Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2021:2501

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
C/05/387202 FZ RK 21-1215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beroep ingesteld tegen klacht: deels gegrond verklaard

Beroep ingesteld op grond van art. 10:7 Wvggz ter verkrijging van een beslissing over een klacht. De klacht richt zich deels op het feit dat verplichte zorg is verleend zonder dat een uitvoeringsbeslissing ex 8:9 WvGGZ is afgegeven. Dit deel van de klacht wordt gegrond verklaard met toewijzing van schadevergoeding ex art. 10:11 Wvggz. Daarnaast richt de klacht zich ook op de alsnog gegeven uitvoeringsbeslissingen die naar de mening van verzoeker onterecht zijn gegeven. Dit deel van de klacht wordt ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/387202 FZ RK 21-1215

Datum uitspraak:19 mei 2021

Beschikking beroep tegen klachtenprocedure

ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend bij de klachtencommissie op 2 maart 2021.

[naam 1] ,

hierna te noemen: verzoeker

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende en verblijvende te [ naam instelling 1] ,

advocaat mr. M. Broersma te Putten,

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [naam 1] , verzoeker

- [naam instelling 2] , zorgaanbieder, verweerder

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift ex artikel 10:7 lid 1 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 23 april 2021;

- de uitspraak van de regionale klachtencommissie van 17 maart 2021 (mondelinge uitspraak 15 maart 2021), ontvangen op 28 april 2021, en

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 6 mei 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2021, telefonisch en via beeldbellen.

Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en zijn gehoord:

- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam 2] , als jurist gezondheidsrecht verbonden aan [naam instelling 2] , en

- [naam 3] , als psychiater verbonden aan [naam instelling 2] .

2 De feiten

2.1.

Aan verzoeker kan verplichte zorg worden verleend krachtens de beschikking van de rechtbank van 10 november 2020, geldend tot en met uiterlijk 9 november 2021. In de zorgmachtiging zijn de volgende vormen van verplichte zorg opgenomen:

- Het toedienen van vocht, voeding en medicatie, als mede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen, voor de duur van twaalf maanden;

- Het beperken van de bewegingsvrijheid, voor de duur van drie maanden;

- Het aanbrengen van beperking in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, voor de duur van twaalf maanden, en

- Het opnemen in een accommodatie, voor de duur van drie maanden.

2.2.

De zorgverantwoordelijke heeft op 2 februari 2021 een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg, inhoudende “het aanbrengen van beperking in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.” De geneesheer-directeur heeft verzoeker op 2 februari 2021 schriftelijk geïnformeerd over de beslissing van de zorgverantwoordelijke.

2.3.

De zorgverantwoordelijke heeft op 5 februari 2021 een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg, inhoudende “het toedienen van gedwongen medicatie”. De geneesheer-directeur heeft verzoeker op 5 februari 2021 schriftelijk geïnformeerd over de beslissing van de zorgverantwoordelijke.

2.4.

Verzoeker heeft bij brief van 2 maart 2021 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de verplichte vormen van zorg. De klachtencommissie heeft op 17 maart 2021 de klacht ongegrond verklaard.

2.5.

Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 26 april 2021 de rechtbank ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz verzocht de bestreden uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen en zijn klachten alsnog gegrond te verklaren. Ook heeft verzoeker gevraagd om een schadevergoeding toe te kennen ex artikel 10:11 lid 2 Wvggz.

3 De standpunten van partijen

De verzoeker

3.1.

Verzoeker stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het zorgaanbod niet aansluit bij zijn zorgbehoefte. Verzoeker is ontevreden over de zorgverlening van [ naam instelling 1] . Hij stelt dat de zorg die verband houdt met zijn lichamelijke handicap eerst moet worden opgepakt en dat hij, wanneer hiervoor de juiste zorg wordt verleend, er geen psychische problemen zijn. Verzoeker geeft aan dat de indicatie van [ naam instelling 1] niet op zijn plaats is en dat hij de beloofde zorg de afgelopen vier jaar steeds niet heeft gehad.

Ten aanzien van de verplichte zorg middels het toedienen van medicatie te weten depakine, verklaart de advocaat van verzoeker als volgt. In de periode van november 2020 tot 5 februari is verplichte zorg ten aanzien van medicatie uitgevoerd zonder dat de zorgverantwoordelijke daarover een uitvoeringsbeslissing heeft genomen. Verzoeker is niet schriftelijk gemotiveerd in kennis gesteld van de uitvoering van deze verplichte zorg in die periode. Ook is hij niet gewezen op de klachtwaardigheid. Pas op 5 februari 2021 is verzoeker gewezen op deze mogelijkheid en is de uitvoeringsbeslissing genomen en uitgereikt. Verzoeker is van mening dat dit besluit tot dwangmedicatie in strijd is met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Verzoeker was bereid de medicatie in eigen beheer vrijwillig in te nemen. Verzoeker was alleen niet bereid daarvoor een instemmingsverklaring te tekenen. Verzoeker dacht dat hij met een instemmingsverklaring tevens instemming zou geven voor zijn verblijf bij [ naam instelling 1] , terwijl hij niet tevreden is over de zorg.

Ten aanzien van de verplichte zorg middels het aanbrengen van beperking in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, verklaart de advocaat als volgt. In de periode voor de uitvoeringsbeslissing zijn zijn laptop en telefoon meermalen ingenomen. Dit had niet gemogen zonder een uitvoeringsbeslissing. De uitvoeringsbeslissing ten aanzien van deze verplichte zorg is aan verzoeker uitgereikt op 2 februari 2021. Op 19 februari is de laptop en telefoon van verzoeker in beslag genomen. Verzoeker is van mening dat hij zich aan de gestelde afspraken heeft gehouden rondom het gebruik van de communicatiemiddelen. Dit maakt dat het besluit tot inname van de communicatiemiddelen in strijd is met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Verzoeker wil dat de bestreden beslissing wordt vernietigd en dat zijn klachten alsnog gegrond worden verklaard. Voorts wordt verzocht om een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid toe te kennen.

De klachtencommissie

3.2.

Vooropgesteld oordeelt de klachtencommissie dat zij niet bevoegd is om een oordeel te geven over de klachten van verzoeker over de zorgverlening bij [ naam instelling 1] . De klachtencommissie stelt zich op het standpunt dat de formele aspecten van de verplichte zorg en de beslissingsbrieven van 2 februari 2021 en 5 februari 2021 voldoen aan de wettelijke vereisten die hiervoor zijn gesteld. Ten aanzien van de klacht die ziet op “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” stelt de klachtencommissie zich op het standpunt dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke om tot verplichte zorg over te gaan voldoet aan de criteria van doelmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid en dat daarom aan het gestelde criterium van artikel 8:9 onder a. Wvggz is voldaan. Ten aan zien van de klacht dat ziet op “het toedienen van gedwongen medicatie” stelt de klachtencommissie zich eveneens op het standpunt dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke om tot verplichte zorg over te gaan voldoet aan de criteria van doelmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid en dat daarom aan het gestelde criterium van artikel 8:9 onder a. Wvggz is voldaan.

De verweerder

3.3.

[verweerder] verzoekt primair de klachten ongegrond te verklaren nu de zorgverantwoordelijke en de geneesheer-directeur niet in strijd hebben gehandeld met de Wvggz. In navolging daarvan verzoekt [verweerder] de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. In het verweerschrift is dit nader toegelicht. Voor zover nodig worden hierop bij de beoordeling nader ingegaan.

Subsidiair verzoekt [verweerder] de rechtbank voor zover de klachten geheel of gedeeltelijke gegrond worden verklaard het verzoek om schadevergoeding af te wijzen nu onderbouwing van de schade en het causale verband tussen eventuele schade en normschending ontbreekt.

4. De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het landelijk beleid van de Rechtspraak dat het niet is toegestaan de accommodatie waar verzoeker verblijft te bezoeken. Dit levert voor verzoeker en de medebewoners en verzorgers een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Datzelfde geldt voor de medewerkers van de rechtbank, alsook voor bewoners en verzorgers van overige accommodaties indien van dit beleid zou worden afgeweken. Om die reden is besloten verzoeker via beeldbellen te horen.

4.2.

Op grond van artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan betrokkene een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over een klacht.

4.3.

De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van betrokkene heeft betrekking op een beslissing die valt onder lid f.

4.4.

Op grond van artikel 8:9 Wvggz mag de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing nemen tot het verlenen van verplichte zorg. De zorgverantwoordelijke kan dit alleen doen indien hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Bij de uitvoering van een zorgmachtiging worden van de verplichte zorg de proportionaliteit en subsidiariteit, waaronder begrepen de verplichte zorg in ambulante omstandigheden, alsmede de doelmatigheid en veiligheid beoordeeld (artikel 2:1, lid 3, Wvggz).

4.5.

Op grond van artikel 10:11 lid 2 Wvggz, kan bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:3 eerste lid verzoeker bij de rechter tevens om een schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek van 27 april 2021 binnen de termijn van zes weken van artikel 10:3 lid 2 Wvggz is ingediend, zodat het verzoek ontvankelijk is.

Periode waarop de klacht betrekking heeft

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat de oorspronkelijke klachten van verzoeker zien op de periode vanaf de zorgmachtiging te weten 10 november 2020 tot indiening van de klacht op 2 maart 2021. Dit valt af te leiden uit de omschrijving van de handgeschreven klacht (productie 2 bij verzoek) waarin verzoeker onder meer aangeeft:

  • -

    dat zijn zorgmachtiging is afgegeven op 20 november 2021,

  • -

    dat zijn medicatie onder toezicht werd uitgereikt en vanaf het begin verplicht was,

  • -

    dat hij op 2 februari een brief kreeg over de verplichte medicatie en ook over de inname van communicatiemiddelen, en

  • -

    dat hij tegen de hele gang van zaken een klacht indient.

Ook uit de notitie van de patiëntvertrouwenspersoon (productie 2 bij verzoek, punt 1 en 2) volgt dat de klacht zich richt tegen de gehele periode. Daarin wordt genoemd dat de klachten zich richten tegen zorg die wordt toegepast sinds 10 november 2020.

De zorgaanbieder en zorgverantwoordelijke waartegen de klacht zich richt

4.8.

Het FACT-team [plaats] van [naam instelling 2] is betrokken voor de uitvoering van de zorgmachtiging. Dit blijkt onder meer uit het verweerschrift onder punt 7. De rechtbank merkt daarom [naam instelling 2] aan als de zorgaanbieder en daarmee als verweerder. Dat de functie van zorgverantwoordelijke in de periode voor februari 2021 feitelijk door een andere psychiater dan psychiater [naam 3] is in ingevuld, maakt dit niet anders. De verantwoordelijkheid van de zorg kan gekoppeld worden aan de functie als zodanig en niet aan de persoon die deze functie vervult. De rechtbank is daarom van oordeel dat de klachtencommissie wel bevoegd was om te oordelen over de periode vanaf 10 november 2020 dus niet pas vanaf de uitvoeringsbeslissingen. Daarmee acht de rechtbank zichzelf ook bevoegd hierover te oordelen ex 10:7 lid 1 Wvggz.

De inhoud van de klacht: in de periode voorafgaand aan de uitvoeringsbeslissingen

4.9.

Op grond van het omvangrijke dossier en de toelichting ter zitting begrijpt de rechtbank de klacht van verzoeker vervolgens zo dat hij over de periode tussen 20 november 2020 tot aan 2 en 5 februari 2021 klaagt over het feit dat hij twee vormen van verplichte zorg moest ondergaan terwijl geen uitvoeringsbeslissing ex artikel 8:9 Wvggz is genomen. Een klacht indienen tegen het niet geven van een uitvoeringsbeslissing is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk op grond van artikel 10:3 Wvggz. Dit artikel ziet namelijk onder meer op ‘de nakoming van een verplichting of beslissing’ op grond van artikel 8:9 Wvggz.

4.10.

Medicatie

Ten aanzien van de verplichte zorg “toedienen van medicatie” oordeelt de rechtbank als volgt. Verzoeker heeft tussen 20 november 2020 en 4 februari medicijnen gebruikt. Kennelijk in eerste instantie zowel depakine als olanzapine maar op enig moment alleen nog depakine. Er bestaat onduidelijkheid over de duur en de omstandigheden waaronder verzoeker de medicijnen heeft gebruikt. Zo is gebleken dat verzoeker de medicatie een deel van de tijd in eigen beheer had maar is in het verweerschrift ten behoeve van de klachtzitting te lezen dat verzoeker op 2 februari 2021 aangeeft ‘de medicatie weer in eigen beheer te willen hebben zoals dat eerder ook het geval was’ en dat sprake is van een zekere mate van protest. De rechtbank overweegt verder dat uit de stukken en toelichting ter zitting blijkt dat verzoeker vrijwel voortdurend in de weerstand is geweest. Verslaglegging over de medicatieverstrekking en de afspraken met verzoeker hierover in de periode voor 4 februari 2021 ontbreken, waar dit wel op de weg van de zorgaanbieder en/of zorgverantwoordelijke had gelegen om hierover inzicht te geven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater aangegeven dat de uitspraken die verzoeker begin februari deed voor hem maakten dat een uitvoeringsbeslissing vereist was nu – zo begrijpt de rechtbank – geen sprake was van werkelijke vrijwilligheid. Dat dit in de periode voor de uitvoeringsbeslissing wezenlijk anders is geweest, is de rechtbank niet gebleken.

Alles concluderende overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken van vrijwilligheid in de periode tussen 10 november 2020 en 4 februari 2021 en dat daarom een uitvoeringsbeslissingen had moeten worden genomen. Gelet hierop zal de rechtbank dit deel van de klacht gegrond verklaren.

4.11.

Laptop en telefoon

Ten aanzien van de verplichte zorg “het aanbrengen van beperking in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” oordeelt de rechtbank als volgt. In de periode voor 2 februari 2021 zijn de laptop en de telefoon van verzoeker ingenomen. Vast staat dat verzoeker het hier niet mee eens is terwijl dit wel noodzakelijk was ter voorkoming van ernstig nadeel. De zorgverantwoordelijke had daarom een uitvoeringsbeslissing moeten nemen. Dit is ook erkent en aan verzoeker is excuus aangeboden. Dit laatste kan echter niets afdoen aan de juridische beoordeling van de klacht. Nu de vereiste uitvoeringsbeslissing ontbrak, zal de rechtbank dit deel van de klacht gegrond verklaren.

De inhoud van de klacht: in de periode na de uitvoeringsbeslissingen

4.12.

De rechtbank stelt op basis van het besluit van 2 februari 2021 en 5 februari 2021 verder vast dat de zorgverantwoordelijke zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van verzoeker, met verzoeker over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd en dat er overleg is gevoerd met de geneesheer-directeur.

4.13.

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 10 november 2020, waarin ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging is verleend. In deze beschikking heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van ernstig nadeel voortvloeiend uit de psychische stoornissen. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker verplichte zorg nodig heeft om dit nadeel af te wenden, waaronder “het toedienen van medicatie” en “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen”, Tevens is geoordeeld dat deze zorg evenredig en naar verwachting effectief is en dat geen minder bezwarende alternatieven voorhanden zijn die hetzelfde effect hebben.

4.14.

Medicatie

In het verweerschrift bij de klachtencommissie beschrijft de psychiater dat hij zich op 2 februari 2021 op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van verzoeker en hem heeft onderzocht. Verzoeker bleek prikkelbaar en geagiteerd, wilde wel medicatie gebruiken maar alleen in eigen beheer. Uit de voortgangsrapportage van [naam instelling 2] blijkt duidelijk dat verzoeker na 10 november 2020 vrijwel continue in weerstand is tegen de plek waar hij woont en de zorg die hij geleverd krijgt. Hij kan vrijwel nergens anders over praten en heeft weinig tot geen ziekte-inzicht of besef. Verzoeker heeft ook ter zitting zijn onvrede geuit. Uit zowel de voortgangsrapportage als het verweerschrift bij de klachtcommissie blijkt verder dat uitleg over de (vormen van) zorg en pogingen om nader tot elkaar te komen, tot nu tot weinig hebben opgeleverd. Verzoeker wijst zorg af en stelt zich weinig begeleidbaar op. Bij oplopende spanningen kan verzoeker verbaal heftig en agressief reageren. Hij weigert dan de benodigde medische zorg en zijn zelfzorg schiet te kort. Hij protesteert tegen zorg die anders is dan de vorm die hij voor ogen heeft. Medicatie is nodig om het disruptieve en impulsieve gedrag van verzoeker te beperken en het bieden van de noodzakelijke zorg mogelijk te maken en zo ernstig nadeel te voorkomen. Verzoeker werd gevraagd een instemmingsverklaring te tekenen, hetgeen de rechtbank gezien de weerstand van verzoeker een reële eis acht. Verzoeker wilde deze uiteindelijk niet tekenen ondanks uitleg van de psychiater hierover. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de psychiater op goede gronden en conform de toetsingscriteria van artikel 8:9 Wvggz de uitvoeringsbeslissing heeft genomen.

De rechtbank zal daarom het deel van de klacht dat ziet op de verplichte medicatie in de periode na de uitvoeringsbeslissing ongegrond verklaren.

4.15.

Laptop en telefoon

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verzoeker zich na 10 november 2021 met regelmaat niet hield aan de afspraken omtrent het gebruik van telefoon en laptop. Hij verspreidde privacygevoelige informatie van anderen. Daarmee is sprake van het overschrijden van grenzen van de persoonlijke levenssfeer van anderen evenals bijvoorbeeld het oproepen van agressie bij anderen. Zoals eerder omschreven, zijn de nodige pogingen gedaan om in samenwerking te komen met verzoeker maar is dit niet gelukt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beperking in het gebruik van laptop en telefoon een proportioneel middel was ter afwending van ernstig nadeel en daarmee ook dat de psychiater op goede gronden en conform de toetsingscriteria van artikel 8:9 Wvggz de uitvoeringsbeslissing heeft genomen. Over de datum van 19 februari overweegt de rechtbank ten overvloede dat uit de voortgangsrapportage (onder meer p. 17) en de toelichting ter zitting van de psychiater blijkt dat betrokkene zich in de periode tot 22 februari 2021 opnieuw niet aan de afspraken hield.

De rechtbank zal daarom het deel van de klacht dat zich richt op de inname van de laptop en telefoon in de periode na de uitvoeringsbeslissing ongegrond verklaren.

Verzoek tot schadevergoeding

4.16.

Met het horen van de zorgverantwoordelijke en de jurist gezondheidsrecht van [naam instelling 2] is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de hoorplicht als genoemd in artikel 10:11 lid 3 Wvggz.

4.17.

Ten aanzien van het verzoek om een schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. De wetgever heeft met artikel 10:12 Wvggz een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding door een belanghebbende. Eisen ten aanzien van onderbouwing of causaal verband worden niet concreet gesteld. Om die reden stelt de rechtbank geen hoge eisen aan het bewijs van schade, als maar voldoende aannemelijk is dat er schade is. De rechtbank betrekt daarbij dat de regeling zoals deze gold onder de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen ook een laagdrempelige regeling bevatte. Niet blijkt dat de wetgever met deze regeling en de daaruit gegroeide praktijk heeft willen breken.

4.18.

Doordat geen uitvoeringsbeslissing is genomen over twee vormen van verplichte zorg is verzoeker niet tijdig op de hoogte gesteld van de klachtmogelijkheden en de mogelijkheden van advies en bijstand door de patiënt- en familievertrouwenspersoon. Daarmee is het hem bemoeilijkt om zijn rechtspositie te verwezenlijken. Gezien de grote onvrede bij verzoeker over de gehele gang van zaken acht de rechtbank het aannemelijk dat hij hierdoor schade heeft geleden. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van schade die naar billijkheid is vastgesteld op € 125,- per vorm van verplichte zorg waarvoor geen uitvoeringsbeslissing is gegeven. Nu dit tweemaal is gebeurd, betekent dit dat het bedrag op € 250,- wordt vastgesteld.

4.19.

In de periode tussen 10 november 2021 en 2 februari 2021 heeft verzoeker zijn laptop en telefoon meermalen moeten missen zonder dat daaraan een uitvoeringsbeslissing ten grondslag lag. Hij kon zonder laptop en telefoon geen contact leggen met de buitenwereld en ook zijn familie kon hem niet bereiken, zo geeft hij zelf aan en zo blijkt uit de voortgangsrapportage. Verzoeker was het hier niet mee eens. Het is aannemelijk dat verzoeker hierdoor schade in de vorm van frustratie, boosheid en ongemak heeft ervaren. Dat de inname van de telefoon en de laptop op zichzelf mogelijk gerechtvaardigd waren door het schadelijke gedrag van verzoeker, maakt dit niet anders nu de juridische grondslag voor de inname ontbrak en dit is wat ter toetsing voorligt bij de rechtbank.

Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van de schade. De rechtbank kan op basis van de stukken niet vaststellen hoe vaak en hoe lang de laptop en telefoon zijn ingehouden in de periode voor de uitvoeringsbeslissing. Daarom zal de rechtbank een éénmalige schadevergoeding vaststellen over de periode tussen 10 november 2020 en 2 februari 2021. Dit is – afgerond naar boven in het voordeel van verzoeker – drie maanden. De rechtbank stelt naar billijkheid een bedrag vast van € 100,- per maand zodat het totaal uitkomt op € 300 ,-.

4.20.

Tot slot heeft verzoeker een periode medicatie gebruikt zonder uitvoeringsbeslissing. Op geen enkele wijze is gebleken is dat verzoeker hierdoor schade heeft geleden, en de rechtbank acht dit zonder nadere onderbouwing ook niet aannemelijk. Daarom zal hiervoor geen schadevergoeding worden toegekend.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1.

Vernietigt de beslissing van de klachtcommissie voor zover die ziet op de periode voor de uitvoeringsbeslissingen;

5.2.

Verklaart dat deel van de klacht gegrond voor zover deze ziet op de periode voor de uitvoeringsbeslissingen;

5.3.

Bepaalt dat deze beslissing in de plaats komt van beslissing van de klachtcommissie voor zover deze ziet op de periode voor de uitvoeringsbeslissingen;

5.4.

Verklaart dat deel van de klacht ongegrond voor zover deze ziet op de periode na de uitvoeringsbeslissingen;

5.5.

Veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 550,- aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.G.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van A. van de Wardt, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.