Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2549

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
05/281953-20, 05/220467-20, 05/094655-20, 05/720067-18 (tul) en 22/002983-19 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man van 48 uit Arnhem tot een gevangenisstraf van 16 maanden omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/281953-20, 05/220467-20, 05/094655-20, 05/720067-18 (tul) en 22/002983-19 (tul), gevoegd ter terechtzitting

Datum uitspraak : 21 mei 2021

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Arnhem.

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlasteleggingen

Onder parketnummer 05/281953-20 is, na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging, aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten (ter hoogte van zijn middel),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten (ter hoogte van zijn middel), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:

- meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in elk geval een slagvoorwerp, op/tegen het hoofd te slaan;

3.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten/ in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 1] te bewegen en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “ik schiet je door je hoofd”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Onder parketnummer 05/220467-20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Velp (Gelderland), binnen de gemeente Rheden, op/aan de Larensteinselaan en/of de Broekstraat, op of omstreeks 11 januari 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) letsel en/of schade was toegebracht;

2.

hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Velp, gemeente Rheden, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Velp, gemeente Rheden als bestuurder van een voertuig (voertuig), daarmee rijdende op de weg, de Broekstraat,

-(terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank) met hoge snelheid, in elk geval met een voor die verkeerssituatie te hoge snelheid,

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft/is hij, verdachte, toen het voor hem, verdachte, rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen, met het door hem bestuurde voertuig gebotst/aangereden tegen een voor hem, verdachte, op die weg stilstaand, althans langzamer rijdend, ander voertuig (personenauto) en/of (vervolgens) met hoge snelheid/toeren is weggereden en/of

-(vervolgens) op de Waterstraat op de weghelft/rijbaan, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, is gaan rijden en/of blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan rijden en/of blijven rijden (zogenaamd spookrijden)

-en/of (bij nadering van de kruising van de voornoemde Waterstraat met de Larensteinselaan) is gebotst/gereden tegen een voertuig (personenauto) dat doende was linksaf te slaan/linksaf sloeg naar, althans in de richting van, de Larensteinselaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Onder parketnummer 05/094655-20 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2019. te Velp, in de gemeente Rheden, een goed te weten een scooter heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2019, te Velp, in de gemeente Rheden, een goed te weten een kentekenplaat (kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2019, te Velp, in de gemeente Rheden, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,39 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 0,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05/281953-20 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, feit 3 en feit 4. Voor feit 1 heeft zij vrijspraak gevorderd omdat verdachte (primair) geen opzet heeft gehad op de dood van aangever en (subsidiair) er geen aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel is geweest omdat niet bekend is van welk kaliber het wapen was

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat vrijspraak volgt voor feit 1. Er bestaat onduidelijkheid over het type wapen. Bovendien heeft verdachte niet gericht, had hij geen opzet op de dood van aangever en evenmin op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor wat betreft de feiten 2 en 3 kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen. Feit 4 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 7 november 2020 in de hal van een flat aan de Baakhovenstraat in Arnhem was en hij daar verdachte tegenkwam. Verdachte had een zwart voorwerp in zijn rechterhand. Aangever herkende dit voorwerp als een pistool. Verdachte richtte het pistool op het gezicht van aangever, die heeft verklaard recht in de loop te hebben gekeken. Op een gegeven moment hoorde aangever een knal. Verdachte heeft aangever vier of vijf keer met het pistool op zijn hoofd geslagen. Dit deed pijn. Daarna bewoog verdachte het pistool richting het gezicht van aangever, waarbij verdachte zei: "ik schiet je door je hoofd". Aangever werd bang en rende toen weg.2

Op 9 november 2020 heeft [slachtoffer 1] bij de politie verklaard nog steeds hevige hoofdpijn en last van zijn nek te hebben. Verder heeft hij een snee op zijn hoofd die gehecht is en daarnaast nog kleine sneetjes en zwellingen op het hoofd, boven het oog en achter het oor.3

Verdachte heeft (pas) ter zitting verklaard dat hij een wapen bij zich had en dat hij aangever daarmee op zijn hoofd heeft geslagen. Het wapen is op een gegeven moment ook afgegaan.4 Volgens verdachte was het een alarmpistool.

De politie heeft camerabeelden bekeken van het incident en daarover het volgende in een proces-verbaal neergelegd. Over still nummer 6 en still nummer 8 is opschreven:

“Ik zag dat A een slaande beweging met zijn rechter hand naar het hoofd van B maken.

Ik zag een lichtflits wat lijkt op een vuurmond van een vuurwapen.

Ik zag dat A en B in een gevecht raakten. Ik zag dat A, B meerdere keren met het vuurwapen op het hoofd en lichaam sloeg. Ik zag dat A en B met de worsteling bij de tussen deur terecht kwamen.

(…)

Ik zag dat A met zijn linker arm het hoofd van B een soort van vast had.

Ik zag dat A in zijn rechterhand het vuurwapen vast had.

Ik zag dat A de loop van het vuurwapen in de richting dan wel tegen de bovenzijde van de het hoofd/schedel van B gericht hield.”5

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij man A is.6

De rechtbank stelt vast dat er geen vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gevonden. Verdachte heeft ter zitting niet willen verklaren waar hij het wapen gelaten heeft. Wel is er een proces-verbaal van bevindingen opgesteld waarin aan de hand van de camerabeelden is ingegaan op het op een vuurwapen gelijkende voorwerp en de eventuele gevaarzetting. De verbalisant heeft het volgende beschreven:

“Ik zie dat de man met het hoofddeksel met zijn rechterhand waarin hij het op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthoudt een snelle beweging maakt in de richting van het hoofd van persoon 2. Ik zie dat op het moment dat het voorwerp op of in de nabijheid van het hoofd van persoon twee is een lichtflits. Ik zie uit de voorzijde van het voorwerp een beeld wat lijkt op het ontstaan van een gaswolk, namelijk een wazige rook welke met kracht de voorzijde van het voorwerp verlaat. Ik herken dit beeld als het beeld wat ontstaat na het afgaan van het schot van een vuurwapen.”

Volgens de verbalisant is het voorwerp dat de man vasthoudt en waarmee hij een slaande beweging maakt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een vuurwapen als genoemd in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het voorwerp heeft namelijk de vorm van een vuurwapen en stoot bij de slaande beweging zeer waarschijnlijk een gaswolk uit aan de voorzijde. Aannemelijk is dus dat het voorwerp een loop heeft en geschikt is om gassen of stoffen door deze loop te verschieten door middel van een chemische reactie. Er is immers een gaswolk zichtbaar die de loop met kracht verlaat.7

Op basis van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 november 2020 in Arnhem een wapen als bedoeld in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad en aangever daarmee meerdere keren op het hoofd heeft geslagen. Ook vindt de rechtbank bewezen dat verdachte het wapen in de richting van het gezicht van aangever heeft bewogen en heeft gezegd: “ik schiet je door je hoofd”. Dit betekent dat de rechtbank feit 2, feit 3 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen acht.

Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank dat het wapen op een gegeven moment is afgegaan. Gelet op de twee processen-verbaal waarin een beschrijving van de camerabeelden is gegeven, is dat naar het oordeel van de rechtbank geweest op het moment dat verdachte het wapen in de buurt van het hoofd van aangever hield.

Omdat niet kan worden bewezen dat verdachte ‘vol’ opzet (dat wil zeggen: hij heeft de gevolgen gewild en geweten) had op de dood van aangever dan wel op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever dan wel op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte die kans heeft aanvaard.

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben naar voren gebracht dat niet bekend is van welk kaliber het wapen is geweest en dat daarom, ook gelet op de informatie in het informatieblad Letselpotentie gaswapens van het NFI, dat zich in het dossier bevindt, niet kan worden geconcludeerd dat die aanmerkelijke kans op de dood of het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is geweest.

De rechtbank komt tot een ander oordeel en overweegt het volgende.

In het hierboven bedoelde informatieblad van het NFI wordt een beschrijving gegeven van het letsel dat door gaswapens kan ontstaan, waarbij met name wordt ingegaan op penetrerend letsel. Verder is beschreven dat de informatie vooral betrekking heeft op gaspistolen in het kaliber 9mm P.A.K. en op gasrevolvers in het kaliber 9mm R Knal. De beschreven gevaren zijn ook indicatief voor gaspistolen in het kaliber 8mm Knal en voor start/alarmpistolen. In het algemeen zullen de gevaren wel minder zijn bij gaspistolen in het kaliber 8mm Knal en bij start- en alarmpistolen, maar zeker niet afwezig. De tekst heeft géén betrekking op gaspistolen, gasrevolvers en alarmpistolen in het kaliber 6mm Knal. De lading van 6mm knal- en gaspatronen is in het algemeen veel geringer dan die van patronen in de kalibers kaliber 9mm P.A.K. en 9mm R Knal, waardoor de gevaren ook minder groot zijn.

De rechtbank overweegt dat in het informatieblad ook wordt gesproken over ander letsel dan penetrerend letsel. Bij het verschieten van zowel knal- als gaspatronen treden een luide knal en een mondingsvlam op. Bij gaspatronen is ook een lading traanverwekkende stof aangebracht. In tegenstelling tot wat de naam gaspatroon doet vermoeden gaat het altijd om vaste stoffen in poedervorm, die bij het verschieten als een fijne stofwolk vrijkomen. Daarbij kan onder andere het volgende letsel ontstaan: gehoorbeschadiging door akoestisch trauma, slijmvliesirritatie en

-beschadiging aan de ogen en aan de luchtwegen (bij gebruik van gaspatronen) en huidverbrandingen en oogbeschadigingen door blootstelling van dichtbij aan mondingsvuur en vrijkomende kruit- en roetdeeltjes.8

Naar het oordeel van de rechtbank moet het informatieblad zo worden gelezen dat de gevaren van penetrerend (en potentieel dodelijk) letsel bij een kaliber van 8mm of 6mm kleiner zijn dan bij een 9mm kaliber. Omdat onduidelijkheid bestaat over het kaliber van het wapen dat door verdachte is gebruikt, kan de rechtbank niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft bestaan. Maar naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de risico’s op de hiervoor genoemde andere mogelijke letsels, die door haar als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt, bij een kleiner kaliber ook minder groot zijn. Dat geldt zeker voor letsels aan ogen en/of oren, wat kwetsbare onderdelen van het lichaam zijn. De rechtbank vindt hiervoor steun in het proces-verbaal over het wapen, waarin de verbalisant melding maakt van de gaswolk en (in zijn algemeenheid) vermeldt dat het verschieten van knalpatronen middels een gaspistool gepaard gaat met een chemische reactie waarbij aan de voorzijde van de loop een zeer hoge gasdruk ontstaat. Schoten waarbij de loop van het vuurwapen in de omgeving van het lichaam is kunnen derhalve zeer ernstig letsel veroorzaken.9

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat er een aanmerkelijke kans is geweest op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Verdachte heeft die kans ook aanvaard door (vrijwel meteen) een vuurwapen te trekken en dat wapen op/bij het hoofd van aangever te richten en te houden en het af te laten gaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte het wapen op een gegeven moment probeerde door te laden,10 waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte vertrouwd was met de werking van het wapen en het wapen ook nogmaals wilde afvuren.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 1 primair, maar komt zij wel tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair.

Parketnummer 05/220467-20 11

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 januari 2019 stond [slachtoffer 3] met zijn auto stil op de Broekstraat in Velp toen er met grote snelheid een auto aan kwam rijden. Deze bestuurder remde hard, maar botste toch met flinke snelheid achterop de auto van [slachtoffer 3] . De bestuurder stapte niet uit, maar reed hard achteruit, keerde de auto en reed met hoge snelheid weg. Het kenteken van deze auto was

[kenteken 2] .12

[slachtoffer 2] stond op 11 januari 2019 met zijn auto stil bij het verkeerslicht op de kruising van de Waterstraat en de Larensteinselaan in Velp. Toen hij de kruising opreed om linksaf te slaan, werd hij aangereden door een donkerkleurige auto die met hoge snelheid en tegen het verkeer in aan kwam rijden. De auto reed het terrein van het tankstation op en kwam daar tot stilstand. De bestuurder stapte uit en rende weg.13 Het kenteken van deze personenauto was [kenteken 2] .14

De weggerende bestuurder, verdachte, is vervolgens door de politie aangehouden en bleek een alcoholgehalte in zijn adem te hebben van 590 ug/l.15

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft op zitting verklaard dat het klopt dat hij die dag alcohol had gedronken16, maar dat hij verder niet meer weet wat er is gebeurd.

De rechtbank stelt vast dat de auto met kenteken [kenteken 2] bij beide aanrijdingen betrokken is geweest. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 14:10 uur is aangereden17 en [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de aanrijding omstreeks 14:15 uur is geweest.18 De rechtbank overweegt dat deze tijdstippen bij benadering zijn genoemd en dat daaruit in ieder geval volgt dat het tijdsverloop tussen beide aanrijdingen kort is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is bewezen dat verdachte ook ten tijde van de aanrijding op de Broekstraat de bestuurder van de auto was. Aanwijzingen dat dat niet het geval was, ontbreken overigens ook.

[slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij behoorlijk wat schade had aan zijn auto. De gehele achterzijde was “opgestoekt” en de achterruit lag eruit.19 Over de schade aan de auto van [slachtoffer 2] heeft een verbalisant gemeld dat er zichtbare schade was aan de achterzijde en de rechter zijkant van het voertuig. [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard dat zijn voertuig ongeveer twee ton weegt zodat de persoon die hem heeft aangereden wel veel vaart moet hebben gehad.20 Gelet op de aard en de ernst van de schade, in combinatie met de hoge snelheid waarmee verdachte in beide gevallen tegen de andere auto is gereden, moet verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank bewust zijn geweest van het ontstaan van schade. Hij moet hebben gemerkt dat hij twee keer een ander voertuig heeft geraakt.

Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte onder invloed van alcohol en met (te) hoge snelheid op de Broekstraat heeft gereden en hij niet op tijd heeft geremd, zodat hij tegen de stilstaande auto van [slachtoffer 3] is gereden en daardoor schade aan die auto heeft veroorzaakt.

Vervolgens is verdachte hard weggereden en heeft hij op de Waterstraat tegen het verkeer in gereden. Op de kruising van de Waterstraat met de Larensteinselaan is hij tegen de auto van [slachtoffer 2] aangereden, die net op dat moment linksaf sloeg. Ook de auto van [slachtoffer 2] heeft hierdoor schade opgelopen. Met deze gedragingen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer gehinderd.

Bij de strafmaatbepaling zal worden betrokken dat verdachte in zijn auto is gaan rijden ondanks een kort daarvoor door de politie gedane waarschuwing om dat niet te doen, waarbij de politie zelfs zijn auto ergens anders heeft geparkeerd.

Het bovenstaande betekent dat de rechtbank alle drie feiten wettig en overtuigend bewezen acht.

Parketnummer 05/094655-20 21

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte kwam op 29 augustus 2019 op een scooter aangereden bij een woning in Velp en heeft deze in de voortuin van die woning geparkeerd.22 Deze scooter bleek te zijn gestolen.23

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling ten aanzien van de scooter, schuldheling ten aanzien van de kentekenplaat en het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van opzetheling. Verdachte moet verder worden vrijgesproken van feit 3 omdat de indicatieve test onvoldoende is om tot bewezenverklaring te komen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1 en feit 2

[slachtoffer 4] heeft, nadat hij zijn scooter terug heeft gekregen via de politie, verklaard dat het stuurslot is vernield en niet meer werkt. Er zit nu een kabel aan het contactslot met een schakelaar waarmee de scooter zonder sleutel is te starten.24

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de scooter gestolen was. Wel volgt uit de omstandigheid dat de scooter niet (meer) met de contactsleutel hoefde te worden gestart, wat wel normaal is, dat verdachte niet zonder nader onderzoek op de scooter had mogen gaan rijden. Van dergelijk onderzoek is niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte (minst genomen) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter gestolen was. Er is dus sprake van schuldheling van de scooter.

De in feit 2 genoemde kentekenplaat is weliswaar gestolen, maar bewijs dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze plaat gestolen was, ontbreekt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Feit 3

In het zadel van de scooter is een gripzakje gevonden.25 Uit onderzoek van de politie is gebleken dat daarin zaten een hoeveelheid van 0,39 gram die positief testte op heroïne en een hoeveelheid van 0,26 gram die positief testte op cocaïne.26

Verdachte heeft verklaard dat deze verdovende middelen van hem waren en dat dergelijke hoeveelheden normaal gesproken door de politie worden weggegooid.27 Uit deze laatste verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte ervaring heeft met drugs en wist dat hij cocaïne en heroïne bij zich had. Daarom komt zij tot een bewezenverklaring van feit 3.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/281953-20 als feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4, het onder parketnummer 05/220467-20 als feit 1, feit 2 en feit 3 en het onder parketnummer 05/094655-20 als feit 1 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05/281953-20

1. subsidiair

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten (ter hoogte van zijn middel), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:

- meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in elk geval een slagvoorwerp, op/tegen het hoofd te slaan;

3.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten/ in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 1] te bewegen en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “ik schiet je door je hoofd”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 7 november 2020 te Arnhem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 05/220467-20

1.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Velp (Gelderland), binnen de gemeente Rheden, op/aan de Larensteinselaan en/of de Broekstraat, op of omstreeks 11 januari 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) letsel en/of schade was toegebracht;

2.

hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Velp, gemeente Rheden, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Velp, gemeente Rheden als bestuurder van een voertuig (voertuig), daarmee rijdende op de weg, de Broekstraat,

-(terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank) met hoge snelheid, in elk geval met een voor die verkeerssituatie te hoge snelheid,

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft/is hij, verdachte, toen het voor hem, verdachte, rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen, met het door hem bestuurde voertuig gebotst/aangereden tegen een voor hem, verdachte, op die weg stilstaand, althans langzamer rijdend, ander voertuig (personenauto) en/of (vervolgens) met hoge snelheid/toeren is weggereden en/of

-(vervolgens) op de Waterstraat op de weghelft/rijbaan, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, is gaan rijden en/of blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan rijden en/of blijven rijden (zogenaamd spookrijden)

-en/of (bij nadering van de kruising van de voornoemde Waterstraat met de Larensteinselaan) is gebotst/gereden tegen een voertuig (personenauto) dat doende was linksaf te slaan/linksaf sloeg naar, althans in de richting van, de Larensteinselaan,

waarbij letsel aan personen is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Parketnummer 05/094655-20

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2019, te Velp, in de gemeente Rheden, een goed te weten een scooter heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2019, te Velp, in de gemeente Rheden, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,39 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 0,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 05/281953-20

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: mishandeling;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4: handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie;

Parketnummer 05/220467-20

feit 1: overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

het onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde levert op

de meerdaadse samenloop van

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

en

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

Parketnummer 05/094655-20

feit 1: schuldheling;

feit 3: handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van de tijd die hij al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft zij een geldboete van € 500,- gevorderd.

Ten slotte heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de strafeis fors is gelet op de LOVS-oriëntatiepunten. Verdachte heeft weliswaar forse documentatie maar hij wil nu vooruit. Met betrekking tot de gevorderde geldboete heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht is niet nodig omdat het ging om een toevallige ontmoeting tussen verdachte en aangever.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een breed scala aan strafbare feiten. In chronologische volgorde heeft hij met drank op in een auto gereden en daarbij gevaar op de weg en twee aanrijdingen veroorzaakt, in het bezit van harddrugs op een gestolen scooter gereden en niet alleen met een wapen rondgelopen, maar het ook gebruikt. Dit laatste feit heeft bij het slachtoffer tot lichamelijk en psychisch letsel geleid, zoals hij heeft beschreven in de slachtofferverklaring. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte, die eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens gewelds- en vermogensdelicten, zich weinig aantrekt van het strafbare en maatschappelijk onacceptabele karakter van zijn gedrag en dat hij met het grootste gemak ernstige strafbare feiten pleegt. De rechtbank benoemt hier ook de omstandigheid dat verdachte op 11 januari 2019 thuis is bezocht door de politie, waarbij hem te kennen is gegeven dat hij niet meer mocht autorijden omdat hij teveel alcohol had gedronken en hij vervolgens toch in de auto is gestapt, die nota bene ter voorkoming daarvan nog door de agenten op een andere plek was gezet.

Dat sprake is van een delictpatroon wordt ook benoemd door het NIFP in een brief van 20 november 2020. De reclassering heeft op 26 januari 2021 een advies uitgebracht en daarin geconcludeerd dat het risico op herhaling hoog is. Volgens de reclassering is een klinische behandeling gericht op het druggebruik van verdachte, evenals een diagnostisch onderzoek, noodzakelijk om te komen tot afname van de recidivekans. Verdachte is daartoe echter niet bereid. Tot dusver zijn alle eerder opgelegde toezichttrajecten bij de reclassering voortijdig beëindigd vanwege het niet nakomen van opgelegde voorwaarden. Daarom ziet de reclassering nu geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

Ter zitting heeft verdachte de rechtbank er niet van overtuigd dat hij, anders dan de reclassering concludeert, nu wel wil meewerken aan diagnostiek en behandeling. Dat betekent dat de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Dat zal een forse gevangenisstraf zijn, gelet op de ernst van de feiten. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij, anders dan waar de officier van justitie bij haar eis vanuit is gegaan, wel bewezen heeft geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal voor de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 een afzonderlijke straf opleggen, te weten een hechtenis van twee weken; een geldboete is gezien de ernst van verdachtes grensoverschrijdend handelen niet meer aan de orde. Voor de overige feiten komt zij tot het oordeel dat een gevangenisstraf van zestien maanden passend en nodig is. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal daarvan worden afgetrokken.

De rechtbank ziet geen aanleiding de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Verdachte heeft aangever [slachtoffer 1] niet bewust opgezocht. Zij kwamen elkaar toevallig tegen.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

Parketnummer 05/281953-20

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert € 632,58 aan materiële schade, € 2.500,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Daarbij is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht en om een proceskostenveroordeling van € 25,- (reiskosten).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, waarbij zij over het bedrag heeft opgemerkt dat iets afschrijving zou moeten plaatsvinden van de jas. De wettelijke rente kan worden toegekend en de officier van justitie heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft primair gewezen op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij naar voren gebracht dat er twee kanten zijn aan het verhaal en dat het bedrag van € 2.500,- te hoog is.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de materiële schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist en dat deze posten voldoende zijn onderbouwd en redelijk voor komen. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat zij de waarde van de jas begroot op € 300,- en dat de reiskosten voor het bezoeken van het politiebureau geen materiële schade zijn. Voor de schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een bedrag van € 568,38 (te weten € 243,38 voor medische kosten, € 300,- voor de jas en

€ 25,- telefoonkosten) kan worden toegewezen. De vordering wordt voor het overige afgewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

  • -

    verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

  • -

    de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

  • -

    de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

  • -

    de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die valt onder artikel 6:106 van het BW.

De benadeelde partij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Hoewel stukken over de behandeling van de benadeelde partij in verband met psychische klachten ontbreken, overweegt de rechtbank dat het gelet op de aard en ernst van de feiten evident is dat hij door het incident psychische klachten heeft (gehad). Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schade op het bedrag van € 2.500,- vaststellen.

Proceskosten, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Omdat de benadeelde partij zich op zitting heeft laten bijstaan door een advocaat, komen de kosten die hij zelf gemaakt heeft om naar de zitting te komen, niet voor vergoeding als proceskosten in aanmerking. In zoverre wordt de vordering afgewezen.

Verdachte is vanaf 7 november 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Parketnummer 05/094655-20

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert € 300,- aan materiële schade en € 100,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Daarbij is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar op de van [slachtoffer 4] gestolen scooter heeft gereden, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij verantwoordelijkheid is voor de door [slachtoffer 4] genoemde materiële en immateriële schade. Dat betekent dat de schade van [slachtoffer 4] niet rechtstreeks is veroorzaakt door verdachte en dat [slachtoffer 4] daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

9. De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05/720067-18 en 22/002983-19)

De rechtbank heeft verdachte op 30 mei 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk (parketnummer 05/720067-18), met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft verdachte op 29 januari 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien dagen, waarvan tien dagen voorwaardelijk (22/002983-19), met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van beide voorwaardelijk opgelegde straffen vanwege de strafbare feiten die ten laste zijn gelegd onder parketnummer 05/281953-20.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte al een deel van de voorwaardelijk door de rechtbank opgelegde straf heeft uitgezeten. Om onduidelijkheid te voorkomen moet nu niet-ontvankelijkheid volgen dan wel moeten de vorderingen worden afgewezen.

De rechtbank overweegt dat eerder een vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 05/720067-18 voorwaardelijk opgelegde straf is ingediend en dat deze bij vonnis van de rechtbank van 17 juni 2020 gedeeltelijk is toegewezen in die zin dat de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van twee maanden is gelast. Daarnaast is de proeftijd met een jaar verlengd. Dit tenuitvoerleggend vonnis is nog niet onherroepelijk.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten die aan de vorderingen van de officier van justitie ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen daarom ten uitvoer moeten worden gelegd. De rechtbank ziet geen reden om nu over te gaan tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzen van de vorderingen.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 36 f, 47, 57, 285, 300, 302 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 7, 8, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994;

- 2 en 10 van de Opiumwet;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 05/281953-20 als feit 1 primair en parketnummer 05/094655-20 als feit 2 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt veroordeelde wegens overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet (feit 3 van parketnummer 05/220467-20) tot een hechtenis van twee weken;

 veroordeelt veroordeelde in verband met parketnummer 05/281953-20 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 568,38 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

7 november 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt veroordeelde in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 wijst de vordering tot materiële schade en veroordeling in proceskosten (voor het overige) af;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 568,38 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.) Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 40 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 094655-20) niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële en immateriële schade;

 gelast de tenuitvoerlegging van de op 30 mei 2018 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van vier maanden (parketnummer 05/720067-18);

 gelast de tenuitvoerlegging van de op 29 januari 2020 door het hof voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van tien dagen (parketnummer 22/002983-19).

Dit vonnis is gewezen door mr. T.N. Ritzer, voorzitter, mr. M.C. van der Mei en

mr. I.W.M. Olthof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2021.

mr. Korevaar is buiten staat

dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2020529007, gesloten op 18 december 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 44-45.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 7 mei 2021.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 88.

6 Verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 7 mei 2021.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112-113.

8 Informatieblad Letselpotentie gaswapens NFI, 3 april 2019, p. 114-116.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112-113.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 88.

11 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam IJsselwaarden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019018291, gesloten op 17 januari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

12 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 23-25 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 44-45.

13 Proces-verbaal van aangifte, [slachtoffer 2] , p. 16-17; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 46-47, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 48-49.

14 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 16-17 en proces-verbaal van bevindingen, p. 38.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 47; proces-verbaal van aanhouding, p. 11-13; afdruk van het ademanalyseapparaat, p. 34.

16 Verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 7 mei 2021.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 16.

18 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 23.

19 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 24.

20 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 16-17.

21 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Rivierenland-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019386942, gesloten op 13 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 47 en de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 7 mei 2021.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17 en afschrift van de aangifte van [slachtoffer 4] , p. 42-43.

24 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 4] , p. 44.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.

26 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 75-77.

27 Verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 7 mei 2021.