Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2754

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB-21_2368
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking Nederlanderschap Syrië-ganger; toewijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/2368


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Verzoeker A] , te [plaats A] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.V. de Kort).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2021 heeft verweerder het Nederlanderschap van verzoeker in de zin van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van het geschil, nu het intrekken van het Nederlanderschap tot gevolg heeft dat hij niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft en alle rechten die met het Nederlanderschap komen, verliest. Door verweerder is het bestaan van een spoedeisend belang ook niet bestreden.

3. Bij arrest van 15 maart 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan twaalf voorwaardelijk. Volgens het Hof heeft verzoeker zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen, gericht op het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Bij arrest van 19 december 2017 heeft het Hof verzoeker nog veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden onvoorwaardelijk. Volgens het Hof heeft verzoeker zich tevens schuldig gemaakt aan voorbereiden/bevorderen om (zelf) te gaan strijden in Syrië om daar moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk te plegen en aan voorbereiden en/of bevorderen van een terroristisch misdrijf, te weten moord/doodslag met een terroristische. Deze arresten staan in rechte vast.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de misdrijven waarvoor verzoeker is veroordeeld, worden aangemerkt als terroristische misdrijven die op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Nu verzoeker zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezit, heeft intrekking van het Nederlanderschap niet tot gevolg dat hij staatloos wordt.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bodemprocedure meerdere complexe rechtsvragen aan de orde zijn die zich niet goed lenen voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld, waarbij het gaat om het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit, afgewogen tegen het belang van verzoeker bij schorsing van (de rechtsgevolgen van) het bestreden besluit hangende het door hem daartegen ingediende bezwaarschrift.

6. Verzoeker is in Marokko geboren en verkreeg bij zijn geboorte van rechtswege de Marokkaanse nationaliteit. Verzoeker is op jonge leeftijd met zijn moeder meegekomen naar Nederland en per 19 mei 1994 samen met haar genaturaliseerd zonder afstand te (kunnen) doen van de Marokkaanse nationaliteit. Verzoeker woont thans in Nederland, heeft een partner met wie hij twee minderjarige kinderen heeft, waarvoor hij mede zorg draagt. Zijn partner heeft voorts nog een minderjarig kind uit een eerdere relatie. Zowel zijn partner als voormelde kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft betoogd dat hij door de onmiddellijke werking van het besluit tot intrekking van zijn Nederlanderschap niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft en Nederland en zijn gezin hier onmiddellijk zou moeten verlaten. Ook vreest eiser zijn baan te verliezen, waardoor hij geen inkomsten meer heeft.

7. Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat hij een groot belang heeft om verzoeker niet als Nederlander te hoeven behandelen, mede in het licht van het gevaar dat uitgaat van personen als verzoeker voor de nationale veiligheid.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Duidelijk is dat verzoeker belang heeft bij het opschorten van de rechtsgevolgen van de beslissing van verweerder, nu het intrekken van zijn Nederlanderschap directe gevolgen heeft voor de daaraan verbonden rechten, waaronder het recht om te kunnen werken. De vrees van verzoeker dat hij als gevolg van de intrekking van zijn Nederlanderschap zijn baan zal verliezen, komt de voorzieningenrechter dan ook niet ongegrond voor. Niet gebleken is dat verweerder belang heeft bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. Verweerder heeft niet concreet onderbouwd dat de nationale veiligheid dermate in het geding is dat dit aan toewijzing van de voorlopige voorziening in de weg staat. Er is ook geen zicht op dat verzoeker op korte termijn naar Marokko kan worden uitgezet. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker bij schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zwaarder wegen dan de belangen van verweerder.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het primaire besluit van 7 mei 2021 worden geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten en draagt op het griffierecht te vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2021 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.068,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Lankamp, griffier.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 juni 2021

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.