Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2579

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB – 19 _ 7340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhavingsverzoek zalenverhuur/partycentrum. Concreet zicht op legalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 19/7340

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen


[eiser], [eiser], , [eiser], [eiser], [eiser] , [eiser] en [eiser],

te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. K.M. van Leeuwen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van der Plank).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. J. Kevelam).

Procesverloop

In het besluit van 19 juli 2019 (primair besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eisers afgewezen.

In het besluit van 21 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met het onderzoek in zaak nr. 20/4518, plaatsgevonden op 25 februari 2021. Verschenen zijn [eiser], [eiser], [eiser] , [eiser] en [eiser], bijgestaan door hun gemachtigde mr. K.M. van Leeuwen en vergezeld door ing. R. Herik (geluiddeskundige). Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van der Plank en H.E. Oussoren. Namens de derde-partij is verschenen [derde-partij], bijgestaan door gemachtigde mr. J. Kevelam en vergezeld door ing. J. Voortman (geluiddeskundige).

Overwegingen

1. De derde-partij exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een horecabedrijf onder de naam “[bedrijf]”. De horecagelegenheid bestaat uit een bowlingcentrum en vier zalen. Buiten het gebouw zijn drie terrassen aanwezig.

2. Eisers hebben verweerder op 23 juli 2018 verzocht om handhavend op te treden tegen de derde-partij vanwege overtreding van het bestemmingsplan. Volgens eisers is op grond van het bestemmingsplan op het perceel slechts horeca uit horecacategorieën 1 en 2 toegestaan en vallen de bruiloften en feesten die ter plaatse worden georganiseerd onder horecacategorie 3.

3. Het perceel is in het bestemmingsplan “[woonplaats]” bestemd als “Cultuur en ontspanning” met de aanduiding “bowlingbaan”. Ter plaatse van de aanduiding “bowlingbaan” is een bowlingcentrum, inclusief horeca tot en met categorie 2 van de 'Staat van Horeca-activiteiten' toegestaan. Een zalenverhuur/partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek- /dansevenementen) valt volgens de 'Staat van Horeca-activiteiten onder categorie 3.

4. Verweerder heeft op 16 mei 2019 een vooraankondiging voor een last onder dwangsom toegezonden aan de derde-partij omdat een gebruik voor zalenverhuur/partycentrum in strijd is met het bestemmingsplan.

Op 13 juni 2019 heeft de derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een gebruik voor zalenverhuur/partycentrum.

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan, en dus van strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens verweerder is door de ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning echter sprake van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft daarom het handhavingsverzoek afgewezen.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisatie

7.1.

Eisers betogen – kort samengevat – dat zolang er geen omgevingsvergunning is verleend handhavend opgetreden had moeten worden.

7.2.

Uit de bovenstaande standaardoverweging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat concreet zicht op legalisering een bijzondere omstandigheid kan zijn om van handhaving af te zien. Het is daarnaast vaste jurisprudentie van de Afdeling dat voor concreet zicht op legalisatie bij strijd met het bestemmingsplan welke kan worden vergund op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o en 2o, van de Wabo (de binnenplanse afwijking en de kruimelgevallenafwijking) voldoende is dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend1 en verweerder voornemens is om positief op deze aanvraag te beslissen.

Op 13 juni 2019 is een aanvraag ingediend waarop verweerder voornemens was positief te beslissen. Dit blijkt uit de verlening van de omgevingsvergunning op 18 december 2019.

Gelet hierop heeft verweerder terecht overwogen dat er door het indienen van de aanvraag sprake was van concreet zicht op legalisatie.

7.3.

Al hetgeen eisers hebben aangevoerd tegen de juridische houdbaarheid van de omgevingsvergunning kan in deze zaak niet aan bod komen. De rechtbank zal op deze beroepsgronden ingaan in het beroep tegen de omgevingsvergunning.

De beroepsgrond slaagt niet.

Verbod van vooringenomenheid

8.1.

Eisers betogen dat de bezwaarschriften, gelet op de omstandigheid dat de eigenaar van de Buitensociëteit ook de wethouder met de portefeuille “ruimtelijke ordening” is binnen de gemeente Voorst, hadden moeten worden behandeld door een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie. Volgens eiseres is ook sprake van strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8.2.

Artikel 2:4 Awb luidt als volgt:

“1 Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

2 Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.”

8.3.

De rechtbank overweegt dat op grond van de Awb geen verplichting bestaat om een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie in te stellen. Er kan voor worden gekozen om, zoals de gemeente Voorst heeft gedaan, ambtelijk te horen.

In een geval als deze, waar de wethouder met de portefeuille “ruimtelijke ordening” een duidelijk persoonlijk belang heeft bij vergunningverlening, dienen echter wel (voorzorgs)maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat de besluitvorming wordt beïnvloed. De gemachtigde van het college heeft toegelicht dat de wethouder geen betrokkenheid heeft gehad in deze zaak. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Fair-play beginsel

9.1.

Eisers betogen dat verweerder beslissingen heeft uitgesteld, hetgeen in strijd is met het fair-play beginsel.

9.2.

Op grond van de Awb bestaat de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. Het uitstellen van besluitvorming is daarom niet in strijd met het fair-play beginsel. Voor het afdwingen van tijdige besluitvorming bestaat daarnaast de dwangsom wegens niet tijdig beslissen en de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechtbank.

De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

10. Eisers hebben nog een beroep gedaan op de situatie met betrekking tot een krantendistributiepunt in Twello, wat volgens hen een gelijk geval is.

Om een geslaagd beroep te kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van gelijke gevallen. De situatie met betrekking tot het krantendistributiepunt is geen gelijk geval, reeds omdat dat geen omgevingsvergunning voor horeca betreft. Ook de eerdere vergunning uit 2009 betreft geen gelijk geval.

De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1315) en 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3723)