Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2693

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1064
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimboete. Eiser stelt dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen. Aanmaning was niet zichtbaar in ‘Mijnbelastingdienst.nl’. Hoewel in artikel 3a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat in het verkeer tussen belastingplichtigen en de inspecteur een bericht uitsluitend elektronisch wordt verzonden, kunnen bij ministeriële regeling berichten worden aangewezen waarvoor het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg. In artikel 3 van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Stcrt. 2015, 37619; hierna: de Regeling) en de daarbij behorende bijlage zijn onder meer aanmaningen voor de indiening van aangiften voor een aanslagbelasting vooralsnog uitgezonderd van het verplichte elektronisch berichtenverkeer.

Een dergelijke uitzondering heeft volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 25 mei 2018 (Hoge Raad 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:758) tot gevolg dat de verzending in elk geval per post moet plaatsvinden. Anders dan eiser klaarblijkelijk meent houdt het feit dat een aanmaning is uitgezonderd van het verplichte elektronische berichtenverkeer niet in dat naast een verzending post er altijd tevens een digitale verzending nodig is om bekendmaking van de aanmaning rechtsgeldig te doen zijn.

De rechtbank acht aannemelijk dat de per post verstuurde aanmaning eiser wel moet hebben bereikt. Eiser is daarom aangemaand en heeft de aangifte niet binnen de daarin gestelde termijn gedaan. Boete is terecht. Beroep op AVAS afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-6-2021
V-N Vandaag 2021/1582
FutD 2021-2109
NLF 2021/1381
NTFR 2021/2582 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 20/1064

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 10 januari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de beschikking verzuimboete van € 369 ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen [persoon 1] .

Op verzoek van partijen en met toestemming van Rechtbank Den Haag behandelt de rechtbank het beroep van eiser.1 Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] .

Overwegingen

1. In 2018 zijn eiser en zijn broers, de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] , de maatschap [naam onderneming] gestart. Zij zijn dj’s en verzorgen muziek op feesten en clubs.

2. Eiser is uitgenodigd en herinnerd aangifte IB/PVV 2018 te doen. De aanmaning met dagtekening 12 juli 2019 is per post verzonden aan het adres van eiser. De uiterlijke indieningstermijn vermeld op de aanmaning was 26 juli 2019. De aanmaning was niet zichtbaar in ‘Mijnbelastingdienst.nl’.

3. Eiser heeft op 25 augustus 2019 de aangifte IB/PVV 2018 ingediend. De aanslag is overeenkomstig de aangifte IB/PVV 2018 opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag is een verzuimboete van € 369 opgelegd.

4. In geschil is de verzuimboete van € 369.

5. Eiser heeft tegen de boete primair aangevoerd dat hij de via de post verzonden aanmaning niet heeft ontvangen. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij geen digitale aanmaning heeft ontvangen in ‘Mijn Belastingdienst.nl’. De gemachtigde kon daarom niet weten dat een uiterste indieningstermijn zoals gesteld in de aanmaning reeds verstreken was. Verder heeft eiser aangevoerd dat hem, als gevolg van een opname in een GGZ-instelling van zijn gemachtigde in de periode van 19 maart 2019 tot en met 23 april 2019 en zijn beperkte inzetbaarheid in de periode daarna, niet verweten kan worden dat hij en zijn broers de aangifte niet tijdig konden doen. Tenslotte beroept eiser zich op financiële omstandigheden. Eiser beroept zich primair op vernietiging van de boete en subsidiair op vermindering van de boete.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete naar het juiste bedrag is opgelegd. De aanmaning is per post naar het juiste adres verstuurd en moet eiser hebben bereikt. Volgens verweerder komen de omstandigheden van de gemachtigde voor rekening en risico van eiser en is geen sprake van afwezigheid van alle schuld (avas). Ook ziet verweerder wegens normhandhaving geen aanleiding de boete te verminderen. Volgens verweerder is de boete passend en geboden.

7. Ingevolge artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), gelezen in samenhang met artikel 9, derde lid, van de AWR, kan voor het niet-tijdig indienen van de aangifte voor een aanslagbelasting een boete worden opgelegd indien de belastingplichtige is aangemaand binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte te doen. Zonder aanmaning is oplegging van een verzuimboete voor het hier bedoelde aangifteverzuim dus uitgesloten. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008-2009, 32 128, nr. 3 blz. 34-35) volgt dat de Belastingdienst aan de aanmaning een herinnering laat voorafgaan. Pas wanneer de belastingplichtige de aanvankelijke uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering én de aanmaning heeft genegeerd, legt de Belastingdienst de boete van artikel 67a van de AWR op. Het een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat voor het opleggen van de verzuimboete van artikel 67a van de AWR in elk geval geen plaats is indien de aanmaning als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de AWR niet door de belastingplichtige is ontvangen en hem evenmin op andere wijze heeft bereikt.

8. In artikel 3a van de AWR is bepaald dat (in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het verkeer tussen belastingplichtigen en de inspecteur een bericht uitsluitend elektronisch wordt verzonden. Artikel 3a, derde lid, van de AWR bepaalt dat bij ministeriële regeling berichten kunnen worden aangewezen waarvoor het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg. In artikel 3 van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Stcrt. 2015, 37619; hierna: de Regeling) en de daarbij behorende bijlage zijn onder meer aanmaningen voor de indiening van aangiften voor een aanslagbelasting vooralsnog uitgezonderd van het verplichte elektronisch berichtenverkeer.

9. In de ‘Toelichting Elektronisch berichtenverkeer’ is onder meer het volgende vermeld: 2

“In het eerste lid van artikel 3 van deze regeling worden de wijze waarop het elektronische berichten verkeer plaatsvindt en de berichten waarvoor het berichtenverkeer niet verplicht langs elektronische weg plaatsvindt geregeld. Dit wordt nader uitgewerkt in de bijlage bij de regeling. Om te kunnen aangeven welke digitale voorzieningen beschikbaar zijn voor berichten die uitsluitend digitaal worden uitgewisseld (de wijze waarop het elektronisch berichtenverkeer plaatsvindt) zijn in de bijlage niet alleen de uitgezonderde berichten opgenomen, maar ook de berichten die uitsluitend digitaal worden uitgewisseld. De uitzondering van bepaalde berichtsoorten geschiedt enerzijds op basis van de beschikbaarheid en stabiliteit van de daarvoor benodigde voorzieningen. Anderzijds speelt ook de geschiktheid van berichten als zodanig een rol bij de overstap naar uitsluitend digitaal berichtenverkeer. Voor dwangbevelen gelden bijvoorbeeld zodanige procedurevoorschriften dat uitsluitend elektronische verzending voorlopig niet tot de mogelijkheden behoort. Voor een gedeelte van het berichtenverkeer zijn de processen en voorzieningen op dit moment gereed en zal worden omgeschakeld naar uitsluitend digitaal berichtenverkeer. Voor een groot aantal berichtenstromen bestaat nog geen volledig digitaal afhandelingsproces of geschikte dienstverleningsvoorziening (bijvoorbeeld een portaal of geschikte authenticatiemiddelen). Het aantal uitzonderingen op het verplichte elektronische berichtenverkeer is daardoor op dit moment aanzienlijk. (…) Met het oog op gewenning van de burger aan het elektronische berichtenverkeer wordt voorlopig voor iedere nieuwe berichtenstroom die verplicht digitaal wordt, een gewenningsperiode van twee jaar gehanteerd. Gedurende die periode worden de berichten zowel per post (de officiële bekendmaking) als via de Berichtenbox (bij wijze van kopiebericht als dienstverlening) verzonden.”

10. De aanmaning behoort nog niet tot de verplicht digitale berichtenstroom, maar tot de uitgezonderde berichten. Een dergelijke uitzondering heeft volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 25 mei 2018 tot gevolg dat de verzending in elk geval per post moet plaatsvinden.3 Anders dan eiser klaarblijkelijk meent, houdt het feit dat een aanmaning is uitgezonderd van het verplichte elektronische berichtenverkeer niet in dat naast een verzending post er altijd tevens een digitale verzending nodig is om een bekendmaking rechtsgeldig te doen zijn.

11. Vervolgens dient te worden bepaald of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaning per post eiser heeft bereikt. Verzending per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding op het vermelde adres. De rechtbank constateert dat verweerder gegevens van de verzendadministratie heeft overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de aanmaning is verzonden naar het adres waarop eiser op dat moment in de gemeentelijke Basisregistratie Personen stond ingeschreven. Eiser heeft dit ook niet weersproken. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres.

12. Eiser heeft ontkend het poststuk te hebben ontvangen en wijst erop dat de aanmaning niet vermeld staat op Mijnbelastingdienst.nl, terwijl dat voor andere cliënten van deze gemachtigde wel vermeld staat onder de aanduiding ‘aanmaning (per post)’. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat de aanmaning niet is vermeld op de website onvoldoende om het vermoeden van ontvangst van de per post verstuurde aanmaning te ontzenuwen. Omdat het voorgaande meebrengt dat de aanmaning eiser moet hebben bereikt en de aangifte is ingediend buiten de in de aanmaning vermelde uiterste termijn, is de verzuimboete in beginsel terecht opgelegd.

13. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van een bepaalde mate van schuld (zoals opzet of grove schuld). Alleen bij een pleitbaar standpunt (paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) of bij avas dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

14. Waar het betoog van eiser in de kern op neerkomt is de vraag of gemachtigde kon volstaan met het raadplegen van de informatie op Mijnbelastingdienst.nl om te weten of er voor de aangifte al een aanmaning was verzonden. Uit de door de gemachtigde overgelegde inloginformatie volgt immers dat deze zeer regelmatig voor dit doel de betreffende website heeft gecontroleerd. Aan eiser kan worden toegegeven dat het hanteren van elektronisch berichtenverkeer als uitgangspunt, leidt tot de verwachting dat berichten – naast eventuele verzending via de post – in elk geval ook digitaal worden verzonden. Toch is de rechtbank van oordeel dat van een pleitbaar standpunt of avas geen sprake is. De rechtbank betrekt in dit oordeel dat eiser wist dat de reguliere termijn voor het doen van aangifte reeds was verstreken en dat dat de gemachtigde tijdig (dat wil zeggen: voordat hij was aangemaand) om nader uitstel voor indiening van de aangifte had kunnen verzoeken. Eiser heeft het dus welbewust op een aanmaning aan laten komen. De rechtbank acht aannemelijk dat de per post verstuurde aanmaning eiser moet hebben bereikt. Eiser had de aanmaning aan de gemachtigde bekend moeten maken, maar dat heeft hij klaarblijkelijk niet gedaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser geen enkel verwijt gemaakt kan worden en is van avas geen sprake.

15. Eiser heeft een beroep gedaan op financiële omstandigheden, omdat als gevolg van de corona-crisis de inkomsten als dj zijn weggevallen. Ter zitting heeft de gemachtigde echter verklaard dat het huidige bruto-maandinkomen van eiser circa € 2.000 per maand bedraagt. De rechtbank ziet dan ook geen grond de opgelegde verzuimboete wegens financiële omstandigheden te matigen. De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden.

16. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat de kans bestaat dat eiser en zijn broers de boeten op hem zullen verhalen en dat hij dan voor een bedrag van € 1.107 moet opdraaien. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde, gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze zaak. De vraag of eiser of andere belastingplichtigen de boete op de gemachtigde kunnen of zullen verhalen speelt geen rol bij de vraag of de boete terecht aan eiser is opgelegd.

17. Het beroep is daarom ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Artikel 8:7 en 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2015, nr. DB/2015/366M houdende regels voor het elektronische berichtenverkeer met de Belastingdienst (Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst), Stcrt. 2015/37619.

3 Hoge Raad 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:758.