van belang zijn, te verzwijgen, dan wel feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig weer te geven, en waren zij verplicht om Generali terstond op de hoogte te stellen van het geheel of gedeeltelijk herstel van [eiser] , dan wel van gehele of gedeeltelijke hervatting van zijn beroepswerkzaamheden en/of het verrichten van andere arbeid. (…)

4.16

De conclusie is dat [eiser] c.s., door de door [eiser] verrichte werkzaamheden en de daarmee gegenereerde omzet/winst niet te melden, in strijd hebben gehandeld met artikel 25 lid 1 aanhef en sub d en e Bijzondere Voorwaarden en/of artikel 7:941 lid 2 BW.

(…)

4.19 (…)

Het gedurende de jaren 2010-2013 stelselmatig (laten) verklaren dat [eiser] niet werkte, terwijl dat wel het geval was en hij daarmee substantiële omzetten behaalde, terwijl hij (…) het belang van Generali onderkende om juist te worden geïnformeerd, rechtvaardigt het oordeel dat er sprake is geweest van de opzet om te misleiden. Het beroep van Generali op artikel 7:941 lid 5 BW is daarmee in beginsel gerechtvaardigd.

2.15.

Bij arrest van 25 oktober 2019 (nummer 18/03084) heeft de Hoge Raad het door [eiser] hiertegen ingestelde beroep in cassatie verworpen.

2.16.

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening heeft bij niet-bindende uitspraak van 23 april 2019 (dossiernummer 18.01110) de door [eiser] van VZP Bedrijven gevorderde schadevergoeding van € 946.628,00 afgewezen.

2.17.

VZP Bedrijven is bij brieven van 3 mei 2017 en 15 juli 2019 namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten in de zorgplicht jegens [eiser] .

Wat verwijt [eiser] VZP Bedrijven?

2.18.

[eiser] verwijt VZP Bedrijven dat zij haar zorgplicht heeft geschonden doordat zij, althans [naam 1], voor wiens gedrag VZP Bedrijven aansprakelijk is omdat hij, volgens [eiser] , haar ‘hulppersoon’ is in de zin van de artikelen 6:76 en 6:171 BW:

a. [eiser] er niet op heeft gewezen dat hij op grond van de Voorwaarden verplicht was zijn inkomensgegevens aan Generali te verstrekken;

b. [eiser] er niet op heeft gewezen dat hij op grond van in een e-mail van 12 oktober 2010 van Generali aan VZP Intermediair weergegeven afspraken niet verplicht was zijn inkomensgegevens aan Generali te verstrekken;

c. [eiser] er niet op heeft gewezen dat hij naar aanleiding van de verzoeken van Generali van het voorjaar van 2014 om informatie op grond van de van toepassing zijnde Voorwaarden 660 alleen verplicht was om zijn belastingaangiften en aanslagen te verstrekken (en dus niet de jaarstukken en dergelijke van [bedrijf-DGA] en [bedrijf] );

d. [eiser] niet heeft gewaarschuwd dat in de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019 de verkeerde polisvoorwaarden werden gehanteerd;

e. na de overname van de aandelenportefeuille geen contact met [eiser] heeft opgenomen.

2.19.

De rechtbank zal deze verwijten hierna bespreken. Maar eerst zal worden beoordeeld of VZP Bedrijven, zoals [eiser] stelt, aansprakelijk is voor het handelen of nalaten door VZP Intermediair en/of [naam 1] in de periode tot 1 juni 2014.

VZP Bedrijven is niet aansprakelijk voor het handelen van VZP Intermediair of van [naam 1] tot 1 juni 2014

2.20.

Geen geschilpunt is dat VZP Bedrijven pas vanaf 1 juni 2014 de assurantietussenpersoon van [eiser] is en dat VZP Bedrijven – voor zover in dit verband van belang – van VZP Intermediair alleen de portefeuillerechten en de handelsnamen heeft gekocht. Er is dus geen sprake van een overname van of een fusie met VZP Intermediair en – zoals de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening in haar uitspraak van 23 april 2019 ook al heeft overwogen – de aansprakelijkheid voor eventuele fouten van VZP Intermediair zijn niet op VZP Bedrijven overgegaan. VZP Bedrijven is dus vanaf 1 juni 2014 verantwoordelijk voor de door haar gekochte assurantieportefeuille, maar zij kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele tekortkomingen of mogelijk onrechtmatig handelen door VZP Intermediair vóór 1 juni 2014.

2.21.

Ten aanzien [naam 1] heeft VZP Bedrijven erkend dat hij vanaf 1 juni in opdracht van VZP Bedrijven de contacten met [eiser] heeft onderhouden en dat hij vanaf die datum als haar (niet-ondergeschikte) hulppersoon kan worden beschouwd. Evenmin is echter een geschilpunt dat [naam 1] vóór genoemde datum van 1 juni 2014 geen werkzaamheden voor VZP Bedrijven heeft verricht. Anders dan [eiser] stelt bieden de artikelen 6:76 en 6:171 BW dan ook geen grondslag voor aansprakelijkheid van VZP Bedrijven voor de gedragingen en eventueel gemaakte fouten van [naam 1] van vóór 1 juni 2014. Een andere grondslag voor aansprakelijkheid van VZP Bedrijven voor handelingen van [naam 1] van voor die datum heeft [eiser] niet gegeven.

2.22.

Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op gedragingen en eventuele fouten van VZP Intermediair of [naam 1] van vóór 1 juni 2014 zijn deze daarom niet toewijsbaar. Dat er vóór 1 juni 2014 tussen [eiser] en - het pas in februari 2014 opgerichte - VZP Bedrijven zelf een relatie heeft bestaan die tot (een tekortkoming of onrechtmatige daad wegens het schenden van) een zorgplicht zou hebben kunnen leiden heeft [eiser] niet gesteld.

Heeft VZP Bedrijven haar zorgplicht geschonden?

2.23.

Hierna wordt aan de hand van de door [eiser] gemaakte vijf verwijten beoordeeld of VZP Bedrijven, al dan niet met [naam 1] als ‘hulppersoon’, haar zorgplicht heeft geschonden en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van haar overeenkomst met [eiser] of onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld en of [eiser] daarom recht heeft op schadevergoeding. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiser] is om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat VZP Bedrijven niet aan haar zorgplicht heeft voldaan én dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. Dit zijn immers de pijlers waarop hij zijn claim op VZP Bedrijven baseert. Bij de beoordeling van de vraag of de zorgplicht is geschonden komt het er in zijn algemeenheid op aan of VZP Bedrijven als assurantietussenpersoon tegenover [eiser] , haar opdrachtgever, de zorg heeft betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Wat in een concreet geval mag worden verwacht hangt onder meer af van de betrokken belangen en de omstandigheden van het geval. Dit zal, zo nodig, hierna per verwijt nader aan de orde komen.

Verwijt a: het niet wijzen op de plicht om inkomensgegevens te verstrekken

2.24.

[eiser] verwijt VZP Bedrijven allereerst dat zij hem er niet op heeft gewezen dat hij op grond van de verzekeringspolis in principe verplicht was om zijn inkomensgegevens aan Generali te verstrekken. Zoals hiervoor in rov 2.20-2.22 is overwogen, kan VZP Bedrijven voor de periode van voor 1 juni 2014 in dit kader niets worden verweten. Het gaat daarom nog alleen om de vraag of VZP Bedrijven op dit punt na 1 juni 2014 iets valt te verwijten. Voor zover [eiser] stelt dat VZP Bedrijven hem na 1 juni 2014 in strijd met haar zorgplicht niet tijdig op zijn verplichtingen heeft gewezen, wordt die stelling verworpen, nog daargelaten dat niet onderbouwd is welke schade daar dan uit zou zijn voortgevloeid. Vast staat dat [naam 1] [eiser] bij e-mail van 26 juni 2014 (met een afschrift aan VZP Bedrijven) erop heeft gewezen dat hij verplicht is de gevraagde financiële stukken aan Generali te verstrekken. Dit was dus binnen één maand nadat VZP Bedrijven de assurantietussenpersoon was geworden van [eiser] . Voor zover er al op VZP Bedrijven een plicht zou rusten om verzekerden erop te wijzen dat zij de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar moeten informeren over (veranderingen in) hun financiële situatie, mocht VZP Bedrijven erop vertrouwen dat [eiser] zich vanaf 26 juni 2014 hiervan bewust was en is hiermee tijdig aan die eventuele op VZP Bedrijven rustende verplichting voldaan.

Verwijt b: het niet wijzen op de afspraken in de e-mail van 12 oktober 2010

2.25.

Anders dan [eiser] stelt, volgt uit de door [eiser] genoemde e-mail van Generali aan VZP Intermediair van 12 oktober 2010 niet dat [eiser] niet verplicht was inkomensgegevens aan Generali te verstrekken. In de e-mail staat:

Daarnaast heb ik eerder met jou gehad over de eventuele oververzekering van de heer [eiser] . Als ik de verschillende dekkingen bij de verschillende verzekeraars op een rijtje zet kan het zijn dat de heer [eiser] vanaf het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid in totaal meer aan uitkeringen ontvangt dan dat zijn toetsingsinkomen was voor zijn arbeidsongeschiktheid. Wij willen de heer [eiser] niet verder belasten met dit onderzoek en de eventuele verlaging van de uitkering die hieruit voort kunnen komen. Wij zullen zijn verzekerde bedragen handhaven en de uitkering baseren op de € 78.400 die bij Generali is verzekerd.

Hieruit kan worden afgeleid dat Generali heeft toegezegd geen gevolgen te zullen verbinden aan een eventuele oververzekering van [eiser] en bij het bepalen van de hoogte van de uitkering steeds uit te gaan van het totale verzekerde bedrag van € 78.400,00. Hieruit blijkt niet zonder meer dat door Generali is toegezegd dat zij bij het bepalen van de hoogte van de uitkering bij arbeidsongeschiktheid geen rekening zal houden met het door [eiser] feitelijk verworven inkomen of zijn mogelijkheden om zelf inkomen te verwerven. [eiser] heeft geen omstandigheden genoemd waaruit zou kunnen volgen dat aan die brief wel die betekenis moet worden gegeven.

2.26.

Dat betekent dat de veronderstelling van [eiser] dat hij op grond van de e-mail van 12 oktober 2010 nooit verplicht kon worden om inkomensgegevens aan Generali te verstrekken onjuist is. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, kan daarom ook niet worden aangenomen dat VZP Bedrijven [eiser] , voordat hij de financiële informatie aan Generali had verstrekt, had moeten wijzen op die e-mail van 12 oktober 2010. Van schending van de zorgplicht is in dit verband dan ook geen sprake. VZP Bedrijven heeft er verder nog op gewezen dat op de door [eiser] als productie 13 ingebrachte uitdraai van het e-mailbericht van 12 oktober 2010 te zien is dat dit bericht al op 2 december 2010 per e-mail door Van der Heijde aan [eiser] is doorgestuurd. Het nog gevoerde verweer van VZP Bedrijven dat zij [eiser] reeds daarom niet meer (nogmaals) op de e-mail van 12 oktober 2010 had hoeven te wijzen, kan gelet op het vorenstaande echter onbesproken blijven.

Verwijt c: het niet melden dat [eiser] alleen aangiften en aanslagen IB hoefde te verstrekken

2.27.

[eiser] stelt dat hij op basis de Voorwaarden 660, die van toepassing waren vanaf de prolongatie van de polis op 12 oktober 2013 en dus ook ten tijde van het verzoek van Generali in 2014 om financiële stukken, alleen verplicht was om zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over te leggen. Hij had toen, zo stelt hij, dus niet de jaarstukken van [bedrijf-DGA] en [bedrijf] hoeven op te sturen. VZP Bedrijven had, aldus [eiser] , hem daarop moeten wijzen en heeft hem daarover in de brief van 26 juni 2014 onjuist geadviseerd. VZP Bedrijven betwist niet dat in 2014 de Voorwaarden 660 golden. Zij betwist wel dat deze voorwaarden op dit punt wezenlijk verschilden van de ‘Voorwaarden 602’. [eiser] was, aldus VZP Bedrijven, hoe dan ook verplicht alle door Generali opgevraagde stukken te verstrekken. VZP Bedrijven betwist dan ook dat sprake was van een onjuist advies of anderszins van een schending van haar zorgplicht.

2.28.

Anders dan [eiser] stelt volgt uit de Voorwaarden 660 niet dat hij de door Generali opgevraagde stukken niet zou hoeven te verstrekken. Dat bij artikel 47 van die voorwaarden is vermeld dat met het inkomen van een directeur-grootaandeelhouder van een BV wordt bedoeld diens belastbare inkomen volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 plus het uitgekeerde dividend doet daaraan niet af. Immers, in artikel 55 van de Voorwaarden 660 is het volgende vermeld:

55. Wat moet ik doen als ik arbeidsongeschikt ben?

(…)

 U moet ons alle informatie geven waar wij om vragen. Bijvoorbeeld ook informatie over uw inkomen. Anders kunnen wij niet vaststellen of u recht heeft op een uitkering. En hoe hoog uw uitkering moet zijn.

(…)

  • -

    Het is belangrijk dat de informatie die u doorgeeft, juist en volledig is. U mag ons niet met opzet misleiden, of zaken anders voorstellen dan ze zijn.

  • -

    Kunt u (gedeeltelijk) blijven werken als uw taken, werkzaamheden of werkomstandigheden worden aangepast? Dan moet u daaraan meewerken als dat in redelijkheid van u kan worden gevraagd.

  • -

    Gaat u weer (gedeeltelijk) aan het werk? In uw eigen beroep, of een ander beroep? Geef dit dan direct aan ons door.

(…)

 Houdt u zich niet aan deze verplichtingen? En wordt Generali daardoor benadeeld? Dan mogen wij uw uitkering verlagen of stopzetten.

2.29.

Op basis van dit artikel 55 van de Voorwaarden 660 mocht Generali dus ook andere informatie dan de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting opvragen, die voor de beoordeling van het recht op uitkering van [eiser] van belang zouden kunnen zijn. Dat heeft Generali in de e-mail van 23 juni 2014 ook gedaan. [eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat de door Generali opgevraagde gegevens, die uiteindelijk ook tot de in rov. 2.13-2.15 weergegeven eerdere procedure (verder: de eerdere procedure) hebben geleid, voor de beoordeling van het recht op uitkering van geen belang zouden zijn. In die omstandigheden kan zonder nader toelichting, die niet is gegeven, niet worden aangenomen dat [naam 1] als hulppersoon van VZP Bedrijven [eiser] er bij e-mail van 26 juni 2014 ten onrechte op heeft gewezen dat [eiser] verplicht was de opgevraagde informatie te verstrekken en dat dit een schending is van de zorgplicht van [naam 1] of [eiser] .

Verwijt d: niet melden dat Voorwaarden 660 in procedure hadden moeten worden toegepast

2.30.

[eiser] stelt verder dat de beslissingen in de eerdere procedure zijn gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat in de daar relevante periode de Voorwaarden 602 van toepassing waren. [eiser] stelt dat toen de Voorwaarden 660 van toepassing waren en dat indien de verschillende gerechten daarvan op de hoogte waren geweest, dit tot een andere uitkomst van de eerdere procedure zou hebben geleid. [eiser] verwijt VZP Bedrijven dat zij hem hier niet op heeft gewezen, zodat hij dat in de eerdere procedure naar voren had kunnen brengen. VZP Bedrijven betwist dat in de eerdere procedure ten onrechte is uitgegaan van de Voorwaarden 602. Zij betwist bovendien dat als toen zou zijn geoordeeld op basis van de Voorwaarden 660, die volgens VZP Bedrijven niet wezenlijk van de Voorwaarden 602 verschillen, dit tot een andere uitkomst had geleid. Voor zover er al sprake van zou zijn dat de beslissingen zijn genomen op basis van de verkeerde voorwaarden is dit, zo voert VZP Bedrijven verder aan, niet aan haar te wijten maar aan de advocaat van [eiser] , heeft VZP Bedrijven daarmee haar zorgplicht niet geschonden en dient de schade voor rekening van [eiser] te blijven.

2.31.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft dat in de eerdere procedure ten onrechte de Voorwaarden 602 zijn gehanteerd. Die procedure ging immers over de vraag of [eiser] zich in de periode vóór 12 oktober 2013, in de jaren 2010-2013, had gehouden aan zijn verplichtingen jegens Generali. In die periode was van de voorwaarden 660 nog helemaal geen sprake. De door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat bij de prolongatie op 12 oktober 2013 alsnog de Voorwaarden 660 zijn overeengekomen betekent niet dat die voorwaarden en de daarin ogenomen rechten en verplichtingen met terugwerkende kracht golden voor de daaraan voorafgaande periode. [eiser] heeft niet concreet gemaakt waaruit dat zou volgen. Hij heeft niet aangevoerd dat dit in de Voorwaarden 602 of 660 zou staan, dat daarover tussen hem en Generali, al dan niet via een tussenpersoon, is gecommuniceerd of dat daarover op een andere wijze overeenstemming is bereikt. Ook de, verder niet onderbouwde, tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stelling van [eiser] dat de Voorwaarden 660 een verduidelijking zijn van de Voorwaarden 602 brengt niet met zich dat in de eerdere procedure het handelen van [eiser] in de jaren 2010-2013 niet had mogen worden getoetst aan de op dat moment nog geldende Voorwaarden 602. De stelling dat de rechtbank, het gerechtshof en Hoge Raad in de eerdere procedure van de onjuiste voorwaarden zijn uitgegaan wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen.

2.32.

Bovendien kan in zijn algemeenheid niet gesteld worden dat het tot de zorgplicht van een assurantietussenpersoon hoort om [eiser] ongevraagd te adviseren over het in een juridische procedure in te nemen standpunt over welke versie van de voorwaarden van toepassing is. Dit geldt temeer omdat [eiser] op dat moment werd bijgestaan door een advocaat en dus juridische bijstand had. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom een dergelijke advisering in dit geval wel van VZP Bedrijven verwacht zou mogen worden. Ook om deze reden is dit verwijt van [eiser] ongegrond.

2.33.

Ten derde heeft [eiser] , als er al van zou kunnen worden uitgegaan dat in de eerdere procedure aan de verkeerde voorwaarden is getoetst en VZP Bedrijven [eiser] in dat geval hierover had moeten adviseren, onvoldoende onderbouwd dat en waarom toepassing van de Voorwaarden 660 tot een andere uitkomst van die eerdere procedure zou hebben geleid. Immers, ook op grond van het hiervoor geciteerde artikel 55 van die Voorwaarden 660, moest [eiser] direct melden als hij weer werkzaamheden verrichtte. Ook moest hij Generali juist en volledig informeren en mocht hij haar niet met opzet misleiden of zaken anders voorstellen dan ze zijn. Gelet op de hiervoor in rov. 2.14 geciteerde overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 17 april 2018 kan dan ook, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat de eerdere procedure bij toepassing van de Voorwaarden 660 anders zou zijn geëindigd. Dit geldt te meer nu het gerechtshof haar oordeel ook baseert op het door [eiser] schenden van de in 7:941 BW lid 2 neergelegde verplichting om alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. [eiser] heeft niet gesteld dat die wettelijke bepaling niet zou gelden als de Voorwaarden 660 van toepassing zouden zijn.

2.34.

De conclusie is dat ook verwijt d niet tot toewijzing van de vordering van [eiser] kan leiden.

Verwijt e: VZP Bedrijven heeft geen contact met [eiser] opgenomen

2.35.

[eiser] verwijt VZP Bedrijven tot slot dat zij na de overname van de aandelenportefeuille geen contact met hem heeft opgenomen, terwijl zijn dossier dit wel rechtvaardigde. Deze stelling wordt als ongegrond verworpen, nog in het midden gelaten in hoeverre dit dan een schending van de zorgplicht zou opleveren en of dit tot de door [eiser] gestelde schade zou hebben geleid, wat VZP Bedrijven betwist en [eiser] overigens niet concreet heeft onderbouwd. Vast staat namelijk dat [naam 1] als hulppersoon van VZP Bedrijven contact met [eiser] heeft onderhouden. De stelling dat VZP Bedrijven geen contact met [eiser] heeft onderhouden is dus niet juist.

2.36.

Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat VZP Bedrijven daarbij geen gebruik had mogen maken van [naam 1] als hulppersoon, wordt ook deze stelling verworpen. [naam 1] heeft [eiser] namelijk bij e-mail van 2 juni 2014 laten weten dat de assurantieporte-feuille is overgedragen aan VZP Bedrijven en dat hij zich voortaan tot VZP Bedrijven kan wenden. [eiser] heeft er vervolgens zelf voor gekozen om met [naam 1] te communiceren over de arbeidsongeschiktheidsverzekering. [naam 1] heeft daarna bij e-mail van 26 juni 2014 nogmaals aan [eiser] bericht dat hij zich eigenlijk tot VZP Bedrijven moet wenden. Die e-mail en daarop volgende mailwisselingen heeft [naam 1] VZP Bedrijven steeds in afschrift aan VZP Bedrijven gestuurd. Omdat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om met [naam 1] te blijven communiceren en zich niet (alleen) tot VZP Bedrijven te richten, kan [eiser] VZP Bedrijven niet terecht verwijten dat de contacten met VZP Bedrijven verliepen via [naam 1] als hulppersoon.

2.37.

Voor zover [eiser] VZP Bedrijven nog verwijt dat er na de overdracht van de assurantieportefeuille te lang is gewacht met het leggen van contact, wordt ook dit verwijt verworpen. [naam 1] heeft, als hulppersoon van VZP Bedrijven, [eiser] op 26 juni 2014 gemaild. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom het via een tussenpersoon leggen van contact binnen één maand na de overdracht van de portefeuille en binnen drie dagen na ontvangst van de e-mail van [eiser] van 23 juni 2014 hier niet (ruimschoots) op tijd zou zijn.

Conclusie en proceskosten

2.38.

De conclusie is dat geen van de vijf door [eiser] gemaakte verwijten gegrond is en dat niet is komen vast te staan dat VZP Bedrijven haar zorgplicht heeft geschonden. Er is dan ook geen sprake van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad wegens die door [eiser] gestelde zorgplichtschending. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht die hierop zien, zullen dan ook, reeds om die reden, worden afgewezen.

2.39.

[eiser] verliest deze rechtszaak. Hij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. De kosten worden, tot dit vonnis, aan de kant van VZP Bedrijven begroot op € 1.782,00, te weten € 656,00 griffierecht en € 1.126,00 aan salaris voor de advocaat (twee punten x € 563,00, tarief II). De door VZP Bedrijven gevorderde vergoeding van nakosten zal op de hierna te melden wijze worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als op de wet gegrond worden toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van VZP Bedrijven begroot op € 1.782,00, te vermeerderen met de nakosten van € 163,00 zonder betekening of € 248,00 in geval van betekening, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling;

3.3.

verklaart onderdeel 3.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.