Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2529

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/05/376627 / HZ ZA 20-368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Nalatenschap. Verbeurdverklaring ex artikel 3:194 BW. Gepinde gelden: volmacht, rekening en verantwoording, bewijslast. Zorgkosten ex artikel 4:36 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/376627 / HZ ZA 20-368

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.M. de Weerd te Eindhoven,

tegen

1 [gedaagde partij 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam,

2. [gedaagde partij 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam,

3. [gedaagde partij 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Drost te Leusden.

Partijen zullen hierna [eisende partij] , [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde partij 3] ,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ,

  • -

    de akte overlegging productie 20 van [eisende partij] ,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 24 februari 2021 waarvan deel uitmaken de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van mr. De Weerd en mr. Drost.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Uit het huwelijk van de heer [erflater] (hierna: erflater) en mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) zijn vier kinderen geboren, te weten [eisende partij] , [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] .

2.2.

Erflater heeft bij testament van 2 maart 1990 (productie 2 van [eisende partij] ) voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Erflater heeft aan erflaatster twee legaten toegekend, te weten een legaat van vruchtgebruik en een keuzelegaat. De kinderen zijn ieder voor een/vierde gedeelte erfgenaam, onder de last van het keuze- en vruchtgebruiklegaat van erflaatster.

2.3.

Erflaatster heeft bij testament van 2 maart 1990 (productie 5 van [eisende partij] ) voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. De kinderen zijn ieder voor een/vierde gedeelte erfgenaam.

2.4.

Op 6 oktober 2004 is erflater overleden.

2.5.

Op 7 december 2018 is erflaatster overleden.

2.6.

Bij brief van 29 december 2018 (productie 5 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ) aan de “[Familienaam]” heeft [gedaagde partij 2] een bedrag van € 20.000,00 in rekening gebracht voor de zorg die zij heeft verleend aan erflaatster.

2.7.

Op 19 juli 2019 is een verklaring van erfrecht afgegeven (productie 4 van [eisende partij] ) waarin is opgenomen dat de nalatenschap door alle kinderen zuiver is aanvaard. Verder is in de verklaring van erfrecht vermeld dat [gedaagde partij 2] een volmacht heeft verleend aan [gedaagde partij 1] om haar te vertegenwoordigen ter zake van de nalatenschap van erflaatster.

2.8.

Op 7 oktober 2019 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij 1] een e-mailbericht verzonden (productie 6 van [eisende partij] ) met het verzoek informatie te geven omtrent de afwikkeling van de nalatenschap. Dit bericht is eveneens (cc.) verzonden aan [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] .

2.9.

Hierop heeft [gedaagde partij 2] gereageerd met een bericht (eveneens productie 6 van [eisende partij] ) waarin zij onder meer schrijft:

“(…)

Helaas blijkt nu dat je weer 1 van de 4 bent. Als erfgename meen je te weten dat er gelijke rechten en plichten zijn. die plichten waren er ook tijdens jouw 23 jarige afwezigheid aan je ouders

Je wenst nu een lijst te ontvangen van de inboedel. Als je ook aan de verzorging van moeder had bijgedragen dan kan je nu ook weten dat er aan inboedel praktisch niets meer aanwezig was.

(…)”

2.10.

[gedaagde partij 1] heeft op het bericht van 7 oktober 2019 gereageerd bij e-mailbericht van

20 oktober 2019 (productie 6 van [eisende partij] ), waarin hij schrijft dat hij [eisende partij] in de toekomst op de hoogte zal houden van nieuwe bezichtigingen van de woning van erflaatster.

2.11.

Op 21 november 2019 hebben [eisende partij] en [gedaagde partij 1] verschillende Whatsapp berichten uitgewisseld (productie 1 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ):

“21-11-19 16:21 – [gedaagde partij 1] : Ga je akkoord met de aangifte erfbelasting ?

21-11-19 17:12 – [eisende partij] : Ik heb gewacht op achterliggende stukken zodat ik kan nakijken of het goed en akkoord is.

21-11-19 17:39 – [gedaagde partij 1] : Welke achterliggende stukken ? Het betreft hier een notariële akte waarvoor de daarvoor bestemde stukken zijn aangeleverd.

21-11-19 17:43 – [eisende partij] : Ik zie alleen bedragen staan. Waar komen die vandaan? Heb ook graag inzage in die stukken.

21-11-19 17:47 – [gedaagde partij 1] : De bedragen komen uit de stukken die aangeleverd zijn bij de notaris. Het inboedelbedrag komt voort uit de verkoop van de staopstoel 500 euro, biljart 400 euro, en sloffen 20 euro. Contant geld zat in portemonnee

21-11-19 17:49 – [eisende partij] : Graag inzage in de stukken die zijn aangeleverd bij de notaris

(…)”

2.12.

Bij e-mailbericht van 25 november 2019 (productie 7 van [eisende partij] ) heeft [eisende partij] mevrouw [betrokkene1] (medewerkster van een notariskantoor) verzocht om de onderliggende stukken van de aangifte erfbelasting en gevraagd van welke stukken de overbedelingsschulden in de nalatenschap van erflater zijn afgeleid.

2.13.

Mevrouw [betrokkene1] heeft hierop bij e-mailbericht gereageerd (eveneens productie 7 van [eisende partij] ):

“(…)

Hierbij de gevraagde stukken.

(…)

Er is nu getracht om de overbedelingsschuld zo goed mogelijk weer te geven om zo erfbelasting te besparen. De overbedelingsschuld is gebaseerd op de stukken die uw broer heeft aangeleverd.

Tot de nalatenschap van vader behoorde destijds:

Woning WOZ waarde € 201.932

IB 2004/2005 € 801

Tezamen € 202.733

Waarvan de helft of € 101.366,50

Af: uitvaartkosten € 11.847

Resteert € 89.519,50

(…)”

2.14.

Op 26 november 2019 heeft [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] onder meer het volgende Whatsapp verzonden (productie 1 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ):

“Zaterdag ga ik verder in de [adres] (leeg maken) als je nog iets wilt hebben, geef het dan aan.”

2.15.

Bij e-mailbericht van 3 december 2019 (productie 8 van [eisende partij] ) bericht [eisende partij] , voor zover relevant, aan [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] :

“(…)

Ik kan de aangifte erfbelasting niet controleren en goedkeuren zonder de nadere onderliggende stukken te hebben gezien en kopieën daarvan ontvangen, terwijl ik een eigenverantwoordelijkheid heb t.a.v. de aangifte erfbelasting.

(…)

alles wat nu in de aangifte is opgenomen, is dat ook alles wat tot de nalatenschap behoort?

(…)”

2.16.

De woning van erflaatster aan de [adres] is verkocht en op 20 januari 2020 geleverd aan een derde. De verkoopopbrengst is op de ervenrekening gestort.

2.17.

Op 23 januari 2020 heeft de nabestaandendesk van de ING Bank in een

e-mailbericht (productie 9 van [eisende partij] ) het volgende aan [gedaagde partij 1] medegedeeld:

“(…)

Wij hebben een formulier ontvangen, waarin u aangeeft dat u de Betaalrekening van mevrouw [erflaatster] (erflater, rb.), geboren op 20 september 1925, tijdelijk wilt beheren. Helaas kunnen wij uw verzoek niet in behandeling nemen. De reden hiervan is dat uit de Verklaring van Erfrecht gezamenlijke bevoegdheid blijkt. Wij hebben inmiddels een ander formulier verstuurd waarop alle bevoegden moeten tekenen voor akkoord.

(…)”

2.18.

Bij e-mailbericht van 17 maart 2020 (productie 19 van [eisende partij] ) heeft [gedaagde partij 2] aan [eisende partij] , [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 3] onder meer een getekend akkoord gevraagd voor kosten die volgens haar nog verrekend dienen te worden:

“Uitvaartverzorging Rivierenland € 6.366,59

Harvas natuursteen “ 1.550,--

Jarenlange thuisverzorging van

[erflaatster] “ 20.000,--

-------------

Totaal € 27.916,59”

2.19.

Bij e-mailbericht van 25 april 2020 en van 9 maart 2020 (productie 10 van [eisende partij] ) heeft [gedaagde partij 3] aan [gedaagde partij 2] , [gedaagde partij 1] en [eisende partij] verzocht om spoedig tot afwikkeling van de nalatenschap over te gaan.

2.20.

Bij brief van 25 juni 2020 (productie 11 van [eisende partij] ) heeft [eisende partij] via haar raadsvrouwe [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] aangeschreven. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Zoals hiervoor aangegeven, is cliënte buiten de (feitelijke) verdeling van de inboedel, de sieraden en de contante gelden ad € 29.000,- die tot de nalatenschap behoorden, gehouden. U hebt cliënte niet bij de verdeling(en) betrokken, u hebt haar niet tijdig geïnformeerd noch haar om haar wensen gevraagd.

(…)

U hebt derhalve alle drie op grond van voormeld artikel 3:194 lid 2 BW uw aandeel in vermelde goederen verbeurd.

(…)

Langs deze weg verzoek en voor zover nodig sommeer ik ieder van u dan ook om binnen 14 dagen na heden:

1. alle door u uit de nalatenschap verkregen:

- contante gelden ad (vermoedelijk) € 9.700,- dan wel € 9.600,- (per persoon);

- sieraden; en

- inboedelgoederen;

(…)

Onregelmatigheden bankrekening

Naast het vorenstaande heeft cliënte spijtig genoeg ook moeten constateren, sinds zij de toegang tot de afschriften van de ING bankrekening van erflaatster heeft, dat er de afgelopen jaren vóór het overlijden van erflaatster forse pinopnamen hebben plaatsgevonden vanaf de bankrekening van erflaatster. Vanaf het jaar 2012 tot haar overlijden eind 2018 is een duidelijke vermogensafname te zien -met name vanwege de vele pinopnamen- van achtereenvolgens:

  • -

    circa € 30.000,- over 2012;

  • -

    circa € 18.000,- over 2013;

  • -

    circa € 54.000,- (!) over 2014;

  • -

    circa € 7.000,- over 2015;

  • -

    circa € 3.000,- over 2017; en

  • -

    circa € 25.000,- over 2018.

E.e.a. heeft tot een drastische vermogensafname van het vermogen van erflaatster geleid, terwijl erflaatster, volgens cliënte, zeer sober leefde, nauwelijks woonlasten had – de eigen woning was hypotheekvrij -, een AOW genoot met twee aanvullende pensioenen en de vaste lasten (die via de bankrekening werden betaald) beperkt waren. Een uitgavenpatroon van tienduizenden euro’s aan pinopnamen in één jaar, waarbij zeker het jaar 2014 er uit springt, is een alleszins buitenproportioneel en ongebruikelijk uitgavenpatroon voor een vrouw van haar leeftijd en gezien haar toestand.

Uit de bankafschriften van de ING blijkt dat (een groot deel van) de pinopnamen structureel in [woonplaats] plaatsvonden, de plaats waar u [gedaagde partij 2] ( [gedaagde partij 1] , rb.) woonachtig bent. Erflaatster had geen auto, geen rijbewijs en was – gezien haar fysieke toestand – absoluut niet in staat om zelfstandig naar [woonplaats] te rijden.

Al met al is het onaannemelijk dat erflaatster deze bedragen zelf heeft gepind en/of dat deze bedragen aan haar ten goede zijn gekomen. cliënte verzoekt u allen daarom aan te geven wat er over die jaren met de betreffende gelden van erflaatster is gebeurd, derhalve waar de gelden aan zijn besteed en of deze wel aan erflaatster ten goede zijn gekomen en zo ja op welke wijze.

(…)”

2.21.

Vervolgens heeft [gedaagde partij 3] de door haar ontvangen gelden aan [eisende partij] in bewaring gegeven.

2.22.

Bij brief van 10 juli 2020 (productie 12 van [eisende partij] ) heeft [gedaagde partij 2] [eisende partij] bericht dat haar volmacht aan [gedaagde partij 1] nog steeds van kracht is en dat [gedaagde partij 1] naar aanleiding van de brief van

25 juni 2020 verweer zal voeren.

2.23.

Bij e-mailbericht van 10 juli 2020 en van 15 juli 2020 (productie 13 van [eisende partij] ) heeft de raadsvrouwe van [gedaagde partij 1] gereageerd, waarbij is aangegeven dat [gedaagde partij 1] op korte termijn inhoudelijk zal reageren en waarbij is verzocht om geen rechtsmaatregelen te treffen. In het e-mailbericht van 15 juli 2020 is voorts opgenomen dat [gedaagde partij 1] in onderling overleg tot een oplossing wil komen.

2.24.

[gedaagde partij 3] heeft op 22 juli 2020 een verklaring opgesteld (productie 14 van [eisende partij] ), waarin onder meer is vermeld:

“(…)

- eind maart 2019 de contante gelden die tot de nalatenschap van mijn moeder behoorden, (voor zover mij bekend) € 29.000,00,-, tussen mij, mijn zus [gedaagde partij 2] en mijn broer [gedaagde partij 2] zijn verdeeld. Mijn zus [eisende partij] is niet door ons tijdig op de hoogte gesteld van het feit dat deze gelden in de nalatenschap aanwezig waren; zij was bij de verdeling ervan ook niet door ons betrokken en zij heeft haar aandeel niet ontvangen. Ik heb [eisende partij] later over deze contante gelden en de verdeling ervan (die reeds had plaatsgevonden), geïnformeerd en wel op 1 aug 2019;

- ik en [gedaagde partij 2] ieder een bedrag ad € 9.700,- uit de verdeling contant hebben ontvangen en [gedaagde partij 2] een bedrag ad € 9.600,-;

(…)

- eind maart 2019 de sieraden die tot de nalatenschap van mijn moeder behoorden tussen mij, mijn zus [gedaagde partij 2] en mijn broer [gedaagde partij 2] zijn verdeeld. Mijn zus [eisende partij] is niet door ons tijdig op de hoogte gesteld van het feit dat er sieraden in de nalatenschap aanwezig waren; zij was bij de verdeling ervan ook niet door ons betrokken en zij heeft haar aandeel niet ontvangen. (…)

- de sieraden die tot de nalatenschap behoorden, als volgt kunnen worden omschreven:

  1. de gouden ring met initialen van moeder (toebedeeld aan [gedaagde partij 3] )

  2. de gouden herenarmband (toebedeeld aan [gedaagde partij 2] )

  3. twee gouden trouwringen (toebedeeld aan [gedaagde partij 2]

  4. de gouden armband met kinderkopjes (toebedeeld aan [gedaagde partij 2] )

  5. twee gouden kettinkjes met hangertjes (toebedeeld aan [gedaagde partij 3] en [gedaagde partij 2] )

  6. twee gouden oorbellen, meer specifiek: creolen en hangers (toebedeeld aan [gedaagde partij 3] )

  7. twee horloges (toebedeeld aan [gedaagde partij 3] en [gedaagde partij 2] )

  8. een gouden ring met een zwarte steen (toebedeeld aan [gedaagde partij 2] );

(…)

- in de periode 29 december 2018 tot 12 maart 2019 de inboedel die tot de nalatenschap van mijn moeder behoorde, tussen mij, mijn zus [gedaagde partij 2] en mijn broer [gedaagde partij 2] is verdeeld. Mijn zus [eisende partij] is niet door ons tijdig op de hoogte gesteld van het feit dat en welke inboedelgoederen in de nalatenschap aanwezig waren; zij was bij de verdeling ervan ook niet door ons betrokken en zij heeft haar aandeel niet ontvangen. (…)

- het gaat bij de inboedel om diverse goederen, zoals die standaard tot een huishouden behoren: pannen, vazen, serviesgoed, bestek, keukenapparatuur, gereedschap van mijn vader, hand/keukendoeken, beddegoed enz. [gedaagde partij 2] heeft uit de verdeling onder andere een (oude) kerstgroep met stal ontvangen;

(…)

- ik bij de verdeling van het contante geld, de sieraden en de inboedel, aan [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 2] nog heb aangegeven dat [eisende partij] voor zover mij bekend ook geïnformeerd moest worden en bij de verdeling hoorde te zijn als een van de vier erfgenamen, maar [gedaagde partij 2] gaf aan dat ik mijn deel mocht delen met [eisende partij] als ik dat wilde, maar dat [eisende partij] niets van haar zou krijgen. Van [gedaagde partij 2] kwam geen duidelijke, inhoudelijke reactie.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – na vermindering van eis ter zitting – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair:

a. voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW ieder hun aandeel in de contante gelden van € 29.000,00, althans in goede justitie een bedrag te bepalen, aan [eisende partij] hebben verbeurd;

b. voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW ieder hun aandeel in de sieraden aan [eisende partij] hebben verbeurd;

c. voor recht zal verklaren dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW ieder hun aandeel in de inboedel aan [eisende partij] hebben verbeurd;

d. voor recht zal verklaren dat de hiervoor bedoelde vermogensbestanddelen toekomen aan [eisende partij] ;

e. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zal veroordelen ter uitvoering van het hiervoor gevorderde, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis hetgeen zij op grond van de verbeurdverklaring aan [eisende partij] verschuldigd zijn, aan haar te voldoen, voor zover het de contante gelden betreft te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2020 althans de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening,

een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag c.q. dagdeel per gedaagde dat een of meer gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen, althans in goede justitie een bedrag te bepalen;

althans onder de voorwaarden die de rechtbank juist acht;

althans een verklaring voor recht en/of een veroordeling van gelijke strekking die de rechtbank juist acht;

2. Subsidiair:

a. voor recht zal verklaren dat de verdelingen die reeds hebben plaatsgevonden nietig zijn, te weten:

1. de verdeling van de contante gelden van € 29.000,00, althans in goede justitie een bedrag te bepalen;

2. de verdeling van de inboedelgoederen;

3. de verdeling van de sieraden;

althans een beslissing van gelijke strekking die de rechtbank juist acht;

b. voor zover nodig [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zal veroordelen tot afgifte aan de nalatenschap van de door hen ontvangen gelden en goederen uit de nalatenschap uit hoofde van de nietige verdelingen,

onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag c.q. dagdeel per gedaagde dat een of meer gedaagden in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen, althans in goede justitie een bedrag te bepalen;

althans een beslissing van gelijke strekking die de rechtbank juist acht;

3. Zowel primair als subsidiair:

A. Voor recht zal verklaren dat de schulden aan de kinderen uit hoofde van het vooroverlijden van erflater € 89.520,00 in totaal bedragen, althans in goede justitie een bedrag te bepalen;

althans een verklaring van gelijke strekking uit zal spreken;

B. Zal bepalen dat [eisende partij] zelfstandig gerechtigd is over de banksaldi van de ervenrekening (ING Betaalrekening [rekeningnr.] en [rekeningnr.] ) te beschikken teneinde feitelijk uitvoering te kunnen geven aan de voldoening van voormelde schuld onder vordering 3.A genoemd, uit hoofde van vooroverlijden van erflater;

althans een bepaling van gelijke strekking uit zal spreken;

C. De (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflaatster, overleden te Geldermalsen op 7 december 2018, vast zal stellen zoals omschreven in randnummers 96 t/m 100 van deze dagvaarding met inachtneming van primair de verbeurdverklaring en subsidiair de benoemde nietige verdelingen, alsook voor zover mogelijk met inachtneming van de inbreng van giften en de gedwongen schuldtoerekening als bedoeld in randnummers 101 t/m 107 en daarbij voor zover nodig [gedaagde partij 1] zal veroordelen tot terugbetaling aan de nalatenschap hetgeen hij nog aan de nalatenschap verschuldigd is, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag c.q. dagdeel dat [gedaagde partij 1] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, althans in goede justitie een bedrag te bepalen;

althans een wijze van verdeling vast zal stellen en/of een veroordeling uit zal spreken en/of anderszins zal beslissen van gelijke strekking, zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

D. Zal bepalen dat [eisende partij] zelfstandig gerechtigd is over de banksaldi van de ervenrekening (ING Betaalrekening [rekeningnr.] en [rekeningnr.] ) te beschikken, teneinde feitelijk uitvoering te kunnen geven aan de door de rechtbank te bepalen (wijze van) verdeling,

althans een bepaling van gelijke strekking uit zal spreken teneinde te bewerkstelligen dat kan worden overgegaan tot feitelijke verdeling van de banksaldi;

E. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor zover zij in gebreke blijven met voldoening daarvan na de veertiende dag na betekening van dit vonnis, alsmede [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk zal veroordelen in de nakosten, voor wat betreft het salaris van de advocaat (voorwaardelijk) begroot op € 157,00 zonder betekening in conventie of reconventie, € 246,00 zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening,

een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en, voor het geval betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf die termijn van voldoening.

3.2.

[eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de contante gelden, de sieraden en de inboedel behorende tot de nalatenschap tussen [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] zijn verdeeld, terwijl [eisende partij] een van de erfgenamen is. Primair vordert [eisende partij] een verklaring voor recht dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hun aandeel in de gelden en goederen hebben verbeurd, en subsidiair vordert [eisende partij] een verklaring voor recht dat de verdelingen nietig zijn. Zowel primair als subsidiair vordert [eisende partij] dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap zal vaststellen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gedwongen schuldtoerekening, nu erflaatster, thans de nalatenschap, schade heeft opgelopen ter hoogte van de onrechtmatig onttrokken gelden door [gedaagde partij 1] van ten minste € 170.000,00. Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van onrechtmatig handelen, dan is sprake van ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling of vernietigbare schenkingen, aldus [eisende partij] .

3.3.

[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren samengevat ten verwere aan dat erflaatster geen bedrag van € 29.000,00 in huis had en dat dit bedrag – net als de sieraden – niet onder [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] is verdeeld. Voor wat betreft de inboedel stellen [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] primair dat [eisende partij] tijdens het verdelen daarvan is vertegenwoordigd door [gedaagde partij 3] , en subsidiair dat [eisende partij] afstand heeft gedaan van de inboedel. De gepinde bedragen zijn niet aan [gedaagde partij 1] ten goede gekomen, maar aan erflaatster, zodat de pinopnames niet onrechtmatig zijn en ook geen sprake is van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Voorts heeft [gedaagde partij 2] recht op een vergoeding van € 20.000,00 voor aan erflaatster verleende zorg en heeft [gedaagde partij 1] recht op

€ 3.744,80 ter zake van door hem voorgeschoten kosten. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] concluderen dat de rechtbank [eisende partij] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar die vorderingen, als ongegrond en onbewezen zijnde, zal ontzeggen, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde partij 3] concludeert tot toewijzing van de vorderingen van [eisende partij] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De contante gelden ten bedrage van € 29.000,00

4.1.

[eisende partij] stelt dat de contante gelden ten bedrage van € 29.000,00 tussen [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] zijn verdeeld, waarvan [gedaagde partij 3] haar nadien op de hoogte heeft gesteld. [gedaagde partij 3] sluit zich bij deze stelling aan. Volgens [gedaagde partij 3] heeft eind maart 2019 een verdeling plaatsgevonden, waartegen zij heeft geprotesteerd. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] betwisten dat erflaatster een bedrag van € 29.000,00 aan contanten in huis had en dat dit bedrag is verdeeld.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de bewijslast en het bewijsrisico van de stelling dat de contante gelden tussen [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] zijn verdeeld, op [eisende partij] rust. [eisende partij] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van deze verdeling. De rechtbank is van oordeel dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eisende partij] . Het volgende is hiervoor redengevend. [eisende partij] heeft een schriftelijke verklaring van [gedaagde partij 3] (productie 14 van [eisende partij] ) ten grondslag gelegd aan haar stelling. [gedaagde partij 3] ’s verklaring is tegenstrijdig aan hetgeen [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ter zitting hebben verklaard. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde partij 3] geen belang heeft bij het afleggen van een verklaring in het voordeel van [eisende partij] , nu zij door deze verklaring het risico loopt € 2.417,00 mis te lopen (het verschil tussen een derde en een vierde deel van € 29.000,00). Daarnaast heeft [gedaagde partij 3] ook het risico gelopen dat [eisende partij] zich ook ten aanzien van haar op een verbeurdverklaring zou beroepen. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben daarentegen wel belang bij het afleggen van een verklaring in het nadeel van [eisende partij] . Daarbij komt dat de raadsman van [eisende partij] ter zitting heeft aangevoerd dat het inkomen en vermogen van [gedaagde partij 3] zeer gering is, zodat zij het bedrag van € 9.600,00 dat zij aan [eisende partij] heeft afgegeven (na de sommatie van [eisende partij] ) enkel uit de nalatenschap heeft kunnen ontvangen. Dit is door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] niet betwist. Bovendien hecht de rechtbank aan de verklaring van [gedaagde partij 3] omdat deze niet slechts algemeenheden bevat en daarom geloofwaardig is. Zij heeft ter zitting nader verklaard dat de contante gelden met paperclips bij elkaar werden gehouden en dat de gelden niet gelijkelijk over drie personen verdeeld konden worden, zodat [gedaagde partij 2] een bedrag van € 9.600,00 heeft gekregen en [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 3] beiden een bedrag van € 9.700,00. De andersluidende verklaringen van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ter zitting leggen tegenover de verklaring van [gedaagde partij 3] onvoldoende gewicht in de schaal, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat zij geen reden hebben gegeven waarom [gedaagde partij 3] deze schriftelijke verklaring heeft opgesteld wanneer deze onjuistheden zou bevatten.

4.3.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de contante gelden behoren tot de nalatenschap van erflaatster. [eisende partij] heeft ten aanzien van [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] gevorderd dat zij hun aandeel in deze contanten verbeuren op grond van 3:194 lid 2 BW. Voor een geslaagd beroep op dit artikel is, onder meer, noodzakelijk dat de verzwijger wist dat de goederen tot de nalatenschap behoorden. In dit geval werden de contanten aangetroffen in de woning van erflaatster, geteld en verdeeld tussen de aanwezige erfgenamen. Hiermee staat vast dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] wisten dat de contanten onderdeel vormden van de nalatenschap en dat zij de contanten hebben verzwegen. Dit staat echter niet alleen ten aanzien van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] vast maar ook ten aanzien van [gedaagde partij 3] . Zij heeft deelgenomen aan de verdeling en hoewel zij – conform haar eigen verklaring – heeft geprotesteerd heeft zij de gelden wél aangenomen en pas enige tijd later opgaaf gedaan van deze gelden aan [eisende partij] . Op grond van vaste rechtspraak (zie o.a. ECLI:NL:HR:2017:565) geldt dat ieder verzwijgen, zoek maken of verborgen houden leidt tot de toepasselijkheid van de sanctie van verbeuring op grond van 3:194 lid 2 BW. Kort en goed: eens verzwegen, blijft verzwegen. Ook indien dit plaatsvindt vóór de verdeling of zelfs voordat een boedelbeschrijving is opgesteld. In geval van verzwijging biedt de wet geen mogelijkheid voor inkeer of herstel door de verzwijger. Een dergelijke mogelijkheid zou immers het wezenskenmerk van deze sanctiebepaling raken. Dit neemt niet weg dat onder bijzondere, door de partij die haar aandeel verbeurd te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden een beroep op 3:194 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Daarop is in deze zaak evenwel geen beroep gedaan. Eén en ander brengt met zich dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hun aandeel in de contanten verbeuren en deze aan [eisende partij] toekomen. Dit geldt ook ten aanzien van [gedaagde partij 3] maar [eisende partij] heeft de vordering jegens [gedaagde partij 3] ingetrokken, zodat de rechtbank ten aanzien van [gedaagde partij 3] geen verklaring voor recht zal uitspreken. De vordering van [eisende partij] onder 1.a. zal worden toegewezen. Voor de gevorderde dwangsom is geen aanleiding nu niet is gebleken dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] niet aan de veroordeling zullen voldoen. Aan het subsidiair gevorderde over de contanten komt de rechtbank niet toe.

4.4.

[eisende partij] heeft wettelijke rente gevorderd over de door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] verbeurde aandelen in de contanten vanaf de datum van haar brief op 25 juli 2020. Een uitleg van 3:194 BW brengt met zich dat vanaf de datum van onttrekking wettelijke rente verschuldigd is aan de boedel en in dit geval dat dit dan aan de niet-verbeurende deelgenoten moet worden betaald. De verbeurdverklaring resulteert in een bijzondere wijze van verkrijging conform 3:80 lid 3 BW. Er ontstaat een directe vordering van de overige deelgenoten jegens de deelgenoten wier aandeel is verbeurd. Dit leidt ertoe dat het door [eisende partij] gevorderde onder 1.d. zal worden afgewezen. Immers komt haar niet het vermogensbestanddeel toe maar is een directe vordering ontstaan. Over deze vordering is wettelijke rente verschuldigd zodra de schuldeiser in verzuim is. Dit laatste is niet gesteld noch gebleken, zodat de vordering tot voldoening van wettelijke rente wordt afgewezen. De verbeurdverklaring leidt er ook toe dat de gelden géén onderdeel meer uitmaken van de nalatenschap.

De sieraden

4.5.

[eisende partij] stelt dat ook de sieraden van erflaatster zijn verdeeld onder [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] . [gedaagde partij 3] sluit zich hierbij aan. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] betwisten dat de sieraden zijn verdeeld, zij hebben slechts verschillende sieraden in bewaring genomen om later te verdelen. Een groot deel van de sieraden is door [gedaagde partij 3] meegenomen, waarbij zij heeft aangegeven dat erflaatster de sieraden in bruikleen had. Erflaatster heeft aan [gedaagde partij 1] de trouwring en het horloge van erflater geschonken, aldus [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] .

4.6.

De stelling van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] dat de trouwring en het horloge van erflater aan [gedaagde partij 1] geschonken zijn, is onweersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. [gedaagde partij 3] , [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben niet betwist dat de door [eisende partij] opgesomde sieraden in randnummer 41 van de dagvaarding onderdeel van de nalatenschap uitmaken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van deze stelling. [eisende partij] heeft op haar beurt de stelling van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] dat zij verschillende sieraden in bewaring hebben genomen om deze later te verdelen niet betwist. Deze sieraden zijn dus niet verdeeld en behoren nog steeds tot de nalatenschap. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat [gedaagde partij 3] verschillende sieraden heeft meegenomen, terwijl zij menen dat deze sieraden niet aan [gedaagde partij 3] toebehoren. Ter zitting heeft [gedaagde partij 3] verklaard dat zij erflaatster drie armbandjes heeft gegeven en dat zij een gouden hartje en een gouden playboy konijntje heeft achtergelaten toen zij uit huis ging, waarvan haar schoonzus heeft gezegd dat zij deze sieraden zou terugkrijgen indien er wat met erflaatster zou gebeuren. Aangezien [gedaagde partij 3] de armbanden aan erflaatster heeft geschonken, behoorden de armbanden in eigendom aan erflaatster toe, zodat ook deze armbanden onderdeel uitmaken van haar nalatenschap. [gedaagde partij 3] heeft ten aanzien van het gouden hartje en het gouden playboy konijntje niet gesteld dat deze sieraden haar in eigendom toebehoren. Voor zover de rechtbank dit uit haar stellingen moet begrijpen, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Nu uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat de sieraden zich bij overlijden van erflaatster in haar woning bevonden, gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze sieraden onderdeel zijn van de nalatenschap van erflaatster. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat een verdeling van de sieraden niet heeft plaatsgevonden, zodat geen sprake kan zijn van een nietige verdeling. De sieraden zijn evenmin verzwegen, zodat ook geen plaats is voor een verbeurdverklaring. De vorderingen van [eisende partij] onder 1.b., 2.a.2 en 2.b. zullen worden afgewezen.

4.7.

Met het oog op de vordering van [eisende partij] onder 3. C. zal de rechtbank de wijze van verdeling van de sieraden vaststellen. [eisende partij] heeft aangegeven dat zij de gouden armband met kinderkopjes en een gouden trouwring wenst te ontvangen en dat de rest kan worden toebedeeld aan gedaagden zoals zij de sieraden reeds onder zich hebben. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat de betreffende armband en trouwring een grote emotionele waarde voor hen hebben. Zij hebben voorgesteld de twee sieraden te laten taxeren en [eisende partij] haar aandeel in de waarde te laten toekomen. De rechtbank overweegt dat het voorstel van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] om slechts de voornoemde twee sieraden te laten taxeren, zonder dat [eisende partij] gelegenheid krijgt een of meerdere sieraden te ontvangen, geen recht doet aan de gelijkwaardige positie van de erfgenamen. Geconstateerd wordt dat [eisende partij] heeft aangegeven wat zij wenst te ontvangen en dat [gedaagde partij 3] een lijstje heeft opgesteld waarin zij noemt welke sieraden naar haarzelf, [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zijn gegaan. Nu geen van de partijen een wijze van verdeling van de sieraden heeft voorgesteld, zal de rechtbank hierbij aansluiting zoeken. Met inachtneming van voormelde wensen en mede gezien de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid komt de rechtbank toe aan de navolgende verdeling van de sieraden.

Aan [eisende partij] worden toebedeeld de navolgende sieraden:

  • -

    de gouden armband met kinderkopjes,

  • -

    een gouden trouwring.

Aan [gedaagde partij 3] worden toebedeeld:

  • -

    de gouden ring met initialen van erflaatster,

  • -

    een gouden kettinkje met hanger,

  • -

    twee gouden oorbellen, meer specifiek: creolen en hangers,

  • -

    een horloge.

Aan [gedaagde partij 1] worden toebedeeld:

  • -

    de gouden herenarmband,

  • -

    een gouden trouwring.

Aan [gedaagde partij 2] worden toebedeeld:

  • -

    een gouden kettinkje met hanger,

  • -

    een horloge,

  • -

    een gouden ring met zwarte steen.

Bij de verdeling van de sieraden dient de over/onderbedeling van ieder der erfgenamen te worden vastgesteld aan de hand van de totale waarde van de door ieder van hen te verkrijgen sieraden. [eisende partij] heeft een waarde aan de sieraden tezamen verbonden. Deze waarde is betwist. Bovendien geeft dit bedrag geen inzicht in de afzonderlijke waarde van de sieraden. Om de over/onderbedeling vast te kunnen stellen dient de waarde de door iedere erfgenaam te verkrijgen sieraden te worden bepaald. Partijen wordt gelegenheid geboden om zich uit te laten of de rechtbank hiertoe een deskundige dient te benoemen of dat partijen dit zelf ter hand nemen. Indien een deskundige dient te worden benoemd dienen partijen zich direct uit te laten over de persoon van de deskundige en de te stellen vragen. Indien partijen zelf de waarde bepalen van de sieraden en/of de over/onderbedeling in dit verband zal daartoe nadere uitlating worden gegeven op een door de rechtbank te bepalen termijn.

De inboedel

4.8.

[eisende partij] stelt dat ook de inboedel onder [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] is verdeeld en dat zij heeft begrepen dat de inboedel geen noemenswaardige waarde had. [gedaagde partij 3] sluit zich bij deze stelling aan. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] stellen dat [gedaagde partij 1] diverse malen aan [eisende partij] heeft gevraagd om naar de woning van erflaatster te komen om goederen uit te zoeken. Ook hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] aangevoerd dat [eisende partij] tijdens de verdeling van de inboedel is vertegenwoordigd door [gedaagde partij 3] , dat [eisende partij] via [gedaagde partij 3] diverse spullen in ontvangst heeft genomen en dat [eisende partij] afstand heeft gedaan van de inboedel.

4.9.

Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij het erover eens zijn dat een verdeling van de inboedelgoederen heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat, afgezien van een hier niet aan de orde zijnde uitzondering, een verdeling waar niet alle deelgenoten en alle andere personen wier medewerking vereist was aan hebben deelgenomen nietig is ingevolge artikel 3:195 lid 1 BW. De rechtbank constateert dat slechts een van de Whatsapp berichten van [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] ziet op het leegmaken van het huis, namelijk het bericht van 26 november 2019 (productie 1 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ), waarin [gedaagde partij 1] zegt: “Zaterdag ga ik verder in de [adres] (leeg maken) als je nog iets wilt hebben, geef het dan aan.” Uit de Whatsapp conversatie blijkt dat [eisende partij] op dit bericht niet heeft gereageerd. [gedaagde partij 3] heeft verklaard dat de inboedel in de periode van 29 december 2018 tot 12 maart 2019 tussen [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en haarzelf is verdeeld. [gedaagde partij 1] heeft ter zitting verklaard niet meer te weten of de inboedelgoederen voor of na het Whatsapp bericht zijn verdeeld. Het woord “verder” uit het Whatsapp bericht van [gedaagde partij 1] lijkt erop te duiden dat er al voor

26 november 2019 inboedelgoederen zijn verdeeld, wat aansluit bij de verklaring van [gedaagde partij 3] . Dat [gedaagde partij 1] [eisende partij] diverse malen heeft gevraagd om inboedelgoederen uit te komen zoeken, blijkt niet uit de stukken. Het uitblijven van een reactie van [eisende partij] op het Whatsapp bericht van [gedaagde partij 1] is onvoldoende om aan te nemen dat [eisende partij] afstand heeft gedaan van de inboedelgoederen. Wel is de correspondentie grondslag om te oordelen dat ten aanzien van de inboedel geen sprake is van verzwijging, zodat geen plaats is voor toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW. De stelling van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] dat [eisende partij] via [gedaagde partij 3] diverse goederen in ontvangst heeft genomen is niet onderbouwd, zodat niet duidelijk is of zij doelen op de goederen die [gedaagde partij 3] na sommatie aan [eisende partij] heeft afgegeven, of op andere goederen. Niet gebleken is dat [eisende partij] op enige wijze met de boedelverdeling heeft ingestemd of hierbij betrokken is. Dat [eisende partij] door [gedaagde partij 3] bij de verdeling van de inboedel is vertegenwoordigd is door zowel [eisende partij] als [gedaagde partij 3] betwist. Nu deze gestelde vertegenwoordiging door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] op geen enkele manier is onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de boedelverdeling nietig is. Gelet op het voorgaande is de onder 1.c. door [eisende partij] gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar, maar zal de onder 2.a.2. gevorderde verklaring voor recht wel worden toegewezen.

4.10.

Zowel [eisende partij] als [gedaagde partij 3] gaat ervan uit dat inboedelgoederen geen economische waarde vertegenwoordigen. De rechtbank neemt daarom aan dat de economische waarde van de goederen nihil was. Uit randnummer 105. van de dagvaarding – bij de onderbouwing van het subsidiair gevorderde – blijkt dat [eisende partij] uit de inboedel wenst te ontvangen de balans/weegschaal met koperen gewichten (hierna: de balans/weegschaal), het koperwerk dat bij erflaatster in het zijraam heeft gestaan, alsmede een foto waarop [eisende partij] in een roze jurk en [gedaagde partij 3] in een blauwe jurk is te zien. De rechtbank begrijpt dat het [eisende partij] vooral gaat om de emotionele waarde die zij aan bovenstaande goederen hecht, en verstaat de vordering van [eisende partij] onder 2.b. aldus dat zij de bovenstaande inboedelgoederen wenst te ontvangen. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat onduidelijk is wat [eisende partij] bedoelt met het koperwerk en dat de foto van [eisende partij] en [gedaagde partij 3] hen niet bekend is. De balans/weegschaal kan getaxeerd worden en daar kan [eisende partij] haar aandeel in krijgen, aldus [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] . De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [eisende partij] had gelegen om haar vordering met betrekking tot het koperwerk verder te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Aangezien [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangegeven dat de foto hen niet bekend is, kan de rechtbank hen niet veroordelen tot afgifte van die foto. Een aantal inboedelgoederen is verkocht, waarvan de opbrengst in de verdeling zal worden meegenomen, en de overige inboedelgoederen – waarvan de waarde onbetwist gering is – zijn verdeeld onder [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] . Onder deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat de balans/weegschaal aan [eisende partij] wordt toebedeeld. [gedaagde partij 1] dan wel [gedaagde partij 2] dient de balans/weegschaal aan [eisende partij] af te geven. De overige inboedelgoederen worden toebedeeld aan [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] zoals zij die reeds bij de aanvankelijke verdeling onder zich hebben genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen, nu er geen aanleiding is te veronderstellen dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] niet aan de veroordeling zullen voldoen.

4.11.

Samenvattend zal de rechtbank ten aanzien van de inboedelgoederen en de verdeling van de sieraden de wijze van verdeling als volgt vaststellen:

Aan [eisende partij] komt toe:

  • -

    de balans/weegschaal,

  • -

    de gouden armband met kinderkopjes en een gouden trouwring,

Aan [gedaagde partij 3] komt toe:

  • -

    de verdere inboedelgoederen die zij bij de aanvankelijke verdeling heeft ontvangen,

  • -

    de gouden ring met initialen van erflaatster, een gouden kettinkje met hanger, twee gouden oorbellen en een horloge.

Aan [gedaagde partij 1] komt toe:

  • -

    de verdere inboedelgoederen die hij bij de aanvankelijke verdeling heeft ontvangen,

  • -

    de gouden herenarmband en een gouden trouwring,

Aan [gedaagde partij 2] komt toe:

  • -

    de verdere inboedelgoederen die zij bij de aanvankelijke verdeling heeft ontvangen,

  • -

    een gouden kettinkje met hanger, een horloge en een gouden ring met zwarte steen.

De erfdelen van erflater

4.12.

[eisende partij] (alsmede [gedaagde partij 3] ) stelt dat de erfdelen van erflater op een bedrag van

€ 89.520,50 moeten worden gewaardeerd. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] stellen dat zij niet kunnen controleren of die informatie klopt, en dat het niet relevant is omdat de vorderingen van de erfgenamen uit hoofde van de nalatenschap van erflater even groot zijn.

4.13.

De rechtbank overweegt dat het vaderlijk erfdeel relevant is voor de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, nu deze erfdelen nog niet aan de kinderen zijn uitgekeerd. De rechtbank stelt vast dat het bedrag van € 89.520,50 gebaseerd is op een berekening van de notaris (productie 7 van [eisende partij] ), waarbij vanuit het notariskantoor is aangegeven dat zij aan de hand van informatie aangeleverd door [gedaagde partij 1] een reconstructie hebben gemaakt. Met deze stand van zaken, en nu [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] de hoogte van het bedrag niet hebben betwist, zullen de erfdelen van erflater op een bedrag van € 89.520,50 worden gewaardeerd. Deze schulden aan [eisende partij] , [gedaagde partij 3] , [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] moeten als schulden van de boedel van erflaatster worden opgenomen. De vordering van [eisende partij] onder 3.A. zal worden toegewezen.

Zelfstandig gerechtig over de banksaldi van de ervenrekening?

4.14.

[eisende partij] vordert te bepalen dat zij zelfstandig gerechtigd is over de banksaldi van de ervenrekening te beschikken om feitelijk uitvoering te kunnen geven aan de voldoening van de schulden uit hoofde van het vooroverlijden van erflater dan wel om feitelijk uitvoering te kunnen geven aan de door de rechtbank te bepalen verdeling. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren verweer tegen deze vorderingen. [eisende partij] heeft de vorderingen niet onderbouwd, zodat de rechtbank de vorderingen onder 3.B. en 3.D. zal afwijzen.

4.15.

[eisende partij] vordert onder 3.C. dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van erflaatster zal vaststellen met inachtneming van, voor zover mogelijk, de inbreng van giften en de gedwongen schuldtoerekening als bedoeld in randnummers 101 t/m 107 van de dagvaarding en daarbij voor zover nodig [gedaagde partij 1] zal veroordelen tot terugbetaling aan de nalatenschap hetgeen hij nog aan de nalatenschap verschuldigd is. Voor de verdeling van de nalatenschap vastgesteld kan worden, zal de rechtbank eerst een oordeel moeten geven over eventuele giften en de gedwongen schuldtoerekening (althans de gepinde gelden).

Giften

4.16.

[eisende partij] stelt dat giften die erflaatster aan [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] of [gedaagde partij 3] (zowel voor als na 2003) heeft gedaan in de nalatenschap moeten worden ingebracht. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat erflaatster de trouwring en het horloge van erflater aan [gedaagde partij 1] heeft geschonken.

4.17.

Op 1 januari 2003 is het nieuwe Boek 4 van het BW in werking getreden. De inbrengverplichting is neergelegd in artikel 4:229 BW. De regeling verschilt van die uit artikel 4:1132 (oud) BW. Ingevolge artikel 69 OBW blijft het oude recht gelden voor de inbrengverplichtingen die bestaan ten opzichte van de nalatenschappen die voor

1 januari 2003 zijn opengevallen. In dit geval is zowel de nalatenschap van erflater als de nalatenschap van erflaatster na 2003 opengevallen, en dient het nieuwe recht te worden toegepast. Dit betekent dat erfgenamen verplicht zijn ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun door erflaatster gedane giften in te brengen voor zover erflaatster dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven. Niet gesteld of gebleken is dat erflaatster dit heeft voorgeschreven. [gedaagde partij 1] is dan ook niet gehouden tot inbreng van de trouwring en het horloge van erflater. [eisende partij] heeft niet gesteld, nog is dit gebleken, dat nog andere giften zijn gedaan.

De gepinde gelden

4.18.

[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij 1] in de jaren 2012 tot december 2018 pinopnamen met een totaal van € 170.000,00 vanaf de bankrekening van erflaatster heeft gedaan en dat deze gelden erflaatster niet ten goede zijn gekomen. [gedaagde partij 3] heeft zich bij deze stelling aangesloten. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] stellen dat er inderdaad gelden zijn gepind voor erflaatster door [gedaagde partij 1] en voornamelijk door de echtgenote van [gedaagde partij 1] maar dat alle gepinde gelden zijn afgedragen aan erflaatster. [eisende partij] stelt dat deze stelling een bevrijdend verweer is waarvan [gedaagde partij 1] de bewijslast heeft, en subsidiair heeft hij de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Ook ligt de bewijslast bij [gedaagde partij 1] omdat hij als beweerdelijk volmachtgever, lasthebber of opdrachtnemer inzake de pinopnames verplicht is daarover rekening en verantwoording af te leggen, aldus [eisende partij] .

Volmacht

4.19.

De raadsvrouwe van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] heeft ter zitting aangevoerd dat [gedaagde partij 1] een pinpas van erflaatster heeft meegekregen met de vraag of hij of zijn echtgenote voor haar wilde pinnen, zodat sprake is van een volmacht. Dit is niet betwist. Het verstrekken van een pinpas met een pincode aan een ander wordt in het algemeen gedaan met de bedoeling dat die ander daarvan namens de pashouder gebruik maakt. De rechtbank merkt het onder zich hebben van de pinpas en het kennis hebben van de daarbij behorende pincode aan als een volmacht van erflaatster aan [gedaagde partij 1] om over haar ING-betaalrekening te beschikken.

Rekening en verantwoording

4.20.

Begrijpt de rechtbank de stellingen van [eisende partij] ter zitting goed, dan stelt zij namens de nalatenschap dat [gedaagde partij 1] jegens de nalatenschap gehouden is tot het doen van rekening en verantwoording. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde partij 1] tegenover erflaatster verplicht was tot het doen van rekening en verantwoording is van belang of tussen hem en erflaatster een rechtsverhouding heeft bestaan krachtens welke hij jegens erflaatster verplicht was om zich omtrent de behoorlijkheid van zijn vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of het ongeschreven recht. De rechtsverhouding tussen erflaatster en [gedaagde partij 1] kenmerkte zich door de door erflaatster aan [gedaagde partij 1] verleende volmacht om ten laste van de ING-betaalrekening geld op te nemen. De enkele omstandigheid dat een volmacht is verleend, brengt niet met zich dat de gevolmachtigde rekening en verantwoording moet afleggen aan de volmachtgever of diens rechtsopvolgers. Of het doen van rekening en verantwoording verplicht is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aanleiding voor de volmacht, de verhouding tussen de volmachtgever en de gevolmachtigde, het gebruik in een familierelatie als de onderhavige, de mate waarin de volmachtgever zelfstandig kon handelen, de mate waarin de volmachtgever de handelingen van de gevolmachtigde kon overzien en voor zijn belangen kon opkomen en de aard en inhoud van de handelingen van de gevolmachtigde (zie ook Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2017 ECLI:NL:GHAMS:2017:1272).

4.21.

In de onderhavige zaak acht de rechtbank van belang dat tussen erflaatster en [gedaagde partij 1] sprake was van een familie- en vertrouwensrelatie van moeder tot zoon en dat in dergelijke relaties een volmacht als de onderhavige gebruikelijk is. In het kader van de mate waarin erflaatster de handelingen van [gedaagde partij 1] kon overzien en voor haar belangen kon opkomen is van belang dat partijen het eens zijn over de mentale toestand van erflaatster. Zij was tot op het laatste moment compos mentis. Daarmee staat vast dat erflaatster ten tijde van het verlenen van de volmacht en bij de uitoefening van de volmacht in staat was om haar wil te bepalen, zodat zij de handelingen van [gedaagde partij 1] heeft kunnen overzien en voor haar belangen heeft kunnen opkomen. Dat [gedaagde partij 1] het beheer over het vermogen van erflaatster heeft gevoerd is niet gesteld of gebleken. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat de bankafschriften door erflaatster zelf werden ontvangen en dat erflaatster in het bijzijn van [gedaagde partij 2] de afschriften controleerde. Ook dit is niet betwist. Niet gesteld of gebleken is dat erflaatster op enig moment [gedaagde partij 1] heeft verzocht rekening en/of verantwoording af te leggen.

4.22.

Ten aanzien van de aard en omvang van de pinopnamen zijn de volgende stellingen van partijen van belang. [eisende partij] stelt dat erflaatster, voor zover haar bekend, sober heeft geleefd en dat zij er fysiek slecht aan toe was. Een uitgavenpatroon van tuinduizenden euro’s aan pinopnames in een jaar is geen gebruikelijk uitgavenpatroon voor een vrouw van haar leeftijd en haar toestand. Ook is een groot gedeelte van de geldopnames gedaan in de omgeving van de woning van [gedaagde partij 1] in [woonplaats] . [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat erflaatster familieleden regelmatig geld heeft geschonken en dat zij verschillende motorvoertuigen voor rolstoelvervoer zelf heeft bekostigd. [gedaagde partij 2] heeft ter zitting aangevoerd dat boodschappen, kleding en schoeisel contant werden betaald en dat veel contanten naar materialen voor het opknappen van de woning en de tuin zijn gegaan. [eisende partij] heeft betwist dat erflaatster de gelden na afgifte heeft geschonken aan familieleden dan wel heeft besteed aan motorvoertuigen en het opknappen van haar woning en tuin.

4.23.

De rechtbank stelt voorop dat het in familierelaties als de onderhavige, waarbij de volmachtgeefster aan de gevolmachtigde het vertrouwen heeft gegeven om te beschikken over haar bankpas, past om enige terughoudendheid aan te nemen in het vaststellen van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door de gevolmachtigde. Deze terughoudendheid vindt evenwel een grens bij financiële handelingen die [gedaagde partij 1] ten behoeve van zichzelf heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster. De rechtbank is van oordeel dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor zulke financiële handelingen. Nu vaststaat dat erflaatster ten tijde van de verlening van de volmacht en bij de uitoefening van de volmacht in staat was om haar wil te bepalen, en zij bij leven geen aanleiding heeft gezien om [gedaagde partij 1] ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop hij met de volmacht is omgegaan, wordt aangenomen dat de door [gedaagde partij 1] gedane geldopnames met instemming van erflaatster zijn gedaan. De stelling van [eisende partij] dat de gelden [gedaagde partij 1] ten goede zijn gekomen en niet erflaatster, is onvoldoende gemotiveerd. Daar komt bij dat [eisende partij] niet heeft toegelicht hoe haar stelling zich verhoudt tot de onbetwiste stelling van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] dat erflaatster de bankafschriften in bijzijn van [gedaagde partij 2] controleerde. Een en ander leidt tot het oordeel dat [gedaagde partij 1] geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan de mede-erfgenamen van erflaatster.

Afgedragen gelden

4.24.

[eisende partij] stelt voorts dat de stelling van [gedaagde partij 1] dat hij de gepinde bedragen in zijn bezit heeft gehad en vervolgens aan erflaatster heeft afgegeven een bevrijdend verweer is. De rechtbank overweegt dat de stelling van [eisende partij] dat de pinopnames aan [gedaagde partij 1] ten goede zijn gekomen, in feite dezelfde is als de stelling dat [gedaagde partij 1] zich de opgenomen gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van deze stelling draagt [eisende partij] de bewijslast. [gedaagde partij 1] heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Uit vaste rechtspraak volgt dat – in de context van een vordering die gebaseerd is op een wederrechtelijke toe-eigening – de gemotiveerde ontkenning door de gedaagde van de gestelde toe-eigening niet kan worden aangemerkt als een bevrijdend verweer (zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal F.F. Langemeijer ECLI:NL:PHR:2012:BX9829 en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 2011 ECLI:NL:GHAMS:2011:1441). Het beroep dat [eisende partij] heeft gedaan op twee arresten van de Hoge Raad (in het kader van de bewijslast van de afdracht van gelden) maakt dit oordeel niet anders. Het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1776, NJ 2018/399, kan [eisende partij] niet baten omdat in die zaak een specifieke opdracht van een opdrachtgever aan een opdrachtnemer is gegeven, terwijl in de onderhavige zaak niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen erflaatster en [gedaagde partij 1] . Ook het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4390, NJ 2003, 690, met noot van W.D.H. Asser, kan [eisende partij] niet baten, omdat in die zaak nakoming werd gevorderd van een verplichting van de gevolmachtigde jegens de volmachtgeefster tot afdracht van de gelden, terwijl in de onderhavige zaak is gesteld dat de gevolmachtigde jegens de volmachtgeefster een onrechtmatige daad heeft begaan door zich de gelden wederrechtelijk toe te eigenen.

4.25.

[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde partij 1] zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend, omdat hij eenvoudig toegang moet hebben gehad tot het vermogen van erflaatster, een groot gedeelte van de geldopnames is gedaan in zijn woonplaats, hij na het overlijden van erflaatster de volledige regie van de afwikkeling van de nalatenschap op zich heeft genomen en hij [eisende partij] op meerdere fronten waaronder de verdelingen van vermogensbestanddelen heeft buitengesloten. Ook stelt [eisende partij] dat het onaannemelijk is dat de gelden ten goede zijn gekomen aan erflaatster. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat een groot gedeelte van de geldopnames is gedaan in de woonplaats van [gedaagde partij 1] , onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een onrechtmatigheid aan de kant van [gedaagde partij 1] . Daar komt bij dat de afstand tussen de woonplaats van [gedaagde partij 1] en de woonplaats van erflaatster slechts twaalf kilometer is en onbetwist is dat [gedaagde partij 1] dan wel zijn echtgenote erflaatster dikwijls bezocht. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben bovendien aangegeven waarvoor erflaatster volgens hen de gelden heeft besteed. De rechtbank is van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat erflaatster een groot gedeelte van de gepinde bedragen heeft besteed aan de aankoop van verschillende rolstoelvoertuigen, aan het onderhoud en de verbouwing van haar woning en de tuin en dat zij daarnaast een gedeelte heeft geschonken aan familieleden. Ook heeft de rechtbank in r.o. 4.2. overwogen dat zij ervan uitgaat dat een bedrag van € 29.000,00 onder [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] is verdeeld. Een contante som geld die bij erflaatster aanwezig was. Daartegenover staat dat [eisende partij] slechts heeft gesteld dat de gelden aan [gedaagde partij 1] ten goede zijn gekomen, maar daarvoor zijn in deze procedure geen concrete aanwijzingen gevonden. Dat [gedaagde partij 1] eenvoudig toegang heeft gehad tot het vermogen van erflaatster en dat hij de regie van de afwikkeling van de nalatenschap op zich heeft genomen, is, zo al juist, geen concrete aanwijzing dat hij zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend. De stellingen van [eisende partij] kunnen, zo al juist, niet tot het oordeel leiden dat sprake is van wederrechtelijke toeëigening van de gelden door [gedaagde partij 1] . Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde partij 1] (en [gedaagde partij 2] ) is het oordeel van de rechtbank dat [eisende partij] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, zodat aan bewijslevering ter zake niet wordt toegekomen. Nu een onrechtmatige gedraging aan de zijde van [gedaagde partij 1] niet is gebleken, zullen de vorderingen van [eisende partij] voor zover deze zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van [gedaagde partij 1] worden afgewezen.

4.26.

[eisende partij] stelt voorts dat sprake is van onverschuldigde betaling dan wel van ongerechtvaardigde verrijking. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, dient als uitgangspunt dat niet is gebleken van onrechtmatig handelen door [gedaagde partij 1] . De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Ook stelt [eisende partij] dat indien en voor zover [gedaagde partij 1] zou stellen dat sprake is van door erflaatster aan hem gedane schenkingen, die schenkingen vernietigbaar zijn. Nu [gedaagde partij 1] niet heeft aangevoerd dat sprake is van schenkingen, kan deze stelling van [eisende partij] hier onbesproken blijven. Voor zover de vorderingen van [eisende partij] gebaseerd zijn op onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking dan wel vernietigbare schenkingen, zullen de vorderingen dan ook worden afgewezen.

4.27.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eisende partij] onder 3.C. gedeeltelijk zal worden afgewezen, aangezien de rechtbank geen aanleiding ziet de gedwongen schuldtoerekening toe te passen. Immers, niet gebleken is dat van een schuld van [gedaagde partij 1] aan de nalatenschap sprake is. Daar komt bij, en de rechtbank wenst dit te benadrukken, dat [gedaagde partij 1] onweersproken heeft gesteld dat niet hij, maar zijn echtgenote het grootste gedeelte van de geldopnames heeft gedaan, terwijl zijn echtgenote niet in rechte door [eisende partij] is betrokken.

De verdere verdeling van de nalatenschap van erflaatster

4.28.

Allereerst moet worden beoordeeld of er een boedelbeschrijving is die als vertrekpunt kan gelden voor de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. [eisende partij] heeft in randnummer 53. van de dagvaarding een overzicht opgesteld van de vermogensbestanddelen die voor zover [eisende partij] bekend tot de nalatenschap horen. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben in randnummer 24. van de conclusie van antwoord een overzicht gegeven van hetgeen tussen de erven verdeeld dient te worden. De advocaat van [gedaagde partij 3] heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd waarin een overzicht is opgenomen van de boedelbestanddelen die er volgens [gedaagde partij 3] zijn. Nu de overzichten niet met elkaar overeenkomen, maar het overzicht van [gedaagde partij 3] de standpunten van alle partijen ten aanzien van alle genoemde boedelbestanddelen bevat, zal de rechtbank hierbij aansluiting zoeken. De boedelbestanddelen waar partijen het niet over eens zijn en waar de rechtbank nog niet op heeft beslist, zullen eerst besproken worden.

De ING betaalrekening [rekeningnr.]

4.29.

[eisende partij] stelt dat het saldo van de ING betaalrekening [rekeningnr.]

€ 339.706,06 is en [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] stellen dat het actuele saldo € 340.027,93 is. Op het door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] overgelegde afschrift van de betaalrekening (productie 3 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ) staat een saldo van € 339.706,06, zodat de rechtbank dit saldo als uitgangspunt zal nemen waarbij de rechtbank aantekent dat op dit saldo mogelijk nog kosten van de nalatenschap in mindering moeten worden gebracht.

De uitvaartkosten

4.30.

[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat [gedaagde partij 2] de uitvaartkosten van

€ 7.916,59 heeft voorgeschoten. [gedaagde partij 3] is ermee akkoord dat dit bedrag ten laste van de nalatenschap wordt gebracht. [eisende partij] heeft in eerste instantie de kosten betwist, maar zij heeft hierbij aangevoerd dit slechts te betwisten omdat [gedaagde partij 2] geen bewijsstukken heeft overgelegd. Nu [gedaagde partij 2] bij conclusie van antwoord (productie 4 van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ) facturen en betalingsbewijzen heeft overgelegd en [eisende partij] heeft aangevoerd dat deze kosten doorgaans door de nalatenschap worden gedragen, is de rechtbank van oordeel dat aan [gedaagde partij 2] een bedrag van € 7.916,59 toekomt.

De zorgkosten

4.31.

[gedaagde partij 2] vordert zorgkosten ten bedrage van € 20.000,00, omdat zij gedurende vijf jaar elke dinsdag naar erflaatster kwam om haar te verzorgen, en als er zorg ingekocht had moeten worden was dit een grote kostenpost geweest. [gedaagde partij 3] stelt dat voor een vergoeding geen ruimte is, aangezien zij van erflaatster heeft begrepen dat erflaatster een dergelijke vergoeding niet heeft willen geven. Voor zover [gedaagde partij 2] een beroep doet op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW is zij daarmee te laat. [eisende partij] stelt dat het niet gebruikelijk is in familieverhoudingen een (hoge) vergoeding te eisen voor zorg, dat de vordering van [gedaagde partij 2] niet is onderbouwd, en dat de vordering buitenproportioneel hoog is.

4.32.

De rechtsgrond voor de vordering van [gedaagde partij 2] kan slechts worden gevonden in artikel 4:36 BW (de som ineens). De rechtbank stelt vast dat door [gedaagde partij 2] een declaratie is verstuurd ten bedrage van € 20.000,00 gericht aan de familie, waarbij zij schrijft: “Onkostenvergoeding en zorg gedurende 5 jaar verleend aan Mevr. [erflaatster] (erflaatster, rb)” (productie 5 van [eisende partij] ). Deze declaratie is een aantal weken na het overlijden van erflaatster verzonden, zodat [gedaagde partij 2] tijdig aanspraak heeft gemaakt op de som ineens. Derhalve dient de rechtbank te beoordelen of [gedaagde partij 2] hierop aanspraak kan maken. Een van de criteria om een geslaagd beroep te doen op de som ineens is dat er sprake moet zijn van (langdurige) arbeid althans zorg. Dat [gedaagde partij 2] gedurende langere tijd een dag in de week voor erflaatster heeft gezorgd staat tussen partijen vast. Of dit gedurende twee jaar of gedurende vijf jaar plaatsvond, is tussen partijen in geschil. Op grond van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak bestaat niet snel aanleiding voor een vergoeding als door [gedaagde partij 2] gevorderd. Een erfgenaam heeft slechts onder bijzondere omstandigheden een aanspraak op de som ineens. De som ineens heeft betrekking op werkzaamheden die redelijkerwijze beloond dienen te worden wegens een verlies van de mogelijkheid om een eigen arbeidsinkomen te verwerven en een eigen carrière op te bouwen. Zonder een dergelijk verlies moet al licht worden aangenomen dat sprake is van vrijwillig op zich genomen werkzaamheden die in het economisch en maatschappelijk verkeer niet plegen te worden beloond (zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8647). Door [gedaagde partij 2] is niet gesteld, noch is hiervan gebleken, dat zij door haar handelen in een financieel ongunstiger positie is geraakt. Tegen deze achtergrond hebben de verrichte werkzaamheden veeleer het karakter van vrijwilligerswerk of werk uit naastenliefde dan van arbeid dat – naar huidige objectieve en maatschappelijke maatstaven – niet voor beloning in aanmerking komt.

4.33.

Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden, waarbij tevens in aanmerking wordt genomen de omvang van het geschil dat een beperkt aantal jaren omvat, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde partij 2] geen aanspraak kan maken op uitkering van een som ineens.

De overige boedelkosten

4.34.

[eisende partij] heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 552,18 (akte overlegging productie 20 van [eisende partij] ) heeft voorgeschoten ter zake van de gemeentelijke belastingen. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben aangevoerd dat [gedaagde partij 1] een bedrag van € 3.744,80 heeft voorgeschoten, welke kosten uit de boedel aan hem betaald dienen te worden. Nu geen van de partijen de opgevoerde kosten heeft betwist, komt aan [eisende partij] een bedrag van € 552,18 toe, en aan [gedaagde partij 1] een bedrag van € 3.744,80.

4.35.

Met inachtneming van al hetgeen in dit vonnis is overwogen en beslist zal de rechtbank de omvang van de nalatenschap van erflaatster als volgt vaststellen:

Activa

  • -

    de ING betaalrekening [rekeningnr.] met een saldo van € 339.706,06 (minus eventuele kosten)

  • -

    de [rekeningnr.] met een saldo van € 321,87

  • -

    de inboedel waarde nihil

  • -

    de sieraden waarde onbekend

  • -

    de verkoopopbrengsten van de roerende zaken ten bedrage van € 1.005,00, vermeerderd met de opbrengst van de verkoop van de auto van erflaatster zoals ter zitting verklaard door [gedaagde partij 1] )

Totaal activa: € 341.032,93. + PM

Passiva

  • -

    de erfdelen van vader ten bedrage van € 89.520,50

  • -

    de schuld aan [gedaagde partij 2] ter zake van de uitvaartkosten ten bedrage van € 7.916,59

  • -

    de schuld aan [gedaagde partij 1] ter zake van de overige boedelkosten ten bedrage van € 3.744,80

  • -

    de schuld aan [eisende partij] ter zake van de overige boedelkosten ten bedrage van € 552,18

Totaal passiva: € 101.734,07

Zuiver saldo nalatenschap € 239.298,86

4.36.

[gedaagde partij 1] heeft ter zitting verklaard dat de auto van erflaatster is verkocht voor een bedrag van € 600,00. Hiervan ontbreekt onderbouwing en namens [gedaagde partij 3] is aangevoerd dat de verkoopwaarde zoals gerealiseerd dient te worden betrokken in de verdeling. Dit leidt ertoe dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] in de gelegenheid worden gesteld om – tegelijk met de akte ter zake de waarde van de sieraden – zich onderbouwd uit te laten over de gerealiseerde verkoopopbrengst van de auto van erflaatster. De overige partijen krijgen vervolgens gelegenheid hierop te reageren.

Gezien de onbekende waarde van de opbrengst van de inboedel en de waarde van de sieraden kan de rechtbank nog niet overgaan tot vaststelling van de wijze van verdeling. De zaak zal naar de rol van 2 juni 2021 worden verwezen voor akte uitlating partijen over de waarde van de sieraden zoals overwogen in r.o. 4.7. waarbij [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zich eveneens dienen uit te laten zoals hiervoor vermeld.

4.37.

Behoudens de verwijzing naar de rol voor uitlating zal de rechtbank iedere andere of verdere beslissing aanhouden, zodat de beslissing in deze zaak bij eindvonnis zal worden genomen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak op de rol van 2 juni 2021 zal komen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten zoals overwogen in r.o. 4.7 en r.o. 4.36,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op

19 mei 2021.

FP | MS