Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2858

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
96-030484-19, 96-097797-16 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed drugs. Bloedonderzoek. Tijdige bezorging monsters, doorzending ander laboratorium, tijdigheid onderzoek.

Geen schending strikte waarborgen deugdelijkheid bloedonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Politierechter

Parketnummer: 96-030484-19, 96-097797-16 (tul)

Datum uitspraak: 21 mei 2021

Tegenspraak

SCHRIFTELIJK VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 19 november 2018 te Zutphen, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegensverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 140 microgram amfetamine per liter bloed en/of 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

( art 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Standpunten van partijen ten aanzien van het bewijs

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op ECLI:NL:GHAMS:2020:2282. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat het bloedmonster wel verzegeld is aangekomen. Het is eerst naar het NFI verzonden, waarna het NFI het doorstuurt naar het lab. Als het bloed niet voldoende zou zijn gekoeld, dan leidt dat tot afbraak van de stoffen in het bloed, niet tot een toename. Het lab is geaccrediteerd. Het onderzoek heeft langer geduurd dan de twee weken die er voor staan, maar daarmee is geen strikte waarborg geschonden.

De verdediging heeft aangevoerd dat de resultaten van het bloedonderzoek niet gebruikt mogen worden, onder verwijzing naar onder meer ECLI:NL:GHARL:2020:8608 en ECLI:NL:GHDHA:2021:205. Zo zou niet duidelijk zijn dat de monsters verzegeld zijn aangekomen, is de administratie rondom het bloedonderzoek niet deugdelijk en is het de vraag of de bloedmonsters zo spoedig mogelijk zijn bezorgd. Omdat de buisjes bloed buiten de rechtssfeer van de Nederlandse Staat worden gebracht, behoren deze voorschriften tot het stelsel van strikte waarborgen waarvan de niet naleving meebrengt dat niet van een onderzoek in de zin van artikel 8 WVW kan worden gesproken, aldus de verdediging.

Beoordeling door de politierechter

Onderzoek in de zin van art. 8 WVW?

Juridisch kader

Uit artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994, volgt onder meer dat het verboden is een voertuig te besturen na gebruik van drugs, waardoor het gehalte drugs in het bloed van de bestuurder bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde.

Het onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van drugs in het bloed vindt plaats in een daartoe geaccrediteerd laboratorium nadat bij de bestuurder bloed is afgenomen. In het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen (hierna: het Besluit) is de procedure aangaande dit onderzoek nader uitgewerkt. Zo is in artikel 13, eerste lid aanhef en onder d van het Besluit onder meer bepaald dat de opsporingsambtenaar die bij de bloedafname aanwezig is ervoor zorgt dat het/de buisje(s) bloed in een voorgeschreven verpakking en met fraudebestendige sluitzegels en afsluiting zo spoedig mogelijk wordt/worden bezorgd bij het laboratorium. In artikel 16, eerste lid, is bepaald dat de onderzoeker het onderzoek verricht binnen twee weken na ontvangst van het buisje bloed.

Bloedafname bij verdachte, verzending

Op 19 november 2018 is bij verdachte bloed afgenomen wegens een verdenking van rijden onder invloed van een andere stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid WVW. De politierechter stelt vast dat de verdenking als zodanig niet in geschil is. Ook staat vast dat de 90-minuten termijn niet is overschreden.

Uit het dossier blijkt dat de bloedmonsters (volgens het grotendeels voorbedrukte formulier, onderaan bij “in te vullen door het NFI”) op 22 november 2018 zijn ontvangen en dat deze bij ontvangst - anders dan door de verdediging gesteld - wel waren verzegeld.1

Uit het beperkte tijdsverloop van slechts drie dagen tussen afname van het bloed en ontvangst door (blijkens het in zoverre voorbedrukte formulier:) het NFI kan niet worden afgeleid dat de opsporingsambtenaar er niet voor heeft gezorgd dat het afgenomen en verzegeld verstuurde bloed zo spoedig mogelijk is bezorgd zoals bedoeld in art. 13 eerste lid aanhef en onder d van het Besluit.

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat het procesdossier niet vermeldt op welke datum (volgens de tekst op het in zoverre voorbedrukte formulier:) het NFI de bloedmonsters heeft doorgestuurd naar Labor. Verder vermeldt het dossier niet of de bloedmonsters rechtstreeks naar Dessau zijn gegaan of via een of meer tussenstops, op andere locaties van Labor namelijk Maastricht of Mönchengladbach. Niet ter discussie staat dat (ook) Labor Dessau geaccrediteerd is volgens de eisen van de Wegenverkeerswet, zoals getoetst door het NFI en zoals beschreven in het rapport.

Naar het oordeel van de politierechter kan in het midden blijven of het bloed eerst is ingestuurd naar het NFI en daarna is doorgestuurd naar Labor Monchengladbach te Maastricht of dat op dat punt sprake is van een niet aangepaste passage op het voorbedrukte formulier, omdat er geen reden is voor twijfel aan de aantekening dat de bloedmonsters op 22 november 2018 verzegeld zijn ontvangen door het laboratorium. Die eerste ontvangstdatum is bepalend met oog op toetsing aan artikel 13, eerste lid aanhef en onder d van het Besluit.

De omstandigheid dat de bloedmonsters via een of meerdere tussenstops (uiteindelijk) naar het buitenland zijn verzonden voor het feitelijk uit te voeren onderzoek (door een overigens geaccrediteerde en door het NFI getoetste instelling) doet geen nieuwe termijn in de zin van art. 13 eerste lid aanhef en onder d van het Besluit aanvangen.

De door de verdediging opgeroepen vragen, zoals: wat heeft de verbalisant precies met de monsters gedaan, zijn de monsters goed koud gehouden, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen zoals het proces-verbaal rijden onder invloed waarin is beschreven dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit in het verkeer zijn gewaarmerkt, verpakt en verzegeld en verzonden naar Labor Monchengladbach te Maastricht2 en dat volgens het hierna ook beschreven rapport van Labor het bloed voor en na de analyse wordt bewaard bij -20 graden Celsius.

Niet ter discussie staat verder dat het verdachtes bloed betreft dat is onderzocht en tot na te melden resultaten heeft geleid. De politierechter twijfelt daaraan ook niet gezien de identieke SIN nummers en de vermelde persoonlijke gegevens van verdachte.

Tijdigheid onderzoek

De politierechter stelt ambtshalve vast dat het onderzoek niet is verricht binnen twee weken na ontvangst van de buisjes met bloed zoals bedoeld in artikel 16 van het Besluit. Daarmee is echter geen strikte waarborg voor de betrouwbaarheid van het onderzoek zelf geschonden, gezien de wetsgeschiedenis van het Besluit (Staatsblad 2016, 529, met nota van toelichting).

Niet valt in te zien dat het niet tijdig verrichten van het onderzoek de deugdelijkheid van het laboratoriumonderzoek en de daardoor gegenereerde uitslag aantast, laat staan in voor verdachte negatieve zin. De in het Besluit genoemde termijn houdt meer verband met de voortgang van het volledige strafrechtelijke onderzoek, waaronder het recht op tegenonderzoek en de verplichting tot vernietiging van materiaal.

De enkele omstandigheid dat het onderzoek in een laboratorium buiten Nederland is uitgevoerd, vormt dus geen reden de termijn ex art. 16 van het Besluit te “plussen” naar een strikte waarborg-norm in voormelde zin, daargelaten de omstandigheid dat het gaat om een geaccrediteerd en door het NFI getoetst laboratorium.

Volstaan kan worden met de vaststelling dat het onderzoek niet tijdig is verricht, nu niet gebleken is dat daardoor nadeel is ontstaan.

Conclusie

De resultaten van het bloedonderzoek zijn bruikbaar voor het bewijs.

Nadere bewijsoverwegingen

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2018523198-1, van 17 december 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, District Noord- en Oost-Gelderland Basisteam IJsselstreek, en overige bijbehorende schriftelijke bescheiden, waaronder na te melden bewijsmiddelen. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte op maandag 19 november 2018 om 17.15 uur zien rijden als bestuurder van een personenauto op de openbare weg, het Stationsplein te Zutphen.3

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij gisteren (dus: 18 november 2018/politierechter) twee a drie jointjes heeft gerookt. De laatste vlak voordat hij ging slapen zo rond 01.00 uur. “Afgelopen weekend” heeft hij volgens diezelfde verklaring amfetamine gebruikt. Hij rookt dagelijks een jointje.4

Uit het voormelde bloedonderzoek door Labor volgt dat als eindresultaat 140 microgram amfetamine per liter bloed, bij een grenswaarde bij combinatiegebruik van 25 microgram amfetamine per liter bloed, wordt gerapporteerd en 3,6 microgram cannabis per liter bloed, bij een grenswaarde van 1 microgram cannabis/THC per liter bloed bij combinatiegebruik.5

Naar het oordeel van de politierechter heeft verdachte onder invloed van verschillende soorten drugs een auto bestuurd, waarbij de grenswaarden bij gecombineerd gebruik ruimschoots zijn overschreden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij, op 19 november 2018 te Zutphen, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 140 microgram amfetamine per liter bloed en 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Overtreding van art. 8 WVW 1994

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van (bijkomende) straf

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte op te leggen een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van een jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte een voorwaardelijke rijontzegging wordt opgelegd voor de duur van 9 maanden, met een proeftijd van een jaar. Bij de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop en de omstandigheid dat verdachte sinds dit feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De raadsvrouw heeft zich (subsidiair) voor wat betreft de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van de politierechter. Zij heeft verzocht geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen omdat verdachtes persoonlijkheidsproblematiek reizen met openbaar vervoer bemoeilijkt.

De politierechter heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte brengt de verkeersveiligheid, van anderen en zichzelf, in gevaar door onder invloed van drugs als bestuurder van een auto aan het verkeer deel te nemen. Dat hij zulke risico’s neemt, valt hem te verwijten.

Verdachte is blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 12 april 2021

wegens overtreding van het bepaalde in artikel 21 sub a RVV 1990 in februari 2018 door de kantonrechter een deels voorwaardelijke straf opgelegd. Hij heeft dus documentatie voor een eerder gepleegd verkeersfeit. Van nieuwe verkeersfeiten is echter sinds de onderhavige strafzaak geen sprake meer.

De politierechter stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden, nu er meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het feit. Daarmee wordt bij de strafmaatbepaling in het voordeel van verdachte rekening gehouden.

Alles afwegend is de politierechter van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan, dat zij om die reden zal overnemen. Aan verdachte wordt dus zowel een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur (subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis) opgelegd, als een voorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden, elk met een proeftijd van 1 jaar. Deze voorwaardelijke straffen dienen ertoe verdachte te doordringen van de ernst van het bewezenverklaarde feit en als prikkel om herhaling te voorkomen.

Vordering tenuitvoerlegging 96-097797-16

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 14 februari 2018 (96-097797-16) is verdachte een voorwaardelijke rijontzegging opgelegd van twee maanden, met een proeftijd van een jaar.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, gezien haar eis ten aanzien van het feit.

De raadsvrouw heeft zich daarbij aangesloten.

De politierechter stelt vast dat verdachte tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar verkeersfeit heeft begaan. Op zich zou dit reden zijn om de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer te leggen. De politierechter acht dit echter in dit geval niet meer opportuun, daargelaten de vraag of enige (geschreven of ongeschreven) rechtsregel er aan in de weg staat dat twee jaar na het verstrijken van de proeftijd een vordering tot tenuitvoerlegging (in februari 2021) wordt ingediend.

De vordering zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 8,176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De politierechter:

• verklaart bewezen dat de verdachte het laste gelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

•`verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:
overtreding van art. 8 WVW 1994

• verklaart de verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis;

• bepaalt, dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd die op 1 (een) jaar wordt bepaald, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

• ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden;

• bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd die op 1 (een) jaar wordt bepaald, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

vordering tenuitvoerlegging 96-097797-16

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 96-097797-16.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, politierechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2021.

De griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

parketnummer: 96-030484-19, 96-097797-16 (tul)

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 21 mei 2021.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte, is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsvrouw, is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

1 Aanvraag t.b.v. Toxicologisch onderzoek van bloed (los bij dossier gevoegd).

2 Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 4.

3 Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 2.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 14.

5 Rapport Labor Mönchengladbach MVZ Dr. [naam] + Kollegen van 14 december 2018, p. 16-18.