Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2810

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
02/177537-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 02-177537-19

Datum uitspraak : 21 mei 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

Raadsman: mr. S. Visser, advocaat in Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Asperenstraat

naderende de kruising met de Ankeveensestraat zich zodanig heeft gedragen dat

een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge,

althans aanzienlijke mate onachtzaam en/of onvoorzichtig en/of onoplettend, met

dat motorrijtuig met een hogere snelheid dan de toen daar geldende

maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een (aanzienlijk) te

hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was, genoemde kruising

te naderen en/of het kruisingsvlak op te rijden en/of

niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte

bestuurde motorrijtuig af te remmen en/of vóór het kruisingsvlak tot stilstand te

brengen (zulks) terwijl het zicht op die kruising beperkt was,(mede) ten gevolge

waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in

aanrijding/botsing is gekomen met een fietser (mede) waardoor een ander

(genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of

een schedelbasisfractuur en/of een gescheurde/gebroken rechter oogkas, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig

(personenauto, merk/type Volkswagen Polo; kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende

op de weg, de Asperenstraat naderende de kruising met de Ankeveensestraat, heeft

gereden met een hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van

30 kilometer per uur, in ieder geval met een (aanzienlijk) te hoge snelheid dan voor

een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of

niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte

bestuurde voertuig heeft afgeremd en/of vóór het kruisingsvlak tot stilstand heeft

gebracht, (zulks) terwijl het zicht op die kruising beperkt was, (mede) waardoor het

door hem, verdachte, bestuurde voertuig in aanrijding/botsing is gekomen met een

fietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 november 2018 reed verdachte in zijn motorrijtuig (een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo met kenteken [kenteken] ) over de Asperenstraat in Tilburg. Verdachte is de kruising met de Asperenstraat/Arcenstraat met een te hoge snelheid genaderd2. Op de Ankeveenstraat fietste [slachtoffer] op haar fiets. [slachtoffer] verleende op genoemde kruising geen voorrang aan de voor haar van rechts komende verdachte. Op het moment dat verdachte de kruising passeerde, ontstond een aanrijding met fietsster [slachtoffer] . [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen en is met ernstig letsel overgebracht naar het ziekenhuis.3 [slachtoffer] had een breuk in haar schedel, een breuk in haar oogkas, een bloeding in en rondom haar hersenen, een hersenkneuzing en uitwendige verwondingen aan haar hoofd.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Verdachte heeft zich in aanzienlijke mate van onachtzaamheid, onvoorzichtig en onoplettend gedragen waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij te hard heeft gereden. Weliswaar heeft hij niet veel te hard gereden, maar wel te hard gelet op de omstandigheden ter plaatse. Daar komt bij dat verdachte niet volstrekt onbekend was met de omgeving ter plaatse. Verdachte heeft te hard gereden om te kunnen voldoen aan de verkeersveiligheid die van hem gevraagd werd. Volgens de officier van justitie is sprake van onvoorzichtig en onoplettend rijden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De raadsman heeft aangevoerd dat dat geen sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 6 WVW. Er is geen sprake van heel onachtzaam of heel onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.

Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de Asperenstraat reed en de kruising wilde oversteken naar de Arcenstraat.5 Zijn snelheid was ongeveer 35 á 40 km/u. Verdachte was halverwege de kruising op de Ankeveenstraat toen hij een fietsster zag die van links kwam. Hij probeerde nog te remmen, maar dat ging niet meer.6 Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij bekend was met de verkeerssituatie, maar dat hij zich er niet bewust van was dat het een onoverzichtelijke kruising was. Op het moment dat hij de kruising op reed, had hij geen duidelijk zicht op het van links komende verkeer.7

De militaire kamer ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, in welke mate.

Artikel 6 WVW

Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De militaire kamer is van oordeel dat het handelen van verdachte geen aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW oplevert. Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, is dat hij bij het naderen van een onoverzichtelijke kruising te hard heeft gereden of niet is gestopt om de verkeerssituatie te overzien. De militaire kamer stelt daarbij vast dat door verdachte geen andere verkeersovertredingen zijn gemaakt. De militaire kamer acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. De militaire kamer zal hem daarvan vrijspreken.

Artikel 5 WVW

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gevaar zettend rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW. Verdachte heeft zich er immers bij het benaderen van de kruising onvoldoende van vergewist of zich andere verkeersdeelnemers op de door hem over te steken kruising bevonden. Verdachte is met een te hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse vereist was de kruising genaderd. Daarmee heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt en heeft geresulteerd in een ernstig ongeval. Het subsidiair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 29 november 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig

(personenauto, merk/type Volkswagen Polo; kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende

op de weg, de Asperenstraat naderende de kruising met de Ankeveensestraat, heeft

gereden met een hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van

30 kilometer per uur, in ieder geval met een (aanzienlijk) te hoge snelheid dan voor

een veilig verkeer ter plaatse vereist was en/of niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte bestuurde voertuig heeft afgeremd en/of vóór het kruisingsvlak tot stilstand heeft gebracht, (zulks) terwijl het zicht op die kruising beperkt was, (mede) waardoor het door hem, verdachte, bestuurde voertuig in aanrijding/botsing is gekomen met een fietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

“Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.”

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, bij niet nakoming te vervangen door vijfentwintig dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat rekening gehouden moet worden met het feit dat verdachte nooit eerder een verkeersongeval heeft veroorzaakt en dus first offender is. Daarbij komt dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werkzaamheden op de Maasvlakte uit te kunnen blijven voeren. De raadsman heeft bepleit, mocht de militaire kamer tot een veroordeling komen, dat aan hem een geldboete wordt opgelegd. Ter zake de hoogte van de geldboete refereert de raadsman aan het oordeel van de militaire kamer.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is met zijn personenauto met een, gezien de verkeerssituatie, te hoge snelheid een kruising opgereden zonder een van links komende fietsster op tijd op te merken. De fietsster, mevrouw [slachtoffer] , heeft als gevolg van verdachtes onoplettendheid en de daardoor ontstane aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ook al heeft verdachte de gevolgen van zijn handelen niet gewild, feit is dat door zijn toedoen een ander letsel is aangedaan. Verdachte zal die last verder moeten dragen.

Bij deelname aan het verkeer kunnen relatief kleine verkeersfouten, ontstaan door korte afleiding of onoplettendheid, grote en soms fatale gevolgen hebben waardoor het leven van verkeersdeelnemers en hun naasten voor langere tijd of onomkeerbaar verandert. Gevolgen, die in zulke gevallen niet gewild zijn of bedoeld zijn, maar wel kunnen intreden.

Bij bestraffing van dit soort verkeersfouten speelt de ernst van de fout een grote rol. In zaken zoals deze, waarbij geen drank of drugs in het spel waren en de auto normaal functioneerde, maar de verkeersfout bestaat uit het niet (goed) kijken/opletten, wordt doorgaans een geldboete opgelegd. Die zal de militaire kamer in dit geval ook opleggen.

Bij de strafoplegging houdt de militaire kamer er rekening mee dat verdachte niet eerder een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De militaire kamer komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de militaire kamer verdachte vrijspreekt van het verkeersmisdrijf van artikel 6 WVW.

Alles afwegende is de militaire kamer van oordeel dat een geldboete de meest passende straf is. De militaire kamer legt verdachte een geldboete op van € 800,00.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot betaling van een geldboete van € 800,00 (achthonderd euro), bij gebreke van betaling te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens, rechter, en kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2021.

mr. L.C.P. Goossens is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2000-2018281371, gesloten op 5 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 mei 2021.

3 Proces-verbaal van verhoor betrokkene, p. 15 en Proces-verbaal bevindingen, p. 32.

4 Door geneeskundige op 23 april 2021 ingevuld aanvraagformulier medische informatie.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 mei 2021.

6 Proces-verbaal van verhoor betrokkene, p. 15.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 mei 2021.